Arne Danielsen

Arne Danielsen (1955) is een Noors journalist en schrijver. Hij groeide op in Oost-Oslo (Tøyen/Grønland) en was o.a. trambestuurder, redacteur, auteur, informatiedirecteur, freelance journalist en fotograaf. Hij is ook een van de oprichters van de Vålerenga Schaakclub en is zelf een ervaren schaker..

Danielsen heeft veel geschreven over de geschiedenis van het vakbonds-, bedrijfs-, openbaar vervoers- en schoolleven in Oslo.

Over zijn lievelingsschrijvers zei hij het volgende:

Drie belangrijke inspiratiebronnen: Roy Jacobsens Sierherrene, Lars Saabye Christensens Beatles en Gudmund Vindlands Villskudd. Voor de rest hou ik veel van een aantal schrijvers uit het interbellum; Steinbeck, Upton Sinclair, Jack London, Erich Maria Remarque, Arthur Omre, Ivar Lo Johansson, Martin Andersen Nexø og Vainø Linnä e.d. −”Misschien komt het omdat hun literatuur toen ging over en geschreven was voor gewone mensen” (forfatterforbundet.no, 22.05.2023)

Åttenderaden

Danielsens boek over Magnus Carlsen werd in het Nederlands vertaald.

Is schaken een sport? Voor Arne Danielsen in elk geval wel: in zijn boek Mesteren (2010) (ondertitel: “Magnus Carlsen og sjakkspillet”) noemt hij de schaakprestaties van zijn onderwerp

De grootste sportprestatie in de Noorse geschiedenis (vertaling Kor de Vries)

Elders in het boek omschrijft hij schaken als

een mentale vechtsport (vertaling Kor de Vries)

Magnus Carlsen zelf is voorzichtiger. Op de vraag

Zie je schaken ook als een vorm van sport? (vertaling Kor de Vries)

antwoordt hij

Dat weet ik niet. Ik heb wel een praktische instelling tijdens een partij, waarin het het belangrijkste is om je tegenstander te verslaan, maar ik weet niet of je het om die reden een sport kunt noemen. (vertaling Kor de Vries)

In de eerste hoofdstukken van het boek is het biografische element het sterkst aanwezig. Daar gaat het o.a. over de manier waarop de jonge Magnus door zijn ouders (en vooral door zijn vader Henrik) begeleid wordt en over de stimulerende invloed die het toenmalige Noorse schaakmilieu op hem uitoefent.

Wat daarna volgt is hoofdzakelijk een chronologisch overzicht van Carlsens weg naar de top van de internationale schaakwereld, geïllustreerd aan de hand van zijn prestaties in een groot aantal toernooien. De echte top bereikt hij in 2009, mede dankzij de coaching van de voormalige nummer één Kasparov. Danielsen zorgt wel voor wat afwisseling in wat anders een nogal monotoon relaas zou worden door het toevoegen van anekdotes en wetenswaardigheden uit de schaakwereld. Zo komt de lezer o.a. te weten dat Ivan Tsjeparinov

de eerste – en misschien de enige – speler in de geschiedenis [zou] zijn van wie een partij verloren werd verklaard omdat hij weigerde zijn tegenstander de hand te schudden (vertaling Kor de Vries)

en is er het verhaal van de zogenaamde schaakmachine De Turk.

Gabrielsens boek heeft een wat hybride karakter. De niet-schaker, die vooral geïnteresseerd is in de mens Magnus Carlsens, wordt met heel wat technische uitleg geconfronteerd. Een voorbeeldje:

de klassieke Cambridge Springsvariant in het damegambiet. Zwart wil de penning van het koningspaard kwijtraken door de dame in het spel te brengen en tegelijkertijd wil hij de druk van de diagonaal a5-e1 benutten omdat de witte loper op zwart zich voor de pionnen bevindt en zich niet kan terugtrekken. De variant bevat ook een val. Als wit zo stom is de loper naar d3 te brengen, kan zwart een pion slaan op c4 en zouden plotseling beide witte lopers tegelijk “hangen”  (vertaling Kor de Vries)

Je moet waarschijnlijk iets meer dan gemiddeld geïnteresseerd zijn in schaken om dit boek optimaal te kunnen benutten

schreef Jan-Erik Østlie (frifagbevegelse.no, 04.02.2014)

Wie meer wil weten over de schaker Magnus Carlsen, zal dan wellicht ontgoocheld zijn omdat volledige partijenweergaven en diagrammen ontbreken.

Een overzicht van Carlsens mooiste partijen tot nu toe (met notatie van de zetten) is niet opgenomen.

was ook een van de punten van kritiek van Kees de Groot (Reformatorisch Dagblad, 17.03.2015). Hij schreef ook dat Arne Danielsen

duidelijk een fan van Carlsen [is]. Dat zet zijn objectiviteit onder druk. Kritiek komt er niet of nauwelijks aan bod; aan mindere prestaties van de schaker geeft Danielsen steeds een opvallend positieve draai. Opmerkelijk is verder dat in een boek over een grootmeester in het internettijdperk links naar interessante websites ontbreken.

Boek over nog levende personen raken vaak vlug verouderd. Dat is ook hier het geval. Alles wat zich na 2010 (het publicatiejaar van de oorspronkelijke Noorse uitgave) gebeurde, blijft natuurlijk onvermeld. Dat geldt o.a. voor de herrie tussen Carlsen en Niemann:

Carlsen-Niemann dispute: foto chessbase.com

In 2015 publiceerde Danielsen overigens een geüpdate versie van zijn boek. (De voorpaginafoto toont Carlsen nadat hij in het zwembad van het Hyatt Regency in Chennai – het vroegere Madras in India − gegooid werd na het behalen van de wereldtitel):

Arne Danielsen, Magnus Biografie van een grootmeester, vertaald door Kor de Vries, Amsterdam (Uitgeverij Thomas Rap), 2014      ISBN 978-94-004-0039-9


Åttenderaden **½ (2002) was Danielsens debuut als romanschrijver. Het is een coming-of-age-roman die zich afspeelt in de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw. De verteller, die achtereenvolgens de bijnamen “Kælven” (verwijst naar zijn manier van lopen), “Herold” (een verwijzing naar het merk van zijn fiets) en “Ernst” (met o.a. een link naar Che Guevara) op zich geplakt krijgt, groeit op in Tøyen in Oost-Oslo, het volkse deel van de hoofdstad, en dat blijkt ook duidelijk uit de dialogen. Aan het begin van de roman is de verteller ongeveer 7, aan het slot bijna 20 en heeft hij een universitaire diploma.

Het belangrijkste personage naast de verteller is Tove, op wie hij jarenlang verliefd is, maar die hem uiteindelijk ontglipt omdat hij niet genoeg doorzettingsvermogen vertoont, ook al lijkt er uiteindelijk toch weer een sprankeltje hoop aan de horizon.

Het gaat er vaak nogal ruw aan toe in Tøyen, en zo verwonderlijk is dat niet. Er is de armoede, treffend geïllustreerd in dit fragment waarin Axel uit het rijke West-Oslo bij Ernst op bezoek komt:

ik zag dat hij zijn wenkbrauwen optrok toen we de rivier overstaken, merkte het trillen van zijn neusgaten op toen de ranzige geur van oude pis ons tegemoet kwam bij de poort, en hoe hij hard zijn best deed om zijn masker op te houden toen we mijn kamer binnenkwamen, en mijn vader zag die ’s middags op het bed lag om wat uit te rusten, hij was ongeschoren en droeg alleen een onderhemd.

en er zijn het alcoholmisbruik en de narcoticaverslaafdheid. Ernsts moeder vertelt hem o.a. over

iemand van wie in het ziekenhuis een nier verwijderd was, als hij doorgaat met snuiven trekt hij het niet lang meer.

Fijngevoeligheid is niet meteen de sterkste kant van de inwoners, zoals blijkt wanneer Ernsts vriend Lort het heeft over het samenwonen met zijn vriendin Ellen:

’n strak poesje drie keer per week! en als hij het over de praktische problemen had die de relatie met zich mee zou kunnen brengen: − als ze zwanger wordt, geef ik haar gewoon een schop in de maag en daarmee is het probleem opgelost.

En dan is er natuurlijk de jeugdige opstandigheid, die wel grappige passages oplevert, bijvoorbeeld wanneer Ernsts moeder de schoolkrant van de leerlingen onder ogen krijgt:

ze begon erin te bladeren, en was niet te spreken over de inhoud, een zootje over de studentenstakingen, de radicale leerlingenorganisatie, citaten van Mao, de oorlog in Vietnam en de opstand in Parijs en dan ook nog een extatische recensie van de film If waarin Malcolm McDowell het hele lerarenkorps vanaf het dak van een kostschool neerknalde. Om aardig te zijn, kocht ze toch nog een exemplaar. Maar toen had Tove de pech haar te weinig wisselgeld terug te geven. Moeder staarde haar aan met een blik die suggereerde dat ze een afgestompte beroepscrimineel was.

Het belangrijkste thema van de roman is, hoe merkwaardig dat op het eerste gezicht ook lijkt, Ernsts interesse voor het schaakspel − popmuziek komt ook aan bod, maar in veel mindere mate. Die interesse is er al van jongs af aan: samen met een paar vrienden richt hij op school een schaakclubje op met de merkwaardige naam Gullpikken, een naam die verondersteld wordt te verwijzen naar het lokale standbeeld van dichter Rudolf Nilsen, waarvan een bepaald deel elk jaar tijdens de viering van het eindexamenjaar geel geschilderd wordt.

Later wordt Ernst lid van het eerbiedwaardige Oslo Schakselskap, neemt hij deel

hoofding van de website

aan toernooien en belandt hij uiteindelijk zelfs in Reykjavík ten tijde van de legendarische tweestrijd tussen Fisher en Spasski. In de fragmenten over schaken wordt ook heel wat schaakterminologie gebruikt, en wie niet met de spelregels vertrouwd is, loopt wel eens verloren tijdens het commentaar. Dat was ook het oordeel van Morten Abrahamsen (VG, 07.06.2014):

Ernst maakt veel mee wanneer hij schaakt, maar er wordt ook te veel over spelregels en dergelijke verteld. Als je hier niet in geïnteresseerd bent, is dat vermoeiende lectuur.

Ook de titel is een verwijzing naar het schaakspel: “åttenderaden” is de rij velden die helemaal aan de overkant van de beginpositie ligt:

Zoals Alice toen ze door de spiegel liep, is hij nu op weg naar de achtste rij, waar de arme kleine pionnen de heerlijkheid bereiken, zoals het in de taal van het Leger des Heils geformuleerd wordt.

een veelzijdig boek, met veel rode draden en zijwegen

noemde Trond Solem (zelf een schaker) de roman in Østlandets Blad (20.12.2002).

Voor Erling Brøndsmo (Sarpsborg Arbeiderblad, 26.11.2002) deed Åttenderaden af en toe denken aan Saabye Christensens Beatles, maar moet

het literair gezien daar wel tegen afleggen

Norstrands Blad (11.12.2002) had het over

een heerlijk nostalgisch boek (…) Arne Danielsen heeft belangrijke dingen te vertellen wanneer hij op pad gaat in het historische Oost-Oslo, een gebied dat sinds de jaren ’60 van karakter veranderd is.

Arne Danielsen, Åttenderaden, Oslo (Cappelen), 2002    ISBN  82-02-22315-6


Terug naar startpagina