
Klaus Hagerup (1946 – 2018) was een veelzijdige persoonlijkheid. Hij studeerde drama in Devon en aan de theaterhogeschool in Oslo, maakte deel uit van de poppentheatergroep rond Birgit Strøm, was een van de stichter van Hålogaland teater en werkte voor Den Nationale Scene og Nationaltheateret als acteur, regisseur, dramaturg en auteur. Hagerup was niet alleen toneelschrijver, maar verwierf ook bekendheid als jeugdauteur en romanschrijver. Hij schreef ook Alt er så nær meg (1988) een herinneringsboek over zijn moeder, de bekende dichteres Inger Hagerup.
Jeugdauteur Hilde Hagerup is zijn dochter, Linde Hagerup zijn nicht. Kort voor zijn dood kreeg hij de Bragepris in de categorie “hederspris” (ereprijs).Hagerup debuteerde in 1969 met de dichtbundel “Slik tenker jeg på dere”, met daarin o.a. het mooie troostgedicht “Du skal få det fint, Hanne”:

Tot zijn vroege werk behoort ook To skuespill (1974) met daarin Alice i underverdenen en Kuler i solnedgangen
De titel Alice i underverdenen (“Alice in de onderwereld) verwijst duidelijk naar Lewis Carroll. Het is ongeveer dezelfde Alice die centraal staat, maar de uitwerking van het verhaal is erg verschillend. In Hagerups stuk heeft Alice een nachtmerrie waarin ze in de onderwereld terechtkomt. Daar ontmoet ze een aantal figuren zoals Katta (de kat), Kaninen (het konijn), Hattemakeren ( de hoedenmaker) , Padda (de schildpad) en Haren (de haas).

Droningen (de koningin)is de alleenheerseres in de onderwereld en iedereen moet zich gedragen zoals zij het wil. Eigen initiatief is verboden. De hoogdag van het jaar is het concert, waarin iedereen de haar/hem voorgeschreven rol moet vervullen.
Ook van Alice wordt verwacht dat zij zich conform de regels zijn gedragen, wat o.a. inhoudt een dier worden en een pruik dragen. Ook Padda is niet gelukkig met de situatie en legt Alice uit hoe de vork in de steel zit:
vanaf de eerste dag dat de koningin ons in haar macht kreeg, hebben we gewacht op iemand die ons zou bevrijden, of op iemand die ons kon doen geloven dat we onszelf konden bevrijden. Wie kwam zou niet tot de onderwereld behoren, maar zelf ook bijna in een dier veranderd worden.
Alice wil de macht van de koningin tijdens het concert breken en Padda belooft haar daarbij te helpen, maar geeft op het cruciale moment niet thuis. Alice wordt ter dood veroordeeld, maar net op het moment dat ze op het punt staat onthoofd te worden, ontwaakt ze uit haar nachtmerrie.
Maar misschien is de echte wereld niet zo verschillend van haar droom? Alice denkt dat haar vader achter haar staat, maar het is de schildpad:
Alice: De onderwereld bestaat toch alleen in onze dromen. Vertel me iets leuks, papa. Ik wil niet langer bang zijn.
De schildpad: Dit zullen we weten, we zullen de onderwereld elke dag zien, we zullen de koningin elke morgen op de tram ontmoeten, we zullen de konijnen in de kranten zien, we zullen de haas en de hoedenmaker in het actualiteitenprogramma op tv zien. We zullen hun namen niet meer kennen, maar we zullen weten wie ze zijn.
Een “western musical” noemt Klaus Hagerup Kuler i solnedgangen, met als ondertitel “Balladen om Jim Reed, Golden Saloon og landet der hendene beveget seg fortere enn tanken” – “Kogels bij zonsondergang – de ballade over Jim Reed, Golden Saloon en het land waar de handen vlugger zijn dan de gedachte.”
Zowat alle personages en scènes maken ook deel uit van het traditionele westernconcept: de barman, het hoertje met het gouden hart, de (beschonken) dokter, de (corrupte) sheriff, een paar deftige dames uit de burgerij, goudzoekers, pokerspelers en natuurlijk een held, die hier Jim Reed heet. Er wordt gedronken, geschoten, geruzied, gezongen en (in iets mindere mate) gevrijd dat het een lieve lust is.
Het parodiërende element is duidelijk aanwezig. De burgervrouwen beginnen plots een woeste cancan te dansen. De scherpschutter schiet zo stomp dat hij amper de vloer raakt. En de held (eigenlijk is hij helemaal geen held, maar een negentienjarige naamgenoot van de held) blijkt, wanneer hij het eenmaal tot burgemeester gebracht heeft, zo corrupt als maar mogelijk is. In het volgende fragment wordt de dokter aangeklaagd voor moordpoging:
Walt [sheriff] Oké, dokter. daar heb je je advocaat. Nu moeten we nog een openbare aanklager vinden, Jimmy.
Jim: Yep.
Walt: Heb je enig idee wie de aanklager zal zijn?
Jim: Yep.
Walt: Voor de dag ermee, m’n beste kerel.
Jim: Ik.
Walt: Jij?
Jim: Yep.
Walt: Wil jij de aanklager zijn?
Jim: Yes.
Walt: Echt?
Jim: Yep.
Walt:Oké. Dan hebben we nu een advocaat en een openbare aanklager. We hebben nog een rechter nodig, Jim.
Jim: Yep.
Walt: Heb je een voorstel?
Jim: Yep.
Walt: Wie dan?
Jim: Ik.
Walt: Wil je rechter zijn?
Jim: Yep.
Walt: Oké, dan hebben we nu een advocaat, een openbare aanklager en een rechter. We hebben alleen nog een jury nodig, Jim.
Jim: Yep.
Walt: Wil jij de jury zijn?
Jim: Yep.
Walt: Oké, dan kunnen we beginnen.
Nog net iets erger dan Trump dus.
Hagerup wijst in dat verband expliciet naar Brechts Leben des Galileis:
Wee het land dat geen helden heeft.
Nee, wee het land dat helden nodig heeft!
Ook Hans Dalgard (Bok og bibliotek, 1975 nr. 1/2) ziet een verband met het theater van Brecht
vooral als het gaat over het samenspel tussen actiescènes en spitse liedjes.
Kuler i solnedgangen is duidelijk geen leesstuk, veel hangt dus af van de wijze waarop het op de scène gebracht wordt.
Klaus Hagerup, To skuespill, Oslo (Gyldendal Norsk Forlag), 1974 ISBN 82-05-067
Landet der tiden var borte (1889) (Nederlandse vertaling: Het land achter de tijd, 1994)
was Klaus Hagerups debuut als jeugdauteur.
De dertienjarige Lise besluit na de dood van haar boezemvriendin dat ze niet volwassen wil worden. Ze laat zich uit een boom in de tuin van het ouderlijk huis vallen, maar wordt voor ze met mogelijk fatale gevolgen de grond raakt bij het nekvel gegrepen door een sprekende gier met de merkwaardige naam Grobian Brille. “Grobian” is Noors voor “botterik” of “kinkel”; je zou de naam als “Grove Jan” kunnen vertalen. Vertaalster Emmy Weehuizen-Deelder houdt het op “Govert”.
Dit merkwaardige individu, dat niet van enige zelfgenoegzaamheid gespeend is, brengt Lise naar de planeet Jerdon, waar de tijd als het ware stil is blijven staan. Telkens wanneer er een jaar voorbij is , wordt dat jaar tenietgedaan en begint het weer van vooraf aan. Niemand wordt dus ooit ouder, maar gelukkig zijn de meeste mensen – en zeker de kinderen – er niet. En dus besluit Lise hen te helpen de “tidsvoktere” (de “bewakers van de tijd”) op te sporen. Een gemakkelijke opdracht is dat niet …
Klaus Hagerup combineert heel wat elementen van het sprookje (sprekende dieren, een zoektocht, een steeds verder afkalvende groep, de beproeving door de natuurelementen…) met literaire concepten zoals droom en spiegelbeeld om een persoonlijke visie op leven (en dood) te geven en de boodschap te brengen dat veranderen en doorzetten tot de essentie van het leven behoren:
Zij die in de oneindige eeuwigheid had willen verdwijnen, had de rivier bedwongen. Schreeuwend en vechtend had ze zich door het onmogelijke heengeworsteld. Ze had een enorme kracht in zichzelf waargenomen, waarvan ze het bestaan niet had vermoed. (vertaling Emmy Weehuizen-Deelder)
Øystein Rottem schreef een erg positieve recensie (Kritikkjpournalen, 1989/7)over Landet der tiden var borte
De vraag is: wat valt te verkiezen? De tijd stil zetten en op die manier nooit volwassen worden en zich ontwikkelen tot iets wat onbekend en angstaanjagend is. Of volwassen worden, nieuwe uitdagingen aangaan, nieuwe ervaringen opdoen, je aan het leven overgeven – in voor- en tegenspoed. Op een ongewoon sobere en fantasierijke manier (en in belangrijke mate ook met een bevrijdende humor door al de ernst heen) behandelt Hagerup dit centrale existentiële en psychologische probleem uit de wereld van kinderen en volwassenen. Hij gebruikt het genre van de fantastische vertelling om onze ongemakkelijke verhouding met de toekomst te concretiseren en aanschouwelijk te maken […] en zegt ons dat we ja moeten zeggen tegen het leven, en daarmee ook tegen de tijd en de evolutie, hoe sterk ook de verleiding is om te blijven zitten waar men zich op dat ogenblik bevindt […] Een boek om voor te lezen, om over te praten, om over na te denken, een boek dat helemaal voldoet aan hoge reputatie die de Noorse kinder- en jeugdliteratuur zich in de loop van de jaren 80 verworven heeft.
Merkwaardig genoeg zei Klaus Hagerup in een erg uitgebreid interview in Vagant (1996/3) dat hij het boek niet langer helemaal geslaagd vindt:
de eerste vijftig bladzijden zijn uitstekend, maar dan zakt de roman in.
Klaus Hagerup, Het land achter de tijd, vertaald door Emmy Weehuizen-Deelder, Rotterdam (Lemniscaat), 1994 ISBN 978-90-6069-909-6
In Høyere enn himmelen (1993, Nederlandse vertaling: Hoger dan de hemel (1995)) voelen noch de twaalfjarige Mari, noch haar zevenenzestigjarige (ex-)lerares Frøken Kjær zich echt thuis in het onopvallende, alledaagse milieu waarin ze verplicht zijn hun dagen door te brengen. Mari vindt zichzelf
een mager meisje van twaalf zonder borsten en met een enorme neus (vertaling Emmy Weehuizen-Deelder)
Haar ouders hebben het te goed met haar voor en haar broertje Morten is een bemoeizieke etter. Frøken Kjær heeft het nooit kunnen verwerken dat haar verloofde Alexander Larsen vijftig jaar geleden met de noorderzon is vertrokken, ook al had hij haar van zijn eeuwige liefde verzekerd: “Ik hou meer van jou dan van de hemel” — vandaar de titel.
Geen van beiden heeft ook maar één vriend maar nu vinden ze elkaar. En na al die jaren gebeurt dan wat Frøken Kjær totaal niet meer verwacht:
de onvoorstelbaar wonderlijke en wrede liefde; die er mee voor zorgt dat wat we leven noemen, zin krijgt (niet vertaald in de Nederlandse uitgave)
komt eraan, voor Mari voor de eerste keer en voor Frøken Kjær een tweede keer, en de gevolgen zouden wel eens dramatisch kunnen zijn …
Hagerup combineert een ietwat ironische stijl met een poëtische verteltoon.
een hartverwarmend, geestig en humoristisch boek, waar je onmiddellijk van houdt […] het verhaal is ontroerend en spannend […] levendig en leuk
vond Gerd Spirdal (Moss Avis, 13.11.1990).
Høyere enn himmelen werd in 1993 verfilmd door Berit Nesheim:

Klaus Hagerup, Hoger dan de hemel, vertaald door Emmy Weehuizen-Deelder, Rotterdam (Lemniscaat), 1995 ISBN 978-90-6069-950-8
Bijzonder veel succes had Klaus Hagerup met zijn reeks over Markus Simonsen. In Markus og Diana: lyset fra Sirius (1994) (vertaald als Markus en Diana, (2007)) ontmoeten we de dan 13-jarige Markus Simonsen voor het eerst. Hij woont samen met zijn vader (zijn moeder is al een paar jaar overleden) in Ruud, waar hij in het laatste jaar van de lagere school zit. Markus is een typische anti-held met een pessimistische levensvisie (alles wat fout kan gaan zal wel fout gaan) en een levendige angst voor alles en nog wat. Daarenboven is hij erg verlegen. Dat alles heeft hem op school een erg lage status en de bijnaam “Marken” (de worm) opgeleverd. Hij heeft wel één vriend: Sigmund, wiens ambitie het is om astrofysicus te worden.
Markus heeft een hobby: hij verzamelt handtekeningen van beroemdheden. In de brieven die hij naar ze schrijft laat hij zijn fantasie de vrije loop en doet hij zich o.a. voor als een (niet bestaand) familielid voor wie hij een handtekening vraagt. Zijn brief aan een beroemde Noorse dichter begint zo:
Verblind door tranen zit ik in mijn rolstoel. Ik ben een weduwe van 84 jaar. Helaas ben ik bijna blind en kan ik uw gedichten niet meer zelf lezen. Maar mijn kleinkind, die kleine krullenbol van een Markus Simonsen, leest ze me nu voor. Ik moet zeggen dat ze hartstikke goed zijn. Vroeger hield ik meer van de gedichten van Wergeland, maar tegenwoordig bent u mijn favoriet! (vertaling Annemarie Smit)
Wanneer Sigmund hem tijdens een door Markus verfoeide schooluitstap in de bergen een foto toont van de jonge en mooie actrice Diana Mortensen (Sigmund heeft naast het heelal blijkbaar nog andere interesses) valt Markus onmiddellijk voor haar. Diana Mortensen speelt een rolletje in een Amerikaanse soap die ook op de Noorse tv te zien is en Markus schrijft haar een brief waarin hij zich voordoet als een eenzame Noorse miljonair. Hij heeft blijkbaar een gevoelige snaar geraakt want Diana stuurt hem meer dan een routineantwoord en er ontwikkelt zich een heuse correspondentie tussen de twee…
De problemen beginnen wanneer Diana Mortensen schrijft dat ze haar oude vaderland een bezoek zal brengen en dan graag haar nieuwe pennenvriend zou ontmoeten. Maar hoe ga je om met een actrice uit Hollywood? Markus (die de miljonair ondertussen een dertienjarige zoon heeft toegedicht) en Sigmund, de enige twee leden van de door henzelf opgerichte “Hjelp Diana”-club, bereiden zich nauwgezet voor – ook al ziet Markus de ontmoeting eigenlijk helemaal niet zitten. Samen nemen ze een boek over etiquette grondig door en proberen ze zich het tennisspel (een favoriet tijdverdrijf van veel actrices) eigen te maken. En er worden ook loffelijke pogingen gedaan om Markus’ uiterlijk een make-over te geven.
Markus en Sigmund ervaren al vlug dat er een grote afstand is tussen theorie en realiteit en komen in een boel hilarische situaties terecht. Markus blijft met een heel bang hart naar de ontmoeting uitkijken, maar uiteindelijk blijkt Diana (die eigenlijk Mette heet) ook maar een heel “gewoon” meisje te zijn.
Markus og Diana: lyset fra Sirius is een bijzonder leuk feelgood verhaal dat overigens niet alleen kinderen aanspreekt:
Ook al wordt een deel van Hagerups teksten door uitgeverij en bibliotheek als kinder- en jeugdliteratuur omschreven, toch blijkt dat Hagerups “jeugdboeken” een veel groter lezerspubliek aanspreken dan de leeftijdsgroep waarop de marketing zich toegespitst heeft: “Toen dit boek op de markt kwam kwamen verschillende recensies tot de vaststelling dat het boek evengoed voor de vaders als voor hun zonen was. (Lise Vivian Nordøen, Teksten og leseren. En studie av en problematikk i Klaus Hagerupsforfatterskap)
Klaus Hagerup kreeg voor Markus og Diana: lyset fra Sirius in 1994 zowel de Brageprijs (in de categorie “barne- og ungdomsbøker”) als de Bokhandlerpris. In Nederland kreeg het boek in 2008 een van de “zilveren zoenen”.

Markus og Diana werd in 1996 door Svein Scharffenberg verfilmd; Klaus Hagerup en Jostein Gaarder hebben allebei een rolletje in de film.
Klaus Hagerup, Markus en Diana, vertaald door Annemarie Smit, Houten (Van Goor), 2007 ISBN 978-90-00-03697-4
Klaus Hagerups tweede boek over Markus Simonsen heet Markus og jentene (1997) en werd als Markus en de meisjes (2009) in het Nederlands vertaald. Het is een uitzondering op de regel die zegt dat een tweede boek altijd minder goed is dan een eerste. In dit geval is het zelfs beter, en heeft het een nog grotere feelgoodfactor, ook al vinden Nora en Oda Nerdum (Kritikkjournalen, 1997) het jammer dat
het […] duidelijk merkbaar [is] dat het boek geschreven is door een volwassene, wiens jeugd al een hele tijd voorbij is. In 1997 komt het als weinig geloofwaardig over dat een jongen van dertien meer belang hecht aan mosseloortjes en scheve tanden dan aan uiterlijk en houding
Markus is dus verliefd. Het enige probleem is dat het object van zijn liefde voortdurend verandert: na twee maanden op de “ungdomsskole” (de onderbouw van de middelbare school) zijn alle meisjes van de klas al de revue gepasseerd:
“Eerst was het Ellen Christine, toen was het Beate, daama Karianne, daarna Mona, daarna Hanne, daarna Hilde, daarna Turid, daarna Ellen, daarna Lise, daarna Anne Berit…”
“Nee, na Lise kwam Heidi.”
“Nee, Heidi kwam na Anne Berit.”
“O ja?”
“Ja.” Sigmund keek hem streng aan. “Toen kwam Trude, daarna Elisabeth, daarna Therese. Dat zijn alle meisjes van de klas. Wie is het nu?”
“Ellen Christine.”
“Ellen Christine? Nóg een keer?”
“Ja,” zei Markus zacht. “Ze heeft van die mooie oren. Dat was me de eerste keer niet opgevallen.” (vertaling Annemarie Smit)
Markus’ grootste probleem is nog altijd zijn verlegenheid en zijn beste vriend Sigmund, die nu niet langer astrofysicus maar acteur wil worden, bedenkt voortdurend (op voorhand tot mislukken gedoemde) plannen die Markus onder de aandacht van zijn nieuwe geliefde moeten brengen. Een enkele keer is het doel ook wel om het meisje in kwestie duidelijk te maken dat Markus niet in haar geïnteresseerd is. Een illustratie van die laatste situatie is Markus’ al te geslaagde imitatie van de klokkenluider van Notre Dame op een verjaardagsfeestje. Dat Markus’ vader (al een hele tijd weduwnaar) ook verliefd geworden is (op oorarts Ellen Bye) zorgt nog voor supplementaire grappige situaties.
Wanneer dan een nieuw meisje (Aleksandra) in de klas arriveert, wordt zij dadelijk Markus’ (zoveelste) uitverkorene. Sigmund (nu geholpen door klasgenoten Ellen Christine en Mona) zet nogmaals zijn beste beentje voor. Hij is van oordeel dat ze inspiratie moeten zoeken in de literatuur om Alexandra in Markus geïnteresseerd te krijgen. Daarom trekken ze met zijn vieren naar de bibliotheek:
En wat kan ik deze keer voor jullie doen?” vroeg de bibliothecaresse met een tevreden glimlach. Het was een lange dag geweest, met vooral slechte boeken.
“Vandaag komen we voor de kunst van het beminnen,” zei Sigmund beleefd.
De glimlach verdween. De bibliothecaresse keek even naar de meisjes.
“Zijn jullie daar niet een beetje te jong voor?” vroeg ze spits.
“Het is voor hem,” zei Ellen Christine en ze trok Markus naar de balie toe.
“Dag,” zei hij.
De bibliothecaresse trok een pruimenmondje.
“Zo, en in welke minnekunst ben je geïnteresseerd, jongeman.”
“Dat maakt niet uit,” mompelde Markus en hij bukte snel om zijn schoenveters vast te knopen.
“Hij is geïnteresseerd in boeken over beroemde minnaars,” zei Sigmund. “Hij heeft ‘Gedachten over de liefde’ al uit en nu wil hij meer lezen.”
“Ja, dat zal wel,” zei de bibliothecaresse somber. “Maar ik betwijfel of wij hebben waar hij op uit is.” (vertaling Annemarie Smit)
Uiteindelijk zal een schoolopvoering van Shakespeares “Romeo and Juliet” (met een kusscène tussen Aleksandra (Juliet) en Markus (Romeo)) uitkomst moeten bieden, maar de moeilijkheden stapelen zich natuurlijk op…

Klaus Hagerups dolle humor viert nieuwe triomfen in zijn jeugdroman van dit jaar “Markus en de meisjes”, maar zijn inlevingsvermogen in de meest kwetsbare aspecten van het gemoed van jonge mensen is op zijn minst een even belangrijke factor voor het succes dat het boek ongetwijfeld zal zijn.
Arne Moen Nesheim, Fredriksstad Blad, 05.10.1997


Klaus Hagerup, Markus en de meisjes, vertaald door Annemarie Smit, Houten (Van Goor), 2009 ISBN 978-90-47-50779-6
Kaninene synger i mørket (2001), Klaus Hagerups hommage aan Lewis Carol en diens Alice in Wonderland, is een bijzonder leuk boek. Het werd in 2006 in het Nederlands vertaald als Konijnen zingen in het donker.
Else Andersen is bezeten door boeken. De verstandhouding tussen haar vader Ole (literair criticus) en haar moeder Andrea (auteur van talloze stationromannetjes) is zoek sinds de eerste een vernietigende recensie over een werk van de tweede publiceerde. Allebei zijn ze echter bezorgd over hun dochter en willen dat ze meer contact met de “echte” wereld heeft.
Daarom doen ze een beroep op Onkel Robert, geen echte oom maar een ver familielid van Andrea. Onkel Robert is 72, weegt meer dan 150 kilo en heeft (naar eigen zeggen) een bijzonder avontuurlijk leven achter de rug:
Hij vertelde dat hij in Zuid-Afrika in de diamantmijnen had gewerkt, schipper op een boot op de Mississippi was geweest, gids in Venetië‚ en tolk voor toeristen in Oezbekistan. Hij had naar parels gedoken in de Stille Oceaan, en in Frankrijk paddenstoelen geplukt. Hij was slangenmens in het circus geweest, stuntman in Hollywood, biertapper in België, jockey in Schotland, herbergier in Denemarken, berenjager in Canada, houthakker in Finland en fabrieksarbeider in een plaatsje aan de Oslofjord. (vertaling Annemarie Smit)
Met Onkel Robert zal Else een reis maken naar Oxford, waar hij (weer naar eigen zeggen) nog gestudeerd heeft en (ook niet onbelangrijk) tegen Roger Bannister (de eerste man die onder de vier minuten bleef op de mijl) gelopen heeft.
Maar nauwelijks zijn ze in Oxford aangekomen of Robert verdwijnt. Else moet naar hem op zoek gaan en beleeft met de hulp van een aantal sprekende dieren allerlei vreemde avonturen. Ze vaart mee met de Oxford roeiboot, die door vogels bemand blijkt te zijn,
ontmoet onder andere konijnen die niet in hun holen kunnen wonen omdat er toeristen in zitten, een vliegende hond die verzot is op paddenstoelen, een wel heel bijzondere tweemansjury en een slak die beweert dat ze Onkel Robert in een loopwedstrijd verslagen heeft.
Wanneer Else uiteindelijk Robert (in een wel heel bijzondere vermomming) terugvindt in het University Museum of Natural History komt hij met het plannetje op de proppen om deel te nemen aan “Dronning Victorias minneløp” (de “Koningin Victoria herdenkingsloop) – en om die tot een goed einde te brengen zal hij Elses hulp hard nodig hebben…
De knapheid van het boek zit hem enerzijds in de vertelvreugde en de ongebreidelde fantasie die het uitstraalt en anderzijds in de absurde logica die op Carrolliaanse wijze (Alice en haar kat Dinah maken trouwens een cameo in het boek) verklaart wat er gebeurt.
In het volgende (licht absurde) fragment bevindt Else zich als “cox” in de Oxford roeiboot die aan het trainen is voor de jaarlijkse confrontatie met Cambridge:
Nee, nee, nee, ze moesten juist langzamer varen! Else wist heel goed dat ze vaak het tegenovergestelde zei van wat ze bedoelde, maar dat deed ze meestal expres. Nu was het anders. […] Misschien had ze zo vaak het tegenovergestelde gezegd van wat ze bedoelde, dat ze niet anders meer kon. Misschien kon ze niet meer zeggen wat ze eigenlijk wilde. Dat zou erg vervelend zijn, want dan moest ze oefenen om te zeggen wat ze niet wilde zeggen, als ze wilde zeggen wat ze wilde. (vertaling Annemarie Smit)
Ter illustratie een fragmentje uit “Alice in Wonderland”:
“Would you tell me, please, which way I ought to go from here?”
“That depends a good deal on where you want to get to,” said the Cat.
“I don’t much care where –” said Alice.
“Then it doesn’t matter which way you go,” said the Cat.
“–so long as I get somewhere,” Alice added as an explanation.
“Oh, you’re sure to do that,” said the Cat, “if you only walk long enough.”
De speelse gedichten die Else nu en dan ontvangt (of zelf maakt) en de bijzonder mooie illustraties (van de hand van Thore Hansen) zijn daarbij nog een niet te versmaden bonus. Dat geldt ook voor de tekeningen van Fleur van der Weel in de Nederlandse vertaling

Klaus Hagerup, Konijnen zingen in het donker, vertaald door Annemarie Smit, Houten (Van Goor), 2006 ISBN 978-90-00-03633-2
Voor Bibbi Bokkens magiske bibliotek (1993), het boek dat Hagerup samen met Jostein Gaarder schreef, zie bij Gaarder.
Klaus Hagerup heeft ook heel wat voor volwassenen geschreven, toneelstukken en romans, in verschillende genres. Bill. Mrk. “Egen utgang” is een claustrofobisch kamerspel over “Tante Rut”, een oude vrouw (en een gerateerde actrice), die zowel haar man Mons als de nieuwe (maar duidelijk niet de eerste) huurder Viggo terroriseert. Dat ze een aantal keer Lady Macbeth citeert en aan de figuur haar eigen interpretatie geeft is wel geen toeval:
Iedereen zei dat ik Lady Macbeth zou moeten spelen. Ook zij was een slachtoffer, het arme meisje. Ze wou alleen haar echtgenoot bijstaan.
Dat moet gegarandeerd slecht aflopen…
Klaus Hagerup, Bill. Mrk. “Egen utgang”, Oslo (Aschehoug), 1997 ISBN 978-82-03-17834-4
Wat doe je als 64-jarige alleenstaande gepensioneerde om je leven (weer) zin te geven? Dat is de vraag waarmee Magnus Wormdal geconfronteerd wordt. Hij is de Seniorhumoristen***½ (1994) van de titel. Vroeger was hij werkzaam bij de post, nu woont hij alleen in Kampen in Oslo. Vrienden die op bezoek komen heeft hij niet, maar in zijn gedachten voert hij wel gesprekken met vroegere vrienden.
Ooit had hij wat succes met zijn humoristische performances in het amateur-circuit. Nu heeft hij twee nieuwe “projecten”: hij “traint” beursspeculant Kolle, die zich als humorist wil profileren en “krijgt”een rolletje als “bryllupsgjest 3” in een opvoering van Ibsens Peer Gynt door het Nationaltheatret. Maar er liggen tegenslagen op de loer.
Seniorhumoristen is een tragikomische roman. In het al vermeld interview in Vagant heeft Hagerup het over
humor die ontstaat in tragische omstandigheden wanneer de afstand tussen het karakter van het personage en de situatie waarin hij belandt is, niet groter kan worden
Hilarische passages (zoals een “herschrijving” van een fragment van Peer Gynt) staan naast ietwat pijnlijke scènes. Hieronder probeert Wormdal (die zijn eigen inbreng in het toneelstuk schromelijk overschat) een gesprek aan te knopen met de receptioniste van het Nationaltheatret:
“Ik ben een humorist.”
[…]
De dame keek hem aan, erg onder de indruk was ze niet.
“Ik ben een humorist op leeftijd.”
Echt?
“Ik kan onder andere hanen imiteren”, zei hij, en merkte hoe de woorden in zijn mond begonnen te groeien.
“Leuk.”.
“Ja. Hanen imiteren is niet zo eenvoudig als je zou denken.”
“O nee?”
De dame haalde een kruiswoordpuzzel tevoorschijn en begon die te bestuderen.
“Nee, op één been staan en kraaien volstaat niet. De eerste keer dat ik het hanennummer bracht, probeerde ik …”
– Nou… Hoi Hugo! riep ze naar een beroemde acteur die de receptie binnen kwam lopen. Ik heb hier een brief voor je.”
“Ik heb geen tijd”, zei de acteur. — Ik ben op weg naar de repetitie.”
“Ik ook,” zei de humorist op leeftijd, en liep de ander achterna in de gang.

Klaus Hagerup, Seniorhumoristen, Oslo (Aschehoug), 20002 ISBN 978-82-03-17765-1
Maratonherren ****(1998) is Klaus Hagerups tweede boek over Magnus Wormdal. Er is wel iets van de ernstige ondertoon uit Seniorhumoristen blijven hangen maar toch haalt de humor hier de bovenhand en die maakt van Maratonherren een sprankelend boek.
Markus Wormdal zelf is niet zoveel veranderd: hij is nog altijd dezelfde merkwaardige combinatie van hypochondrie, wereldvreemdheid en zelfoverschatting. De belangrijkste verandering in zijn leven is dat hij, na de catastrofe aan het einde van het vorige boek, een einde gemaakt heeft aan zijn carrière als “seniorhumorist”.
Wie hij echter niet zomaar achter zich kan laten, is het “vriendje” van de man die zo graag humorist wou worden: Martin Bråten, profiteur, uitzuiger en tafelschuimer eerste klas, kortom iemand die zelfs zijn eigen moeder zou vermoorden als er geld mee te verdienen was.
Magnus loopt hem toevallig in Oslo tegen het lijf en samen met nog een aantal “vrienden” maken ze er een zware nacht van, alles betaald met Magnus Visakaart natuurlijk.
De daaropvolgende morgen is Magnus, terwijl hij samen met de op een bank zijn roes uitslapende Martin op een taxi wacht, de enige getuige van een brutaal gewelddelict. De wakker geschoten Martin raadt Magnus aan de plaats te poetsen voor de politie arriveert, maar tipt daarna (in ruil voor 10.000 kronen) het sensatieblad “Kikkerten” dat Magnus getuige was van de brutale mishandeling. En zo wordt het Magnus duidelijk dat Oslo geen veilige plaats meer voor hem is.
Martin raadt hem aan om een tijdje in Londen onder te duiken tot alles overgewaaid is en boekt er voor Magnus een kamer in een (duur) hotel. Wat volgt zijn een aantal bizarre avonturen waarbij zijn kredietkaarten alweer erg goed van pas komen. Typisch voor Magnus Wormdal is de volgende passage waarin hij zich zorgen maakt over het aantal veren in de bedden van het hotel: als één springveer kan knappen in een sofa die er waarschijnlijk maar een 20 à 30-tal heeft, hoe groot is dan niet de mogelijkheid dat er op zijn minst een tiental kunnen knappen in een bed met 854 exemplaren? Het bed zou wel eens een comfortabele bom kunnen zijn…
Hij contacteert de receptie:
“Hallo, meneer Wormdal. Wat is het probleem?”
“Het bed.”
“Het bed?”
“Ja.”
“Wat is er met het bed?”
“Het bestaat uit 864 veren.”
“Ja,” zei de dame aan de telefoon met duidelijke trots. “Is het comfortabel?”
“Ja,” zei Wormdal. “Maar wat als de veren knappen?”
“Als ze wat?”
“Knappen”
“Waarom zouden ze knappen?”
“Wel,” zei Wormdal. “Het was maar een gedachte.”
“Nou,” zei de dame aan de telefoon vriendelijk. “Belt u maar als ze zouden knappen.”
“Denkt u dat het gevaar bestaat dat ze knappen?
“Nee, dat denk ik niet.”
“Het is dus niets wat vaak voorvalt?”
“Nee,” zei de dame, en Wormdal kreeg de indruk dat er een zweem van ongeduld in haar stem hoorde. Dat doen ze normaal gezien niet.”.
“Heel erg bedankt,” zei Wormdal en hing op.
In het poepchique restaurant La Gavroche hoort hij van een kelner een (waargebeurd) verhaal dat hem aanspreekt: tijdens de marathon van de Olympische Spelen in Stockholm in 1912 is de Japanse deelnemer Siso Kanakuri nooit aangekomen: hij is gewoon “verdwenen”.

Magnus besluit om op de eerstvolgende Oslomarathon die “prestatie” over te doen. Hij begint aan een doorgedreven marathontraining, maar de poppen gaan pas echt aan het dansen als Martin Bråten van zijn plannetje hoort (niet van de geplande verdwijning weliswaar), ook wil deelnemen en daarom zijn levensstijl drastisch omgooit.
En verdwijnen tijdens een marathon blijkt toch niet zo eenvoudig als Magnus gedacht had…
Maratonherren is een bijzonder grappig boek, zelfs
een van de grappigste boeken van het jaar
schreef Natt og Dag (December/Januar 1998/1999)
Het merkwaardige daarbij is dat iedere lezer zich wel met een of ander deel van Markus’ persoonlijkheid (hoe onmogelijk die in zijn geheel ook is) verwant zal voelen.
Een leuk detail: Klaus Hagerup heeft zelf een marathon gelopen! In het interview in Vagant zegt hij daarover:
Ik heb het gedaan, ik heb een marathon uitgelopen! Ik heb een medaille van de New York-marathon […] Ik liep ellendig traag, dat moet ik toegeven… Ik was nummer twintigduizend op drieëntwintigduizend aangekomenen. We bereikten Harlem, helemaal op het einde, en toen waren we in elk geval al een stuk meer dan vijf uur aan de gang, en ik was zonder meer de jongste van mijn groep, en een van de weinigen zonder een fysieke handicap.

Klaus Hagerup, Maratonherren, Oslo (Aschehoug), 1998 ISBN 978-82-03-17993-8
Herremannen **½ (2000) is Klaus Hagerups derde roman over de ondertussen 65 jaar geworden gepensioneerde postbeamte Magnus Wormdal. Een paar dagen na de marathon uit het vorige boek ontmoet hij opnieuw Edmund Estenstad, de man die hem tijdens de 42 kilometer lange loop een banaan moest toesteken. De twee kunnen het goed met elkaar vinden en beginnen op regelmatige basis met elkaar om te gaan.
Een paar maanden later sterft Estenstads broer Tormod en erft hij diens tweedehandsboekhandel. Hij heeft meteen een plan klaar en stelt Wormdal voor om samen van de boekhandel een kleinschalig restaurant te maken. Wormdal vindt het een goed idee, en zoals wel vaker, heeft hij wel een erg naïef idee van wat hem te wachten staat:
Hij was er min of meer van uitgegaan dat het openen van een restaurant verin bestond dat men een aantal tafels klaarzette, ze elk van een tafellaken voorzag, eten bereidde voor wie ging zitten, het opdiende, wat later vroeg of het eten lekker was en uiteindelijk betaald werd – of het antwoord op de voordien gestelde vraag nu “ja” of “nee” was maakte daarbij niets uit.
Wormdal verkoopt zijn eigen appartement en krijgt (ongelooflijk maar waar) nog een keer een lening bij de bank waar hij al een aantal leningen lopen heeft, en voor de toekomst verwacht hij geen problemen:
De nieuwe lening had een kortere aflossingstermijn en een hogere rente dan de 1.130.000 [kronen] die hij al verschuldigd was, maar het viel Wormdal in dat hij, als hij problemen had met de aflossing, altijd nog om een bijkomende lening kon vragen.
Personeel vindt Estenstad in zijn familiale kring…
Herremannen is ongetwijfeld een humoristisch boek. Vooral het deel waarin Wormstad op “werkbezoek” naar Italië trekt bevat een aantal hilarische scènes. Ook Wormdals merkwaardige (en alleen op het eerste gezicht logische) kromme redeneringen zorgen geregeld voor een glimlach. Geir Lovli (Frederiksstads Blad, 27.09.2000)
lachte zo ghard dat het inbraakalarm bijna afging bij de muurman in het rijtjeshuis naast het [z]ijne
en geeft het boek een sekser – het hoogst mogelijke waarderingscijfer:

Toch wringt het een beetje. Wormdal is zoals al gezegd nu toch wel heel erg naïef. Truls Holmsen (Moss Avis, 29.44.2000) noemt hem terecht
zo argeloos dat hij het gedroomde slachtoffer [is] voor iedere schoft.
In de “echte” wereld zou hij geen enkele kans hebben om te overleven en dus was Hagerup verplicht om voor hem een wereld te creëren waarin geen enkel personage ook maar een greintje slechtheid bezit. Het nogal zoetsappige einde is daarvan de perfecte illustratie.

Klaus Hagerup, Herremannen, Oslo (Aschehoug), 2000 ISBN 82- 03-18546-0
Samen met Nils Nordberg schreef Klaus Hagerup de leuke detectiveroman Siste akt (2007). Acteur Niklas Faber (o. a. bekend door zijn rol als politie-inspecteur Holden in een populaire tv-reeks) zal Claudius spelen in de opvoering van “Hamlet” door het Nationaltheatret. Tijdens de repetities wordt hij geconfronteerd met een mysterieuze “zaak” waarin de overleden (?) vader van Ophelia-vertolkster Sofia Leding haar plots een aantal “boodschappen” bezorgt. Er zullen in de loop van het verhaal nog veel meer parallellen met de intrige van Shakespeares stuk opduiken.
De plot van Siste akt (“laatste bedrijf”) zit goed in mekaar. Er is natuurlijk (om Hamlet heel vrij te parafraseren) veel meer aan de hand dan de betrokkenen weten, maar het boek is ook amusant door de flair waarmee de twee auteurs geplogenheden, clichés en ingrediënten uit de traditionele detectiveroman in hun intrige verwerken:
Toen hij ophing, had hij het gevoel dat hij per ongeluk iets belangrijks gezegd had in de loop van het gesprek. Maar hij wist niet zeker wat het was.
Faber is een typische amateurspeurder die zijn neus overal insteekt en daar ook na een waarschuwing van de politie mee doorgaat. Het blijft natuurlijk niet bij één moord (?), een toevallig woord zet iemand plots aan het denken, een mobiele telefoon laat het op een cruciaal moment afweten, helemaal op het einde, wanneer alles opgelost lijkt, volgt er natuurlijk nog een “twist in the tail” die alles op zijn kop zet.
Nils Nordberg & Klaus Hagerup, Siste akt, Oslo (Gyldendal), 2007 ISBN 978-82-05-35886-7.
Siste akt werd door Gabriele Haefs in het Duits vertaald:
Klaus Hagerup & Nils Nordberg, Letzter Akt, München (btb), 2009 ISBN 978-3-442-73805-2

Terug naar Home
