Edvard Hoem


Edvard Hoem (1949) groeide op als oudste en dus erfgerechtigde zoon op een kleine boerderij in Fræna in de buurt van Molde, met een vader die ieder jaar een aantal maanden het land rondreisde als lekenpredikant. Hoems christelijke opvoeding heeft een grote invloed gehad op zijn werk, waarin religieuze motieven een belangrijke plaats innemen:

Hij groeide op met een open en inclusief christelijk geloof, waarin moralisering en veroordeling geen plaats hadden (…)  Ons werd verteld dat Jezus voor onze zonden gestorven was, en dat we zelf moesten uitmaken of we verlost wilden worden. We leerden ook dat het goed was wanneer we ons ver van roken, drinken en ontucht plegen hielden, maar dat was vooral voor ons eigen goed,” lacht de auteur. (Fædrelandsvennen, 05.04.2013)

Wanneer hij later brak met dat geloof ging dat relatief gemakkelijk:

Met het geloof van mijn kindertijd breken was verrassend gemakkelijk.” Thuis had het geen gevolgen,” herinnert hij zich. Zijn moeder kwam er wel voor uit dat zijn aanwezigheid op de AKP (m-l) lijsten haar koude rillingen gaf. (idem)

Na zijn middelbareschooltijd in Molde, studeerde hij filosofie en literatuurwetenschap aan de Universiteit van Oslo, waar hij sinds 1968 woont.

In 1972 brak hij zijn studies af en werd hij fulltime schrijver. Hij sloot zich aan bij de marxistisch-leninistische beweging en schreef toen een aantal romans met een partijpolitieke strekking. Zijn later werk is opvallend divers, met naast romans en toneelstukken, ook gedichten, biografieën en vertalingen, van o.a. Shakespeare. In 1976 en van 1980-4986 was Hoem als dramaturg verbonden aan Det Norske Teatret. Van 1997-1999 was hij schouwburgdirecteur in Molde. Als auteur en politiek en sociaal geëngageerd individu

Edvard Hoems Europese nachtmerrie – kop Stavanger Aftenblad, 16.09.1994

(hij is een uitgesproken tegenstander van de toetreding van Noorwegen tot de EU) wordt Hoem wel eens vergeleken met Bjørnstjerne Bjørnson, over wie hij trouwens een vierdelige biografie (2700 bladzijden!) schreef. Hij werd verschillende keren onderscheiden voor zijn literaire werk. Sinds 2011 krijgt hij een kunstenaarsloon.

In Contemporary Norwegian Prose Writers (1985) zei Hoem over zijn werk:

I see myself as a poetic realist, strongly influenced by modernism where language is concerned, but with a realistic base that’s characterized by a desire to be critical of society and to reach a broad public. I don’t consider it as a weakness that most of what I have written has a specifically Norwegian flavour, but I’m more and more concerned with trying to understand our identity and history in the light of the fact that by the end of the present century we shall have come to occupy a back seat on earth, and that the white man’s hegemony of values is irrevocably finished.

Over zijn terugkeer naar het christendom zei Hoem in een interview met psykiskhelse.no (29.09.2015)

Het was in 1984, toen ik in Nicaragua was en er met revolutionaire priesters praatte, dat ik weer aansluiting vond bij het geloof uit mijn kindertijd en merkte dat ik dat gemist had.

Wat betekent het christendom nu voor jou?

 Veel. Ik maak me zorgen over hoe het zal gaan met m’n kinderen en kleinkinderen, maar dan denk ik dat het leven nu eenmaal zo is en kom ik tot rust in mijn geloof in God.

In Aftenposten (20.10.2008) omschrijft hij zichzelf

als een christen, maar ik ben geen christelijke auteur

Over zijn vroegere marxistisch-leninistisch engagement zegt hij in Fædrelandsvennen Magasin dat hij spijt heeft dat hij lid was van de partij:

“Ik had daar niets te zoeken,” zegt hij beslist. Wie zich daarover opwindt, zal zich herinneren dat Hoem in verschillende krantenartikels stelling nam tegen de partij. Nu ziet hij zichzelf als een radicale socialist, maar is hij ook lid van de Rotary.

In psykiskhelse.no (zie hierboven) noemt hij zich

een man van de verzoening (…) Ik ben geen provocateur. Waarom zou je spuwen op iets dat heilig is voor anderen?

Edvard Hoem schrijft in het Nynorsk. Hij heeft zowat alle genres beoefend, maar is in de eerste plaats toch romanschrijver. Zijn werk is opvallend weinig vertaald in andere talen. Twee romans werden in het Nederlands vertaald.

Vier jaar na het overlijden van zijn moeder (zijn vader stierf al in 1990) schreef Edvard Hoem met Mors og fars historie ***½ (2005; Nederlandse vertaling: Het verhaal van mijn vader en mijn moeder (2015)) een literaire biografie van zijn ouders. Het antwoord dat zijn moeder hem gaf toen hij haar op zesjarige leeftijd vroeg of ze van zijn vader hield, was hem altijd blijven achtervolgen:

Ze bleef staan en keek me aan met een uitdrukking op haar gezicht die ik nog nooit eerder had gezien. Ze deed twee keer haar mond open, en weer dicht.

En toen sprak ze met onherkenbare stem […]: “Ik hield niet echt van je vader toen we verkering kregen, maar ik léérde van hem te houden, want hij was trouw, en trouw is net zo belangrijk als liefde.” (vertaling Paula Stevens)

Edvard Hoems vader groeide op op een boerderij in Romsdal en werd zich al op veertienjarige leeftijd bewust van zijn roeping als lekenpredikant. Na een eenjarige opleiding aan de Bijbelschool trok hij een paar jaar later voor het Indremisjonsforbund (een evangelisch-lutherse opwekkingsbeweging) ieder jaar zeven maanden lang van dorp tot dorp om het woord Gods te verkondigen:

Hij was een lutherse lekenpredikant in de Noorse Haugiaanse traditie en was ervan overtuigd dat hij een goddelijke roeping had om het evangelie van Jezus Christus te verkondigen. (vertaling Paula Stevens)

Hoems moeder Kristine Nylund groeide als oudste van een eeneiige tweeling op in het zuidelijke deel van het Gudbrandsdal: ze was een zomer “budeie” (melkmeisje) op de “seter” (zomerboerderij) van haar ouders, werkte daarna als huishulp en werd uiteindelijk kokkin in een verzorgingsinstelling.

Eén ding hadden Hoems ouders in elk geval gemeen: ze wilden allebei meer worden dan hun landbouwersachtergrond ze kon bieden. Knut had geen zin om de boerderij van zijn ouders voort te zetten. Kristine

wou erg graag verder studeren, maar zag geen andere uitweg dan aan de slag te gaan op een van de grote boerderijen

schreef Hoem zelf in een toelichting bij de roman (“Staden vi kjem frå, staden vi er på, staden vi skal til” in Knut Sprauten (ed), Sted, tilhørigheid og historisk forskning, 2007)

Een passage uit het hoofdstuk “Mors bortkasta ungdom” (“De verloren jeugd van mijn moeder”) illustreert dat treffend:

In de herfst van 1939 gingen mijn moeder en haar zus een paar weken naar de huishoudschool in Vidarheim […] Die cursus duurde twaalf weken en ze kregen allebei goede getuigschriften […] Ook dit getuigschrift zat tussen de papieren die mijn moeder haar hele leven lang zou bewaren, toen ze dit leven had verlaten vond ik het in de envelop waarop “belangrijke papieren” stond. Mensen van nu kunnen misschien niet begrijpen dat een getuigschrift van het doorlopen van een cursus huishoudkunde van twaalf weken tot de belangrijkste documenten in een mensenleven behoort. Maar dan beseffen ze niet hoe eindeloos lang die was, de weg naar de kennis, beseffen niet hoe sterk de behoefte was om de restanten te koesteren van de droom om iets te leren en iets anders te worden (vertaling Paula Stevens)

Het centrale deel van Hoems biografische roman gaat over de periode eind van de jaren 30 tot eind van de jaren 40, toen het leven van beide ouders ingrijpend veranderde. Knuts ouders stonden erop dat hij als “odelsgutt” (oudste en dus erfgerechtigde zoon) de boerderij verder zou zetten. Dat strookte allesbehalve met zijn eigen plannen, maar uiteindelijk geeft hij toe, en moet daarom een andere gelofte breken, iets hem als predikant heel wat imagoschade toebrengt. Kristine kiest in de oorlog uit liefde voor de verkeerde kant.

Wanneer ze elkaar in januari 1945 voor het eerst ontmoeten is het zeker van haar kant geen grote liefde, maar Knut zet door:

Hij bestookt haar niet met verleidingstactieken. Hij komt gewoon steeds weer terug (…) En zij is niet meer zo bruusk, ze glimlacht zelfs wanneer hij komt, niet dat hij zich nu iets in zijn hoofd moet halen, maar een man die zoveel belangstelling aan de dag legt, verdient het toch niet dat ze hem de rug toekeert. (vertaling Paula Stevens)

Ze trouwen, en een dramatisch voorval zal hen dichter bij elkaar brengen.

Rond dit centrale gedeelte vormen de eerste en de laatste hoofdstukken een soort omkadering, waarin Hoem o.a. dieper ingaat op het karakter van zijn ouders. Over zijn vader, die als motto “be uavlateleg” (“bid zonder ophouden”) had, schrijft hij in het al vermelde artikel:

Ooit ergerde ik me over hem en wou ik niet zijn zoals hij, nu kan ik een grote warmte en deernis voelen voor een mens, niet in de eerste plaats omdat hij mijn vader is, maar omdat hij zo’n alles overschaduwende en unieke carrière had, en ik zie niet alleen dat hij moe en onderbetaald was,  maar ook dat hij gezegend en gelukkig was omdat hij zo’n roeping had om zijn leven aan te wijden.

Knut Hoem was een man die naast predikant, ook een groot verhalenverteller was. Kristine had een eerder gesloten karakter:

De vader van de auteur heeft meer van een dromer en een dichter dan van een man van de daad. (…) [Kristine] stribbelt tegen, maar geeft uiteindelijk toe zodat Kurt haar redder wordt. Maar wat er daarna gebeurt is dat zij de boerderij overneemt en hem redt. (Tom Egil Hverven, Kulturnytt, NRK P2, 07.11.2005)

Hoem blijft in Mors og fars historie als verteller steeds duidelijk aanwezig:

Ik wou geen wetenschappelijke biografie schrijven maar een verhaal uit de tweede Wereldoorlog

zei hij daarover in het al geciteerde artikel. Opvallend is dat zijn epische stijl weinig ruimte voor dialogen laat.

een boeiend boek, een innig boek, een boek vol passie en sterke gevoelens (…) een sterk verhaal dat veel meer mensen zal aanspreken en beroeren dan de schrijver en deze recensent (Tom Egil Hverven)

Voor Knut-Rasmus Tvervik Kildahl (kurre.dk, 19.08.2017) was Mors og fars historie

hoe dan ook een boek dat het absoluut waard is om gelezen te worden. De taal is net zo mooi in dit boek uit 2005 als in [zijn latere] boeken, en de natuur- en personagebeschrijvingen zorgen ervoor dat ik alles voor me zie net alsof ik in een bioscoop zit.

Synnove Nord (Oppland Arbeiderblad, 16.11.2005) vond dat de tekst

niets egocentrisch of bekrompens [heeft]. De goede milieubeschrijvingen en tijdsbeelden vormen het juiste kader voor het verhaal over het paar. Het cultuurhistorische coloriet zorgt voor een achtergrond die belangrijk is om het leven en het gedrag van de hoofdpersonages te begrijpen

en Ragnar Olsen (Telen, 08.02.2006) omschreef het boek als

een rustig verhaal, maar soms zo aangrijpend dat deze lezer vaak moest slikken. Het gebeurt maar zelden dat je zo’n pakkende beschrijving leest.

De Petter Dassprijs voor 2007 gaat naar Edvard Hoem voor de roman “Mors og fars historie”en voor de ermee gepaard gaande follow-up met bijna 200 lokale arrangementen, waarop Hoem zo’n 40.000 à  50.000 mensen ontmoette.

Voor Mors og fars historie kreeg Hoem de Melsompris 2006 en de Petter Dass-pris 2007. Bovendien werd hij genomineerd voor de Kritikkerpris en de Nordisk Råds litteraturpris. Van het boek werden in Noorwegen meer dan 100.000 exemplaren verkocht.

Noorse en Nederlandse cover. Ondertussen is het boek al in meer dan tien talen vertaald.

Edvard Hoem, Het verhaal van mijn vader en mijn moeder, vertaald door Paula Stevens, Zaandam (Uitgeverij Oevers), 2021    ISBN 978-949206854-5


Felemakaren**** (2020) werd vertaald als De vioolbouwer (2022). Wat Hoem in dit boek doet, zegt hij zelf, is

een figuur creëren die meer dan tweehonderd jaar geleden leefde, gebaseerd op de beknopte verhalen die mijn grootvader me in mijn jeugd vertelde over Lars Olsen Hoem (1782–1852) (…) Natuurlijk is deze roman in de eerste plaats ook een fictief verhaal, dat is samengesteld uit archiefmateriaal, kerkelijke registers, archieven en afschriften van nalatenschapsarchieven, leger- en gevangenenregisters, krantenartikelen en ooggetuigenverslagen, boeken over vioolbouw en plaatselijk historisch werk uit het begin 19de eeuw.

Lars Olsen Hoem groeit op in Ytre Romsdal. Een gebeurtenis uit zijn jeugd zal hem zijn hele verdere leven bijblijven: hij is beste maatjes met zijn oudere halfbroer Pe tot die iets doet wat Lars’ geloof in de mens een ferme knauw geeft. Een verzoening blijkt onmogelijk: meer dan 40 jaar spreken de broers niet met elkaar. Lars stopt met het bidden van het Onze Vader en het tafelgebed en komt in de problemen wanneer hij zijn geloofsbelijdenis moet afleggen.

Hij is inventief en snel van begrip en heeft veel fantasie, maar hij gaat ook in de contramine met mensen die hij als verstandige jonge kerel eigenlijk zou moeten gehoorzamen, maar ontdekt wel de muziek. Maar een viool krijgt hij niet van zijn vader, die vindt dat vioolmuziek uitnodigt tot rondhangerij en gelummel, en de dronkenschap die daarbij hoort wil hij niet in zijn huis zien.

Lars droomt er ook van om scheepskapitein te worden, maar de historische gebeurtenissen steken daar een stokje voor. Denemarken heeft de kant van Napoleon gekozen in diens strijd met Groot-Brittannië en hij wordt opgeroepen om dienst te doen in het Deens-Noorse leger. Het departement van Marine roept jonge mannen uit de Noorse kuststreek op, niet alleen omdat ze kunnen roeien, maar ook omdat ze er van kindsbeen af aan gewend zijn om in wind en weer met boten te manoeuvreren.

Na een lange voetmars moet hij in Kopenhagen helpen om de stad te verdedigen tegen een aanval van admiraal Nelson door als roeier te pendelen tussen de kade en de Deense vloot. Hij komt terecht in een bloedige strijd die hem confronteert met de zinloosheid en de wreedheid van de oorlog.

Wanneer Lars uiteindelijk weer thuiskomt heeft hij zijn droom om kapitein te worden nog niet opgegeven. Hij trekt naar Kristiansund waar hij een baan vindt bij een koopman en uiteindelijk aan boord van een schip naar Arkhangelsk in Rusland vaart. Maar ondertussen roert Napoleon weer de oorlogstrom en op de terugweg wordt het Noorse schip gekaapt door een Britse oorlogsbodem.

In Engeland komt Lars in een overbevolkt gevangenisschip terecht en maakt daar kennis met monsieur Jean, een Franse vioolbouwer die hem de geheimen van het ambacht leert. Uiteindelijk mag hij naar Noorwegen terugkeren, maar het verblijf op het gevangenisschip heeft zijn jeugddroom stukgemaakt. Wanneer hij het aanbod krijgt om scheepskapitein te worden, merkt hij dat zijn lichaam niet mee wil.

Hij ontmoet Gunhild en wordt om financiële redenen gedwongen om als matroos nog een aantal zeereizen te maken, maar vestigt zich uiteindelijk in Kristiansund en trouwt met Gunhild. Hij weet dat hij nooit een echt goede vioolspeler zal worden, daarvoor is het te laat, maar als vioolbouwer ziet hij zich zelf als “een poortwachter aan de ingang naar het glorieuze rijk van de muziek”.

Hij verwerft een zekere bekendheid, maar blijft het financieel moeilijk hebben – dat hij en Gunhild na verloop van tijd samen zeven dochters hebben helpt natuurlijk niet. Gunhild moet bijspringen en verricht zwaar werk in de plaatselijke visnijverheid en dat komt haar gezondheid natuurlijk niet ten goede:

Hij haalt zijn viool en speelt voor haar om de dood met muziek op afstand te houden, of om het ondraaglijke verdriet te verdoven bij de gedachte dat Gunhild er binnenkort niet meer zijn zal. Ze kijkt hem aan met glanzende ogen, net zo stralend als die ogen waren in de lente van hun leven, toen ze, wonder boven wonder, elkaar ontmoetten en beseften dat ze niet zonder elkaar konden. Hij speelt een heel uur, hij kan zichzelf er niet toe brengen te stoppen.

Uiteindelijk wil Lars nog één enkel doel realiseren…

In zijn recensie (nrk.no, 20.11.2020) schreef Leif Eikle o.a.

Waar de bron tekortschiet, neemt de auteur het over met zijn overzicht en heldere gedachtegang. Hij voegt zijn kleuren, geluiden, geuren, stemmen en mentaliteit toe aan een verhaal dat nooit pretendeert waar te zijn in de eenvoudigste zin van het woord, maar ernaar streeft om een mogelijk leven zo nauwkeurig als doebaar is, weer te geven.

Felarmakaren, ging hij verder, is niet alleen een roman over de muziek, maar ook over de arbeid:

Of het nu gaat over het roeien van een boot, over de langzame bewerking van esdoornhout tot het de zijwand van een viool wordt. Of over het zware werk dat de vrouwen vroeg in de lente op het strand in het ijskoude water verrichten wanneer ze de vis die uit het noorden komt wassen. Nabijheid en inzicht spreken uit de tekst, respect ook. Het grondige voorbereidende werk van de auteur zorgt ervoor dat de lezer bladdunne krullen uit de schaafmachine ziet opkrullen, dat hij de slag van de voorhamer op het hakblok hoort die het houtblok doet splijten.

Hij was ook erg te spreken over Hoems

stijl die erg voor zorgt dat […] al de grote vragen die rondwaren in een mensenhoofd – en dus ook in dat van Lars Olsen Hoem – benaderd worden zonder ook maar één ogenblik in sentimentaliteit te vervallen.

In Aftenposten (12.12.2020) schreef Atle Christiansen

Het woord “familiekroniek” wordt vaak geassocieerd met saaiheid, maar dat geldt niet voor Hoems boeken. Ze zijn dan ook veel meer dan familiegeschiedenissen. Ze gaan ook over hard werk, liefde en existentiële ontwikkeling.

Hij noemde de roman

poëtisch en pedant. Hoem is een pedant die niet betrapt wil worden op knoeiwerk of oppervlakkigheid. Zijn werk is een plezier om te lezen. De zinnen zijn doorwrocht en zonder uitzondering glasklaar. Zijn stijl is zo klaar als die van een bergbeek, ook waar hij beschrijvingen, lofbetuigingen en gebeurtenissen een poëtisch cachet verleent, bijvoorbeeld in de beschrijving van de ontmoeting tussen de vioolbouwer en Kopenhagen. (…) Het klinkt een beetje banaal om te schrijven dat Hoem een rijke roman geschreven heeft, maar waar is het wel.

Edvard Hoem, De vioolbouwer, vertaald door Lammie Post-Oostenbrink, Zaandam (Uitgeverij Oevers), 2022    ISBN 978-94-92068-97-2


Andere romans van Edvard Hoem zijn o.a.

Kjærleikens ferjereiser **** (1974) volgt drie etmalen lang het leven van een aantal personen die op het eilandje Eikøy wonen. Eikøy maakt deel uit van de gemeente Ramvik niet zo ver van Molde in Fjord Noorwegen. Een ferry verbindt het eiland met het vasteland.

Kjærleikens ferjereiser speelt zich af in 1971 en is een groepsroman zonder duidelijke hoofdpersoon. Twee gezinnen die op Eikøy wonen staan centraal. Olven Kretsen is een onderhoudswerkman in Storkorset, het administratieve centrum van Ramvik. Zijn vrouw Anne Marja doet het huishouden en verdient wat bij met het poetsen van het schoollokaal op Eikøy. Ze worstelt met een depressie en haar overdreven bezorgdheid voor haar dochter Marianne bezorgt haart voortdurend angstgevoelens. Marianne is serveerster in Ramvik. Ze is ongewenst zwanger van de nietsnuttige Hans Kristiansson, met wie ze niets meer te maken wil hebben. Ze denkt erover na om haar zwangerschap te laten afbreken, maar sociaal assistent Halvor Børreson denkt ze weinig kans maakt om daar van overheidswege toestemming voor te krijgen. Steun krijgt Marianne wel van haar vriendin en collega-serveerster Mette Nilsen, die politiek geëngageerd is en met de linkse krant Klassekampen van deur tot deur gaat.

Het tweede gezin bestaat uit lagereschoollerares Henriette Brunberg en haar man Arne. Ze hebben een volwassen dochter die maar zelden thuis is. Het huwelijk van Henriette en Arne is op een dood punt aangekomen. Zij heeft het nooit echt naar haar zin gehad op het eiland. Hij verdenkt haar ervan een minnaar te hebben. En dan is er nog de oude, gepensioneerde hoofdbeamte van het ter ziele gegane postkantoor op Eikøy. Hij is bevriend met Henriette maar ook met het gezin Kretsen.

Opvallend aan Kjærleikens ferjereiser is zeker dat Hoem vanaf het prille begin op Brechtiaanse wijze de fictionele illusie doorbreekt:

Op een regenachtige dag laat in oktober koopt hij de plaatselijke kranten van Møre og Romsdal in een Narvesenkiosk in het centrum van Oslo. Hij neemt de tram naar zijn kamer en bladert ze daar door. Geen enkele krant vertelt wat hij weet. Hij opent een atlas op de kaart van Noord-Noorwegen, en die klopt niet. Hij haalt de beschermhoes van zijn schrijfmachine en begint te tikken.

Dit is de laatste keer!

Dit is absoluut de laatste keer!

De kuststrook tussen Stad en Smøla is vervalst. Hoe zit het dan met de kust? Dit moet rechtgezet worden voor het te laat is.

Hij breidt de kust uit met tien zeemijlen woelig kustwater, een groep winderige fjorddorpjes. Strooit er enkele, naar Noorse normen niet al te grote, deels beboste eilanden en eilandjes over uit. Voegt een aantal trajecten toe aan het netwerk van de lokale ferry’s en ook nog een gemeente waar niemand ooit van gehoord heeft: Ramvik.

“Han som skriv” (“Hij die schrijft”) is vanaf de eerste pagina prominent aanwezig. In de loop van de roman zal hij Oslo verlaten en naar Ramvik trekken om lijfelijk contact te zoeken met zijn personages – een van hen zal hem zelfs even in het ootje nemen.

Waarom doorbreekt Hoem op die manier de fictionele illusie? Net zoals Brecht wil hij dat de lezer niet (alleen) in het verhaal opgaat, maar ook nadenkt over waar het verhaal voor staat. Kjærleikens ferjereiser is een stuk littérature engagée. Dat het doorbreken van die fictionele illusie niets afdoet aan de geloofwaardigheid van de personages is al een hele prestatie op zich.

Generaties lang zijn we eraan gewend geraakt om onze aandacht toe te spitsen op diepzinnige psychologische en existentieel-filosofische problemen, die belangrijk en reëel genoeg zijn, zolang we in die zoektocht naar identiteit en zielenrust niet ongeveer vinden dat het bijna heiligschennis is om te vermelden hoe de hoofdpersonen aan de kost komen […] [Hoem] vindt dat de triviale details die in grote mate bijdragen tot het creëren van de voorwaarden voor alle niveaus van het dagelijks leven, een daaraan beantwoordende centrale plaats moeten krijgen in de literatuur die zich tot doel stelt dat leven te schilderen.

(Sverre Tusvik in Helge Rønning (red): Linjer i nordisk prosa: Norge 1965-1975 (1977))

Voor Idar Stegane (Syn og Segn 81 (1975)) gaat Kjærleikens ferjereiser net zoals Hoems twee eraan voorafgaande romans over

de problemen waarmee het niet-stedelijke, afgelegen Noorwegen na de Tweede Wereldoorlog geconfronteerd wordt; over de leegloop van landelijke gebieden en de centralisatiedrang, over individuen en groepen heen en weer gesleurd tussen tendensen in een maatschappij die gestuurd wordt door krachten van buitenaf, door het grootkapitaal en het streven naar centralisatie die vaak hand in hand gaan.

In hetzelfde nummer van Syn og Segn omschrijft Ivar Grimstad de situatie in Eikøy als

De nieuwe tijd die de kleine gemeenschap kraakt tussen zijn scherpe, laatkapitalistische klauwen

De oude Skogmann ervaart het duidelijkst dat wat vroeger gold nu niet meer van waarde is.

Het gevoel dat de beslissingen boven de hoofden van de eilandbewoners genomen worden, is continu aanwezig. In de buurt van Ekøy ligt een schip dat regelmatig explosies veroorzaakt. Aan boord zou aan wetenschappelijk onderzoek gedaan worden, maar wat dat betekent wordt nooit helemaal duidelijk. Er zijn ook geruchten dat een of andere grote (buitenlandse?) onderneming een groot industriecomplex op het eiland zou willen neerpoten. Feit is in elk geval dat een ingenieur uit Ramvik Eikøy bezoekt en op een slinkse manier probeert de bewoners te overhalen om een document te ondertekenen waarin ze verklaren bereid te zijn om het eiland te verlaten indien ze huisvesting in Ramvik zelf aangeboden krijgen. En wanneer Olver Kretsen aan de gemeenteraadsleden van de Arbeiderparti vraagt hoe de toekomst eruit zal zien, wordt hij met een kluitje in het riet gestuurd.

“Han som skriv” besteedt veel aandacht aan de emotionele problemen waarmee vooral de vrouwelijke personages (Marianne, Anne-Marja en Henriette) worstelen:

ze ervaren hun onmacht als een privéprobleem, maar het heeft veel te maken met het feit dat ze leven in een maatschappij die machteloosheid als basisvoorwaarde heeft (Tusvik)

en dat beseft Olver Kretsen  als het over zijn vrouw gaat:

Ze is niet zo, ze is zo geworden, omdat ze meer dan twintig jaar doelloos heen en weer gelopen heeft in deze keuken.

Vrouwen zijn nog altijd tweederangsburgers: Henriette had verder willen studeren, maar nadat ze getrouwd was, werd dat onmogelijk. Mette Nilsen is de enige vrouw in de roman die actief tegen de blijvende discriminatie ingaat.

Is er hoop op beterschap voor de eilandbewoners? “Han som skriv” lijkt toch zoiets te suggereren. Wanneer de inwoners van Eikøy zich realiseren dat hun bestaan op het eiland door externe factoren bedreigd wordt, gaan ze in het verzet. Zelfs de voordien apolitieke Arne engageert zich. Voor Idar Stegane is dit net een van de zwakke punten van de roman:

dat alle belangrijke personen om zo te zeggen op hetzelfde tijdstip tot de actie overgaan lijkt weinig waarschijnlijk.

Leif Mathisens oordeel (Bok og bibliotek, 1975, 1/2) over de roman is terecht positief:

Dit is een van de beste Noorse romans die dit jaar [1974] verschenen zijn. De auteur is er uitstekend in geslaagd het leven in het hedendaagse afgelegen Noorwegen weer te geven. In een gemeente heeft hij de actueelste onderwerpen samengevlochten tot een geloofwaardig verhaal […] Alle deze ingrediënten worden geserveerd in een natuurlijk Nynorsk […] Dit boek werd met recht voorgedragen voor de Nordisk Råds litteraturpris van 1974.

Voor Kjærleikens Ferjereiser kreeg Hoem de Kritikarprisen 1974 en de Sunnmørsprisen 1975.

Edvard Hoem, Kjærleikens ferjereiser, Oslo (tDet Norske Samlaget), 1974    ISBN 82-525-0579-1

De roman werd in het Duits vertaald:

Edvard Hoem, Fährfahrten der Liebe : Roman, vertaald door Ebba D. Drolshagen, Mönkeberg (Wolfgang Butt Verlag), 1988     ISBN 978-3-926099-02-0

Het boek werd in 1979 verfilmd in een regie van Hans Otto Nicolayssen en werd in 2014 door Edvard Hoem en Henning Somerro tot een musical bewerkt en opgevoerd door Sogn og Fjordane Teater in een regie van Yngve Sundvor

“Han som skriv” in de musicalversie.


In Melding frå Petrograd ***½: (1978) (= Gi meg de brennende hjerter 1) gaat Hoem een heel eind terug in de tijd. Plaats van handeling is

een stad aan de Noorse kust

met wat er daar gebeurt tussen 6 juni 1917 en tweede paasdag 1918. De focus ligt daarbij op het reilen en zeilen van de arbeidersbeweging.

Melding frå Petrograd begint met een gedicht over de slag bij Ieper, dat begint met:

Van alle veldslagen in de Grote Oorlog

kan geen enkele wedijveren met de slag om Ieper

en eindigt met

de Engelse arbeiders bestormden

je Ieper, en gaven hun bloed!

Ook al was Noorwegen niet rechtstreeks betrokken bij de Eerste Wereldoorlog, toch voelde het wel degelijk de effecten ervan, o.a. omdat Duitse U-boten Noorse schepen tot zinken brachten. De Noorse bovenklasse profiteerde:

de U-bootoorlog had de vloot sterk gereduceerd, en dus steeg de waarde van de schepen in aanbouw.

maar gewone mensen leden honger en er worden betogingen tegen de levensduurte georganiseerd. Bovendien dreigt er een splitsing binnen de socialistische beweging wanneer de behoudsgezinde vleugel steeds meer onder druk komt te staan van de revolutionaire fractie, die haar inspiratie haalt uit de Russische revolutie.

Klasssekampen windt er geen doekjes om wanneer het gaat over de zondagssocialisten Magnus Nilssen en Jacob Vidnes in de partijleiding en over de lafaards die in het parlement met de burgerlijke partijen meestemmen, ook al vertegenwoordigen ze daar de Arbeiderspartij.

(Klassekampen (1909–1940) was een linkse Noorse wekelijkse krant die oorspronkelijk het orgaan was van de jongerenbeweging van de Arbeiderspartij, maar volgde vanaf 1923 de lijn van de Noorse Communistische Partij. Niet te verwarren met de krant die vanaf 1969 verscheen, aanvankelijk nauw aansloot bij de marxistisch-leninistische beweging, maar zich nu “de krant van de Noorse linkerzijde” noemt.)

Tegenwind voor de socialistische partij komt er van de boerenorganisaties:

Is het dat wat de socialisten willen! Het land van de mensen afnemen, de kerken afbreken en de mensen beletten te werken!

En dan zijn er ook nog rijke industriëlen die een rechtse militie sponsoren.

Uiteindelijk wordt de strijd binnen de socialistische beweging beslecht op een congres in Kristiania in 1918. De radicale vleugel haalt het en Ole-Thøger, een vertegenwoordiger daarvan roept uit:

Het is onze generatie die de revolutie naar Noorwegen zal brengen!

Redacteur Krageli zorgt wel voor wat tegengas:

Je kunt geen geschiedenis schrijven over het heden.

Melding frå Petrograd past helemaal in de traditie van de sociaal-realistische roman, en het is van in het begin duidelijk aan welke kant de verteller staat. Voor Bjørn Tvare (Moss Avis, 03.10.1978) blijft het een vraag

of de roman er niet bij gebaat zou zijn indien de argumenten van de behoudsgezinden binnen de arbeidersbeweging meer aan bod gekomen zouden zijn.

Ongeveer dezelfde opmerking, maar dan zonder er een waardeoordeel aan te verbinden maakt ook Geir Mørk (Eit romanprosjekt i samanbrot, 1984)

Een ander kenmerk is dat de auteur maar een deel van de arbeidersklasse diepgaand portretteert […] zij die de oppositie vormen. De sociaaldemocraten vervullen alleen maar een politieke functie.

Er bestaat in elk geval geen twijfel over dat Hoem zijn verhaal boeiend weet te vertellen en ook Tvare geeft toe dat de roman blijk geeft van

zwierig vertelplezier, levendig taalgebruik, geloofwaardige karakter- en milieuschildering, sociaal medeleven en verontwaardiging

Overigens gelooft Hoem wel in de mogelijkheid van een compromis over de ideologische grenzen heen: de uiteindelijke samenwerking tussen landbouwer Honstad en fabrieksarbeider Lenseth is daar de illustratie van.

Net zoals Kjærleikens ferjereiser is ook Melding frå Petrograd een roman zonder duidelijke hoofdpersoon,

een boek waarin vrouwen en hun dagelijkse contacten met hongerige kinderen en werkloze mannen een belangrijke plaats innemen (Bygdebladet, 26.07.1978)

De “cast” is in elk geval veel uitgebreider dan die van Kjærleikens ferjereiser. Een overzicht:

Gunnvor Danielsen: werkt in Solis hotell; wordt ontslagen, hermetikkfabrikken Union Norwegian Sandwich Factories, eerst partner van Jevgjeny Andrejev, na diens terugkeer naar Rusland samen met Simon Krageli.

Halvor Danielsen: broer van Gunnvor, NOFAR Cellulosefabrikk, voorzitter van det socialdemokratiske ungdomsforbund, dat deel uitmaakt van de revolutionaire tak van de arbeidersbeweging.

Solveig Evertsland: partner van Halvor Danielsen, werkt in Jørgensens Æskefabrikk.

Johan Fredrik Wilhelm Glossmer:conservatieve grootgrondbezitter.

Simon Krageli: redacteur van Arbeidets Røst, een krant van socialistische strekking.

Johannes Josefsen: elektricien NOFAR Cellulosefabrikk, revolutionaire ideeën, verslaafd aan alcohol, zijn vrouw is lid van Frelsens Hær (Leger des Heils)

Fendell-Knab: “Knaben”; (nieuwe) directeur van Langenæs Verft; bereid tot onderhandelen met de werknemers.

Erik Honstad: bezit een kleine boerderij; staat afkerig tegenover het socialisme.

Hansina: vrouw van Erik Honstad.

Storejon: cellulosekoker NOFAR vrouw in sanatorium; kinderen uitbesteed

Karl Kongsli: revolutionair, NOFAR, manusje-van-alles van Arbeidets Røst.

Lillian Andersen: vriendin van Solveig Evertsland, Jørgensens Æskefabrikk, lid van Kvinnelaget van de Noorse Arbeiderspartij.

Jonas Kjeller: partner van Lillian Andersen.

Ole-Thøger: lid van de door het syndicalisme beïnvloede Fagopposisjon; “de hardste noot van heel de stad”.

Asbjørn Torsteinsson: vakbondsleider op Længenes Verft: “høgresosialdemokrat”; behoort tot de reformatorische vleugel van de socialistische beweging.

Anton Helle: leraar, behoort tot de reformatorische vleugel van de arbeidersbeweging.

Anton Hansen: heeft een werfongeval.

premierløytnant Kr  app-Nielsen: wil samen met Glossmer een knokploeg oprichten “ter verdediging van de Noorse waarden”.

Potifar: schoenmaker

Kalla Iversen: Potifars vrouw, gearresteerd en tot gevangenisstraf veroordeeld wegens hulp bij een abortus.

Ragna Lid: vrouw van dokter Lid, progressief, lid van de vrouwengroep van de Arbeiderspartij.

Thomas Lenseth: jeugdvriend van Erik Honstad, socialist, werkt op de scheepswerf in Vatne.

Lund: arbeider, ontslagen wegens dronkenschap, maakt deel uit van Krapp-Nielsens knokploeg.

Edvard Hoem, Melding frå Petrograd, Oslo (Det Norske Samlaget), 1978    ISBN 82-521-0834-2.


Fjerne Berlin (1979) *** (= Gi meg de brennende hjerter 2) sluit direct aan bij Gi meg de brennende hjerter 1 en dus vindt de lezer er een aantal personages in terug met wie hij al vertrouwd is. Aanvankelijk zijn dat vooral Gunvor Danielsen en Erik Honstad. Gunvor Danielsen trekt na de breuk met redacteur Krageli naar Christiania, noemt zich nu Gunvor Frimann, en vindt werk in een naaiatelier. Ook in de Noorse hoofdstad wordt ze geconfronteerd met slechte werkomstandigheden.

Erik Honstad bevindt zich in een moeilijke situatie na de dood van zijn vrouw. Hij herstelt wel van de Spaanse griep, maar is labiel en komt in de problemen met de partner van zijn vriend Thomas Lenseth, die de streek verlaten heeft om elders werk te zoeken.

Gunvor Danielsen verdwijnt na verloop van tijd uit het zicht en zal pas naar het einde van de roman toe weer opduiken. Ze wordt afgelost door haar broer Daniel. Hij wordt geheel opgeslorpt door zijn politieke en vakbondsactiviteiten en voelt zich gefrustreerd omdat de radicale stroming waartoe hij behoort geen meerderheid vindt in de Noorse arbeidersbeweging – op de achtergrond spelen de Russische revolutie en de Spartacusopstand in Berlijn (zie titel) een belangrijke rol. Het resultaat is dat Daniel Halvorsen vervreemd geraakt van zijn vrouw Solveig, die (als reactie op zijn gedrag?) steeds meer de religieuze toer opgaat.

Voor hem lijkt er aan het einde van het boek geen oplossing in de maak: de situatie waarin hij aan het slot van de roman belandt is daar de perfecte illustratie van. Voor Jahn Thor (Profil, 81/3) is Fjerne Berlin echter geen roman over een nederlaag, maar over frustraties:

Die frustraties ontstaan omdat het leven niet zo eenvoudig en rationeel is als mensen graag zouden willen, of het nu gaat over de socialistische agitator Halvor Danielsen of over mevrouw Glossmer met haar bovenklasse-verveling. De hartstochten spelen de hele tijd op: ze verdraaien, verhinderen, vervormen en verleiden. Het ene ogenblik manifesteren ze zich in de lichamelijke behoefte aan fysiek contact, het volgende in de behoefte aan gemeenschap via religieuze extase […] De frustraties kunnen een politieke basis hebben, maar zijn toch vooral van fysieke aard. De figuren worden aangejaagd door een verlangen naar lichamelijke saamhorigheid met een ander.

Voor Erik Honstad ziet de toekomst er beter uit:

Hij zou een mens worden die zich niet alleen voor zijn eigen redding zou inzetten, maar ook zou denken aan zijn dorpsgenoten. Hij zou graag iets doen voor het dorp […] Hij wou met zijn leven iets doen dat betekenis gaf aan zijn aanwezigheid in het dorp. Hij zou het dorp vooruithelpen. Hij zou de leiding nemen bij goede initiatieven.

Mocht de lezer de indruk […] hebben dat het alleen maar gaat over klassenstrijd en beproevingen, dan vergist hij zich. Liefde en zachte gedachten zijn ook aanwezig. Hoem bewijst in deze roman dat hij zowel kan schrijven over harde sociale en politieke feiten als over wat zacht en gevoelig is. (Folkemål 1980, 9/7)

Boeiend verteld, maar toch lijkt het verhaal onaf. Zo blijft het onduidelijk wat de rijke industrieel Glossmer zal uitrichten met de door hem opgerichte knokploeg, en wordt het motief van mevrouw Glossmers religieuze en pseudosocialistische bevlogenheid niet uitgewerkt. Verwonderlijk is dat niet: Fjerne Berlin was geconcipieerd als het tweede deel van de trilogie “Gi meg de brennende hjerter”. Het derde deel van die trilogie is echter nooit verschenen.

Edvard Hoem, Fjerne Berlin, Oslo (Gyldendal Norsk Forlag), 1980  ISBN 82-05-12366-7


Prøvetid (1984) **½ is een heel ander soort roman, een psychologisch portret van de 35-jarige Johannes Bergmann, een op het eerste gezicht erg geslaagd acteur, die verbonden is aan Det Norske Teatret in Oslo. Al sinds hij nog op de acteursschool zat loopt hij met een Plan (met hoofdletter) rond:

Ik had een Plan dat in vervulling zou gaan, en ik had een lijst met de rollen in de wereldberoemde toneelstukken dat daar deel van uitmaakte […] Toen al beschouwde ik mezelf eerste en vooral als een kunstenaar. Wie uit het niets verschijnt, moet zichzelf verheven doelen stellen. Anders lukt het niet.

En succesvol is hij, maar dat succes kan toch niet verhinderen dat hij door onrust geplaagd wordt:

De stad is akelig, de job van acteur is akelig […] We zijn apen in een door anderen verzonnen stramien, we zijn quasi en tweedehands.

Dat heeft veel te maken met het feit dat zijn privéleven een chaos is:

Hij gebruikt mensen, verleidt en verorbert meisjes, is egocentrisch en verslaafd aan alcohol (Rune Hagen, Østlendingen, 15.12.1984)

Vooral zijn relaties met vrouwen zijn dus problematisch. Van zijn eerste vrouw Marianne is hij allang gescheiden, de relatie met zijn tweede vrouw Trine heeft een dieptepunt bereikt. Met andere vrouwen heeft hij “losse” contacten. Zo brengt hij een weekend door bij Rita (haar achternaam kent hij niet) in Fredrikstad, en Rita blijkt iemand met nogal bizarre opvattingen te zijn: het relaas van hun ontmoeting is gekruid met zwarte humor.

Ook ontmoet hij toevallig Kristin Villanger. Met haar heeft hij een tijd geleden een relatie gehad die hij uiteindelijk stopzette omdat zijn “Plan” voorrang had. Kristin verlaat nu de man wie ze getrouwd is, en hij vindt een appartement voor haar. En dan is er nog Linda Herning, zijn tegenspeelster i Strindbergs Frøken Julie, waarvoor de repetities volop aan de gang zijn. Linda Herning komt nogal pathetisch voor de dag:

Kun je me niet met je meenemen, Johannes – jij die zo verstandig bent?

Waarheen, zei ik.

Hiervandaan, het doet er niet toe waarheen. Laten we vluchten terwijl de repetities aan de gang zijn. Het zou een historie worden waarbij het verhaal van Jean en Julie [de centrale personages in Frøken Julie] in het niets verzinkt. Breng ons hiervandaan en ik zal je gelukkig maken. Wanneer we vijftig zijn, keren we terug uit verre landen, zeilen we de Oslofjord in met een volledig opgetakeld schip. Vind jij maar uit wat ik wil, ik onderwerp me aan jou.

Bergmann speelt Jean in Strindbergs stuk, heeft het moeilijk om de juiste toon te vinden en komt daardoor verschillende keren in botsing met regisseur Janne Holmberg. Verwonderlijk is dat niet, want hij ervaart het stuk als erg confronterend:

In Strindbergs stuk misbruikt Jean (= de Franse versie van Johannes) vaak mensen (in casu juffrouw Julie) om de doelen te bereiken die hij zichzelf heeft gesteld als het gaat over sociale promotie, carrière en materiële welvaart. Geen wonder dat Johannes zichzelf in hem herkent. (Knut Imerslund, Vinduet 1984/38)

Wat gebeurt er echt met ons als we ontdekken dat het beeld dat we van onszelf hebben barsten begint te vertonen […] Durven we in de spiegel te kijken met ogen die niet verblind zijn door een vernis van onze eigen uitmuntendheid? Iedereen weet dat het een pijnlijke ervaring wordt.

vroeg Ragnar Falck (Helgeland Arbeiderblad, 11.12.1984).

Bergmanns overwegingen zouden kunnen leiden tot een harmonieuzer privéleven:

Heel mijn leven heb ik erover gedagdroomd om op reis gaan, nu droomde ik ervan om te blijven, hier iets tot stand te brengen, het naar de zin te hebben, vrienden op bezoek te krijgen, eventueel meisjes, maar eerst en vooral iemand te hebben die ik in de ogen durf te kijken.

Maar het einde van de roman stelt daar wel veel vragen bij: misschien is hij al te ver gegaan?

Zoals al aangegeven staat Prøvetid ver af van Hoems vorige romans. De sociale bewogenheid die daaruit sprak lijkt grotendeels afwezig:

De politieke tendensen zijn onzichtbaar en bijkomstig, het sociale is van ondergeschikte betekenis in een door het theater geïnspireerde tekst over rollenspel en maskers en kostuums en de betekenis van “het leven”

schreef Kjartan Fløgstad (Samtiden 1986/4): we hebben hier te maken met

literatuur die alle thematisch materialistische ambities opgeeft

In dat opzicht sluit Prøvetid goed aan bij een trend die in de jaren 80 van de vorige euw aan de oppervlakte kwam:

De afgelopen jaren werden nogal wat romans gepubliceerd over emotioneel koude en zichzelf compromitterende mannen (Knut Imerslund)

Hoem zelf zag Bergmann als iemand die staat voor wat zijn tijdgenoten kenmerkt:

Meer en meer mensen worden de slaaf van hun “imago”, van hoe anderen naar ze kijken. Ze verliezen het contact met hun eigen persoonlijkheid […] Tegenwoordig doen mensen meestal waar ze zin in hebben, springen van relatie naar relatie. Kijk naar Bergmann – hij is populair, heeft succes en veel meisjes, maar toch is hij grenzeloos eenzaam en geïsoleerd. Dit is de belangrijkste boodschap van de roman. (Østlendingen, 15.12.1984)

Hij was er zich terdege van bewust dat Prøvetid afweek van zijn vorige werk:

Ik heb mijn politiek standpunt niet veranderd. Ik ben nog steeds lid van AKP m-l (en lid van de staatskerk), maar heb me nooit onderworpen gevoeld aan literaire voorschriften. Een partij kan niet bepalen wat kunst is. Dit is een boek dat ik wilde schrijven. Het kan me eerlijk gezegd niet schelen wat AKP (m-l)-leden of anderen van het boek vinden. […] Ik heb afscheid genomen van het sociaal realisme als programma. Soms kan een literair programma nuttig zijn. Er kwam veel goeds uit de jaren ’70, maar ook veel slechts. Het is de beweging van de slinger. Het belangrijkste is om grenzen te doorbreken, niet in een hokje te blijven zitten. Ik zal wel boeken over de hedendaagse werkelijkheid blijven schrijven, maar daarbij niet langer uitgaan van een programma. Ik geef geen antwoorden meer, ik wil niet langer de wereld redden. Hij moet het zelf doen. (Østlendingen, 15.12.1984 – AKP staat voor “Arbeidernes Kommunistparti”, een Noorse communistische partij die sterk bij het maoïsme aanleunde en waar Hoem toentertijd lid van was)

Prøvetid werd in zijn tijd goed ontvangen:

Bijna het hele recensentenlegioen heeft de auteur met superlatieven overladen, en dat is terecht.

schreef Ragnar Falck en Kjartan Fløgstad vond:

Hoem’s roman […] ademt geleefd leven, […] is goed geschreven en strak en zelfverzekerd opgebouwd.

Korte uittreksels recensies op de omslagflap van I Tom Bergmanns tid:

Het boek moet gerekend worden tot de grote Scandinavische naoorlogse romans.

Een Noors meesterwerk.

Hoem dringt diep in ons door.

Een literair peilmerk.

Krachttoer in een proefperiode.

Prøvetid werd genomineerd voor de Nordisk Råds Litteraturpris. Nu komt de roman met al zijn verwijzingen naar toneelstukken eerder te geconcipieerd over.

Edvard Hoem, Prøvetid,Oslo (Oktober), 1984   ISBN 82-7094-328-2


Heimlandet Barndom **** (1985) is

geen roman met een sterke politieke tendens, maar eerder een eerlijke en echte beschrijving van het geboortedorp van de auteur zoals het er in de jaren 50 uitzag. (Nina Valso, Nidaros, 14.12.85)

In deze sterk autobiografisch getinte roman kijkt Hoem terug op de eerste 14 jaar van zijn leven, die hij doorbracht op een hoeve in het West-Noorse Karviland, waar de “moderne tijd” dan stilaan ingang vindt.

De mannen die roltabak rookten en allemaal dezelfde werkkleding droegen boorden gaten onder de dakrand en trokken de elektrische leidingen naar binnen.

In vele opzichten is de roman een “voorloper” van Hoems latere biografische romans, zoals Mors og fars historie (2005). Oom Lars die krankzinnig uit Amerika terugkeert, de gevolgen van vaders activiteit als lekenpredikant voor het leven op de hoeve, een allesbepalend element uit het leven van moeder, de achterliggende armoede: het zijn allemaal onderwerpen die in Heimlandet Barndom aangeroerd worden en later uitgebreider behandeld worden in Mors og Fars historie.

Wat voor iemand is de jonge Hoem? Hij is ernstig en leergierig: zoveel is duidelijk. Zijn ernst zorgt ervoor dat hij vaak piekert. Hij groeit op in een christelijk milieu waar er erg wordt uitgekeken naar het bouwen van een eigen gebedshuis – de mogelijk onderliggende motivatie daarvoor wordt pas laat in het boek onthuld. Nog erg jong loopt hij een tijdje rond met het idee om dominee te worden. Wanneer hij dan min of meer gedwongen wordt om mee te rijden met iemand die voor hem de verpersoonlijking is van de baarlijke duivel, baart hem dat grote zorgen:

Hoe kon hij nu nog dominee worden nadat hij met de Duivel meegereden was? Nu was hij wel verplicht om landbouwer te worden. Dat die lelijke man en zijn eigen zus hem ertoe gedwongen hadden maakte niets uit. Na wat er gebeurd was kon hij Jezus niet meer recht in de ogen kijken. Hij was de dood nabij. Keek God niet naar hem om? Hij wou van de kar springen, hij kon het hele lange eind lopen, indien dat hem zou redden, maar het was een uitweg. Hij was verlamd van schrik, kon geen woord uitbrengen.

Wat ouder geworden, wil hij toch missionaris worden, gooit zich op de talenstudie en maakt dan weer een soort minigeloofscrisis door wanneer hij het scheppingsverhaal van de Bijbel leest:

Het was prachtig, maar het hielp hem niet. Hij wist allang dat de wetenschap het als bijgeloof en legende beschouwde. Maar indien het niet God was die de wereld geschapen had, en het was allemaal maar iets wat toevallig gebeurd was, dan was het leven toch totaal zinloos.

Leergierig is hij zeker, en een echte boekenverslinder. Wanneer hij voor de eerste keer de gemeentelijke boekencollectie mag bekijken

vergat hij alles, absoluut alles. Hij zat op zijn knieën in de slecht verlichte gang en opende boek na boek. Hij kon maar niet beslissen wat hij zou ontlenen. Hij verloor alle besef van tijd terwijl hij de ruwkoude boekenlucht en de geur van oud zweet opsnoof, terwijl hij het stof avveegde van de versleten linnen boekruggen en de data op de uitleenkaarten bekeek.

Zijn moeder is zijn toeverlaat:

haar doel was dat al haar kinderen een studentenpet zouden dragen.

Dat hij qua kennis een voorsprong heeft op zijn leeftijdsgenoten wekt afgunst bij hen op:

Hij was [de] favoriet [van de onderwijzeres], zeiden de anderen, hij stak voortdurend zijn hand op en sprak haar nooit tegen.

Hij voelt zich dan ook vaak eenzaam.

Anekdotiek is nooit volledig afwezig in Heimlandet Barndom, bijvoorbeeld wanneer de boekencolporteur langskomt:

De boekenverkoper maakte het zich gemakkelijk. Hij trok zijn schoenen uit om zijn tenen te luchten, zoals hij zei, en de stank was verschrikkelijk

of wanneer de lagereschoollerares tijdens het kerstfeest haar cool verliest en er van alles door de kamer vliegt.

Hoem was “odelsgutt”, van hem werd verwacht dat hij de boerderij verder zou zetten, maar hij had al vlug door dat de boerenstiel niet zijn ding was:

Alles werd opgelapt, nooit werd er iets nieuws bijgebouwd. Zijn grootvader en zijn vader gooiden de schapenmest door een raampje in de schapenstal, en het rook er doordringend, armoedig en vies. Hij huiverde bij de gedachte dat hij daar ooit zelf zou staan en met een riek schapenstront zou verplaatsen.

En dus wil hij weg:

Als ik hier blijf word ik zonder enige twijfel gek.

Op het einde van Heimlandet Barndom kan hij daarmee een begin maken wanneer hij toegelaten wordt tot de Molde kommunale ålmennskule en lijkt het erop alsof hij zijn ergste piekergedachten achter zich gelaten heeft:

het lijkt verdraaid wel alsof hij blij is, zei vader tegen moeder. Ja, ze wisten waarom hij blij was, en ze wilden geen schaduw over zijn blijdschap leggen […] Ver ging hij niet, maar zijn moeder stond daar met een zorgelijke blik op haar gezicht, en hij wist dat zij wist dat hij voorgoed wegging en niet enkel naar Molde vertrok.

Mette Elisabeth Nergård (Veien til verket, Om Heimlandet Barndom, 1997) benadrukte dat Heimlandet Barndom wel degelijk een roman is en geen autobiografie. Ze plaatste de roman in een algemeen kader en zei dat het hier ging over

verlangen en armoede, over opgroeien in het verarmde, maar mooie plattelands Noorwegen, dat wie iets van zijn leven wou maken moest verlaten. Maar dat gebeurde niet zonder verdriet en ergens had men het gevoel dat men verraad pleegde. En wie vertrok zou altijd de herinnering aan zijn kindertijd met zich mee dragen.

De roman heeft hoe dan ook een autobiografische invalshoek:

Edvard Hoem is een moedige, onbevoordeelde en warme auteur. Het beeld van zijn vader, de lekenpredikant die zijn boerderij verwaarloost en zich onderwerpt aan de stugge normen van de evangelisatie, tekent hij met veel respect voor diens menselijke waardigheid en diens overtuiging. En zijn moeder wordt onder zijn pen een traditioneel maar aangrijpend monument van een vrouw die, net zoals zo vele anderen uit ons verleden, zich erbij neerlegt dat ze de talenten die ze bezit niet kan ontplooien […] Het is een ongewoon boek, een moedig boek over onze wortels. Wat onnauwkeurig en provocerend zou ik Heimlandet Barndom een positief en nostalgisch boek willen noemen, ook al is heimwee een begrip waarover vaak met minachting wordt gesproken. (Sigmund Moren, Østlendingen, 18.12.1985)

Halfdan W. Freihow (Morgenbladet, 15.11.1985) noemde Heimlandet Barndom een merkwaardig traditionele maar tegelijkertijd ook een originele roman en het is

net het traditionele dat de roman origineel maakt. We hebben hier niet te maken met een drieste afrekening met een ontwrichtend en bekrompen milieu waarin men opgroeit […] Er wordt niet bitter en hooghartig teruggekeken, en dat maakt de roman niet alleen sympathiek, maar ook origineel. Het is lange tijd mode geweest om met minachting op zijn kindertijd terug te blikken, en die elke persoonlijke waarde te ontzeggen.

Freihow was bijzonder te spreken over het portret dat Hoem schildert van zijn moeder

die stille, maar altijd wezenlijk aanwezige gestalte

maar kwam toch ook met een bedenking:

Heimlandet Barndom is charmant, ook door de aanwezigheid van enige zelfironie (“De winter, de dood en het communisme waren ver weg”). Wanneer ik toch wat reserves heb, is dat omdat ik hem [d.w.z. Hoem] van enige berekende koketterie verdenk.

oorspronkelijke uitgave

latere uitgave

Edvard Hoem, Heimlandet Barndom, Oslo (Forlaget Oktober), 1985   ISBN 82-7094-415-7


Centraal in Ave Eva****½ (1987) staat Edmund Vik. Hij werd in 1943 geboren als zoon van een meisje uit Oslo en een oostfronter:

Hij […] was het resultaat van blinde en toevallige lust toen een onvolwassen meisje uit West-Oslo viel voor iemand uit West-Noorwegen, die een SA-uniform droeg.

Na de Tweede Wereldoorlog wou zijn hertrouwde moeder zo weinig mogelijk met hem te maken hebben en werd hij “opgeborgen” in een kostschool. ’s Zomers werd hij naar de boerderij van zijn oom op Kvitøy in de Romdalsfjord in het westen van Noorwegen gestuurd.

Oude vrienden van zijn vader zorgden er uiteindelijk voor dat hij in Bergen kon studeren. Daar trouwde hij met Marianne, maar verliet haar en hun babyzoon Rein zonder aanwijsbare reden:

Op die fatale ochtend stond ik vroeg op; ik niet kon slapen. Marianne en ik sliepen in de huiskamer, in de slaapkamer lag ons zes maanden oud zoontje Rein. Aan de deur van de kamer hing de witte muts die Marianne voor hem had gekocht. Ik besloot dat ik best niet naar binnen keek. Toen glipte ik de kamer uit en belde vanuit de telefooncel om een taxi.

De erop volgende jaren zou hij in Duitsland doorgebracht hebben, een periode waarover hij later niets kwijt wil.

Dertien jaar later krijgt Vik te horen dat hij de boerderij van zijn oom geërfd heeft. Hij keert terug naar Kvitøy en is vast van plan om van de vervallen hoeve een modelbedrijf te maken. Motivatie daarvoor vindt hij in het besef dat het in de steek laten van Marianne en hun zoon het grote verraad van zijn leven geweest is. Hij ziet de heropbouw van de vervallen boerderij als een soort boetedoening en koestert de hoop dat hij Rein zal terugvinden en dat die hem zal opvolgen:

wanneer hij de jongen uit zijn berekening wegliet, werd alles volkomen zinloos.

Hij noemt zichzelf nu Edmund Saknevik en dat zal een “nomen est omen”-naam blijken te zijn – “å sakne” betekent in het Noors “missen”, verliezen”, “kwijtraken”. Zijn integratie in het stadje gebeurt aanvankelijk stroef: er is tijdens zijn dertien jaar afwezigheid veel veranderd in Noorwegen en hij wordt wegens zijn “afkomst” scheef aangekeken.

Zijn ontmoeting met Siri Dyrdal lijkt voor een ommekeer te zullen zorgen. Zij werkt in de locale fotozaak, maar bezit ook een eigen (vervallen) boerderij die vroeger nog als hotel gebruikt werd. Siri heeft een dochter Ingvil die een auto-ongeluk overleefd heeft maar sindsdien aan een rolstoel gekluisterd is.

Siri blijkt echter een erg onafhankelijke vrouw te zijn:

Ik wou graag zijn vriendin, zijn minnares en zijn geliefde zijn, maar geen schoonmaakhulp, kok en serveerster, en al de rest waarmee andere echtgenotes geteisterd worden op de beroemde Noorse “familieboerderij”, een vernederend en onderdrukkend systeem gecreëerd om ervoor te zorgen dat vrouwen geen energie meer hebben en willoze jaknikkers worden.

Ze gaat in Oslo filosofie studeren en laat de zorg voor Ingvil aan Edmund over. Die is erg aan het meisje gehecht en ook dat kan gezien worden als een boetedoening voor zijn vroegere verraad.

Sissel Lie (Kritikkjournalen, 1988/89 – 6) formuleerde nogal wat feministische bezwaren tegen de portrettering van Siri in de roman:

Het verraad van vrouwen verdrijft de man dus uit het Paradijs, of dat nu de Hof van Eden is of Romsdalen. De ik-verteller kan zijn handen in onschuld wassen, ook al heeft hij een uiterst vrouwonvriendelijk verhaal verkocht, omdat hij niet verantwoordelijk is voor de persoonlijkheid van Siri Dyrdal en de structuur van de roman. Maar de auteur moet die verantwoordelijkheid nemen […] Het is niet nieuw in de wereldliteratuur om vrouwen aansprakelijk te stellen voor alles wat er mis gaat. Veel vrouwenhaat en angst hebben een literaire vorm aangenomen en geweldige werken opgeleverd. Maar terwijl Edmund een veelzijdige, onbegrijpelijke en fascinerende persoonlijkheid is in Hoems roman, blijft Siri Dyrdal koud, oppervlakkig en weinig overtuigend.

En er duiken ook problemen op. De Noorse staat heeft een nieuwe en veelbelovende bron van inkomsten gevonden:

Ik […] ontmoette de beëdigde mannen van de transportafdeling van Statoil, die met een hemelse boodschap naar de boeren in Saknevik kwamen: ze zouden ons land nodig hebben, zeiden ze, en er zou geen schop bovengrond meer zichtbaar zijn nadat ze er met hun machines overheen gegaan waren. Ze vroegen ons om halleluja te roepen, op de luit en de harp te spelen, rond het gouden kalf te dansen en boden ons dertig zilverstukken of een vergelijkbaar bedrag aan indien de uiteindelijke keuze op ons zou vallen.

Edmund gaat in het verzet, maar zoals zijn oude studiegenoot Fisto later zal zeggen:

De geschiedenis is zoals een rivier. Hij stroomt van de top van de berg naar de zee, en we staan in het midden van het water en zwaaien met de armen, maar kunnen het water in geen geval tegenhouden.

In een interview in Bergens Arbeiderblad (21.11.1987) toonde Hoem zich bezorgd over de positie van de roman:

Mensen vullen hun vrije tijd op een andere manier in. Schrijvers moeten ernstig nadenken over hun houding daartegenover. Kunnen ze zich vinden in het schrijven voor een beperkte groep, of zien ze het feit dat de visuele media steeds meer leestijd inpikken als een uitdaging, vraagt Edvard Hoem zich af. Zelf is hij vanzelfsprekend de uitdaging aangegaan. In Ave Eva komt hij met iets nieuws. Het is de eerste keer dat hij zoveel kunstgrepen uit de ontspanningsliteratuur heeft gebruikt.

Je moet onderhoudend en goed schrijven. Wij schrijvers hebben te weinig geleerd van de ontspanningsliteratuur en de rest van de media. Waarom heeft Margit Sandemose zoveel lezers1 Toch niet omdat de mensen dom zijn. Misschien komt het door bepaalde kenmerken van haar werk.

(1 “Nordens folkelesningsdronning”  [de koningin van de Noordse volksliteratuur] Margit Sandemo (1924-2018) was een van de succesrijkste auteurs van Noorwegen. Ze schreef meer dan 185 boeken en verkocht meer dan 35 miljoen exemplaren ervan.)

In Ave Eva maakt Hoem uitgebreid gebruik van elementen die veel voorkomen in wat neerbuigend de “triviaalliteratuur” genoemd wordt. De ondertitel “Herregårdsroman” wijst in de richting van de plattelandsroman, en melodramatische en geheimzinnige componenten spelen een belangrijke rol in het verhaal.

Aan het einde van de 19de eeuw woonde dominee Johannes Lindberg op de hoeve, die toen nog een pastorie was. Hij is de auteur van “Svarteboka” (“het zwarte boek”), een soort dagboek, waarnaar de titel van Hoems roman verwijst:

Ave Eva, Ave Eva, Het begin is het einde, Het einde is het begin. Eva is het leven, de man is de aarde. De vrouw is uit ons geboren, maar de vrouw baart ons, de vrouw vernieuwt ons. Laat me verteerd worden door de passie die over me kwam.

De inhoud was ontoegankelijk, fragmentarisch, soms obsceen, het was onbegrijpelijk dat een domineehand dit had geschreven.

Wat het dagboek in ieder geval aantoont, is dat Lindberg een voor een dominee totaal ongepaste interesse koesterde voor een identieke tweeling. Uiteindelijk werd Lindberg vermoord. Het is een moord die pas opgelost wordt tijdens Edmunds verblijf op de hoeve.

Ook Edmunds grootvader, die failliet ging, was een enigmatische figuur, die uiteindelijk zelfmoord pleegde:

In de vroege jaren dertig nam hij zijn eigen leven. Hij nam gewoonweg vergif in voor een grote spiegel in zijn schrijfkamer, met een buste van zichzelf op zijn schoot, waarschijnlijk omdat hij op die manier zijn eigen doodstrijd zou kunnen meemaken.

Verder zijn er o.a. Edmunds onverklaarde verblijf in Duitsland, de verdwijning van Siri’s echtgenoot en het bestaan(?) van een geheimzinnige zilverschat. Ook een spiritistische seance ontbreekt niet.

Ave Eva is hoe dan ook geen traditionele plattelandsroman. Het volgende, aan Hamsun herinnerende fragment, illustreert dat:

Het regende dag in, dag uit in die late herfst in het westen van de fjorden, maar de mist die hem aan alle kanten als een muur omringde, deerde hem niet. Hij sloeg hekpalen in de grond voor de vorst kwam, want ’s zomers zouden zijn dieren in zowel Dyrdal als Saknevik in de open velden grazen. Hij had het naar zijn zin terwijl vocht en nevel zich een weg baanden door zijn boezeroen en hemd. Hij had besloten dat dit de plek was waar hij moest zijn, en gaf twijfel geen kans.

Edmund is met zijn schuldbesef en zijn pogingen tot boetedoening een veel complexere figuur dan de meeste personages uit de ontspanningsliteratuur.

Ave Eva gaat ook over meer dan Edmund Savneviks persoonlijke tragedie. Het boek kan gelezen worden als een hulde aan het Landsmål, waartoe hij zich “bekeerd” heeft:

Hij leerde zichzelf ouderwets Landsmål praten – hij die uit Oost-Noorwegen kwam en in een stad opgegroeid was.

Het boek verdedigt ook en aantal “traditionele waarden” die dreigen te verdwijnen:

Naar de hoofdstad stroomde het volk, het geld, ieder jaar sneller en sneller, terwijl de districten met de schuldenlast opgezadeld zaten, met de inflatie waarvoor ze geen compensatie kregen, met de rente, met de zware arbeid!

en schetst een beeld van de oproerige 1968-generatie en wat er uiteindelijk van ze geworden is. Dat wordt duidelijk wanneer Edmund een bijeenkomst van generatiegenoten organiseert. Enkelen zijn hun oude idealen min of meer trouw gebleven, maar anderen, zoals advocaat Aggen en onroerendgoedeigenaar Fisto, hebben die helemaal achter zich gelaten. Aggen laat zich erg cynisch over de eersten uit:

Deze lauwe warmte van het hart, deze halfhartige hoffelijkheid, deze verlakte inhoudsloosheid die ze beoefenen, ik zou kunnen kotsen indien ik mijn ingewanden al heel lang geleden niet had leeggewrongen. En het was deze bende die ooit lyrisch deed over revolutie. Ze waren zelfs niet in staat om in de wasruimte een revolutie te ontketenen. Ze zouden daar hun beurt afwachten, net zoals ze nu al vijftien jaar op de revolutie wachten.

De ondertitel “Herregårdsroman” wijst er eigenaardig genoeg ook op dat we hier niet met een traditionele plattelandsroman te maken hebben. Een “herregård” is immers niet zomaar de eerste de beste boerderij, maar een

større gård, gods som tilhører en adelsmann, en herreman (NAOB),

een soort herenboerderij zeg maar. En dan is er ook de intertekstualiteit die zo kenmerkend is voor Ave Eva. Edmunds falen wordt geïllustreerd en versterkt door talloze verwijzingen naar het verloren gegane (aards) paradijs. Edmunds grootvader begon aan de vertaling van Miltons epische gedicht Paradise Lost (1667) in het Landsmål en streefde daarbij naar perfectie:

Zodra er een woord vervangen moest worden herschreef hij de hele pagina. Het was alsof het manuscript zelf zondeloos moest zijn, ja zelfs zonder vlek en smet.

zegt Edmund, die zelf het werk voortzet, maar ook dat loopt op een mislukking uit…

Dat Edmunds poging om een modelboerderij te creëren fataal zal aflopen, is door de structuur van de roman al vanaf de eerste bladzijden duidelijk. Daar beschrijft een naamloze ik-verteller zijn eerste ontmoeting met Edmund, die dan als een dakloze in Bergen ronddwaalt, en voegt eraan toe:

Hij nam een familieboerderij over in de kerkgemeente Kvitøy en beheerde ze drie onwerkelijke jaren. Toen ik hem ontmoette, had hij alles wat hij nog bezat bij zich in een plastic zak.

In het erop volgende relaas laat die ik-verteller ook Edmund zelf (en Siri) uitgebreid aan het woord:

Edmund [praatte] vooral over Saknevik, de boerderij die hij erfde en verloor. Wanneer hij zijn herinneringen daarover vertelde, was zijn stem net zo zacht als die van een kind. Uit zijn veelomvattende monologen kwam een eilandlandschap tevoorschijn met blauwe bergen, sneeuwgletsjers en pastelgroene velden. Edelherten en reeën schreden er door de bossen, zeearenden en meeuwen zeilden door bodemloze lucht. Maar onder de paarse wolkenbanken zag je een wit huis met twee verdiepingen, een oude schuur, een oud bijgebouw en een voorraadschuur met een te grote klokkentoren. Het witte huis had merkwaardige uitstekende delen en dakkapellen, maar door de witte verf baadde het in een gloed als het regende. Bij het huis lag een grote vijver, zo diep dat het zeewater uit de baai er binnendrong. Een zwerm zwanen was er thuis tot de winter alles bevroor […] Tussen de zwanenvijver en de grote Zwitserse veranda aan de voorkant van het huis had Edmund Saknevik honderden rozen geplant.

Ave Eva ****½ is een ongemeen boeiend boek,

globaal gezien Hoems meest veelzijdige roman en een centraal werk in het Noorse proza van de jaren 80. Hij werd dan ook genomineerd voor de Nordisk Råds litteraturpris. (Øystein Rottem, Norges Litteratur Historie, Bind 7: Inn i medietidsalderen)

Die Nordisk Råds litteraturpris ging uiteindelijk naar de IJslander Thor Villhjálmsson, maar de Nynorsk Litteraturpris won Hoem wel. In zijn motivering schreef de jury o.a. dat

Ava Eva kenmerken van Hoems eerdere werk bevat, maar dat de rijkdom en de verscheidenheid aan thema’s en stijlen het boek tegelijkertijd tot een hoogtepunt in het werk van de auteur maken. Ave Eva bevat poëzie, pathos en ironie, kan op verschillende niveaus gelezen worden en was een fantastische leeservaring […] Ave Eva is een existentiële én een maatschappijkritische roman, en kan met zijn verschillende stijlsoorten een postmodernistische constructie genoemd worden met de Bijbel, het Nynorsk en een politiek bewustzijn als duidelijke thematische en taalkundige klankbodems.

In “Wittgenstein, Apocalyypse, and the Pre-millenial Novel” (Edda, 1988/4) schreef Frankie Shakelford o.a.:

Ave Eva sustains an extended structural metaphor, a dystopian vision of Norway at the close of the 20th century, when the exploitation of a rural Romsdal paradise by capitalist oil barons parallels Milton’s story of Adam and Eve’s expulsion from the Garden of Eden. […] Hoem’s artful combination of nynorsk and landsmål in the novel is impressive, and the expansive apocalyptic vision is unsettling, but Ave Eva remains grounded in the unquestioned communicative function of language.

Øystein Rottem (Fantasiens tiår, 1990) noemde Hoems roman

bijna Hamsuniaans in zijn bittere satire en poëtische utopie

door de

scherpe tegenstelling tussen de droom over een landbouwers- en dorpssamenleving aan de ene kant en het pijnlijke besef dat tijd en geschiedenis die droom onmogelijk maken aan de andere.

Een uitgebreide analyse van de roman, met o.a. veel aandacht voor intertekstualiteit en parodiërende elementen, is te vinden in

Bente Aamotsbakken, Tekst og intertekst, En studie i intertekstualitetens betydning i tre åttitallsromaner av Edvard Hoem (1997)

Parodiëring wordt vaak in verband gebracht met humor:

boertige nabootsing van een (letterkundig) werk waarbij vorm en toon min of meer behouden blijven, maar de stof zo wordt ingekleed dat het effect lachwekkend is (Van Dale), maar in deze context heeft het vooral betrekking op het gebruik van literaire technieken binnen een context waarin dat normaal niet verwacht wordt.

Edvard Hoem, Ave Eva, Oslo (Oktober), 1987    ISBN 82-7094-4564

De roman werd in het Engels vertaald:

Edvard Hoem, Ave Eva: A Norwegian Tragedy, vertaald door Frankie Belle Shackelford, Riverside (Xenos Books), 2000    ISBN 978-1-879378-42-1


In I Tom Bergmanns tid (1991) *** reist de centrale figuur naar Wroclav in Polen om daar zijn vriendin Rosa Haakonsen op te pikken. Samen zullen ze naar Venetië verder reizen om daar Kerstmis te vieren, maar daar komt niets van: Rosa weet Bergman ervan te overtuigen om haar Joods-Poolse vriendin Anna Schön (net als zijzelf actief in de theaterwereld) te helpen het land uit te vluchten. De twee vrouwen lijken opvallend goed op elkaar en dus komt Rosa’s paspoort erg goed van pas. Bergmanns relatie met deze twee vrouwen blijft de hele roman door een belangrijk gegeven. Zelf brengt hij het via erg succesvolle speculaties tot de rijkste man van Noorwegen.

Edvard Hoem bevond zich geruime tijd erg links op het politieke spectrum en I Tom Bergmanns tid is in vele opzichten een afrekening met de yuppiecultuur (Noors: “jappetiden”) van de jaren 80 van de vorige eeuw. Tom Bergmann (een achterneef van de Johannes Bergmann uit Prøvetid (1984), is de zoon van een rijke schipsreder uit Bergen. Hij raakt in onmin met zijn familie, maar dat belet hem dus niet om in financieel opzicht erg succesvol te worden:

Hij wist dat hij een geboren leider was […] terwijl vier vijfde van de wereldbevolking door anderen geleid zou moeten worden! Het was een ongemakkelijke waarheid, maar het was gewoon de waarheid.

Ooit had Tom Bergmann linkse sympathieën:

Ik wou iets goed voor de wereld doen. Ja, ik wou mijn persoonlijke erfenis gebruiken voor een grote en edele opdracht.

zegt hij daarover later. Zijn motivering voor de later ingeslagen weg geeft hij op een decadent feest dat hij zelf georganiseerd heeft:

Misschien was hij nog steeds socialist, in ieder geval was het zijn grondhouding dat de mensen voor elkaar moesten zorgen, en dat de samenleving moest zorgen voor wie het niet alleen redden kon. Maar op al zijn reizen had hij gezien hoe de mooie dromen over een nieuwe wereld de grote nachtmerrie van de eeuw waren geworden. Voor hem waren utopieën levensbedreigend, want ze maakten het doel belangrijker dan de weg naar het doel, en uiteindelijk was geen enkel middel snood genoeg om de mens van zichzelf te redden. Hitler en Stalin waren voor hem twee loten van dezelfde stam. En het marxisme was misschien wel het gevaarlijkste van allemaal, het was een onderdrukkingsfilosofie van een heel speciale soort, omdat het beweerde in overeenstemming te zijn met de echte ontwikkelingstendensen in de geschiedenis. Het resultaat was een samenraapsel van doelen en middelen dat in alle socialistische landen akelige gevolgen had. Maar nog erger was de grote misvatting dat men de economie kon runnen met commando’s en de wetten van de markt negeerde. (…) hij was van mening  dat de wetten van de markt ooit zouden wegvallen, dat er een toekomst was waarin de wereldeconomie zo radicaal veranderd was dat er een overvloed aan goederen geproduceerd werd. Dan zouden de markten instorten en zou men eindelijk kunnen produceren naar vermogen en ontvangen als dat nodig was. Tot dat gebeurde bleef het socialistische idee een doodlopende weg.

Maar hoogmoed komt ook voor Bergmann voor de val. Uiteindelijk (maar veel te laat) realiseert hij zich dat hij een essentieel onderdeel van het menselijke bestaan (de emotionele verbondenheid met anderen) gemist heeft:

Liefde ligt buiten zijn bevattingsvermogen. Hij voelt ergens dat er iets is wat hem aangaat, maar wanneer hij inziet wat het is, is het te laat

zei Hoem zelf in Bergensavisen (14.11.1991). Anna Schön noemt Bergman, zoals hij aan het einde van de roman naar voren komt, niet voor niets

koning Midas

Hoem zelf omschreef I Tom Bergmanns tid voor de publicatie als een liefdesroman en een reisroman (Helgeland Arbeiderblad, 28.08.1991). Tor Eystein Øveraas (Nordlands Framtid, 21.12.1991) noemde I Tom Bergmanns tid

een soort roadroman over de bovenste sociale laag

en

een van de meest Europese Noorse romans van het jaar (Hoem is een notoir tegenstander van toetreding tot de EU!)

Bergmann maakt inderdaad

Een wereldomspannende reis met daarin belangrijke stops in Venetië. De stad roept herinneringen op aan oude cultuur, die langzaam wegzinkt in de zee. In de tekst wordt ze op een doeltreffende manier gecontrasteerd met steden zoals San Francisco en Parijs. (Bente Aamotsbakken, “Eg vil ikke bli som Inger i den der boka”, in Ord fra Eik (1993))

Natuurlijk wordt er in verband met Venetië verwezen naar Luigi Visconti’s beroemde film uit 1971. Ook Oslo komt geregeld voor in de roman. Bergmann houdt niet van de stad:

Oslo was voor hem een stad waar iets laat op gang kwam, waar de inwoners altijd bevooroordeeld waren, zeker als het over eerlijke arbeid ging.

Zoals hierboven aangegeven is I Tom Bergmanns tid ook in hoge mate een ideeënroman

Hoem wou de belangrijke, existentiële vragen aankaarten: wat maakt het leven het leven waard? (Sverre Asmervik, Harstad Tidende, 18.12.1991)

en een tijdroman. Op de achtergrond spelen zich belangrijke historische gebeurtenissen af: de uitzonderingstoestand in Polen, de opkomst van Solidarność, de val van de Berlijnse muur, een aardbeving in San Francisco… Truls Holmsen (Moss Avis, 19.11.1991) viel het hierbij op dat Tom Bergmann, wanneer hij met deze gebeurtenissen geconfronteerd wordt, zich

een buitenstaander, een toeschouwer voelt

Wat voor iemand is Tom Bergman dan eigenlijk? In een interview met Bergensavisen (14.11.1991) zei Hoem zelf over hem:

Hij is daadkrachtig, vrijpostig, ziet er goed uit en is een klootzak.

Kjeld-Willy Hansen (Østland-Posten, 21.12.1991) noemde hem

een succesvolle beursspeculant, een cynische verleider à la Hemingway en een pessimistische piekeraar à la Schopenhauer.

In een interessant artikel (zie hierboven) schreef Bente Aamotsbakken:

Tom Bergman is letterlijk “tom” (= “leeg”). Hij past zich voortdurend aan nieuwe rollen aan en behandelt vrouwen met een “gebruik en gooi weg”-mentaliteit die goed past bij de niets ontziende statusjacht en het kortzichtige utilitarisme van de yuppies uit de jaren tachtig.

Ze verwijst terecht naar de overeenkomsten (ook qua naam) met de hoofdfiguur uit Ibsens John Gabriel Borkman (1896):

Net als bij Tom Bergmann zijn er twee vrouwen in het leven van Ibsens hoofdpersoon. Bij John Gabriel Borkman is er de illusie dat hij iets creëert. Dat kan ook gezegd worden over Tom Bergmann. Hij creëert niets, verplaatst alleen geld in een hels tempo. Het vermogen tot liefde is bij beiden aangetast en gerafeld.

Bergmann heeft het trouwens zelf over Ibsens stuk in de roman.

Een aantal recensenten waren niet enthousiast over I Tom Bergmanns tid.

Als tijdsdiagnose is het een interessant boek, provocerend veelomvattend en absoluut lezenswaard […] de driehoeksrelatie Tom-Rosa-Anna komt bij tijden belachelijk over met een opeenvolging van pathetische scènes in een taal die afwisselend bestaat uit pure weekbladclichés, gezwollen geklets en natuurlijk verhalend proza.

schreef Kjeld-Willy Hansen. Voor Sverre Asmervik

redden vooral het intellectuele inzicht van de begaafde auteur en de magie van zijn taal  […] dit wat uitwaaierende boek.

John Stanghelles mening (Vårt Land, 19.12.1991) was dat het boek

nog een keer [Hoems] technisch meesterschap

illustreerde, maar dat

schrijftechnische vaardigheid en een levendig en bekorend formuleringsvermogen niet voldoende zijn om dit romanproject naast “interessant” ook “belangrijk” te maken.

Het strengst in zijn oordeel was Bjørn Aagenæs (Nationen, 23.03.1982). Onder de kop “Overfladisk om 80-tallet” (“Oppervlakkig over de jaren 80”) hekelde hij ondermeer Hoems eenzijdige opvatting over die jaren als een “jappetid”. Verder klonk het o.a. zo:

De roman is grensverleggend laag-bij-de-gronds en saai. Het taalgebruik komt bijzonder ongeïnspireerd over. De zinnen bevinden zich in het grensland tussen normaal proza en cliché. Het is proza zonder verrassingen, zonder ambities of nuances, zonder veel inhoud tussen de regels. Alleen lege frases en zinloze woordenkramerij […] De personages zijn hol en hebben geen diepte. Tom Bergman en zijn twee vriendinnen zwerven zonder diepgang en als karikaturen in een continentaal woestijnlandschap dat bestaat uit luxerestaurants, cafés en imposante hotels.

Maar er waren ook vele positieve geluiden te horen. Audrun Skyten (Jærbladet, 06.01.1992) had het over

een roman over een mens die helemaal opgaat in de tijd waarin hij leeft, die daaruit wil ontsnappen zonder te weten waaruit hij wil wegraken […] Qua taalgebruik is Hoem even trefzeker, rijk en stijlvol als altijd.

Voor Truls Holmsen

zijn er weinig Noorse schrijvers die zo levendig schrijven, met zo veel knap opgemerkte details, zo veel verrassende plotwendingen

Helge Hegerberg (Tidens Krav, 18.12.1991) loofde

Edvard Hoems goed ontwikkeld gevoel voor verteltechniek [: het] noopt de lezer tot verder lezen, met zijn aandacht voor belangrijke details houdt hij de lezer bij de les.

en Bjørg Berg (Oppland Arbeiderblad, 05.12.1991) vond I Tom Bergmanns tid

een waanzinnig goede roman

en

een kordate afrekening met de jaren tachtig, een yuppietijd gekenmerkt door opportunistisch egoïsme.

Edvard Hoem, I Tom Bergmanns tid, Oslo (Forlaget Oktober), 1991   ISBN 82-7094-570-6


Ik liep al lang rond met het plan om te schrijven over een leven dat vergeefs was, maar toch uniek en waarachtig.

schrijft Hoem in een inleidend hoofdstuk van Kom fram, fyrste! ****  (2004). En tijdens een slapeloze nacht dook er plots een gezicht op, dat van Olav Engelsbrektsonn, de laatste katholieke aartsbisschop van Noorwegen:

Zijn hele leven zette hij zich in om van Noorwegen een onafhankelijk, katholiek koninkrijk te maken. Als voorzitter van de Noorse rijksraad had hij de koningskroon in zijn hand. Vijftien jaar lang verhinderde hij dat er een Deense koning in Noorwegen gekroond zou worden.

Maar toen hij uiteindelijk Noorwegen verliet

was het alsof hij in een grote historische duisternis verdween.

Hoem was al langer geïnteresseerd in de periode waarin Olav Engelsbrektssonn (1480 -1538) leefde:

Het is een overgangstijdvak: goed en kwaad nemen er extreme vormen aan, en het houdt ons uit het verre verleden een spiegel voor […] zijn tragische maar fascinerende levenslot maakt deel uit van de verhalen van de Noorse volksstam. (Østlands-Posten, 23.11.2004)

Kom fram, fyrste! (2004) begint in 1492. Olav Engelsbrektssonn is dan tien jaar oud en voor het eerst blijkt dat hij voor iets speciaals voorbestemd is wanneer hij met een gebed een schapendief op de vlucht jaagt. Zijn ouders nemen hem mee naar Trondheim.

jouw opdracht is de gevallen troon van Sint Olav te beschermen, tot de tijd komt dat hij weer in ere hersteld kan worden

zegt de toenmalige aartsbisschop Gaute tegen hem. Olav blijft in Trondheim en zal daarna zijn ouders nog maar sporadisch zien.

Kom fram, fyrste! verloopt chronologisch. Olav wordt koorknaap in de Nidaros domkerk, studeert daarna in Rostock, wordt bij zijn terugkeer kanunnik. In Oslo ontmoet hij in die functie tijdens de kroning van Christian II voor het eerst de voorname Inger Ottesdotter, die als Inger til Austrått de geschiedenis in zal gaan (Ibsen schreef een toneelstuk over haar) en met wie hij de rest van zijn leven veel contact zal hebben. Uiteindelijk gebeurt

Wat hij later altijd als de grootste gebeurtenis in zijn leven zou beschouwen […] : de bevestiging dat hij de rechtmatige bisschop van Nidaros was

Op dat ogenblik heeft hij die functie al een tijd officieus uitgeoefend.

Zijn relatie met de Deense stadhouder (en Ingers schoonzoon) Vincens Lunge gaat helemaal de verkeerde kant uit:

Van overal kwamen er klachten over de inhalige Vincens, die alleen maar met de opbouw van zijn eigen vermogen bezig was […] [Zijn] voorkeur voor geestelijke ambten werd vervangen door een grenzeloze begeerte naar goud en eigendommen.

en daardoor verslechtert ook zijn (oorspronkelijk erg vriendschappelijke) relatie met fru Inger. Een andere reden daarvoor is dat zij steun verleent aan “Dalejunkeren”, een valse Zweedse troonpretendent:

naar Austrått kwam de jonge Zweedse boerenjongen, die door Vrouwe Inger de “jonker van het dal” werd genoemd. Hij was waarschijnlijk gewoon een boerenjongen, maar in haar ogen van hoge geboorte omdat hij beweerde dat regent Sven Sture de jongere zijn vader was.

De mannen van de aartsbisschop geloven daar niets van:

het gelach barst los onder de mannen van de aartsbisschop, die de Zweedse man nu niet anders noemen dan de hooi-oogster

en Olav zelf kan zich in zijn twist met de Deense koning Fredrik, die zijn neef Christian II afgezet heeft, geen herrie met de Zweedse koning veroorloven.

Toch wordt de Deense (en daarmee ook lutheraanse) invloed in Noorwegen steeds groter:

De Noorse rijksraad met de aartsbisschop als voorzitter, was voor de koning niet langer een machtsfactor. Hij zou opzijgezet worden en in het vergeetboek verdwijnen. Noorwegen zou deel uitmaken van Denemarken. […] Kon je Noorwegen nog langer een zelfstandig land noemen, wanneer het volledig bestuurd werd door onderdanen van de Deense koning? Was het dan niet gewoon een onderdeel van Denemarken?

en dat tast Olavs positie steeds verder aan:

Hij kan de werkelijkheid niet naar zijn hand zetten. In Denemarken geven maar weinig mensen om hem. En de inspanning heeft te veel gekost. Hij ziet het misschien niet zelf, maar zijn mannen zien het. Hij is niet langer geliefd bij het gewone volk.

Hij kiest uiteindelijk partij voor de afgezette Christian II, maar de verwachte militaire steun van diens schoonbroer Karel V om hem terug op de troon te zetten blijft grotendeels uit:

Aartsbisschop Olav Engelbrektsson moest erkennen dat de nederlaag een feit was. Misschien hoopte hij echt dat hij terug zou keren. Misschien wist hij dat hij nu niet langer de afloop bepaalde. Hij was verslagen.

Voor Kom fram, fyrste!, dat Odd R. Olsen (Harstad Tidende, 14.04.2005) omschreef als

iets tussen een biografie en een roman.

heeft Hoem, zoals hij zelf expliciet zegt, gebruik gemaakt van historische bronnen

Dat vertellen de oude brieven, zo staat het in de oude Noorse kronieken.

Maar

Er is heel wat dat de historici niet weten, en net dat heeft ervoor gezorgd dat deze roman er kwam. (Henning Karlbom, Mols Avis, 11.12.2004)

De “zwarte gaten” in de kronieken (voor een deel veroorzaakt doordat Olav Engelsbrektsonn als katholiek in het protestantse Noorwegen een slechte naam kreeg) heeft Hoem naar eigen inzicht “opgevuld”:

al de rest moet ik uit het duister verzinnen

schrijft hij en hij herinnert de lezer daar herhaaldelijk aan met zinnetjes zoals

Zo komt het me voor

en

Zo stel ik me voor dat het gegaan is.

Zo is bijvoorbeeld voor de bewering dat de katholieke Olav twee kinderen had (één als een jeugdzonde in Rostock en één met Inger) geen historisch bewijs.

Dialoog gebruikt Hoem relatief weinig in Kom fram, fyrste! en uiterlijke persoonsbeschrijvingen ontbreken zowat helemaal. Echt “round” als karakter is alleen Olav Engelsbrektsonn. Hij komt naar voren als

eerder een politieke strateeg dan een zielenherder: hij sluit compromissen om de kerkelijke belangen van de Noorse kerk te vrijwaren. (Simen Hagerup, Dagsavisen, 13.12.2004)

Hagerup merkte ook op dat de lezers

Over wat hem psychisch kwelt […] maar nu en dan iets te weten [krijgen].

Een voorbeeld daarvan is deze passage:

Wat voor donkere gedachten hebben je in hun macht, broer? […] waarom ben je niet in staat om overeind te komen en om je vrienden te bezoeken? Zou het ons slechte familie-erfgoed kunnen zijn dat nu in je losbarst?

Voor Turid Larsen (Dagsavisen, 23.11.2004)

[schetst] Hoem […] een portret van een complexe diepgelovige man, maar ook een man die brutaal optrad wanneer dat nodig was, een bekwame bestuurder, een man met visie en inzicht. En een man die misschien zijn naasten in de steek liet.

Illustratief daarvoor is o.a. deze passage, waarin Olav een katholieke priester “opoffert”:

Indien hij de strijd tegen Fredrik wou winnen, kon hij koning Gustav niet uitdagen. De prijs was het hoofd van een priester die weigerde om de paus af te zweren. Voor de aartsbisschop waren allen die het gezag van de paus afzworen, ketters, die daarvoor met hun leven moesten boeten, maar nu was het hij die trouw was aan de paus die moest sterven omdat aartsbisschop Olav hem niet wilde beschermen.

Hoem vertelt een spannend verhaal. Geloofwaardig? Tja. Dramatisch? Ja. Lezenswaard? Ongetwijfeld.

vond Odd R. Olsen.

En Simen Hagerup was ongeveer dezelfde mening toegedaan:

leerrijk en goed geschreven

hoewel

Hoems neiging om zijn personages archetypische gevoelens aan te meten, ervoor [zorgt] dat het boek bij tijden belerend overkomt.

Meer informatie over Olav Engelsbrektsonn is o.a. hier

te vinden en ook in: J. Richter, Trondhjemsbilleder fra Reformationtiden (1907)

Edvard Hoem, Kom fram, fyrste!, Oslo (Forlaget Oktober), 2004   ISBN 82-495-0199-2


De “slåttekar” (“maaier”) uit Slåttekaren i himmelen ***** (2014) is Knut Hansen Nesje, kortweg “Nesje”. Hij werd geboren in 1838 en was een zoon van Stina, de “jordmor på jorda” uit Hoems gelijknamige roman. Opnieuw duikt Hoem in de geschiedenis van zijn eigen familie en ook nu beklemtoont hij dat hij wel degelijk een roman geschreven heeft:

Nesje was mijn overgrootvader en toen ik jong was vertelden m’n grootvader Edvard Hoem en mijn vader Knut vaak over hem. Maar ook al ken ik de belangrijkse jaartallen in zijn leven en had ik wel gehoord hoe hij leefde, toch was dat niet genoeg toen ik over hem zou schrijven. Ik moest hem in elkaar zetten, uit de lucht en uit het niets, uit het licht boven Molde en Rekneslia, uit de wind die door mijn haren strijkt en de regen die op de velden en de mensen valt, in zijn en in mijn tijd.

Nesje werd in 1838 geboren en de roman begint in 1874. Nesje woont op een kleine boerderij, die hij Kringsjå noemt, in de buurt van het stadje Molde. De grond die daarbij hoort is niet zijn eigendom. Nesje heeft hem in langdurige huur “gekregen”, en dat betekent dat hij een aantal dagen plichtarbeid voor de eigenaar moet verrichten. Daarnaast werkt hij als “førsteslåar” (“de maaier die voorop loopt”) voor Gørvell, die een “handelsbu” (een soort landelijke winkel) uitbaat.

Twee jaar na de dood van zijn vrouw Guri, ontmoet Nesje de wat jongere Serianna, een vrouw met een willetje (ze rookt pijp!). Hij trouwt met haar, en het gevolg daarvan is dat zijn band met Hans, de zoon die hij met zijn eerste vrouw heeft, losser wordt en uiteindelijk helemaal verdwijnt.

Nesje, Serianna en hun kinderen leven in vrij armoedige omstandigheden:

Zich onderscheiden was aan Nesje niet besteed, De gedachte alleen al maakte hem beschaamd. Volhouden, zijn job tot een goed einde brengen, dat was zijn taak.

maar hij gaat wel op in zijn werk:

Wanneer hij rondliep met zijn zeis was hij iemand. Dan was hij de Maaier, liep helemaal vooraan, en iedereen had respect voor die man.

Hij is niet opvallend gelovig, maar wel bezorgd over zijn gezin

Hij probeerde de twee zoons die nog bij hem thuis woonden bij te brengen dat ze trots moesten zijn maar niet verwaand, nederig maar niet bescheiden, vrijmoedig maar niet vrijpostig, zelfbewust maar niet hooghartig, standvastig maar niet strijdlustig, (…) De wijsheid van de maaier was de wijsheid van de gematigdheid, hij was iemand die zichzelf niet wou verheffen, maar ook zichzelf niet zou verlagen.

De titel van de roman is enigszins misleidend want hij gaat zeker niet alleen over Nesje, maar ook over Gjertine, een van Serianna’s zussen. Ze is getrouwd met Ole, en maakt zich zorgen over haar gezin:

wanneer Gjertine alleen was, waren er weer die gedachten waarover ze niet zonder meer met haar man kon praten. Was het leven niet meer dan dit? Ze hadden net genoeg te eten, maar wat voor toekomst hadden ze hun kinderen te bieden?

Haar broer Ola woont in de Verenigde Staten. Hij is met zijn gezin geëmigreerd toen hij de hypotheek die op zijn boerderij rustte niet meer kon betalen. Wanneer Ola zijn zus een brief schrijft waarin hij zich erg optimistisch uitlaat over de mogelijkheden die in de VS voor het grijpen liggen, slaat haar besluit vast en ze slaagt er uiteindelijk in haar echtgenoot te overtuigen. In 1887 steken ook zij de oceaan over en vestigen zich in Roslyn in South-Dakota in het midwesten van de VS.

Daar blijkt het leven toch niet zo rooskleurig te zijn als verwacht. Ole, die zadelmaker is, steekt zich in de schulden om zo snel mogelijk een huis te kunnen bouwen en dat heeft nare gevolgen:

Ole werd de slaaf van de landgenoten die hem geld hadden gegeven; dag en nacht moest hij nieuwe paardentuigen maken.

Daarbij komt nog dat hij en Gjertine al snel ervaren dat mechanisering en keiharde concurrentie deel uitmaken van het Amerikaanse dagelijkse leven:

Vijf dollar voor een glimmend nieuw paardentuig, rechtstreeks van de fabriek van Brookings Ltd. (…) Gjertine moest gewoon toegeven dat dit minstens zo goed was als alles wat Ole had kunnen doen. En voor die prijs had hij het niet kunnen doen. (…) Ochsenreiter & Snail moesten in ieder geval de prijzen laag houden totdat degene die de concurrentie probeerde aan te gaan, besefte dat de strijd verloren was. (Ochsenreiter & Snail is de lokale “groothandel” in Roslyn)

Nesje merkt ondertussen dat de mechanisering zich ook in Noorwegen doorzet:

In Molde en omgeving leek het erop dat de maaiers over niet zo lange tijd overbodig zouden worden. De nieuwe door paarden getrokken maaimachines waren aanvankelijk voor velen te duur, maar al snel hoorde je hun gebrom ’s morgens in juli.

In 1892 vertrekt ook een van zijn zonen naar de VS en dat is een harde klap voor Nesje: misschien zal hij Eilert nooit meer terugzien. Dan zorgt een droom ervoor (een erg mooie passage uit het boek) dat hij zich toch weer enigszins met de situatie verzoent…

Slåttekaren i himmelen is een uitstekende historische roman. Hoem combineert fictie en realiteit tot een volmaakt geheel, waarin

* technische

Uitstekend gereedschap moest ook scherp genoeg zijn. Het slijpen kon niet zomaar aan eender wie overgelaten worden. Daarom was het vaak Nesje zelf die de zeisen sleep op Gørvell boerderij. Een zeis van goede kwaliteit was niets waard wanneer ze slordig geslepen was. Een wetsteen is, zoals iedereen weet, hetzelfde als een slijpsteen, een stuk gereedschap dat je gebruikt tussen twee slijpbeurten in, een natuursteen die de snede dun en scherp maakt. Bij het slijpen moet je zoveel mogelijk water gebruiken, want met het water spoel je de onzichtbare ijzerspaanders weg die bij het slijpen van het zeismes worden geschraapt. Een snede die droog is mag niet gewet worden, maar er hoeft geen water verspild te worden. Zorg ervoor dat de snede vochtig is van de dauw.

* historische

De maaier aan de brede Romsdalenfjord had een lelijke vijand: een klein insect dat ze “smikka” noemden. Wanneer het windstil was, kwamen ze in tienduizenden tevoorschijn en beten overal waar ze konden, wat vooral in de hals en de hoofdhuid erg pijnlijk was. De maaiers zetten dan brede hoeden op en bonden sjaals rond hun nek. Dat hielp misschien een beetje, maar belangrijk was vooral het zweet af te vegen: velen vonden dat de pijn dan draaglijker was. Daarom werkten ze nog naarstiger door wanneer de knutten eraan kwamen, zodat ze de pijn niet opmerkten. Ze neurieden en zongen en werkten harder dan ooit. Ze leken wel een zingende strakke rij die op weg was naar een belangrijk doel. De waarheid was dat ze niet zongen, maar jammerden omdat de knutten zo vreselijk beten, en ze zich niet konden krabben zo lang ze beide handen aan de zeis hadden. Het was alsof de maaiers een nog grotere beproeving moesten doorstaan dan alle anderen.

een knut: een zeer kleine, in zwermen optredende bloedzuigende mug (Ceratopogonidae)

en zelfs

* humoristische

Wat Ibsen zo allemaal geschreven had wist hij niet zo goed. Maar het gerucht deed de ronde dat hij in een toneelstuk dat “Gjengangere” heette, wat platvloerse dingen geschreven had over het huwelijk, en daarom niet uitgenodigd werd voor een bezoek aan de Humblehaven1, iets wat normaal alle hoge heren te beurt viel wanneer ze de stad bezochten.

1 De Humblehaven was een bekende villa met een tuin errond in Molde

Humblehaven (public domain)

passages moeiteloos een plaats vinden.

Dit is een meesterwerk waarin we vreugde en verdriet zintuiglijk voelen. We leven ons in in de keiharde dagelijkse strijd om het gezin van voldoende voedsel te voorzien, een leven dat in schril contrast staat met het huidige olierijke Noorwegen. (Brynjulf Jung Tjønn, VG, 14.11.2014)

Uitgebreide informatie over Nesje en zijn gezin en familie vind je hier. Daar staat ook deze rond 1887 gemaakte foto:

Achteraan (v.l.n.r.) Georg Bastian, Eilert

Midden: Knut, Serianna

Vooraan: Ingeborg Kristine, Edvard Anton

De roman werd in 2020 voor het toneel bewerkt:

Voorpagina van de begeleidende brochure: Jon Bleiklie Devik als Knut Hansen Nesje

Edvard Hoem, Slåttekar i himmelen, Oslo (Forlaget Oktober), 2014  ISBN 978-82-495-1469-4


Jordmor på jorda **** (2018) is een uitgebreidere versie van het boek met dezelfde titel dat Hoem in 2010 publiceerde – die tekst werd oorspronkelijk geschreven naar aanleiding van het honderdjarige bestaan van Den norske Jordmorforening (“De Noorse bond van vroedvrouwen”):

In 2008 had ik te weinig plaats en te weinig tijd. Het verhaal over betovergrootmoeder Marta Kristine werd maar half verteld. Tien jaar later was het me duidelijk dat ik de roman moest afmaken. Het eerste deel van dit boek is voor het grootste deel identiek aan het boek dat in 2008 onder dezelfde titel uitkwam, maar de laatste tweehonderd pagina’s bevatten een nieuw verhaal.

schrijft hij in het voorwoord van de nieuwe uitgave. Ook herhaalt hij daar:

Dit is een roman, gebaseerd op gedocumenteerde feiten. De karakters zijn gebaseerd op flinterdunne stukjes informatie. Niemand kan zich nog herinneren wie ze (echt) waren.

De bronnen zijn vooral kerkelijke registers en afschriften daarvan.

Hoem begint zijn verhaal in 1800, wanneer Marta Kristine (Andersdotter Flovik) zeven jaar is en ze samen met haar ouders naar Flovik aan de andere kant van de Romsdalfjord verhuist. Vader Anders Knutsen is schoenmaker en slachter, niet rijk maar wel vlijtig en optimistisch.

Tijdens de overtocht wordt Stina, zoals ze vaak genoemd wordt, geconfronteerd met iets wat haar haar hele leven zal bijblijven: het hoofd op een staak van een vrouw die terechtgesteld werd omdat ze haar kind gedood had.

Stina is een openhartig en sociaal kind en doet het goed op school. Ze raakt bevriend met de drie jaar oudere Hans, de tweede zoon van Gamle-Ola, de belangrijkste boer van het dorp. Tot een relatie komt het de volgende jaren niet omdat geen van beiden het initiatief daartoe durft te nemen. Uiteindelijk neemt Hans dienst in het leger.

Mede daardoor begint Stina puberstreken te vertonen en wanneer ze dan seks heeft met een lapzwans uit het dorp, wordt ze zwanger en krijgt een dochter, Ingeborg. Met Ingeborgs vader wil ze niets te maken hebben.

Dan krijgt ze een brief van Hans:

dat hij dienst had genomen omdat hij haar wilde vergeten (…) Maar na drie jaar in den vreemde (…) was er niemand anders dan zij. En indien ze zijn nederige verzoek niet versmaadde, zou ze er over nadenken of het niet zo was dat de Voorzienigheid beslist had dat ze de vreugde van zijn jeugd en de troost van de ouderdom zou zijn.

Wanneer Hans terugkeert trouwt ze met hem, maar merkt na een tijdje dat hij veranderd is:

Ze realiseerde zich (…) dat de man die ze had uitgekozen (…) een man was die zijn gedachten buiten de gebaande paden liet gaan, maar die daardoor misschien niet gemakkelijk te doorgronden zou zijn. (…) Als ik hem niet alleen had gelaten, zou het hem misschien minder slecht vergaan zijn.

En deze winter zag ze ook trekken in hem die haar nog niet eerder waren opgevallen. Als hij zijn eigen weg ging en dacht dat niemand hem zag, kon hij helemaal in zichzelf verdwijnen, en soms was het alsof een onbekende pijn in hem opkwam, zodat zijn gezicht vertrok van de pijn.

Over wat hij tijdens de Noors-Zweedse oorlog van 1814 tijdens de bloedige slag van Matrano heeft meegemaakt, wil hij nooit praten; zijn enige commentaar is

Vermoorden en afslachten zijn geen dingen waar je [ooit] feestelijk over kan doen.

De lamentabele toestand van de kraamzorg in Flovik zorgt ervoor dat

vele boeren (…) al voor de de tweede of derde keer getrouwd [waren] omdat er zoveel vrouwen in het kraambed stierven.

De zogenaamde “hjelpekoner”, die een vrouw bij de bevalling bijstaan hebben nauwelijks benul hebben van wat assistentie bij een bevalling inhoudt. Wanneer de plaatselijke dominee dan suggereert dat Stina, die zich nog levend herinnert wat ze als zevenjarige zag, zich tot vroedvrouw zou kunnen bekwamen, vindt ze dat een goed idee en volgt een opleiding van enkele weken in het nabijgelegen Molde.

Maar veel zoden brengt dat niet aan de dijk: de boeren uit de omgeving doen nauwelijks een beroep op haar, ook al zijn ze daar van overheidswege wel toe verplicht. Daarom besluit ze een lange opleiding in Christiania te volgen:

Het was het geklets van de mensen dat haar naar de Noorse hoofdstad dwong. Het was de enige manier om de bewering dat ze maar halfgeleerd was de kop in te drukken.

Ze is maanden van huis weg en dat heeft een negatieve impact op haar man. Neurasthenie is de uiteindelijke diagnose; nu zouden we van manische depressiviteit spreken:

Ik heb vele dingen achter de hand! verzekerde hij. Het is niet zeker dat je het beste van mij al hebt gezien! Er zijn vele ambachten waar ik geschikt voor ben, zolang het geluk maar aan m’n kant staat. Het liefst zou ik in de handel gaan!

Van Hans oudere broer Ole komt ze te weten dat het een ziekte is die al generaties lang in de familie voorkomt.

Als ik hem niet alleen had gelaten, zou het hem misschien minder slecht vergaan zijn

verzucht ze later.

Jordmor på jorda is een bijzonder geslaagd en boeiend portret van een karaktersterke vrouw die in haar leven met vele tegenslagen geconfronteerd werd (een gezin met uiteindelijk tien kinderen, van wie er enkelen jong stierven, tegenwerking, hongersnood, een zieke echtgenoot…) maar toch 50 jaar als vroedvrouw actief bleef:

Wat Marta Kristine wil, dat wil ze, zei Hans.

Alles wordt moeiteloos ingebed in de historische gebeurtenissen van de tijd en Hoem bewijst dat hij erg vertrouwd is met de toenmalige gebruiken en zeden. De alwetende verteller blijft schijnbaar objectief, maar dringt wel diep in zijn karakters door: zo bevat de roman ook bijvoorbeeld mooie portretten van Stina’s vader Anders en van haar oudste dochter Ingeborg.

En ook opvallend: er zitten geen echt slechte mensen in de roman, zonder dat dit ook maar een ogenblik stoort.

Een kleine selectie uit de vele lovende recensies:

een boeiende roman waarin Hoems hang naar pathos in zijn taalgebruik nooit verhindert dat de lezer echt geïnteresseerd is in het verhaal dat verteld wordt.  (…) Edvard Hoem maakt ruim gebruik van historische archieven en andere bronnen, zodat Jordmor på jorda gelezen kan worden als een grondig en geloofwaardig tijdsbeeld. (Sindre Hovdenakk, VG, 23.11.2018)

een ontroerend, intelligent en informatief verhaal over de geschiedenis van de kraamhulp in Noorwegen, over het zware boerenleven en over de hardnekkige strijd tegen bekrompenheid en bijgeloof.(…) Mens en natuur worden met warmte en respect beschreven en omarmd in Edvard Hoems roman over de eerste helft van de 19de eeuw in een straatarm Noorwegen (Turid Larsen, Dagsavisen, 30.11 2018)

[Hoem] beschikte niet altijd over gedetailleerde informatie en zijn bronnen waren soms nogal mager, maar hij slaagt er als schrijver wel in om levensechte personages in een geloofwaardige omgeving te creëren.(…) Marta Kristine was even ontembaar en ijverig als trots en koppig. Hoem presenteert haar als een bekwame vroedvrouw, en beschrijft hoe ze zwoegt om zich overeind te houden met een alsmaar groter wordend gezin en een door zwaarmoedigheid geteisterde echtgenoot. De armoede zorgt ervoor dat het weinige dat ze bezit op een gedwongen veiling verkocht wordt. (Jan Askelund, Stavanger Aftenblad, 24.12.2018)

Edvard Hoem is niet alleen een geweldige verteller die het dagelijkse leven moeiteloos weet om te zetten in emotioneel geladen verhalen. Hij moet ook wel de belangrijkste stamboomonderzoeker onder onze auteurs zijn. (…) Hoems beschrijvingen van [Stina en Hans’] verliefdheid, hun huwelijk en hun liefdevol samenwonen zijn sensueel, intiem en warm, soms wat gezwollen. Hij excelleert met gedetailleerde, aanschouwelijke, melodramatische scènes vol lokale woorden en zinswendingen.(…) Met de beschrijving van hun armoede en strijd verandert ook de vertelstijl. Die wordt realistischer. De gebeurtenissen worden niet in emotioneel geladen, melodramatische scènes beschreven, maar sober en realistisch, soms wat dreunend, neergezet. (Marius Wulfsberg, nrk.no, 23.11.2018)

Edvard Hoem, Jordmor på jorda. Huset under Blåhammaren, Oslo (Forlaget Oktober AS), 2018   

ISBN 978-82-495-2024-4

Jordmor på jorda werd in het Duits vertaald:

Edvard Hoem, Die Hebamme, vertaald door Antje Subey-Cramer, Stuttgart (Urachhaus), 2021    

ISBN 978-3-8251-5236-9


In het begin van zijn carrière publiceerde Hoem ook een paar dichtbundels: “Eple, kjelke, stare, snø” komt uit

Edvard Hoem, Du er blitt glad i dette landet: dikt og songar 1972-1982, Oslo (Det Norske Samlaget) 1982     ISBN 82-521-2256-6

Hoem geniet ook een goede reputatie als psalmdichter:

Een versie ervan, gezongen door Hoems dochter Ine, vind je hier.


Edvard Hoem schreef ook enkele toneelstukken. Kvinnene langs fjorden (1973) dateert uit zijn marxistisch-leninistische periode. Hij schreef het stuk op bestelling van het toen pas opgerichte Teatret Vårt, dat zijn basis in de provincie Møre og Romsdal heeft.

Thema’s die in het stuk aan bod komen zijn volgens Lasse Stang (Profil, 1974/1)

bedrijfssluiting, ontvolking, vrouwenrechten en menselijke waardigheid

Hoem zelf (Friheten, 19.11.1973) zei dat hij het verhaal van de “proletarisering” van de kleine burgerij wou vertellen en legde er de nadruk op dat, ook al heeft hij

ervoor gekozen om het over een bedrijf aan een fjord in Romsdal te hebben, het stuk eigenlijk niet gaat over dit specifieke bedrijf of over de vrouwen die er werken. Het gaat over Noorwegen na de Tweede Wereldoorlog.

Kvinnene langs fjorden illustreert hoe het aanvankelijke naoorlogse optimisme in de textielindustrie geleidelijk verdwijnt. In Bresund is het eerste teken aan de wand dat de lokale fabriekseigenaar Jacobsen (bijnaam: Dresskongen”) van de bank geen lening krijgt om zijn bedrijf uit te breiden. Een faillissement volgt. En wanneer de fabriek  van zijn lokale concurrent door een (aangestoken?) brand in vlammen opgaat, verliest de kleine plattelandsgemeenschap haar reden van bestaan.

De arbeiders (vooral vrouwen) moeten op zoek gaan naar “gelijkaardige” arbeid in grote stedelijke bedrijven, waar de automatisering al zijn intrede heeft gedaan, maar ook daar staat de werkgelegenheid onder druk door afslankingen, rationaliseringen, synergieën en mondialisering.

Kvinnen langs fjorden eindigt wanneer de fabriekarbeidsters in staking gaan en weigeren nog langer

het reserveleger van het kapitaal

te zijn:

Zo kon het niet verder, wie ontslagen werd, kan nergens heen, en wij die overblijven, zullen ons doodwerken.

foto: Profil 1974/1

De wilde staking is misschien illegaal en de uitkomst is onzeker, maar de hulp stroomt toe:

Alma Johansen (haalt een enveloppe tevoorschijn): Hier is duizend kronen van de vakbondsleden van de meubelfabriek en vijfhonderd van de havenarbeiders. En hier is duizend kronen van een privépersoon uit Bresund.

En ook de oude arbeidster Martha Johansen doet haar duit in het zakje:

Martha Johansen: Ik zou graag naar de meeting gaan, en moet daarom vroeg vertrekken. Maar eerst wil ik dit hier afgeven (Ze haalt een enveloppe uit haar zak en legt die op tafel)

Alma Johansen: Geld, Martha? (Ze opent de enveloppe en er vallen bankbiljetten, veel bankbiljetten, uit. Iedereen kijkt naar Martha)

Martha Johansen: Een kleine bijdrage voor de stakingskas.

Inga Larsen: Dit is al te gek. Enkele duizenden kronen?

Alma Johansen: Geef je ons al je spaargeld?

Martha Johansen: Ik heb geen erfgenamen, alleen jullie.

Qua vorm is Kvinnene langs fjorden duidelijk een didactisch stuk in de Brechtiaanse epische traditie: Hoem wil verandering in het denken van de toeschouwers teweegbrengen. Hij gebruikt een episodische vertelwijze zonder duidelijke centraal personage: het wedervaren van de groep staat centraal. Een belangrijke rol vervullen ook de liedjes (muziek van Egil Monn-Iversen) die commentaar leveren op wat er op de scène gebeurt en ook Hoems rijke en lyrische taalgebruik illustreren:

Hij gebruikt geen geforceerde formuleringen, maar een realistische taal, die toch ruimte laat voor fantasie en veelomvattendheid (Lasse Stang)

Jan Fjells vise

Als de winkels sluiten en de kleine wijzer de vijf nadert

sjok ik huiswaarts naar vrouw en kind

door de stille straten van de vooravond. Moeheid

herinnert me aan de voorbije uren.

Als ik huiswaarts slof naar de rust die ik daar vind

staat zij klaar om zich naar haar werk te haasten

en blijft ze weg tot middennacht.

(…)

Ja, we verdienen te weinig. Brood kunnen we betalen,

maar ik dacht dat het leven meer was dan zout op een boterham.

Hoe vaak hebben we niet gehoord: jullie leiden geen gebrek

en wie gezond is brengt het er doorgaans levend van af.

Maar als zij naar de kiosk vertrekt en ik blijf achter

met kindergehuil en de avondzon over de heuvel

is er maar één ding waar ik naar uitkijk: de donkere nacht

en het krassen van een sleutel in het slot.

Politiek gezien een belangrijk stuk

vond Bengt Calmeyer (Arbeiderbladet, 29.11.1973)

De voorstelling neemt het op voor de gewone man die zich verzet tegen een economisch systeem waar fusies, internationalisering van kapitaal en industrie, dodelijke effectiviteit, herstructureringen e.d. een normale zaak zijn, met o.a. de verplaatsing van productieactiviteiten naar lageloonlanden als gevolg.

Edvard Hoem, Kvinnene langs fjorden, Oslo (Det Norske Samlaget), 1973    ISBN 82-521-0286-7


In God natt, Europa (1982) draait alles om Harry Lind, een bejaarde sociaal-democraat van de oude stempel. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zat hij in een concentratiekamp, na die oorlog was hij parlementslid.

Hij bevindt zich nu in zijn “hytte” en schrijft daar zijn memoires. Dat lukt hem niet al te best: hij heeft nog altijd gewetensproblemen omdat hij aanvankelijk naar een overeenkomst met de Duitse bezetter streefde om verder bloedvergieten te voorkomen.

Verder is hij vervreemd van zijn radicale(re) dochter Irene:

Irene

Wie wil er nog kinderen op de wereld zetten?

Buiten komt geluidloos

Het geestelijke leger van het kwade,

Het verpest de aarde en het bos, het water en de lucht

Hierbinnen horen we alleen de aanzuigende ondergang

(…)

Jouw mensen, en jij als een van de belangrijksten

Als parlementslid en architect van de doodsplannen

Met je steun aan de uitgebalanceerde terreur, je applaus voor de wapens,

Een havik als het over bewapening gaat, een kille krijgsman

Op de eerste scène na, is God natt, Europa één lange droom waarin Lind Europa intrekt om de mensen met wie hij in het concentratiekamp zat, opnieuw te bezoeken en om geld in te zamelen voor een groot monument in Berlijn ter ere van de vrede.

De reis wordt een lange nachtmerrie waarin hij de verdeeldheid en de machteloosheid van Europa sinds de Conferentie van Jalta aan den lijve ondervindt

Wat zullen de generaties na ons

zeggen over onze zielige knieval voor alle versperringen

die de overwinnaars van de vorige oorlog tussen ons hebben geplaatst

Zullen onze kleinkinderen en hun kinderen

Ook van elkaar gescheiden blijven door gesloten grenzen, prikkeldraad,

Visumdwang en de bedreiging van de nucleaire vernietiging

Europa is een grote gevangenis, maar wie heeft de sleutel?

Hoems AKP(m-l)-affiliatie klinkt – naast de vanzelfsprekende afkeer voor de Verenigde Staten – nog door in de cynische passages over Tsjecho-Slowakije (waar concentratiekampgevangene Karel Svoboda opnieuw in de cel zit) en over de “bereidheid” van de Sovjet-Unie om bij te dragen tot de kosten van het vredesmonument. De Rus stelt voor om van de Muur van Berlijn een monument voorde vrede te maken, met erop

Een hele zwerm vogels,

die weldra naar alle landen van Europa kunnen vliegen,

en de gedachte aan vrede levend kunnen houden.

Wanneer Lind daar spottend op antwoordt dat de duiven dan wel hun poten en vleugels zullen verwonden aan de prikkeldraad die de Russen hebben “uitgerold”, grijpt de Rus hem vast en zegt:

Je geest is ziek, we willen niet

dat je jezelf schade toebrengt

(…)

We staan helemaal klaar om alle provocaties gericht tegen het vaderland en de eenheid onder de socialistische landen te beantwoorden.

Daarop wordt Harry Lind vastgebonden op een bed…

Harry’s lange droom, schreef Leif Mæhle (Det Norske teatret 75 år, 1963-1988)

creëerde geen nieuwe inzichten, was gewoon een overzicht van wat iedereen weet, een uiting van vertwijfeling zonder compilerend of verhelderend effect.

Hij wees er wel op dat het slot

puur menselijk beschouwd een enkel lichtpunt bevat: er ontstaat een soort verstandhouding tussen vader en dochter (…) Ze heeft hem voor een deel gevolgd op zijn tocht, en ze hebben allebei zo veel ervaren dat ze begrip hebben gekregen voor elkaars goede eigenschappen. Zij is weer bereid om te aanvaarden wat het leven brengt, en zo lang er leven is, is er hoop.

God natt, Europa is een ideologisch gekleurd stuk, en dat geldt ook voor de commentaren erop. Het scherpst was Kjersti Scheen die in de NKP-krant Friheten (07.01.1983) schreef

Nooit is Hoem zo duidelijk naar buiten gekomen met zijn politieke opvattingen, het resultaat van AKPs merkwaardige, aparte visie op de geschiedenis en de wereldkaart (…) Voor AKP’ers blijven maar twee dingen over: hun heel bijzondere visie op de Sovjet-Unie en zijn rol in Oost-Europa en daarnaast de merkwaardige, angstaanjagende kamikaze die de partij voorstaat: de wil om zich op te offeren in een derde wereldoorlog. Indien de AKP, nu de Chinese utopie dood en begraven is, er niet in slaagt om deze twee overblijvende thema’s in stelling te brengen, dan zal de partij verkruimelen.

Ook Carl Henrik Grøndahl (Teater mot Teater, 1985) had een uitgesproken mening over Hoem én over Harry Lind:

Edvard Hoem deelt zijn angst met ons, zijn angst voor oorlog, zijn angst voor de dood. Zoals alle ML-leden heeft hij een haat-liefdeverhouding met de sociaaldemocratie, en hij heeft heel wat op het hart. Maar het is moeilijk om niet te reageren op zijn grenzeloze zelfverheerlijking van de generatie van 68, onze generatie die op het einde van de jaren 60 met veel lawaai het maatschappelijk leven binnenkwam en de machthebbers en de boosaardigheid voorgoed van het aardoppervlak zou verwijderen. (…) Het beste dat je kunt zeggen over Edvard Hoems [Harry Lind] is dat hij een goeiige Don Quichot is. In werkelijkheid is hij een impotente potsenmaker, naïef en welmenend, en met een gepaste dosis oppervlakkig zielsleed. Maar in de eerste plaats voelt hij schuld, en vooral schuld omwille van de angst die Edvard Hoem met ons deelt.

tekening Arbeiderbladet, 07.01.1983

Voor Bengt Calmeyer (Arbeiderbladet, 07.01.1983) was Harry Lind

geen held in de strikte betekenis van het woord […] een romanticus is hij wel; hij gelooft ondanks alles in het goede, het verstandige, en zijn geloof daarin is heroïsch […] Edvard Hoem vindt het juiste evenwicht tussen realisme en de onwerkelijkheid van de droom. Deze keer heeft hij geen dogmatisch stuk geschreven. God natt, Europa is geen wijsvinger, maar een open hand.

Jack Fjeldstad, die Harry Lind speelde toen het stuk voor het eerst opgevoerd werd, zag het zo:

In vele opzichten gaat het stuk over een klassiek dilemma waarmee vele sociaaldemocraten geconfronteerd worden. Tussen droom en werkelijkheid wordt men geconfronteerd met de werkelijkheid van alledag. Het solidariteitsgevoel en de idealen veranderen door de ongelooflijk snelle ontwikkeling die de maatschappij doormaakt. Dat is misschien de reden waarom al wat oudere mensen met een verliefde nostalgie terugkijken naar een tijd toen het solidariteitsgevoel centraal stond. (Arbeiderbladet, 31.12.1982)

En ten slotte nog even Hoem zelf aan het woord laten (Totens Blad, 08.03.1883):

Het centrale punt van het stuk is, politiek gezien, dat het onbegrijpelijk is dat de bevolking van Europa veertig jaar na het einde van de oorlog nog altijd de door de grootmachten op de conferentie van Jalta bedisselde verdeling en bezetting van Europa, stilzwijgend aanvaardt. Dat we aanvaarden dat geen enkel land, ook Noorwegen niet, zijn eigen koers kan uitzetten […] De politieke boodschap die naar ik hoop in het stuk duidelijk wordt, is dat er geen vrede in Europa komt vooraleer de politieke verdeling ongedaan gemaakt wordt.

Edvard Hoem, God natt, Europa, Oslo (Oktober), 1982    ISBN 82-7094-317-7


Hoem heeft ook heel wat vertaald, o.a. van Shakespeare. In 1997 richtte hij Det norske Shakespeareselskap op en werd hij de eerste voorzitter van het genootschap. In 2014 werd hij benoemd tot erelid.

Dit onheilbrengende gesprek tussen Cordelia en haar vader is een bekend fragment uit King Lear (± 1606):

Hetzelfde fragment in de vertaling van Adriaan Roland Holst (spelling werd gemoderniseerd):

LEAR:

wat kunt gij zeggen om een rijker deel

Dan uw zusters te verkrijgen? Spreek.

CORDELIA:

Niets, heer.

LAER:

Niets!

CORDELIA:

Niets.

LEAR:

Er zal van niets niets komen; nog eens, spreek.

CORDELIA:

Wee mij, dat ik mijn hart niet naar mijn tong

Opbeuren kan: ik heb uw hoogheid lief

Naar mate van mijn plicht; meer niet, noch minder.

LEAR:

Cordelia, wat is dat!? Spreek anders, beter,

Verspeel niet uw geluk.

CORDELIA: Mijn goede heer,

G’ hebt mij verwekt, geleid, bemind, en ik

Geef u, zoals ’t mijn plicht is, daarvoor weer

Liefde, gehoorzaamheid en grote eerbied

Hoe is het dat mijn zusters mannen hebben,

En gij hebt al hun liefde? Als ik eens trouw

Zal hij, die mijn gelofte neemt, ook dragen

Zijn helft van mijne liefde, zorg en plicht.

Waarachtig, nooit zal ‘k als mijn zusters trouwen

Terwijl mijn vader al mijn liefde houdt.

LEAR:

Maar meent uw hart dit?

CORDELIA: Ja, vader, mijn hart.

LEAR:

Zo jong, en zo onzacht.

CORDELIA:

Zo jong, heer, en oprecht.

LEAR:

Het zij zo: uw oprechtheid zij uw bruidschat;

Want bij het stralend heilig licht der zon,

Bij Hecates’ mysteries, en de nacht,

Bij ’t werk der wentelende hemelbollen

Dat ons bestaan beheerst en onze dood,

Doe ‘k afstand van mijn vaderlijke zorg,

Verwantschap en van bloedgemeenzaamheid.

Van nu af en voor altijd houd ik u

Een vreemde voor mijn hart en voor mijzelf;

En de barbaarse Scyth, of hij die zich

Zijn honger stilt met vlees van eigen kindren

Heeft aan mijn hart hetzelfde recht op meelij,

Hulp en ontvangst als gij…

Andere vertalingen/bewerkingen van Hoems hand zijn o.a.

John Steinbeck
Bertold Brecht
August Strindberg

In 1989 publiceerde Edvard Hoem een uitgebreide en rijkelijk geïllustreerde biografie van Nordahl Grieg (1902-1943) met als titel Til ungdommen. Nordahl Griegs liv.

Nordahl Grieg begon vroeg aan zijn levensreis. Hij ging naar zee toen hij zeventien was, en keerde in zekere zin nooit terug. Hij arriveerde in China tijdens het oproer van 1927, was in Moskou toen Stalin op het hoogtepunt van zijn macht stond en in Spanje tijdens de burgeroorlog. Hij was in Londen en op IJsland tijdens de wereldoorlog. Hij woonde in treincoupés en scheepshutten, en schreef de hele tijd brieven naar huis.

Zijn levenstaak was de strijd tegen de oorlog. Hij droomde van een tijd waarin er geen oorlog meer was, en waarin hij kon deelnemen aan de strijd tegen de armoede en de onderdrukkingen van mensen overal op aarde.

Hij was de meest internationale van alle Noorse schrijvers, en tegelijkertijd was hij de Noorse schrijver. Hij wou deel uitmaken van zijn tijd, maar voelde zich niet thuis in de toenmalige wereld en onder vrienden.

schreef hij in een (kort) voorwoord. Van Griegs correspondentie heeft hij uitgebreid gebruik gemaakt.

Nordahl Grieg groeide op in Møhlenpris, een deel van Bergen. Later verhuisde het gezin naar Hop, niet ver van Bergen. Nordahls moeder was een erg energieke vrouw, zijn vader “een verfijnde humanist” die zich op de achtergrond hield en vrij jong stierf. Nordahls oudere broer Harald speelde een belangrijke rol in het culturele leven van Noorwegen: hij

Nordahl Grieg (links) en zijn broer Harald (foto: Wikipedia)

transformeerde Gyldendal van een filiaal van een Deense uitgeverij naar een onafhankelijk Noors uitgeversbedrijf dat ook Nordahls boeken zou uitgeven.

Nadat hij zijn eindexamen middelbare school had afgelegd, monsterde Nordahl Grieg als lichtmatroos aan op een vrachtboot die naar Australië voer. De neerslag daarvan is te vinden in de roman Skibet gaar videre (1924). De krasse schildering van het leven op zee werd hem niet door iedereen in dank afgenomen:

In de jaren 30 was Nordahl Grieg op vele schepen nog altijd de man die de eer van de Noorse zeelui bezoedeld had, en zelfs tijdens de wereldoorlog herinnerden ze hem daaraan.

Skibet gaar videre was overigens niet Griegs eerste roman. In 1923 schreef hij samen met zijn vriend Niels Lie onder de schuilnaam Jonatan Jerv Bergenstoget plyndret inatt. Daarbij had hij een heel praktisch doel voor ogen: een acuut geldgebrek wegwerken. Geldgebrek zou als een rode draad door zijn verdere leven lopen. Zijn broer Harald schoot hem vaak te hulp wanneer hij er weer eens mee geconfronteerd werd.

Grieg studeerde filologie aan de universiteit van Oslo en kreeg in 1923 een studiebeurs voor Wadham College (Oxford),waar hij zich o.a. in Kipling verdiepte en uiteindelijk van diens zienswijze afstand nam.

In het gedicht “Kapellet i Wadham College” heeft hij het over een onderwerp dat hem van in zijn jonge jaren bezighield: de vraag naar de zin van oorlog:

IJzer en angst en koude in zinloosheid en gevecht

dat viel de waardevolle jongeren ten deel

Kogels floten door de lucht, het lichaam verkrampte

een lijk dat wegrotte, maar de ziel? Vrienden, wat werd er van hun ziel?

Hij werd daarna journalist in Oslo en maakte in die hoedanigheid een aantal grote reizen. In 1927 trok hij naar China, waar hij o.a. de voor de Komintern werkende Rus Mikhail Borodin ontmoette, die hij later zijn eerste “politieke leider” zou noemen.

In 1928 publiceerde hij Norge i våre hjerter:

Al het beste van Nordahl Griegs poëzie is hier te vinden, pathos en intern conflict, sociaal perspectief en historische waarheid, een concreet en dramatisch gebeuren […] Ook al wou Nordahl Grieg een “nationale gedichtenbundel” schrijven, toch gaat het hier meer over het volk dan over de natie. Norge i våre hjerter geeft een visie op Noorwegen, maar is voor alles een hulde aan de arbeid en de arbeiders.

Net zoals elders in het boek legt Hoem wanneer hij het over Griegs literaire werk heeft vaak verbanden met diens sociaal engagement. In 1929 werd Nordahl Grieg in Arbeidernes Leksikon nog als “conservatief” bestempeld. Van groot belang werd de reis die hij in 1933 naar de Sovjet-Unie maakte:

Toen hij zijn thuisstad (…) verliet, was hij een burgerlijke, liberale jongeling, die elegante Engelse pakken droeg en fijngevoelig schreef over jonggestorvenen.

Zelf zei Grieg:

Ik ben bijzonder blij dat ik naar Moskou reisde, al het nieuwe en sterke hier, zo veel heldenmoed, zo veel bereidheid tot zelfverloochening, zo veel vreugde in het lijden (…) over het opbouwen van een nieuwe wereld, over het creëren van een nieuwe manier van denken. 

Zijn politieke ommekeer kwam er onder meer onder invloed van Ivar Digernes en de Armeense Vega Linde, met wie hij tijdens zijn verblijf in Moskou een relatie begon.

Ivar Digernes wordt door sommigen Griegs kwade engel genoemd. Vanuit een ander standpunt is hij de vriend die voor Nordahl Grieg iets verhelderde waar hij al lang rijp voor was. (…) Het was Hitlers verkiezingsoverwinning in Duitsland die volgens Ivar Digersen Nordahl Griegs politieke evolutie in gang zette.

Vega Linde zou later over Grieg zeggen

Nordahl Griegs ideeën over de Noorse burgerij als een verzameling vriendelijke mensen met familieleden en een keurige handelsethiek kregen een enorme schok toen ik hem een artikel uit Bolsjevik voorlas (…) dat de rol onthulde die de Noorse schipsreders speelden in de olietrafiek naar Duitsland tijdens de Eerste Wereldoorlog. De concrete feiten maakten diepe indruk op hem. Hij was oprecht verrast. Iedere dag discuteerden we over politiek, theater, literatuur. En langzaamaan (…) begreep hij de onverhulde klassenbelangen die schuilgingen achter de ideeën en de verleidelijke zienswijzen van de burgerij.

Hoe keek AKP’er Edvard Hoem aan tegen Griegs “bekering” op het ogenblik dat Stalin al een hele tijd aan de macht was?

Om de brutale hervormingen erdoor te krijgen en het land weerbaar te maken tegen een agressief en fascistisch Duitsland ging Stalin over tot een echte uitroeiingsoorlog tegen zijn vijanden binnen de partij en de staatsadministratie (…) Zonder verder in te gaan op Stalins persoonlijkheid, zijn vervolgingswaanzin, zijn brutaliteit of zijn grootheidswaanzin, moet men vaststellen dat de processen een logisch gevolg waren van de revolutionaire methodes om de maatschappij te hervormen. De omvangrijke gerechtelijke vervolgingen vonden voor het grootste deel plaats nadat Nordahl Grieg Moskou verlaten had. (…) Hoeveel hij begreep van wat er gebeurde, blijft evenwel een groot vraagteken. Het land was enorm en zo goed als hermetisch gesloten voor wie de taal niet beheerste. Voor de buitenlandse waarnemers trok Stalin een boeiende façade op, met een schitterend cultureel leven ook in vele plaatsen buiten Moskou, nieuwe impulsen in het theater, een opbloei van de cultuur van minderheden en allerlei soorten volkskunst.

Griegs gewijzigde politieke opvattingen leidden o.a. tot een verkoeling in de relatie met Harald, die wel het werk van zijn broer bleef uitgeven.

Weer in Noorwegen is de ommekeer onmiddellijk merkbaar:

Nordahl Grieg keerde terug naar Bergen en Noorwegen met een roeping en een opdracht: hij zou het gevecht aangaan met de krachten die een oorlog voorbereidden, en hij zou propaganda maken voor de Sovjet-Unie (…) Hij zou de woordvoerder zijn van de arbeidersklasse en van de arbeiderszaak. Hij zou Bergen en Noorwegen overhoopzetten.

De erop volgende maanden zocht hij contact met de redactie van de communistische krant “Arbeidet”, schreef hij artikelen voor “Sovjet-Nytt” en liet hij zich interviewen door linkse tijdschriften zoals “Mot Dag”. Echt lid van de Noorse communistische partij werd hij nooit. Het resultaat was dat

hij in geen enkel milieu in Noorwegen populair [was]. Voor de radicalen was hij een weerhaan, voor vele conservatieve kringen een gevaarlijke bolsjewiek. Zijn familie oefende druk op hem uit alsof hij nog niet volwassen was, en wou dat hij afstand nam van zijn extreme politieke standpunten. Hij had vrienden, die hem bewonderden, maar misschien weinigen die hem ertoe konden aanzetten om tot het bittere einde door te gaan.

Griegs ommezwaai was ook duidelijk merkbaar in zijn literaire productie van die tijd. Zo ontstond er heel wat herrie rond de opvoering van Vår ære og vår makt (1935). Een meerderheid van het bestuur van Den nationale Scene wou de repetities van het stuk stoppen omdat het “revolutionair” was. Het stuk werd uiteindelijk toch opgevoerd maar de reacties waren niet erg positief. Tidens Tegns recensent schreef o.a. dat een van de personages, de auteur Paul Berner, een geestelijke verwant van de schrijver,

een bewuste huichelaar is, die ten slotte uit gekwetste ijdelheid een moordenaar wordt. Men kan zich afvragen: welk belang heeft Nordahl Grieg erbij om zijn motieven en die van zijn medestanders verdacht te maken?

Tijdens de première van het stuk schopten leden van de jongerenafdeling van de fascistische Nasjonal Samlingpartij keet en gooiden ze pamfletten in de zaal:

Noorse mannen en vrouwen

Wij protesteren tegen een toneelstuk dat, met de vrede als achtergrond, partij kiest voor het marxisme.

Wij protesteren ertegen dat het rode bolsjewisme het masker van de vrede opzet.

Wij protesteren ertegen dat het rode vaandel, dat staat voor burgeroorlog en wereldrevolutie, in de komende tijd elke dag op Den Nasjonale Scene zal wapperen.

Marxisme is burgeroorlog, broedermoord, wereldrevolutie

                                                      Nasjonal Samlings Jongerenschare

Nordahl Grieg beschreef Nasjonal Samlingsleider Vidkun Quisling zo:

Over een ziek en verwrongen gezicht hebben bekwame handen en masker getrokken: sterke man. Dit is de leider. Zo wordt zelfs de ziekte van deze tijd, het kapitalisme in zijn doodsstrijd, geschminkt met manhaftigheid, eer en daadkracht. Hier worden we geconfronteerd met de essentie van het fascisme.

In hetzelfde jaar neemt hij de verdediging op van Carl von Ossietzky, een Duitse vredesactivist die door Hitler in de gevangenis gegooid was. Knut Hamsun had in de krant “Tidens Tegn” een erg vilein stuk over hem geschreven, waarin hij stelde dat von Ossietzky Duistland had moeten verlaten in plaats van zijn vaderland door het slijk te sleuren. Nog dezelfde dag schreef Grieg in “Dagbladet” o.a.

Antwoord, Ossietzky (…) hier is een grote Noorse schrijver die je aanvalt, hij is een moedig man, hij heeft jou, zijn opponent, zorgvuldig uitgekozen, jij die geboeid in een concentratiekamp zit. Hij wil dat we je vergeten. Maar misschien zal het net een van de dingen zijn die we niet vergeten – de machtige wereldberoemde man die vraagt en de man in gevangenisplunje die niet kan antwoorden.

Een cruciaal moment in Griegs ontwikkeling was de Spaanse burgeroorlog (1936-1939), waarin Franco gesteund werd door Hitler en Mussolini, terwijl de Westerse democratieën een non-interventiepolitiek aanhielden. In 1937 werd Grieg door de wettige Spaanse regering uitgenodigd op een schrijverscongres. In zijn reportageboek Spansk sommer (1937)

cover
Grieg (midden) als oorlogscorrespo,ndent in Spanje (foto: Wikipedia)

beschreef hij zijn indrukken en ervaringen tijdens de burgeroorlog.

Hoe reageerde Grieg toen Stalin in augustus 1939 een niet-aanvalspact met Hitler sloot?

spotprent met Hitlder en von Ribbentrop (bron: reddit)

Niet alleen vernietigde het pact de onafhankelijkheid van de kleine staten aan de Oostzee, onder druk van dat pact werden ook de laatste resten van de Duitse communistische partij, communisten die nar de Sovjet-Unie gevlucht waren brutaal uitgeleverd en vermoord. Geen enkele Noor raakte het pact harder dan Grieg. Het was volkomen in strijd met wat hij verwachtte, en van zijn moeder krijgt hij te horen: was hij niet tegen gelijk welke verzoening tussen Stalin en Hitler? Was hij nu misschien van mening veranderd? Nee, hij was nog altijd gekant tegen gelijk welke verzoening. Maar het pact zou het Hitler-fascisme verzwakken, niet versterken, schrijft hij. In een artikel in Arbeideren concludeert hij dat het akkoord in Moskou het logisch resultaat is van de politiek van de westelijke mogendheden (…) Het pact tussen de Sovjet-Unie en Duitsland geeft alleen aan dat het land zich buiten de oorlog tussen de reactionaire groepen in Europa, het agressieve nazisme en het defensieve Engelse kapitalisme, wil houden.

Nadat op 8 april 1940 de Duitse invasie van Noorwegen begonnen was probeerde Grieg eerst tevergeefs contact op te nemen met de Noorse militaire autoriteiten in Oslo en Hønefoss. Uiteindelijk werd hij in Ringebu ingedeeld bij een groep die de wacht moest houden bij de goudvoorraad van Norges Bank (de centrale bank van Noorwegen), die naar Tromsø werd vervoerd. Hij begeleidde daarna het goudtransport mee naar Groot-Brittannië.

Gerd Egede-Nissen, de actrice met wie Grieg sinds 1935 een relatie had, slaagde er wat later in uit Noorwegen weg te raken en kwam via Schotland uiteindelijk in Londen aan. Grieg en Egede-Nissen trouwden op 23 juni 1940 in de Noorse ambassade daar. Zij schreef in 1957 een boek over hem:

Haar boek Nordahl Grieg – slik jeg kjente ham (Nordahl Grieg – zoals ik hem kende) (1957) is de laatste grote prestatie van een actrice die een hele generatie een vooraanstaande rol speelde, omgeven door intriges, schandalen en succes. (…) Iedereen die haar op de scène gezien heeft, heeft het over een unieke uitstraling en een ongeëvenaard dramatisch instinct. Ze wist meer dan gelijk wie wat ver tussen de regels van de tekst stond naar voren te brengen. Het was eerder een fabelachtige intuïtie dan een scherp intellect dat haar van het ene succes naar het andere bracht. Ze was mooi, maar niet opvallend mooi. Ze was levensgevaarlijk, trouweloos en loyaal tot in de dood.

Gerd Eggede-Nilsen als Maria Stuart in Schillers gelijknamige toneelstuk. (foto: Nationaltheatret gjennom femti år)
Gerd Eggede-Nilsen en Nordahl Grieg

Wat Hoem merkwaardig genoegd niet vermeldde in zijn biografie is dat Nordahl Grieg, via zijn gedichten, die hij tijdens de Tweede Wereldoorlog voorlas in de uitzendingen van de BBC, contact hield met zijn vaderland:

In deze gedichten roept Grieg niet op tot haat, maar tot doorzettingsvermogen in tegenspoed en tot vereniging rond constructieve waarden: menselijke waardigheid en democratie. Met zijn beknopte, maar scherpe formuleringen droeg hij misschien meer dan wie ook bij tot inzicht in waar de strijd over ging. Heel het bezette Noorwegen luisterde naar deze uitzendingen. (Norsk biografisk leksikon)

Toch bleef hij in Londen ietwat een buitenstaander:

Vele mensen die Grieg tijdens de oorlog ontmoetten (…) schetsen bij nader inzien een beeld van een man die, wanneer men zijn relatie met Gerd buiten beschouwing laat, in vele opzichten een eenzaam man was. Deels was dat omdat er binnen het Londense ballingenmilieu en binnen de regering velen waren die het raadzaam achtten om een zekere afstand tot hem te bewaren, deels omdat hij zelf afstand hield.(…) Hij was vooral bezig met wat hij zelf als zijn roeping en zijn opdracht zag.

Daarbij kwam nog het besef dat het Noorwegen waarnaar hij zou graag wou terugkeren, niet zo zou zijn als hij het gedroomd had:

Wij die ons land verloren hebben

zijn in ons gemoed misschien meer vertwijfeld

dan we zelf beseffen.

We hangen boven een afgrond

en de toekomst daaronder oogt zwart,

tastend in het duister zoeken we

naar steun,

naar iets dat ons samenbrengt,

en dat zijn de oude gedachten

(…)

Wij die zullen sterven

hoeven onze toekomst niet veilig te stellen

We roepen niet dat we nog nodig zijn,

(…)

Alles wat we vragen is stilte.

Geen monumenten.

Laat akkers die ons nooit gezien hebben

en oude vrouwen in de zon

en kinderen die spelen, en berken

die ongeschonden hun sluier van licht verheffen

onze eeuwigheid zijn.

Met Gerd ondernam hij o.a. een reis naar de Verenigde Staten op zoek naar fondsen voor een promotiefilm ter ondersteuning van de Noorse zaak, maar stelde zich te weinig mercantiel en te principieel op zodat het plan mislukte. Ze verbleven ook een tijd in IJsland en uiteindelijk kreeg Grieg een officiersopleiding in Schotland. Hij bleef ook actief als oorlogsreporter en kreeg uiteindelijk de toestemming om met een 425 Lancaster een bombardement op Berlijn mee te maken. Op 2 december 1943 werd zijn vliegtuig neergehaald.

Edvard Hoem, Til ungdommen. Nordahl Griegs liv, Oslo (Gyldendal), 1989    ISBN 82-05-18405-4


Mitt tapre språk (1996) is geen literatuur, maar heeft er toch veel mee te maken:

Na meer dan dertig jaar boeken geschreven te hebben, wou ik nu een boekje schrijven over de taal waarin ik schrijf, het Nynorsk. Het Nynorsk is de taal van mijn hart en de taal waarin ik denk. Het is de taal die mijn moeder zong aan de wieg. Wanneer ik Noors schrijf, schrijf ik altijd Nynorsk, met wie ik ook te maken heb. Daarom denk ik voortdurend na over wat het Nynorsk is en wat het zou moeten zijn […] Als schrijver is het niet mijn eerste taak om rechtvaardigheid te eisen voor het Nynorsk, maar om zo te schrijven dat vele anderen de rijkdom van de taal ontdekken en het Nynorsk gaan zien als ons gemeenschappelijk erfgoed, ons nationaal kleinood.

In het eerste deel, “Språket, morsmålet, hjartespråk” (“De taal, de moedertaal, taal van het hart”) beschrijft Hoem de evolutie die het Nynorsk doormaakte in de 19de eeuw. Veel aandacht gaat daarbij naar Ivar Aasen, die de taal als het ware “ontwierp”. Hij ging daarbij uit van de Noorse dialecten, en opteerde voor de vormen en patronen die het best aansloten bij het Oudnoors. In de praktijk betekende dit dat hij vooral een keuze maakte uit de West-Noorse dialecten en veel minder uit die van Trøndelag en Oost-Noorwegen. Dat leidde tot interne tegenstellingen bij de aanhangers van het Landsmål (zoals het Nynorsk toen nog heette): een aantal Nynorskhervormers wilden de meest gebruikte dialectvormen en –patronen als basis.

In het tweede deel, “Nynorsk Litteratur i det 20. hundreåret” (“de Nynorskliteratuur in de 20ste eeuw”) toont Hoem aan hoe een aantal Nynorskschrijvers die taal gebruiken in hun werk. Olav Duun nam als basis een Nynorsk dat sterk regionaal gekleurd was, maar de taal die hij gebruikte was eigenlijk “polyfoon”: waar het paste gebruikte hij ook andere dialecten en traditionele “Deense” vormen. Het resultaat was dat “extremistische” Vestland-chauvinisten hem niet als een Nynorskauteur beschouwden.

Tarjei Vesaas en Olav Hauge behoorden tot de eerste generatie schrijvers die Nynorsk op school geleerd hadden. Vesaas was schrijver van beroep en hield zich zo veel mogelijk aan de officiële normering.

Het Nynorsk had nu meer en meer een homogene, moderne vorm gekregen […] Het fundamentele doel was nu om het Nynorsk een literatuur te geven die kon wedijveren met het beste wat in de wereld geschreven werd. Vesaas en Hauge speelden een voortrekkersrol in de breuk met de nationaal-romantische, taalkundig conservatieve en mystieke lyriek die tot dan toe het Nynorskkamp gedomineerd had.

Hoem gaat ook dieper in op de belangrijste oorzak van de dramatische terugval die het Nynorsk in de jaren 50 kende: het idee om de twee Noorse talen te doen samensmelten tot één taal: het Samnorsk. Dit diende te gebeuren door vormen van de ene taal ook in de andere taal te integreren. Dit voornemen leidde van de kant van de Bokmål- en Riksmålgebruikers tot heftige reacties en onwil tegenover het Nynorsk:

Dat de voorstanders van het Nynorsk niet inzagen dat ze zich dienden terug te trekken uit het Samnorskspektakel om zich in de plaats daarvan te concentreren op het veiligstellen van hun eigen taal, is misschien wel de grootste fout in de bijna 150 jaar lange geschiedenis van het Nynorsk.

Vooraan in het boek had Hoem al geconstateerd dat het Samnorsk nu verderaf is dan ooit omdat in het Bokmål steeds meer teruggegrepen wordt naar de conservatieve vormen ervan.

Edvar Hoem, Mitt tapre språk, Oslo (Samlaget), 1996    ISBN 978-82-521-4789-6

Terug naar Home