Erlend Loe

Erlend Loe (1969) is een van de meest gelezen hedendaagse Noorse auteurs. Hij studeerde scenarioschrijven aan de Den Danske Filmskole in Kopenhagen in Denemarken, en was vroeger o.a. recensent (in Arbeider-avisa), psychiatrisch hulpverpleger en interimleraar. Loe is ook actief als scenarist en schrijft filmrecensies voor Aftenposten.

Algemeen wordt Loe gezien als de spreekbuis van een generatie die alles in deschoot geworpen kreeg, maar het toch (of misschien net daarom) moeilijk heeft om zijn plaats in het volwassenenleven te vinden. (Øystein Rottem, Dagbladet, 09.10.2001)

Loes romans worden vaak omschreven als “sorgmunter” (een adjectief dat ook voor Lars Saabye Christensen gebruikt wordt) en “underfundig”, een moeilijk te vertalen woord;  in het Engels wordt het vertaald als “arch” (“amusing or not serious in a way that suggests you are behaving this way intentionally for the effect that it will have”) en “quizzical” (“seeming to ask a question without saying anything”). Humor (vaak droog en/of onderkoeld), (ogenschijnlijke) naïviteit en absurdisme spelen een grote rol. Zelf zegt Loe daarover:

de humor is erg belangrijk en misschien de belangrijkste reden waarom mijn boeken gelezen worden, maar de humor is maar een factor in een verhaal dat moet functioneren, en in al de verhalen die ik geschreven heb zit er ook melancholie en kwetsbaarheid. De humor is met andere woorden op zichzelf belangrijk, maar nog meer als een manier om de harde werkelijkheid te observeren. Het absurde van het leven is voor mij erg duidelijk. (Nina Aspen, “En alvorlig humorist”, Bindestreken 6/2001)

Een strakke structuur hebben Loes romans niet:

Strak afgelijnde plots vermijdt hij. Zelf zegt hij helemaal niet te houden van verhalen waar men via lange tussenstappen een doel bereikt. In plaats daarvan focust hij op het moment. Dat laat ruimte voor improvisatie en grappige invallen. (Sverre Bjørstad Graff, “Gruer seg til responsen”, ABC/Nyheter 21.09.2009)

Ik schrijf stilletjes en rustig, scène na scène, en werk onderweg hard aan iedere scène [..] Het begint gewoonlijk met heel kleine dingen. Als je een roman als een puzzel beschouwt, dan begin ik niet eens met het motief. Ik denk niet aan het hele beeld. Maar ik vind een paar stukjes aan de buitenkant die me bevallen: de klank ervan, de kleur ervan, het gevoel. En dan vind ik er misschien een paar andere die eraan vastgemaakt kunnen worden, en langzamerhand wordt het opgebouwd: het wordt een persoon, een situatie, een uitgangspunt. Ik besteed veel tijd aan het uitgangspunt. […] Bijna altijd begin ik bij het begin en schrijf van daaraf chronologisch tot aan het einde. Net zoals een kind eigenlijk. (nrk.no, Bokprogrammet, 12.11.2013)

zegt hij zelf.


Het grootste deel van Loes werk is in het Nederlands vertaald.

Loe debuteerde met Tatt av kvinnen*** (1993). Daarin wordt de naamloze verteller overrompeld door een plots uit het niets opduikende Marianne, die dadelijk zijn hele leven begint te beheersen. Ze gaan samenwonen. Op initiatief van Marianne vertrekken ze naar Frankrijk. Daar dumpt Marianne hem na een tijdje – zo lijkt het toch.

De verteller keert alleen terug naar Noorwegen. Een hele tijd later keert Marianne ook terug, en is er volgens haar helemaal niks aan de hand (geweest). Een arendenspecialist dreigt echter roet in het eten te gooien. En zo gaat het nog een tijdje door…

Tatt av kvinnen bestaat uit 300 genummerde korte teksten:

Ik zag de hoofdstukjes als scènes en de ruimte ertussen als overgangen

In nummer 300 schrijft de verteller:

Midden in de nacht werd ik wakker.

Verlamd door de gedachte dat de enige ter wereld die mijn leven moet leiden, ikzelf ben (vertaling Paula Stevens)

En dat lukt dus niet zo best. Maar wat voor een man is hij eigenlijk? Hij is duidelijk naïef, maar dan niet zoals Ambjørnsens Elling, die in al zijn wereldvreemdheid te pas en te onpas zijn eigen pseudowereldwijsheid presenteert. Hij bezit onvoldoende karaktersterkte om tegen Marianne in te gaan: Nina Aspen beschrijft hun relatie als die tussen

een hulpeloze man en een bloedzuiger

Hij probeert er zichzelf dan maar de hele tijd van te overtuigen dat hij van haar houdt.

Die omkering van de standaardsituatie waarin de man de veroveraar is en de vrouw veroverd wordt, zorgt voor een humoristisch effect. Verder heeft de humor in Tatt av kvinnen ook een burlesk-absurde kant. Zo zijn er de half filosofische dialogen tussen de verteller en Marianne en de schijnbaar objectieve registraties van discussies over alledaagse onderwerpen:

De volgende ochtend zei Marianne tijdens het ontbijt dat ik er stoer uitzag in die blauwe trui. Welk merk is het? vroeg ze. Ik keek het na en op mijn borst stond ondubbelzinnig dat het Basic authentic sportswear van Classic Line was. Ik werd blij en dacht dat ik een après-skitrui gekregen had, maar Marianne zei dat ze dacht dat we hier eerder te maken hadden met het bovenstuk van een trainingspak. Ik zei dat dat toch niks uitmaakte, maar Marianne vond dat er geen enkele reden was om dergelijk taalnuances uit te vlakken (en wat heeft dit met taal te maken? vroeg ik). Ze vond dat het natuurlijk niks uitmaakte als ik dat absoluut wilde, maar stel dat we al dat soort verschillen begonnen te negeren, dan zouden er binnenkort helemaal geen nuances meer zijn, alles zou hopeloos saai worden en dan kon je net zo goed naar Noord-Noorwegen verhuizen om bij de Lapse zwartenkousenkerk te gaan. (vertaling Paula Stevens) (De “Læstadianer” waarover de Noorse tekst het heeft zijn de volgelingen van een lutherse opwekkingsbeweging die vooral in Lapland aanhangers heeft).

Bij de humoristische nevenpersonages verdient zeker de alterneute Nidar-Bergene een bijzondere vermelding.

Tatt av kvinnen werd enthousiast onthaald. Dagbladet riep Erlend Loe uit tot debutant van het jaar. Bindestreken citeert Adresseavisen waar Ole Jacob Hoel het had het over

een spetterende roman

en Vårt Land waarin Kristin Stoltenberg schreef:

een sterk debuut van een auteur; ik kijk ernaar uit om meer van hem te lezen.

Erlend Loe, Tang, vertaald door Paula Stevens, Breda (De Geus), 2005  

ISBN 978-90-445-0429-3.

Het boek werd in 2007 verfilmd door Petter Næss:

filmaffiche



Bijzonder populair in Noorwegen zijn de jeugdboeken over vorkheftruckchauffeur Kurt en zijn gezin. Een daarvan werd vertaald. Fisken (1994) (Nederlandse vertaling: Kurt en de vis, 2010) is een absurd verhaal over heftruckchauffeur Kurt die op een dag een enorme vis op de kade vindt en die als voedsel gebruikt wanneer hij samen met zijn gezin in zijn heftruck een reis maakt die hem over heel de wereld brengt. Per ongeluk komen ze zelfs in Antarctica terecht. De reis levert hen ook een zedenles op: wanneer iemand beweert aardig en populair te zijn is dat niet noodzakelijk.

Kurt en zijn gezin

De charmante tekeningen zijn van Kim Hiorthøy.          

cover

Erlend Loe, Kurt en de vis, vertaald door Paula Stevens, Breda (De Geus), 2010  

ISBN 978-90-445-1527-5


Maria & José (1994) is ook een kinderboek, hoewel het absurdistische karakter soms de indruk creëert dat het een kinderboek voor volwassenen is

Ze zit achter haar computer en communiceert met de wereld. Ze weet wat er loos is in de wereld. Weet hoe ze op de hoogte moet blijven. Ze weet veel. Maria staat haar mannetje. Maar toch is er één ding dat ze niet weet. Iets belangrijks. Er woont een kleine man in Maria’s ene oor. Een kleine man, maar evengoed een man. José woont in Maria’s oor. Hij woont daar al heel lang. En hij houdt meer van Maria dan wie ook ter wereld. (vertaling Paula Stevens)

Als een soort schoonmaker rent hij over heel haar lichaam en waakt hij over haar gezondheid. Op een dag komt José op een plaats in haar lichaam waar hij voorheen nog nooit geweest is: een van Maria’s eileiders. Het gevolg laat zich raden…

De namen in het boek zijn wel niet toevallig gekozen – dit is een verhaal over een maagdelijke geboorte vanuit een nieuw gezichtspunt. Er wordt geen poging gedaan om wat dan ook te verklaren – alles is gewoon zoals het is. […] Maar misschien is dit een verhaal om van te genieten zonder dat alles uitputtend verklaard dient te worden.  (Bergen Offentlige Bibliotek, lesetips 2000)

Erlend Loe, Maria & José, vertaald door Paula Stevens, Breda (De Geus), 2001  

ISBN 90-445-0101-8

De illustraties zijn van Kim Hiorthøy.


De ik-figuur in Naiv. Super **½ (1996) is een 25-jarige student met een broer van wie hij vindt dat die minder sympathiek is dan hijzelf. Verder heeft hij ook een “goeie” vriend Kim en een “slechte” vriend Kent.

In de roman wordt de ik-figuur geconfronteerd met een soort existentiële crisis:

Alles leek me zo zinloos. Plotseling. Mijn eigen leven, het leven van anderen, van de dieren en de planten, de hele wereld. Het hing als los zand aan elkaar. (vertaling Paula Stevens)

De oorzaak van die crisis is de absurditeit zelve: hij heeft zonet een partijtje croquet van zijn broer verloren.

En dus stopt hij met studeren, verblijft in de flat van zijn broer, die op reis is, verdiept zich in een boek van Paul Davies over het begrip “tijd”, knoopt vriendschap aan met het jongetje Børre, slaat een soort lief aan de haak en mept erop los met een speelgoedhamer.

Het existentiële laat hem niet los:

Wanneer het universum vergankelijk is, dan is het maar een kleine stap verder om te denken dat het menselijk bestaan zinloos is. Waarom zou ik überhaupt nog iets ondernemen? (vertaling Paula Stevens)

Zijn belangrijkste activiteit is misschien wel het maken van lijstjes: wat hij zou schilderen als hij schilder was, voor welke dingen er nooit door middel van animatietechnieken reclame gemaakt zou mogen worden, wat hij die dag gezien heeft, enzovoort. Het lijkt allemaal even absurd maar, schrijft Marnix Verplancke (De Morgen, 05.12.2001):

Met zijn korte zinnetjes die soms heel tegengestelde zaken met elkaar in verband brengen en daardoor heel desoriënterend kunnen werken, geeft Loe je de indruk dat je hier ofwel met een geestelijk gestoorde of met een genie te maken hebt, en hoewel je over de hoofdpersoon van het boek misschien nog wel kunt denken dat hij ze niet allemaal op een rij heeft – ook al zegt hij soms heel rake dingen – Loe zelf kan alleen maar een genie zijn. De wereld vanuit een volstrekte naïviteit bekijken is immers niet zo gemakkelijk als dit op het eerste gezicht wel lijkt.

Nederlandse cover

Erlend Loe, Naïef. Super., vertaald door Paula Stevens, Breda (De Geus), 2001

ISBN 978-90-445-0108-9


De ongeveer 40-jarige Andreas Doppler**** uit de gelijknamige roman (2004) heeft een nine-to-five job die hem in staat stelt een comfortabel leven te leiden. Na een val van zijn fiets beseft hij dat hij niet van mensen houdt en ze dus ook niet meer wil ontmoeten:

Ze staan me tegen. Steeds meer. (vertaling Paula Stevens)

schrijft hij en later formuleert hij het nog explicieter:

Ik hou niet van mensen. Ik hou niet van wat ze doen. Ik hou niet van wie ze zijn. Ik hou niet van wat ze zeggen. (vertaling Paula Stevens)

Het woord waar hij nu de grootste hekel aan krijgt is “flink”. Hij steekt er een hele tirade over af die begint met

Ik heb zoveel gedaan.

Ik ben zo flink geweest.

Ik ben verdomd flink geweest.

Ik was flink op de crèche. Ik was flink op de kleuterschool. Ik was flink op de lagere school. Op het gymnasium was ik afschuwelijk flink, niet alleen qua vakken, maar ook sociaal. (vertaling Paula Stevens)

en meer dan een bladzijde verder eindigt met

Ik heb voor de laatste keer iets gepresteerd en ik ben voor de laatste keer flink geweest. (vertaling Paula Stevens)

Dopplers uiteindelijke doel is

het nietsdoen perfectioneren tot een niveau dat weinigen vóór mij hebben bereikt. (vertaling Paula Stevens)

En dus verlaat hij zijn gezin (zwangere vrouw, kleuter Gregus en de aan Tolkien verslaafde tiener Nora) en kiest hij voor het leven in een tentje in een bos in de buurt van Oslo. Hij ontfermt er zich over een elandkalf dat hij Bongo noemt en waarvan hij de moeder gedood heeft om eten te hebben. Na verloop van tijd besluit hij een totempaal te vervaardigen ter ere van zijn vader, die de laatste jaren van zijn leven doorbracht met het maken van enigszins aparte foto’s.

Helemaal alleen blijven blijkt echter niet zo eenvoudig. Niet alleen blijft hij voor zijn voedselvoorziening deels afhankelijk van strooptochten in de nabijgelegen stadswijk, hij moet ook voor een korte periode naar huis terugkeren en voor de kinderen zorgen wanneer zijn vrouw op citytrip gaat naar Rome.

En dan zijn er nog een aantal heel merkwaardige personen die de rust in de omgeving van zijn tentje verstoren. Düsseldorf heeft hij voor het eerst ontmoet toen die een maquette aan het maken was van het stadje Bastogne tijdens de Tweede Wereldoorlog toen zijn Duitse vader daar neergeschoten werd. Høyremannen wil zich tot wereldverbeteraar omscholen. Jernroger heeft een wel heel eigen manier om prostaatkanker te voorkomen. En dan is er nog Gregus, en verder Dopplers vrouw, die wil dat hij weer naar huis komt zodra hun derde kind geboren is en haar broer inschakelt. En dus wordt het voor Doppler meer dan tijd om een drastisch besluit te nemen.

Voor wie het nog niet doorheeft: Doppler is een absurd en heel grappig verhaal over een man die zich aan de hand van een soort dagboek afzet tegen de moderne prestatiegerichte maatschappij. Vegen uit de pan krijgen o.a. de hersenspoelende kinderprogramma’s op tv, de politiek (en speciaal dan de conservatieve partij Høyre) en de consumptiedrift (gesymboliseerd door kilozware Toblerones).

Het komisch effect wordt o.a. veroorzaakt door de beschrijving van situaties die op zichzelf best mogelijk zijn (er zijn bijvoorbeeld wel volwassen mannen die zich met miniatuurbouw amuseren) maar zich afspelen tegen een absurde achtergrond. Op zichzelf correcte formuleringen worden gebruikt in een context waarin je ze niet verwacht:

Er is niets wat mensen zo aaneensmeedt als een lichamelijk zwaar en symbolisch geladen karwei. (vertaling Paula Stevens)

is een perfect verdedigbare observatie – maar Doppler heeft het wel over de installatie van zijn bizarre totempaal.

Over Doppler zelf valt nog meer te zeggen. Hij heeft (om het nog zacht uit te drukken) een wel erg naïeve “streak” in zijn karakter. Hij voert lange conversaties met Bongo (bijvoorbeeld over de noodzaak van de elandenjacht in Noorwegen), probeert zijn elandenvlees te slijten tijdens een oudercontact (en houdt daarbij een bewogen pleidooi ten voordele van de ruileconomie) en leeft zich, wanneer hij een inbreker betrapt, helemaal in diens leefwereld in.

Doppler is een aanrader. Of zoals Sindre Hovdenakk (VG, 05.10.2004) het formuleerde:

een tomeloze demonstratie van pregnante schrijfkunst en een heroïsche veldtocht tegen de tirannie van de flinkheid.

Erlend Loe, Doppler, vertaald door Paula Stevens, Breda (De Geus), 2006  ISBN 978-90-445-0693-5


“To be continued” staat er op de laatste bladzijde van Doppler. Is Volvo lastvagnar **** (2005) dan het vervolg? Doppler is in de eerste 40 bladzijden in geen velden of wegen te bespeuren. We bevinden ons in Eda in het Zweedse Värmland (bereid je voor op een aantal fragmenten in het Zweeds) en maken daar kennis met twee redelijk bizarre negentigers die elkaars opponenten zijn. Maj Britt,

Een stokoude, bijna verschrompelde vrouw die zich door de straten sleept met skistokken (vertaling Femmigje Andersen Sijtsma)

is de weduwe van Birger, die vroeger bij de truckafdeling van Volvo werkte en daar (als we Maj Britt mogen geloven tenminste) aan de basis lag van een revolutionaire nieuwigheid, daar nooit erkenning voor kreeg en daardoor wegkwijnde. Bij Maj Britt zelf heeft dat ertoe geleid dat ze allerlei mistoestanden in de maatschappij wil aanklagen. Toch is ze (zoals later zal blijken) niet gespeend van enige financiële interesse, rookt ze regelmatig hasj en houdt ze van reggaemuziek.

Haar tegenspeler is de zowat even oude Anton von Borring, de laatste telg uit een oud geslacht. Hij is altijd boyscout gebleven, slaapt ’s nachts in de openlucht, eet raar en brengt zijn dagen door met vogelen.

En dan duiken uiteindelijk Doppler, Gregus en Bongo op. De laatste twee verdwijnen spoedig weer uit beeld omdat ze vinden dat Doppler ze onvoldoende beschermd heeft tegen Maj Britts “financiële uitbuiting. ” Die heeft ze als figuranten gebruikt in een “toeristenval” waarin een groep Belgische toeristen als eersten getuimeld zijn…

Doppler zelf zit tussen twee vuren. Na een hasjkuur komt hij na een mislukte opdracht van zijn gastvrouw bij von Borring terecht die hem aan een scoutsopleiding onderwerpt. Von Borring en Maj Britt sluiten onverwacht een wapenstilstand en Doppler komt aan het stuur van een Volvotruck terecht…

Het opvallendste verschil tussen Doppler en Volvo lastvagnar is dat Doppler in het tweede niet meer zelf aan het woord is; een opvallend aanwezige verteller heeft het van hem overgenomen. De rest is er echter nog allemaal, de sprankelende humor (met de discussie tussen Maj Britt en Doppler over wat nu het “betere” land is: Zweden of Noorwegen bovenaan) en de vaak absurde situaties en uitweidingen, die nu zelfs door de verteller geformaliseerd worden als een * in de tekst en * ang. op een afzonderlijke pagina.

Dit is een fragmentje van wat hij te vertellen heeft naar aanleiding van von Borrings “les” aan Doppler over het leggen van knopen:

Als je wilt leren hoe je deze knopen moet maken, dan kun je ze opzoeken op internet […] Maar als je bijvoorbeeld in een gebied als Valdres woont en je hebt alleen een analoge telefoonlijn […] dan moet je een boek over knopen zien te krijgen. Die zijn er zat. Maar waarschijnlijk kennen mensen uit Valdresal wel een paar van deze knopen. In zulke dunbevolkte gebieden valt er heel wat vast te binden. Het leggen van knopen is hen met de paplepel ingegoten. Dus als een tienermeisje uit Valdres ergens in een weiland staat en acuut een dievensteek moet leggen, dan kan ze vast en zeker aankloppen bij een oudere buurman of –vrouw […] Als ik […] bij mijn oudere buren aanklop, kan ik alleen rekenen op een brochure waarin staat dat ik bij de aanstaande verkiezingen op rechts moet stemmen. (vertaling Femmigje Andersen Sijtsma)

Volvo lastvagnar is zonder meer een “never a dull moment”-boek.

Nordlys, 30.08.2006

Erling Loes nieuwste boek “Volvo Lastvagnar” oogst lovende kritieken in Zweden. De recensente van Dagens Nyheter noemt het boek charmant, ironisch, vrolijk en prettig. Tijdens het lezen moest ze – ongewild – vaak lachen Ze is van oordeel dat Loe erin is geslaagd satire te combineren met warmte. Ze wil niet zo ver gaan om het boek Grote Literatuur te noemen, maar het is echt een “leuk” boek, dat ook op een schitterende manier in het Zweeds vertaald werd, schrijft de recensente.

Erlend Loe, Volvo Vrachtwagens, vertaald door Fremmigje Andersen Sijtsma, Breda (De Geus), 2008.   ISBN 978-90-445-1097-3


En dan is er (zucht) Organisten * (2006), een boek waar Loes naam naast die van Petter Amundsen op de kaft vermeld staat. In het Nederlands kreeg het de titel De ontmaskering van Shakespeare (2007) mee.

Loe was in het begin van de 21ste eeuw “filmconsulent” voor “Norsk Filmfond” en moest in die functie o.a. beslissen welke Noorse films subsidies zouden krijgen. In die hoedanigheid kwam hij in contact met een duo dat een film over de theorie van de Noorse organist Petter Amundsen wou maken. Die was er namelijk van overtuigd dat hij niet één, maar zelfs twee sensationele ontdekkingen had gedaan. Shakespeares werken werden niet door de acteur uit Stratford-upon-Avon geschreven, maar door (een groep schrijvers rond) diens tijdgenoot Francis Bacon. Verder zouden de originele manuscripten van de toneelstukken (en misschien ook nog een grote schat) verborgen liggen op een klein eilandje voor de kust van Nova Scotia.

Het bewijs voor dat alles ligt volgens Amundsen verborgen in de 1ste folio-uitgave van “Shakespeare’s” werk (1623). Loe staat eerst sceptisch tegenover de theorie, maar laat zich in gesprekken met Amundsen gaandeweg overtuigen. Het resultaat is Organisten, het verslag van 14 “møter” (“ontmoetingen”) tussen de twee heren (er volgen daarna nog een paar epilogen), waarin Loe de interviewvorm hanteert: hij stelt de vragen en Amundsen geeft de antwoorden. Voor alle duidelijkheid: het is blijkbaar allemaal heel serieus bedoeld – geen fictie à la Dan Brown dus.

conspiratietheorieën omtrent Shakespeare (vertaling Marianne Molenaar)

zijn natuurlijk niet nieuw: al een paar eeuwen lang zijn er lieden die beweren dat Shakespeare maar een “front” was voor de echte auteur. Het argument daarvoor is zowat altijd geweest dat Shakespeares eigen achtergrond hem nooit in staat gesteld zou hebben om al de historische en culturele allusies in zijn stukken te verwerken. Loe geeft zelf aan het begin van “ontmoeting 11” een beknopte samenvatting van een artikel uit de Britse krant The Independent dat opsomt wie er zoal allemaal naar voren gebracht is als de “echte” schrijver. Edward de Vere, de 17de graaf van Oxford is allang kandidaat. Christopher Marlowe (die dan niet in een “tavern brawl” gedood zou zijn, maar naar Italië gevlucht) is gesuggereerd. De mogelijkheid dat de toneelstukken door een vrouw (Mary Herbert) geschreven zouden zijn werd ooit geopperd. En Francis Bacon is voor vele “onderzoekers” een prominente mogelijkheid – Amundsens “ontdekking” is op dat gebied allesbehalve nieuw. Het lijstje uit The Independent is overigens allesbehalve volledig: zo herinner ik me nog uit mijn eigen studententijd dat er toen iemand beweerde dat Shakespeare eigenlijk een Antwerpenaar was…

Dat Shakespeare een aantal van zijn stukken samen met anderen schreef wordt overigens algemeen aanvaard – zo is Henry VIII hoogstwaarschijnlijk samen met John Fletcher geschreven.

En nu terug naar de folio-editie van 1623:

Maar zeven jaar na zijn dood wordt een groot aantal van zijn werken samen uitgegeven, en in dat verzameld werk zijn er wijzigingen aangebracht. Iemand moet daarvoor verantwoordelijk zijn. Waarom is dit gebeurd, vraagt Erlend, en geeft niet dadelijk antwoord.

Nu hoef je echt geen Shakespearekenner te zijn om te weten dat

1. De kwarto-edities van Shakespeares stukken (ze verschenen toen hij nog in leven was) over het algemeen “piraatedities” waren. In die tijd bestond er nog geen copyright en de auteur van een stuk had er alle belang bij dat de tekst van een stuk niet in druk verscheen zolang het nog opgevoerd werd. Die quarto’s bevatten dan ook gewoonlijk een tekst die stiekem door iemand neergekrabbeld was tijdens een opvoering, of erger nog: daarna uit het geheugen gereconstrueerd. Niet verwonderlijk dus dat ze nogal wat corrupte passages bevatten en (vaak aanzienlijk) afwijken van de folio-editie.

2. Alle naar onze normen “oude” toneelstukken bevatten passages die we nu – gewend als we (ook door film en televisie) zijn geraakt aan snelle scènewisselingen – als “redundant”  beschouwen. Dat is bijvoorbeeld zeker ook het geval met de toch veel recentere toneelstukken van Ibsen. Niet verwonderlijk dus dat er in de folio-uitgave passages staan die de handeling niet echt vooruit helpen.

Blijft natuurlijk het feit dat Amundsen beweert in de teksten een heel systeem van gecodeerde boodschappen gevonden te hebben, een systeem dat door Loe in Organisten uitvoerig uit de doeken gedaan wordt. En hier stuit je als lezer op een huizenhoog probleem: het boek is zo goed als onleesbaar.

Vanaf de eerste bladzijden word je als lezer bestookt met en overdonderd door een allegaartje van codes hier en verwijzingen daar en wordt er gegoocheld met grote en kleine letters en geometrische figuren – als voorbeeld van dit laatste hieronder Amundsens “bewerking” (de lijnen en cirkels) van een bladzijde uit de folio-editie:

Kabbalistisch is naar mijn smaak het woord dat het hele gedoe het best omschrijft. De vrijmetselarij, de rozenkruisers, Atlantis, sterrenconstellaties, allemaal maken ze na verloop van tijd hun opwachting. Het is gewoon niet bij te houden. Loe heeft na elke møte weliswaar een samenvattinkje onder de hoofding “hovedpunkter” toegevoegd, maar veel wijzer word je daar niet van. Vertaalster Marianne Molenaar (wat een beestenwerk moet het geweest zijn om deze 400+ pagina’s te vertalen!) heeft die samenvattingen overigens naar het begin van elk hoofdstuk overgeheveld. Dat een aantal afbeeldingen dan nog in

aparte fotokaternen (vertaling Marianne Molenaar)

buiten de eigenlijke tekst verzameld werden, met veel heen en weer bladeren tot gevolg (moet heel prettig zijn met een e-reader!) helpt ook al niet. En dan komt er onvermijdelijk een moment waarop je net als Erlend Loe de armen ten hemel heft en uitroept:

Ik geeft het op! (vertaling Marianne Molenaar).

Vier overwegingen nog:

1. De meeste Shakespearekenners zijn het erover eens dat de 1623-editie nog altijd redelijk slordig samengesteld is. En was het in die tijd eigenlijk wel mogelijk om een tekst zo nauwkeurig te zetten dat er dergelijke echt bedoelde diagrammen e.d. in verwerkt konden worden? We laten ook even Dan Brown expert Robert Langdon, aan het woord:

“Leuk,” had Langdon gezegd, “maar niet bepaald overtuigend. Als je genoeg kruisende lijnen op een kaart tekent, móét je er wel allerlei vormen in zien. (Dan Brown, Het verloren symbool, vertaald door Marion Drolsbach, Erica Feberwee, Pieter Janssens en Yolande Ligterink, Amsterdam (Luitingh – Sijthoff), 2009)

2. De schijnbaar uitgebreide bibliografie achteraan is bij nader inzicht wel erg selectief. Studies van erkende Shakespearespecialisten: nee hoor. Wel erg veel 19de-eeuws gespeculeer.

3. Op de vraag waarom al die geheimdoenerij dan wel nodig was komt nauwelijks een antwoord. Loe kaart de kwestie anders wel aan:

Al het werk dat jij hebt verricht, zal nog lang onderwerp van gesprek zijn. Toch is het je nooit gelukt een bevredigend antwoord te geven op de vraag waarom die codeerders dat allemaal hebben gedaan. Waarom hebben ze er zo veel tijd aan besteed en moeite gedaan om deze informatie in Shakespeares teksten te verwerken? Waarom al dat mysterieuze gedoe? Dit is een belangrijke vraag, want dat is doorgaans de eerste reactie van de mensen als ik hen over jouw ontdekkingen vertel. (vertaling Marianne Molenaar)

Amundsens antwoord is even veel- als nietszeggend:

Daar kan ik  niet zo’n goed antwoord op geven zonder dat ik aan het fantaseren sla en, zoals gezegd, daar hou ik niet van. Ik voel me er prettig bij als ik punten in het Eerste Folio of in de sonnetten kan aanwijzen waar dingen zwart op wit staan. Dat zijn geen dingen die daar eventueel staan of waarvan ik voel dat ze er staan. Ze staan er gewoon, dat kan niemand ontkennen. Een antwoord geven op de vraag wat de drijfveren van Bacon en zijn medesamenzweerders kunnen zijn geweest, dat ligt buiten mijn terrein. Ik weet het niet. Misschien ligt het antwoord hier ergens besloten. Misschien zullen anderen het ooit vinden. (vertaling Marianne Molenaar)

Petter Amundsen
zelfverklaard
Shakespearespecialist

4. Een heel interessant artikel over het kraken van codes is te vinden op de website van Skepsis. Daar wordt o.a. aangetoond dat als je materiaal maar voldoende uitgebreid is, je allerlei soorten verbanden kunt vinden. Zo kun bijvoorbeeld ook in de bekendste regels uit Hamlet:

To be or not to be, that is the question. Whether ’tis nobler in the mind to suffer the slings and arrows of outrageous fortune

een geheime boodschap vinden:

In one of the Bard’s best-thought-of tragedies, our insistent hero, Hamlet, queries on two fronts about how life turns rotten.

Krek dezelfde letters, maar in een andere volgorde…

En wat vonden de (Noorse) recensenten van Organisten? Om het beleefd te zeggen, ze waren niet overenthousiast, ook al omschreef Pernille Rygg, zelf de auteur van twee “spenningsromaner”, volgens het achterplat van de Noorse pocketuitgave het boek in de krant Dagbladet als:

Verdorie, dit is leuk om te lezen! We hebben het hier over een jongensboek, verborgen codes, geheime boodschappen, begraven schatten.

Ingunn Økland (Aftenposten, 19.11.2011) probeerde nog de meubelen te redden door onder de niet erg lovende titel

De wereld van Sofie, deel 2 – saaie poging tot vulgarisatie van vakinhoud in de traditie van Jostein Gaarder.

op de schijnbare poly-interpretabiliteit van het boek te wijzen:

Er zijn nogal wat mogelijkheden […] Je kunt Organisten lezen als vakliteratuur over Shakespeare. Het boek lijkt gebaseerd te zijn op grondig onderzoek, en is voorzien van zowel een literatuurlijst als luxueuze illustraties. Wanneer je het op die manier leest, werpt het echter een eigenaardig licht op Petter Amundsen. Het minste wat je van een ernstige vakspecialist mag verwachten, is dat hij zijn stof zelf presenteert en geen ondeskundige tussenpersoon gebruikt die bovendien twijfel zaait over het gekozen genre. Of misschien is Organisten een experimentele roman waarin de verzonnen journalist en schrijver Erlend Loe onderzoekt wat er zich afspeelt in het hoofd van een mens die gek is op quasiwetenschappelijke theorieën. Of misschien is het boek een dolle parodie in elkaar geflanst door de grapjassen Loe/Amundsen.

Zelf opteerde ze ervoor om

Organisten te lezen als een hybride, of nauwkeuriger: vakliteratuur verpakt als vertelling

Dit? Vakliteratuur?

De Deense recensent Lauge Larsen gebruikte die vermeende dubbelzinnigheid zelfs om het boek positief te beoordelen:

toen veranderde ontgoocheling in vreugde. Er is de grondige research en de bijna elegante bewijsvoering, maar vooral dat ik, iemand die even begaafd en sceptisch is als gelijk wie, aan het twijfelen gebracht kan worden: is dit een goed in mekaar gezette grap of bittere ernst? Die twijfel en de impliciete aansporing om zelf een mening te vormen over wat men nu zal geloven, in dit boek en overal elders, is de eenvoudige maar belangrijke boodschap van Organisten.

Hierbij moet onmiddellijk aangegeven worden dat Loe zelf (met een auteur weet je natuurlijk nooit) er, onder andere in een interview met Sverre Bjørstad Graff (abcnyheter.no, 22. aug. 2006), geen twijfel over liet bestaan dat alles wel degelijk letterlijk bedoeld is, zoals het er staat dus:

Ik hoop dat we hier in Noorwegen gelezen worden en ernstig genomen. Maar in Engeland zal het boek zeker furore maken, want Shakespeare bekleedt daar een unieke plaats, vertelt Loe en zegt dat er twee dingen kunnen gebeuren:

Ofwel moeten ze bewijzen dat we onzin verkopen. Ofwel moeten ze onze ontdekking als iets sensationeels omarmen, zegt hij voor hij even nadenkt en zichzelf corrigeert:

Nee, er is ook een derde mogelijkheid. Misschien zullen ze met geen woord reppen over onze ontdekking, proberen ze ons dood te zwijgen.

Ook in 2008 klonk Loe nog altijd even ernstig en overtuigd dat hij het gelijk aan zijn kant heeft, zoals blijkt uit het fragment van een brief aan Klaus Rothstein (Weekendavisen 06.11.2008):

Velen waren in de war. Petter Amundsen wou echt alles in het boek vermelden. Daarom is het zo absurd gedetailleerd. Petters (en ook wel mijn) verlangen naar ogenblikkelijke beroemdheid en internationaal aanzien is tot hiertoe helaas helemaal niet bewaarheid geworden. Als ik me niet vergis is het boek in Polen, Nederland en Zweden uitgekomen. We zijn nog steeds op zoek naar een Engelse uitgever, maar daarginds zijn ze allergisch voor nieuwe Shakespearetheorieën. Petter […] vindt dat we Organisten moeten herzien teneinde het aan meer landen te kunnen verkopen. Hij wil het boek strakker maken, inkorten en er terzelfder tijd de nieuwe ontdekkingen in opnemen die hij sinds de publicatie van het boek gedaan heeft.

Op literatursiden.dk (20.09.2010)klonk bij Arne Larsen in elk geval de verzuchting:

Mochten de theorieën en Amundsens uitgebreide kennis het geraamte geweest zijn voor een nieuw verhaal met Dan Browns professor Langdon, dan zouden we iets heel anders gekregen hebben.

Terug naar de Noorse recensenten. Leif Ekle (Kulturnytt, NRK P2, 06.11.2006 ) zei eerlijk:

Soms vraag ik me echt af of ik iets zinnigs kan zeggen over dit boek dat ik gekregen heb om te recenseren

zodat hij zelfs met het idee speelde om

een aanklacht in te dienen voor misbruik van mijn tijd en mijn erg beperkte geduld […] Dit is gewoonweg geen ontspanningsliteratuur in de gewone zin van het woord.

Dit was Stefan Andreas Stures oordeel (Fredrikstad Blad, 19.11.2006)

Maar een roman is het niet, en als vakliteratuur functioneert het slecht omdat de argumentatie erg moeilijk te volgen is. Het boek toont voor mij enkel aan dat Amundsen zelf overtuigd is van wat hij beweert, en daarom de antwoorden vindt die hij wil hebben.

Hij voegde daar nog een interessante bedenking aan toe: heeft heel dit gedoe over auteurs en codes eigenlijk iets met literatuur en literatuurappreciatie te maken?

Bovendien vind ik het maar niks dat wat door de grote meerderheid beschouwd wordt als behorend tot de allergrootste literatuur, zeg maar allergrootste kunst, gereduceerd wordt tot codes.

Het strengste oordeel is dat van Kåre Bulie. Onder de veelzeggende titel “”Anti-pageturner” (Dagbladet, 29.10.2006) schreef hij o.a.

Keer op keer kost het me moeite om te geloven dat Amundsens conclusies even overduidelijk zijn als hij zelf beweert.

Het boek is op zo’n manier opgebouwd dat ik wel moet concluderen dat de enigen die er plezier aan zullen beleven ofwel codefreaks van Amundsens eigen kaliber zijn, ofwel logebroeders, of nog fans van de late renaissance die zich vooral interesseren voor de kabbala, de tempelridders en meetkunde van Pythagoras.

Het tweetal heeft het erg moeilijk met het creëren van voldoende spanning om de lezer te boeien met een tekst die zo goed als onmiddellijk komt aandraven met een overvloed aan ingewikkelde details en mathematische bijzonderheden. Het ongewone van wat verteld wordt gaat verloren en de veeleisende Amundsen gaat onvermoeibaar door en bestookt de lezer steeds weer met ingewikkelde berekeningen en slecht ingeleide gedachtesprongen.

En toch blijft er bij Leif Ekle ergens iets knagen:

Stel je eens voor dat het waar is – stel je voor dat die organist uit Noorwegen gelijk heeft! Maar de scepticus in ons leunt bekommerd achterover en waarschuwt ons voor verleidelijke manipulatie en vastberaden escorte.

Erlend Loe & Petter Amundsen, De ontmaskering van Shakespeare, vertaald door Marianne Molenaar, Breda (De Geus), 2007   ISBN 978-90-445-1096-6


In Muleum***½(2007) gebruikt Loe opnieuw de dagboekvorm. Aan het woord is de 18-jarige Julie en het onderwerp (zelfmoord) leent zich op het eerste gezicht niet echt tot een humoristische benadering.

Julie heeft haar ouders en haar oudere broer Tom verloren toen die omkwamen in een vliegtuigongeluk in Afrika. Ondanks de (welbedoelde) steun van familie en kennissen ziet ze het nut van verder leven niet meer in. Op 1 januari schrijft ze:

Mijn enige goede voornemen voor het nieuwe jaar is proberen dood te gaan. Ik weet alleen nog niet hoe ik dat voor elkaar moet krijgen. De traditionele methodes vind ik zo vulgair. Jezelf ophangen of doodschieten en dat soort dingen, dat past gewoon niet bij mij. (vertaling Femmigje Andersen Sijtsma)

De titel “Muleum” verwijst naar de gelukkige periode voor het vliegtuigongeval. Als driejarige gebruikte ze consequent “muleum” wanneer ze “museum” wou zeggen en dat woord werd een inside joke binnen het gezin:

Zelfmoord plegen blijkt inderdaad niet zo gemakkelijk. Een eerste poging op het einde van de theatervoorstelling op haar school mislukt deerlijk door foute materiaalkeuze. Julie besluit dan maar min of meer op goed vallen uit de wereld rond te vliegen (haar ouders zaten er warmpjes in) in de hoop dat een van de vliegtuigen ergens neer zal storten. Haar omzwervingen brengen haar o.a. naar Kopenhagen en Bangkok, maar ook naar Roemenië (waar ze tevergeefs probeert zichzelf met het vogelvirus H5N1 te besmetten) en naar Londen (waar fanatiek hardlopen ook niet het gewenste resultaat oplevert).

Uit de Forbeslijst van gevaarlijkste landen ter wereld selecteert ze dan maar de Democratische Republiek Congo om zich daar in een etnisch conflict te mengen, maar strandt uiteindelijk in Gran Canaria en vindt daar dan toch een onfeilbare methode om zelfmoord te plegen. Dat denkt ze tenminste – maar ook iets wat niet fout kan gaan blijkt fout te kunnen gaan.

Muleum is een typisch Loe-boek met een aantal personages die niet helemaal aan de eisen van doordeweeks-zijn beantwoorden (een door zijn vak geobsedeerde Poolse tegelzetter, Julies psycholoog – ze noemt hem consequent psykoGeir – die er met haar beste vriendin van door gaat…), met absurdistische invallen (Julie begint aan een De Sade-achtig verhaal over een meisje dat in de greep van de duivel geraakt), met uitweidingen (de correcte manier om wafels te bakken!…) en puntige formuleringen. Voor Filip van Ongevalle (Standaard der Letteren, 13.11.2009) doet het boek het meest denken aan de dagboeken van Adrian Mole,

de Britse puber (en later volwassen, maar nog altijd knullige man) die steeds in de knoei ligt met zichzelf

Muleum kreeg in Noorwegen een wat gemengde ontvangst. Voor Linn T. Sunne (Oppland Arbeiderblad van 03.10.2007) toont het boek aan dat

lezen over ernstige onderwerpen niet noodzakelijk saai hoeft te zijn

en hebben we hier te maken met

[…] een ander soort boek over dood en zelfmoord; fris en goed […] Het einde is mooi en banaal, voorspelbaar en verrassend. Is het ernstig of ironisch bedoeld?

Kåre Bulie (Dagbladet, 21.09.2007) noemde het boek een

Een mooie kleine tekst – pijnlijk en triest, maar tegelijkertijd even grappig en verbaal levendig als Loe in zijn beste vorm […] Het dagboek toont Julie als een complexe persoonlijkheid: slim, vroegwijs, daadkrachtig en voortdurend nadenkend over zichzelf en de maatschappij rond haar, maar terzelfder tijd geëquipeerd met het grenzeloze vertrouwen in zichzelf van een tiener en met het vermogen om de anderen als complete idioten te ontmaskeren. Ze is hartverscheurend gevoelig en doorgaans charmerend en onderhoudend.

Marta Norheim daarentegen was veel strenger:

Hij schrijft vrolijkweg over de dood, maar ik zie niet goed in waar hij naar toe wil. […] Is dit grappenmakerij over mensen van Åsen in het algemeen en speciaal dan over de tieners die daar vandaan komen? Is het een ontspanningsroman over bizarre methodes om zelfmoord te plegen? Gaat het over de verwerking van verdriet? Of is het gewoon “een goed verhaal”? Ik kan het zwaartepunt van deze roman niet vinden. [Julie woont in “Åsen” en Loe bedoelt daarmee West-Oslo, het rijkere en chiquere deel van de stad]

Erlend Loe, Muleum, uit het Noors vertaald door Femmigje Andersen Sijtsma, Breda (De Geus), 2009   ISBN 978-90-445-1299-1


Stille dager i Mixing Part **** (2009) (Nederlandse vertaling: Gelukkig getrouwd) gaat over het gezin Telemann: vader, moeder en drie nog jonge kinderen. Nina Telemann is lerares, Bror Telemann is dramaturg, wil zelf graag een baanbrekend stuk schrijven, maar worstelt met een immense writer’s block.

Op één punt verschillen Nina en Bror grondig van mening. Zij is een grote fan van Duitsland, hij een regelrechte Duitslandhater en komt geregeld met verwijzingen naar het nazisme: (Bror begint de dialoog:)

Eigenlijk zijn ze ongelooflijk flink.

Wie?

De Duitsers.

Ja.

Als je er goed over nadenkt.

Hm.

Over wat ze allemaal hebben bereikt.

Ja, ja.

Muziek en literatuur en machines en apparaten en kastelen en wat niet allemaal nog meer. Zelfs theater. Het is bijna niet te bevatten.

Nee.

Alleen jammer dat…

Telemann, alsjeblieft.

Vind je dat ik daar niet over moet praten?

Nee.

Vind je dat ik mijn mond moet houden?

Ja. (Vertaling Paula Stevens)

Nina kan gewoonlijk haar wil doorzetten, en ook dit jaar zijn ze weer met vakantie in Duitsland, en wel in Garmisch-Partenkirchen. Daarnaar verwijst de Noorse titel: de familie Bader, bij wie ze logeren, spreekt geen woord Engels en heeft voor de aan het verblijf voorafgaande e-mailcorrespondentie gebruikt gemaakt van een vertaalsoftwareprogramma van twijfelachtige kwaliteit. Het vertaalde Garmisch-Partenkirchen als “Mixing Part” – Google Translate kan het dus niet zijn want dat laat woorden die het niet herkent gewoon onvertaald.

De Nederlandse titel verwijst naar iets heel anders. Tijdens hun vakantie komen Nina en Bror in een heuse relatiecrisis terecht. Bror geraakt geobsedeerd door Nigella Lawson, de Britse tv-kok met Sabine Hagedorense lichaamsbouw. Hij leeft zich uit in erotische fantasieën waarin zij de hoofdrol speelt, en doet uiteindelijk zelfs een poging om ze in de realiteit om te zetten. Nina’s ontrouw situeert zich dan weer in haar onmiddellijke vakantieomgeving.

Stille dager i Mixing Part is een roman waarin de ernst van het onderwerp getemperd wordt omdat Loes heel eigen vorm van redelijk absurde en toch schijnbaar naïeve humor opnieuw een aantal hilarische scènes oplevert:

Wanneer het eigenlijk heel tragisch is […] is Loe op zijn best

vond Leif Ekle (nrk.no, 22.09.2009).

Conform Brors obsessie met theater is het grootste deel van het boek in dialoogvorm geschreven:

het is in deze schrale dialogen dat de absurditeiten zonder remmingen aan de oppervlakte komen

Het einde van het boek – ja je zou kunnen zeggen dat Loe er zich een beetje gemakkelijk vanaf maakt, maar de Nederlandse titel krijgt daardoor (ongewild?) wel een dubbelzinnig tintje.

Erlend Loe, Gelukkig getrouwd, vertaald door Paula Stevens, Breda (De Geus), 2012  

ISBN 978-90445-1732-3


Een (onvolledig) overzicht van niet in het Nederlands vertaald werk:

Kurt blir grusom (1995) begint ermee dat Kurt (zie Fisken hierboven) een matroos redt die als slaapwandelend in het water geraakt was. Als beloning krijgt hij van de drenkeling een diamant en wanneer hij die verkoopt is hij plots schatrijk.

Vroeger heeft hij zijn vrouw nog verteld dat veel geld hebben hem nooit “grusom” zou maken, maar de werkelijkheid blijkt nu anders. Sociaal toont Kurt zich in elk geval niet, en wanneer hij ook nog de politiek ingaat met de slogan

een wereld

een toekomst

kies voor veiligheid

stem op Kurt

loopt het helemaal verkeerd af. De les is duidelijk: rijkdom staat niet garant voor succes, en in tweede instantie: de mensen zijn toch niet zo stom dat ze alles geloven.

Erg grappig, zeker voor volwassenen.

Erlend Loe & Kim Hiorthøy (ill.), Kurt blir grusom, Oslo (Cappelen), 1995  ISBN 978-82-02-15791-3

Kurt blir grusom kwam ook als animatiefilm in de bioscoop:

Dagsavisen, 16.02.2009

Een heerlijk absurd animatiefilmavontuur over Erling Loes personage; een gezinsvriendelijke film met toch enkele scherpe kantjes.

Kurt blir grusom werd vertaald in het Duits, het Frans en het Engels:

Erlend Loe, Kurt, der Diamant und ein Haufen Geld, vertaald door Hinrich Schmidt-Henkel, Würzburg (Arena), ISBN 978-3-401-04911-3

Erlend Loe, Méchant Kurt!, vertaald door Coursaud, Jean-Baptiste, Genève (La Joie De Lire), 2007     ISBN 978-2-88258-378-9

Erlend Loe, Kurt gets truckloads, vertaald door Don Bartlett, Wellington (Gecko Press), 2013.   ISBN 978-187757930-1


Geen gewone man, de verteller die een meer dan 200 bladzijden lange monoloog afsteekt in Fakta om Finland***½ (2001). Hij omschrijft zichzelf als “brosjyreskaper” en heeft net een nieuwe opdracht binnengehaald: de ambassade van Finland wil dat hij een nieuwe brochure samenstelt om het land te promoten.

Wat weet hij over Finland? Niks. Wat heeft de brochure die hij schrijft met Finland te maken? Weinig: ze is een soort conglomeraat van zijn eigen fantasie, een artikel dat twintig jaar geleden in National Geographic stond en een Deense Finlandgids die ook al veel jaren geleden gepubliceerd werd – zelfs de prijzen die daarin vermeld staan past hij niet aan.

De man heeft daarenboven één grote angst/obsessie: vloeiend water, wat voor hem gelijk staat met verandering:

Verandering maakt me bang, naar de duivel ermee.

Andere personages zijn er nauwelijks in het boek, behalve Søsteren, een meisje dat hij heeft leren kennen op de ophaalplaats voor weggetakelde auto’s (drie jaar op rij is zijn auto nu weggesleept in de aanloop naar 17 mei) en haar jongere (en erg beïnvloedbare) broertje Bim, die in een neonazistisch milieu verzeild geraakt is.

Fakta om Finland bevat (opnieuw) een grote dosis absurdisme. Naast de al vermelde angst voor verandering lijkt het boek ook wel iets te willen zeggen over de relatie tussen werkelijkheid en media:

Het is een leugen, zegt Bim, want Finland is Finland en Noorwegen is Noorwegen, en ik heb besloten in waarheid te leven, en dan kan ik niet liegen, natuurlijk mag je dat, zeg ik, en bovendien, dit is geen leugen, het is media en communicatie

Grappig is het boek vaak wel, zoals bijvoorbeeld in de passage waarin hij zichzelf en de Noorse koningin Sonja als “verwante zielen” omschrijft. Een kort fragment daaruit:

we zijn allebei fragiele kunstenaarszielen, bang om gekwetst te worden misschien, niet in staat om ons te engageren,dat zie je aan onze kunst, een geremde kunst, een onverloste kunst, benauwend, en we zijn allebei gedoemd om anoniem en eenzaam te zijn, maar we klagen niet, we overleven dankzij stipendia

Maar af en toe wil dit soort formuleringen ook wel eens te maniëristisch overkomen:

Ik begrijp dat je moe wordt van de flow, zegt ze. Ik word ook moe van de flow, zegt ze. Ja, zeg ik, maar is er een flow? Dat is de vraag, want als er geen flow is, is het makkelijk om gewoon te zeggen dat je begrijpt dat anderen moe worden van de flow, maar als er een flow is, dan is er een flow en dan ben je zelf moe, is er een flow?

Elisabeth Solberg (Dagsavisen, 10.10.2001) was enthousiast:

De grappige overwegingen en bizarre associaties van de held zijn erg vermakelig – vooral de eerste helft van het boek heeft heel wat schaterlachend vermaak in de aanbieding.

Erlend Loe, Fakta om Finland, Oslo (Capellen CUB), 2005² ISBN 978-82-02-21957-4


Kurtby (2008) is op zijn minst even grappig als de vorige boeken over heftruckchauffeur Kurt en zijn gezin, maar heeft toch een donkerder kantje en zorgde voor nogal wat ophef. Het gaat in dit boek dan ook vooral over een ernstig onderwerp: religie of specifieker nog: de gevaarlijke uitwassen die eraan vast kunnen zitten. Niet voor niets begint Kurtby met een citaat uit Woody Allens film “Hannah and Her Sisters”:

If Jesus came back and saw what’s going on in His name, He’d never stop throwing up.

Kurt moet verplicht vakantie nemen (de overheid eist dat nu eenmaal) en dus trekken hij en zijn gezin er per heftruck weer op uit. Er was onenigheid over de bestemming en dus heeft het lot beslist en dat duidde Buds bestemming aan: Finland en meer specifiek Mummidalen (een themapark voor kinderen) daar. Niet bepaalde de keuze van de anderen…

Maar ze geraken niet in Finland. Kurt (die zijn neus ophaalt voor wegenkaarten en dus ook wel voor een gps) rijdt in Zweden hopeloos verloren en komt uiteindelijk met zijn heftruck in een rivier terecht. Gelukkig ligt er een kano bovenaan op de heftruck.

Uiteindelijk stranden ze in “Kurtby”, een afgelegen “nederzetting” midden in een groot woud. Daar bevindt zich het hoofdkwartier van een religieuze sekte en de aanhangers ervan zien Kurt dadelijk als hun nieuwe zielenherder – pittig detail: de vorige is door de politie gearresteerd en afgevoerd…

Centraal in de godsdienstbeleving van de sekte staat de hel: al wie niet bij hen hoort gaat er automatisch naartoe. Een dokter raadplegen is al genoeg om uit de sekte en dus naar de hel te vliegen. Lijfstraffen zijn hét middel om dwalende leden weer op het rechte pad te brengen:

Een harde tik op de top van je pik

verdien je dubbeldik

heet het in een van de liederen die de kinderen op school aangeleerd krijgen.

Tegenspraak wordt hoe dan ook niet geduld en vrouwen krijgen alleen ondergeschikte taken, hoewel de manipulatieve “Kristi Brud” daar wel een heel persoonlijke interpretatie aan geeft.

illustratie uit het boek; vlnr Kurts vrouw Anne-lise, Kurt en “Kristi Brud”tekening Kim Hiorthøy

Vrouw van de zielherder zijn is trouwens niet zonder risico: er wil je dan wel eens een mysterieus ongeluk in de badkamer overkomen… . De sekte voorziet in haar levensonderhoud door het vervaardigen en verkopen van pingpongtafels – Jezus was immers een timmerman.

Kurts gezin vindt het allemaal maar niks, maar Kurt zelf gaat op in zijn nieuwe rol en wanneer hij tijdens een hilarische rivierdoop onzacht in contact komt met een kei, begint hij bovendien een soort oudtestamentische wartaal uit te kramen. Uiteindelijk gaat hij er mee akkoord dat zijn gezin voor de wolven gegooid zal worden omdat ze niet recht in de leer zijn.

Hoog tijd om uit de klauwen van de sekte te komen dus, maar dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan…

Dolkomisch, ik zei het al. Alleen, is dit wel een kinderboek? De zwart-wit illustratie op het voorplat (met nog de pseudo-gotische letters erbij) is in ieder geval erg atypisch voor een kinderboek. Jostein Andresen Ryen (www.barnebokkritikk.no) zet in zijn recensie een vraagteken achter het woord “barnebok” in de ondertitel en concludeert:

Kurtby valt veel beter te pruimen als we ervan uitgaan dat het boek voor volwassenen geschreven werd.

En er kwam ook wat herrie: eerst in Zweden, later ook in Noorwegen zelf. Een school wou niet dat haar leerlingen het boek lazen:

100.000 elever i sjette- og sjuendeklasse får nå boksjekker gjennom leselystprosjektet “Bok til alle”. Sjekkene kan de veksle inn i bøker i den lokale bokhandelen. Men blant årets fem titler er det to som Batnfjord skole i Møre og Romsdal har lite til overs for[…] Skolen vurderte å boikotte bokaksjonen, men den ideen ble droppet. I stedet har skolen advart mot de to bøkene i et brev til de foresatte.

Fotballboka “Best i byen” av Torbjørn Moen og Pål Johansen har “eit svært røft språk, mykje kalling og nedlatende tiltale og ein god del banning”, skriver skolen […] “Kurtby” av Erlend Loe er på sin side en satirisk fortelling […] Boka er uegnet for barn i skolealder, mener Batnfjord skole. Boka har møtt kritikk også i Sverige. (abc/nyheter, 20.05.2009)


School waarschuwt voor Erlend Loe

100.000 leerlingen van het zesde en zevende leerjaar krijgen nu boekencheques via het leesbevorderingsproject “Boek voor iedereen”. De cheques kunnen bij de plaatselijke boekhandel ingewisseld worden voor boeken. Maar onder de vijf titels van dit jaar zijn er twee die de Batnfjordschool uit Møre og Romsdal maar niks vindt […] De school overwoog om de boekencampagne te boycotten, maar dat idee werd verworpen. In plaats daarvan heeft de school in een brief aan de ouders gewaarschuwd voor de twee boeken.

Het lijkt allemaal een beetje verrassend voor een grotendeels ontkerstend gebied als Scandinavië, maar vergeet niet dat er daar toch nog een belangrijke (vaak piëtistisch ingestelde) christelijke minderheid is. Daarbij komt nog dat volwassen lezers onmiddellijk de link legden met de Zweedse Knutbysekte:

Op 10 januari werd het lijk van Alexandra Fossmo in haar eigen bed in Knutby gevonden. Ze was om het leven gebracht met een geweer. Daniel Linde die in het huis ernaast woonde, overleefde de moordpoging.

De volgende dag werd het kindermeisje Sara Svensson gearresteerd. Ze werd verdacht van moord en moordpoging. Svensson bekende.

Op 28 januari 2004 werd Helge Fossmo, de predikant van de pinkstergemeente, gearresteerd. Hij was van Noorse komaf en werd verdacht van medeplichtigheid aan de moord en de moordpoging. Via een reeks sms’en zou hij zijn vroegere minnares zo gemanipuleerd hebben dat ze zijn vrouw vermoordde.

Sara Svensson werd voor onbepaalde tijd onder psychiatrisch toezicht geplaatst. Helge Fossmo kreeg levenslang voor zijn rol in de moord en de moordpoging.

Op 14 december werd Svensson vrijgelaten nadat het hoofd van de Vadstena rättspsykiatriske klinik oordeelde dat ze mentaal gezond was en geen verdere behandeling nodig had. Ze nam haar religieuze activiteiten weer op in een andere gemeente. (wikipedia.no)

Erlend Loe zelf (Dagbladet, 20.05.2009) zag het probleem niet:

Ik maak me niet veel zorgen. De hele pointe is net dat het aanstootgevend zal overkomen in de milieus waarover het gaat.

Een uitgebreide analyse van Kurtby vind je hier.

   

Erlend Loe & Kim Hiorthøy (ill.), Kurtby, Oslo (Cappelen Damm), 2008 

ISBN 978-82-02-28933-1

Kurtby werd in het Frans vertaald:

Erlend Loe, Kurtville, vertaald door Jean-Baptiste Coursaud; Genève (la Joie de lire), 2011

ISBN 978-2-88908-046-5


In Fvonk***½ (2011) was de gelijknamige hoofdfiguur en verteller lector aan de Idrettshøgskolen in Oslo voor hij overstapte naar het Gang- og Mosjoinsforbund. Wanneer er daar gesjoemeld werd met het ledenaantal, liet hij na dat te melden en werd daarom uit zijn functie ontheven. Nu zit hij met een uitkering gedeprimeerd en paranoïde thuis. Omdat een zwangere vrouw het gesjoemel uiteindelijk in de openbaarheid heeft gebracht denkt Fvonk namelijk dat alle zwangere vrouwen erop uit zijn om hem van kant te helpen.

Zijn tweede vrouw heeft hem laten zitten; zijn dochter, die hondentolk wil worden, is het huis uit.

Op een dag wordt Fvonk gecontacteerd door een vertegenwoordiger van de overheid van wie later blijkt ze staatssecretaris is. Ze stelt hem voor om twee kamers van zijn huis (tegen een ruime vergoeding) te laten ombouwen zodat ze gebruikt kunnen worden door een niet nader genoemde persoon die zich in een “moeilijke situatie” bevindt en zich daarom ieder weekend van de buitenwereld wil afzonderen…

Fvonk houdt daarna, naast de zwangere vrouwen die zijn huis belagen, ook zijn geheimzinnige huurder in de gaten, en die blijkt de belangrijkste politicus van het land te zijn. Hij neemt contact op met Fvonk en ze worden weldra goede vrienden, “bloedsbroeders” zelfs. De politicus neemt hem in vertrouwen:

Het is jammer om te zeggen, maar ik zit in een periode waarin er veel is dat ik niet weet en dat brengt me in de war. Vroeger wist ik alles. Ik heb bijna nooit iemand ontmoet die zoveel wist als ik.

Uit hun gesprekken blijkt ook dat de politicus als privépersoon heel wat vragen stelt bij een aantal Noorse verworvenheden… Ook zijn commentaren op andere (en voor de Noren heel herkenbare) politici leveren heel wat grappige passages op.

Fvonk sluit met zijn absurdisme en onverwachte spitse opmerkingen dan ook aan bij romans zoals Doppler en Volvo Lastvagnar. In dit fragment komt de staatssecretaris informeren hoe het met de politicus gaat:

Fvonk denkt na..

Wat krijg ik ervoor, vraagt hij.

Gewoonlijk geven we cadeaubonnen die je bij Glassmagasinet kunt gebruiken. Maar geld is ook een mogelijkheid.

Fvonk antwoordt niet.

En als u dat niet wilt, kunnen we het misschien over iets heel anders eens worden.

Kom binnen, zegt Fvonk.

[…]

Ze wilde informatie over hoe het op dit moment met je gaat.

En wat zei je?

Ik gaf haar een paar totaal onbelangrijke details.

Goed zo.

En dan hadden we seks.

Haha, dat is jullie allebei zeker wel bevallen.

Toch zit er, zoals Kjersti Juul (Vårt Land, 04.11.2011) opmerkt, ook een ernstig kantje aan Fvonk:

Loe laat ons inzien hoe claustrofobisch het soms moet voelen om eerste minister te zijn.

Erlend Loe, Fvonk, Oslo (Cappelen Damm), 2011   ISBN 978-82-02-36538-7

De roman werd in het Duits vertaald:

Erlend Loe, Jens: ein Mann will nach unten; vertaald door Hinrich Schmidt-Henkel, Köln (Kiepenheuer & Witsch), 2013    ISBN 978-3-462-04499-7 (“Jens” verwijst naar Jens Stoltenberg, voormalig eerste minister, nu secretaris-genraal van de NAVO)


Vareopptelling *** (2013)

De vijfenzestigjarige Nina Faber is een dichter die ooit min of meer bekend was, zonder dat ze daarom ooit een literaire prijs won. Na een lange periode van stilzwijgen heeft ze pas een nieuwe dichtbundel gepubliceerd: “Bosporos”, over Turkije waar ze een aantal jaren gewoond heeft. De recensies zijn erg negatief. Vroeger “kenden” auteurs en recensenten elkaar en gingen ze minzaam met elkaar om, maar de tijden zijn veranderd.

Woedend om wat ze als onrechtmatige negatieve kritiek ervaart, begint Nina aan een soort wraaktocht door Oslo. Twee mensen krijgen het daarbij hard te verduren. Bjørn Hansen van de Universitaire Boekhandel had haar ’s morgens gebeld en gezegd dat de voor die dag geplande signeersessie niet door kon gaan omdat de boekhandel de inventaris (de “vareopptelling” van de titel) aan het opmaken was – een aperte leugen. Nina’s tweede slachtoffer is Roger Kulpe, die in de studentenkrant Universitas de negatiefste recensie van allemaal gepubliceerd heeft.

Het moet gezegd worden: Nina weet heel wat af van poëzie en Kulpe blijkt een volslagen nulliteit op dat gebied te zijn.

Je weet hoe deze recensenten zijn. Vol van hun eigen uitmuntendheid

zegt een van Nina’s overgebleven bewonderaars

De kritiek in Vareopptelling op het recensentengilde gaat niet heel diep, maar grappig is Loe op de hem eigen pseudo-naïeve manier weer wel.

Vidar Kvalshaug suggereerde in Aftenposten (21.04.2013) dat Loe’s boek misschien wel een reactie zou kunnen zijn op de minder gunstige kritieken die zijn vorige boek Fvonk kreeg. Zelf zei Loe in Bokprogrammet (12.03.2013)

dat het nogal een kwalijke zaak is om zijn brood te verdienen met het becommentariëren van de intellectuele arbeid waar anderen jarenlang aan gewerkt hebben, en die nauw verbonden is met hun persoonlijkheid, hun mogelijkheden en hun aanleg […] Ik vind niet dat recensenten bedachtzaam moeten zijn, maar ze moeten beseffen dat het bekritiseren van het werk van anderen eenvoudiger en minder gevaarlijk is dan zelf creatief aan de slag te gaan […] sommige [recensenten] zijn te nonchalant en te verliefd op hun eigen stem en voortreffelijkheid. De grootste problemen komen eraan wanneer de recensent er niet in slaagt of weigert om het werk op zijn eigen aannames te beoordelen, maar het in plaats daarvan intenties en eigenschappen toekent die het niet heeft.

In hetzelfde programma zei Dagbladetrecensente Cathrine Krøger dat zij ervaren heeft dat het

vaak de meest bejubelde en bekendste auteurs zijn die het moeilijkst met kritiek kunnen omgaan.

Verder noemde ze recensenten ook een soort masochisten:

we zijn samen met de parkeerwachters de meest uitgescholden groep van de samenleving.

Voor Henrik Keyser Pedersen (Norsk kritikerlag) zijn recensenten eerder geneigd zich te welwillend op te stellen en daarbij:

Loe heeft gelijk wanneer hij zegt dat negatieve kritiek verlammend en kwetsend kan werken maar dat heeft […] met het wezen van de literaire kritiek zelf te maken. Lof toegezwaaid krijgen is geen mensenrecht.

Maar hoe reagerden de recensenten zelf wanneer ze Loe’s boek beoordelen? Er waren zeker negatieve reacties. Vidar Kvalshaug (zie hierboven) was niet onder de indruk en Eivor Evenrud (Oppland Arbeiderbladet, 03.05.2013) was ronduit negatief:

Het relatief korte verhaal over de mislukkingangst van een dichter voelt gewoon niet echt genoeg aan [] Ik zou niemand aanraden om veel tijd aan dit boek te besteden.

Maar May Grethe Lerum (VG, 13.05.2013) gaf Vareopptelling vijf dobbelsteenogen op zes en omschreef het boek als een soort

burleske en kleurrijke revue

en voor Bernt Erik Pedersen (Dagsavisen, 11.12.2013) was het een van de beste boeken van 2013:

met Nina Faber heeft hij een personage gecreëerd dat een van de hoogtepunten uit zijn schrijverschap is. Het boek is bovendien een warme verdediging van de waarde van de poëzie en bij uitbreiding ook van de hele literatuur.

In dezelfde krant (17.04.2013) schreef Mode Steinkjer:

In een strak geredigeerde roman van minder dan 130 pagina’s brengt Loe een gecomprimeerde en gedetailleerde kennismaking met milieus, keerpunten en een ethisch degenererende persoonlijkheid en zo wordt Vareopptelling een elegante glijbaan naar schande en ineenstorting.

Maar de hamvraag is natuurlijk: wat vond Universitas van Vareopptelling?

Universitas

Eindelijk is ze hier! De recensie van het boek over het afmaken van de recensent die het boek van de afmaker afmaakte!

Filip Roshauw (Universitas, 24.04.2013):

In de context van het boek lijkt het hele recensentengedoe vooral een effectieve en opzichtige manier om wat leven in de brouwerij te brengen […] Moe besefte gegarandeerd dat de manier waarop hij het recensentengilde behandelt tot pavlovreacties op de cultuurpagina’s zou leiden […] […] Vareoppstelling is gaaf. Het is een monter verhaal met een stevige donkere rand, snel door de bochten, beknopt en suggestief. Steengoed einde. Ten zeerste aangeraden, als je een middag of twee kunt vrijmaken.

Ironisch bedoeld? Wie weet? Pikant detail aan de hele affaire is dat Loe zelf toen hij in het begin van de jaren 90 in Trondheim voor de studentenkrant Under Dusken schreef ook een aantal keren erg kritisch uit de hoek kwam. De bespreking van het toneelstuk “Munken” begint zo:

Duskens afgevaardigde woonde de première bij van “Munken” in het Trøndelag Teater. Hij kreeg er een glas champagne en goede plaatsen maar moest beloven dat hij iets liefs zou schrijven. Het wordt heel moeilijk om woord te houden.

In een andere recensie laat hij zich allesbehalve lovend uit over The Music of Chance van Paul Auster: “triest”, “amoreel” en “totaal fiasco” zijn enkele van de kernwoorden.

Jeugdzonden, zegt Loe nu:

Auster was toen al een grote naam, en het is leuk om iemand met een grote naam neer te halen als je zelf nog klein bent. Ik heb altijd een beetje last van Tourette als ik schrijf, de wil om er te hard in te vliegen en te zien wat er gebeurt. (Dagsavisen, 13.04.2013)

Erlend, Loe, Vareopptelling, Oslo (Cappelen Damm), 2013   ISBN 978-82-02-40952-4


Centraal in Dyrene i Afrika **½ (2018) staan vijf “enkeltpersoner” – individuen, zeg maar. Vidkun maakt deel uit van een goed draaiende tandartsenpraktijk, maar is uitgekeken op zijn job. Joachim Sperber is een homoseksuele zoöloog met een op de klippen gelopen relatie. Lise Løvenskiold voelt als rechercheur dat ze al te veel bloed en geweld gezien heeft. Såkalte Bob staat aan het hoofd van een klein filmproductiehuis en heeft net zijn huis ingrijpend laten verbouwen zonder dat het van hem een tevredener man gemaakt heeft. Hektor Graabræk is een serieschrijver van pseudohistorische roman van wie de vrouw onlangs gestorven is.

Alle vijf hebben ze twee dingen gemeen: ze voelen zich niet goed in hun vel en hebben dromen waarin dieren een belangrijke rol spelen. Toevallig ontmoeten ze elkaar op een voordracht over dierethiek. Allemaal zijn ze ervan overtuigd dat de mens een bedreiging  geworden is voor alle andere diersoorten en na overleg besluiten ze naar Kenia te trekken en daar een spectaculaire actie te ondernemen et te documenteren waardoor de wereld wakker geschud zal worden; een actie die

zoveel verontwaardiging zal uitlokken dat miljarden mensen de straat opkomen en veranderingen eisen

zoals hun zelfverklaarde leider Lise het formuleert. En het moet gezegd worden: wat ze willen doen is niet alleen spectaculair, maar vooral heel, heel bizar.

Dyrene i Afrika is satire van begin tot eind. Wat haalt Loe zoal over de hekel? Hij heeft het o.a. over mensen die hun bizarre verlangens goed willen praten door ze van een ecologisch etiket te voorzien, over pseudowetenschap die “banale” gebeurtenissen linkt aan allerlei wetenschappelijke disciplines, over platte commercialisering en uitbuiting onder het mom van ecologisch verantwoord toerisme, over foutlopende groepsdynamiek, over hoe gemakkelijk bizarre theorieën ingang vinden, over sektevorming en leiders die zich privileges willen toe-eigenen…

En natuurlijk ontbreekt de typische Loese laconisch-absurde deadpan humor, die voor Johannes Braun (Aftenposten, 23.09.2018) verwant is aan die van Monty Python, ook deze keer niet. Hier gaat het over Vidkuns vrouw Line:

Ze had een geweldige stem, daar bestond geen twijfel over. En ze kon goed met een gitaar overweg. Maar haar liedjes hadden in elk geval qua kwaliteit nog een hele weg af te leggen. Dit hier ging bijvoorbeeld over een vakantiehuisje dat aangevallen wordt door reuzenmieren, waarna het gezin er met vereende krachten in slaagt om wat vernield is te herstellen voor het te laat is. Het vakantiehuisje ziet er weer als nieuw uit, het gezin is tevreden en blij en kijkt ernaar uit om er nog vele jaren in door te brengen.

Over de achtergrond van het boek zegt Loe zelf (NOAHs Ark, 3/2018):

Het is een frustratie die ik al vele jaren heb en ze gaat niet alleen over dieren, maar ook over onze levensstijl en onze consumptiepatronen en over hoe we ons niet realiseren wat de onbehaaglijke gevolgen ervan zijn. Onze levenswijze en ons gebruik van de natuurlijke rijkdommen zorgt voor grote problemen […] Als we iets kunnen uitbuiten, dan doen we dat ook. We gaan drastisch te werk om alles binnen te halen waarmee we ons financieel kunnen verrijken. Velen onder ons lijden aan een soort cognitieve dissonantie, we gaan ervan uit dat ieder van ons zo onbelangrijk is dat we ook doen geen effect heeft. Men ziet niet het hele plaatje en de consequenties van wat iedereen doet […] De meesten onder ons bedoelen het goed, maar we hebben zoveel plannen en ideeën die een belemmering vormen. We proberen een evenwicht te vinden, maar laten uiteindelijk onze eigen belangen primeren [Het boek] gaat over mensen met goede bedoelingen die de zaak alleen maar erger maken.

Dyrene i Afrika kreeg overwegend goede recensies.

Het zou een nare en genante leeservaring kunnen zijn, maar Erlend Loe excelleert het hele boek door met zijn zowel laconieke als gemoedelijke humor.

vond Sindre Hovdenakk (VG, 20.09.2018)

Wie in dit boek echt afgemaakt wordt is elke aansteller die zichzelf presenteert als redder van de wereld op een manier die opvallend spoort met de bevrediging van zijn eigen behoefte aan zelfontplooiing en genot […] En gewoon grappig is [het boek ook]

schreef Bjørn Danielsen (Dagens Næringsliv, 21.09.2018). Fredrik Wandrup (Dagbladet, 22.09.2018) noemde Dyrene i Afrika

een schitterende satire op verwrongen idealisme […] Erlend Loe behoort tot de kleine groep van echte humoristen. Net als bij alle andere begenadigde komische talenten ligt er een serieus engagement aan de basis van zijn slapstick. Zijn surrealistische vindingrijkheid bevat heel veel stof tot nadenken.

Maar er waren ook dissonante stemmen. Marta Norheim(nrk.no  20.09.2018) vroeg zich af wat voor een boek Dyrene in Afrika nu eigenlijk is

Is het misschien een allegorie waarin de mens elk ander leven uitbuit en verwoest? Een verwrongen droom over een terugkeer naar de natuur? Of een beeld van een cultuur waarin alles zo gemakkelijk te verkrijgen is dat sommigen een remedie tegen verveling zoeken in exotisch en bizar genot? […] Misschien. Maar welke benadering ik ook probeer, het lukt niet. Ik geloof niet in de personages.

Johannes Baum (Aftenposten, 23.08.2018) trekt een parallel met het Centre Pompidou in Parijs, waar de (kleurrijke) leidingen aan de buitenkant zitten:

Erlend Loe rekent erop dat de kleuren van de buitenkant blijven boeien, maar als er binnenin weinig te beleven valt met eendimensionale personages en plannen om de wereld te redden, is het bereikte effect net het tegengestelde van dat van het intussen beroemde Frans instituut, waar het kleurrijke uiterlijk nog altijd bezoekers naar het fantastische interieur lokt.

Dyrene i Afrika klinkt leuk, maar is het alleen bij momenten.

Voeg daarbij nog dat de voorspelbaarheid van wat ver verder zal gebeuren, met iedere bladzijde toeneemt…

Erlend Loe, Dyrene i Afrika, Oslo (Cappelen Damm), 2018     ISBN 978-82-02-61249-8 (epub)


Terug naar Home