
Frode Grytten (1960) begon als journalist, maar is nu voltijds schrijver. Per Thomas Andersen (snl.no) noemt hem een literaire manus-van-alles:
hij heeft novellen geschreven, romans, gedichten, kinderboeken, essays, reisverhalen , een thriller en toneelstukken.
Over zijn onderwerpskeuze zegt Grytten in een interview in Dagsavisen (19.09.2007):
Ik wil het gewone leven schilderen, de gewone mensen die we niet meer opmerken. Kwetsbare mensen die domme en mooie dingen doen.
Grytten schrijft in het Nynorsk, maar dat mag geen probleem zijn voor wie vlot Bokmål leest.
Frode Gryttens uitstekende roman Bikubesong ***** (1999) bestaat eigenlijk uit 25 novellen. Wat deze novellen met elkaar verbindt is dat ze allemaal op de één of andere manier gaan over de bewoners van Murboligen, een woningblok in Odda, een industriestadje met een grote staalfabriek, die
de laagfrequente, bijna geluidloze hartslag van deze plaats (vertaling Marianne Molenaar)
is.
De inwoners van het woningblok zijn “gewone” mensen: Harry Lund uit “Gå langs vegen som ein vanlig mann” (“Langs de weg lopen als een gewone man”) is door VG zelfs uitgeroepen tot “den gjennomsnittlige nordmannen” (“de doorsnee Noor”).
Maar natuurlijk hebben ze allemaal hun specifiek trekje of maken ze iets bijzonders mee. Zo heeft “Fittetjuven” (“De kuttendief”) uit de gelijknamige novelle van het “verwennen” van oudere vrouwen z’n specialiteit gemaakt. Wat de vakbondsman uit “Tillitsmannen” (“Het kaderlid”) overkomt wordt al in de grandioze openingszin uit de doeken gedaan: “
Het eerste wat de partijsecretaris deed toen hij in Odda aankwam om de toespraak van die dag te houden, was zijn houvast verliezen en rechtstreeks in de Sørfjord duiken. (vertaling Marianne Molenaar)
Murboligen is de bijenkorf uit de titel:
“Ik zit op het dak en voel het Muurblok onder me leven. De akkoorden van alle dag zweven door de vensters naar buiten. Potten en pannen, popmuziek, een televisie, geruzie, stemmen. Het is een nieuwe dag, een nieuw lied, een lied van een bijenkorf.” (vertaling Marianne Molenaar)
In bijna ieder novelle heeft Grytten ook nog één of andere verwijzing naar bijen verwerkt.
De geluiden die uit de bijenkorf naar buiten komen zijn onderling erg verschillend, en dat zijn de verhalen ook. Veel van de verhalen gaan over de liefde (in allerlei varianten), maar ook motieven zoals dood (“Sol i eit tomt rom” – “Zon in een lege kamer”), wraak (“Sean Penn blues”), mislukking (“Betty og Henry” – “Betty en Henry”) en eenzaamheid (“Nattvindauge” – “Nachtvenster”) komen geregeld voor.
Soms, zoals in het als monoloog geschreven “Song for ein skyggeboksar”(“Song voor een schaduwbokser”), gebruikt Grytten de eerste persoon, dan weer de derde, en een enkele keer zelfs de tweede (“Monster”). De derdepersoonsverhalen zijn onderling erg verschillend qua point of view. “Lykka mi snur no” (“Het geluk lacht me eindelijk toe”) combineert erlebte Rede en stream-of-consciousness. In het al vermelde “Nattvindauge”ziet de lezer de gebeurtenissen “via” het jonge meisje Nina. Ook de toon varieert van novelle tot novelle: burlesk (“Prinsessa av Burundi” – “De Prinses van Burundi”), deadpan (“Gå langs vegen som ein vanlig manne”), weemoedig (“Sol i eit tomt rom”), ironisch (“Vasstoffhyperoksid” – “Waterstofperoxide”), agressief (“Song for ein skyggeboksar”), euforisch (“Dronninggelé”)…
De virtuositeit waarmee Grytten vorm en inhoud telkens weer met elkaar verbindt vormt één van de fascinerende elementen van de roman. Het is erg moeilijk om uit de superieure staalkaart die Bikubesongis de “beste” verhalen te kiezen. Toch een persoonlijke keuze – in alfabetische volgorde:
“Blind”: de obsessie van een vijfenveertigjarige man voor een caissière
“Jetlag”: een Noorse cineaste die in New York woont bezoekt haar ouders; herinneringen komen weer boven; veel lijkt er niet veranderd, maar wat is er echt met haar moeder aan de hand?
“Politidrømmar” (“Politiedromen”): als je een paar centimeter te klein bent kom je uiteindelijk op het slechte pad; een heerlijke parodie:
Hij paste altijd op of iemand hem volgde. Niet dat hij ooit gevolgd werd, maar het ging erom waakzaam te blijven.(vertaling Marianne Molenaar)
“Song for ein skuggeboksar”: de lezer mag oordelen wat er gebeurd is:
Ik zei het tegen de politie: “De trainer is als een vader voor me geweest.” “Maar is hij ook meer dan een vader geweest?” vroegen ze. (vertaling Marianne Molenaar)
“Sol i eit tomt rom”: een weduwe logeert veertig jaar na haar huwelijksreis weer in hetzelfde hotel; meditatief en melancholisch.
“Syng meg i søvn” (“Zing mij in slaap”): een wat excentrieke maar mensenschuwe man maakt z’n stervende moeder (voor het eerst) gelukkig. Prachtige openingszin:
Ik ben veertig nu, net zo oud als Morrissey. Het is bijna herfst en mijn moeder is thuisgekomen naar het Muurblok om te sterven. (11) (vertaling Marianne Molenaar – Morrissey was de zanger van de rockgroep The Smiths; achteraan in het boek bevindt zich een lijst van alle verwijzingen naar Popsongs in Bikubesong)
“Vasstofhyperoksid”: de filmoperateur is niet wie hij lijkt.
Een plezier om te lezen was deze roman
schreef Anne Catherine Straume (NRK 26.05.2001)
Een roman waar de vonken van afspatten, zowel qua taal als qua tekst als qua structuur
vond Asle Aasen Gundersen (Dag og Tid 43, oktober 1999)
Grytten kreeg voor Bikubesong de Bragepris 1999. Hij werd met dit boek ook genomineerd voor de Nordisk Råds Litteraturpris 2000. Het boek is in het Nynorsk geschreven, maar dat mag geen problem zijn voor wie vlot Bokmål leest.
Frode Grytten, Het lied van de bijenkorf, vertaald door Marianne Molenaar, Utrecht (Signature), 2002, ISBN 90-5672-039-2
Bikubesong werd ook voor het toneel bewerkt en in 2013 opgevoerd in een regie van Lasse Kolsrud.

Een van de novellen, “Fyttetyven”, zorgde ook voor niet-literaire ophef:

Het dispuut in de Hokksund Ungdomsskole naar aanleiding van Frode Gryttens novelle “De kuttendief” resulteert in een auteursbezoek en meer discussie over taalgebruik in de school.
Directrice Grethe Lande van de Hokkesund Ungdomsskole werd overstelpt met reacties nadat ouders geprotesteerd hadden tegen het taalgebruik in Frode Gryttens novelle “De kuttendief” uit de bekroonde novellebundel “Het lied van de bijenkorf”. Ze contacteerden de school met de eis om de novelle uit het lessenplan te verwijderen toen ze de samenvattingen van de 14-jarigen lazen.
Ik vind het goed dat de ouders betrokkenheid tonen. Het is belangrijk met elkaar van gedachten te wisselen, en ik vind het heel normaal dat er een discussie op volgde, zegt Lande.
De bedoeling van de leraar was een hedendaagse tekst in het Nynorsk te gebruiken, en hij opteerde voor deze moraalfilosofische en humoristische tekst van Frode Grytten.
Ik besef dat de novelle misschien wat moeilijk is voor leerlingen van de negende klas, maar in het voortgezet onderwijs is hij zeker geschikt materiaal voor een literaire analyse.
Lande heeft met Frode Grytten gesproken en hij heeft zich bereid verklaard om aanwezig te zijn op een vergadering met de ouders om het over taal te hebben. Ik vind dat we een goed debat gehad hebben over wat voor taal we op school en elders kunnen gebruiken, zegt Lande.
Flytande bjørn **** (2005) (Nederlandse vertaling: De razende rivier) Tijdens het wereldkampioenschap voetbal in 2004 wordt in Odda in de rivier (de “flytande bjørn” van de Noorse titel) het lijk van Guttorm Pedersen, een negentienjarige met extreem-rechtse sympathieën, gevonden. De nationale media ruiken sensatie en maken in groten getale hun opwachting in het stadje. De eerste verdachten zijn drie Serviërs die in het asielcentrum verblijven. Voor- en tegenstanders van dat asielcentrum houden allebei een optocht; er hangt spanning in de lucht.
Hoofdfiguur en verteller is de 38-jarige Robert Bell, die in Odda als locale correspondent voor de krant BT (Bergens Tidende) werkt. Bell, die zichzelf omschrijft als
geen slecht mens […] ook geen bijzonder goed mens (vertaling Marianne Molenaar)
maakt een uitgebluste indruk en is van het cynisch-kwetsbare type
Een hoge dunk van zijn collega’s en lezers heeft hij niet:
De eindredactrice […] wilde dat ik naging of de jongen van Pedersen een hond had gehad. De eindredactrice zei dat ze een tip hadden gekregen dat de jongen erg aan een herdershond gehecht was geweest.
“Dat zou de zaak een menselijke draai geven,” zei de eindredactrice. “Een hond die zijn geliefde baasje heeft verloren.”
“Dat zou het zeker,” zei ik. “Wil je dat ik die hond interview?” (vertaling Marianne Molenaar)
Een paar keer gaat hij ook echt de sabotagetoer op, zoals wanneer hij de telefonische lezersreacties op de moord moet kanaliseren:
Ik ontving alle vuiligheid. Ik verzoop in de drek. Na twee uur had ik ongeveer dertig telefoontjes verzameld. De meeste mensen wilden anoniem blijven. Maar ik had hun naam in het telefoonboek opgezocht en consequent het tegendeel opgeschreven van wat zij vonden. (vertaling Marianne Molenaar)
Belangrijk is verder dat Robert Bell met een persoonlijk probleem worstelt dat hem zeker evenveel bezighoudt als de moordzaak: hij heeft een (uitzichtloze) relatie met de vrouw van Frank, zijn oudere broer die politieagent is. Verder trekt hij zich het lot aan van een jonge asielzoeker.
Zoals vaak in het werk van Grytten speelt Odda ook nu weer een belangrijke rol. Flytande bjørn is een indringend, sfeervol en pessimistisch portret van een stadje dat na de teloorgang van zijn zware industrie (het failliet gegane Smelteverket speelt in meer dan één opzicht een centrale rol) wanhopig op zoek is naar zijn bestaansreden:
Hij zei dat je een oude telefoongids kon pakken en alle bedrijven kon doorstrepen die niet langer bestonden. Alle kantoren die gesloten waren. Alle rijksdiensten die verdwenen waren. Alleen het ziekenhuis hadden ze weten te redden, maar het was gegarandeerd een kwestie van tijd tot ook dat gesloten zou worden. Zo deed je dat. Een stad stukje bij beetje slopen. (vertaling Marianne Molenaar)
Gryttens stijl (een mix van paragrafen met korte zinnen en “schrale” dialogen) sluit perfect aan bij de sfeer die in Flytande bjørn opgeroepen wordt. En dat de moordenaar(s) niet gearresteerd worden, wekt nauwelijks verbazing.
Gryttens kreeg voor Flytande bjørn in 2005 de Rivertonprijs, maar zijn roman is veel meer dan “een literaire thriller”. Per Kristian Bjørkeng (Aftenposten, 17.09.2005) formuleert het wel behoorlijk stevig:
De roman staat bol van bijtende maatschappijkritiek en indirecte uitvallen naar de pers. Hij staat erg afwijzend tegenover het moderne industriële beleid en schildert diepgeworteld racisme onder de brede bevolking.
Frode Grytten […] is een man die iets te vertellen heeft
vond Fred Braeckman (Weekend Knack, 17.06.09)
en Lukas De Vos, die zijn recensie de titel “De Borinage in Noorwegen” gaf, schreef:
Het is juist dat De Razende Rivier meer weg heeft van een docudrama dan van een thriller. Maar net de harteloze delokalisatie van smelterijen en hoogovens, net de angst en vermoedens van de Untermenschen die hun lot moeten ondergaan, zorgen voor een sterke achtergrond waartegen twee bijna terloopse moorden begrijpelijk en hatelijk worden.” (Knack, 29.04.09)

Frode Grytten, De razende rivier, vertaald door Marianne Molenaar, Amsterdam/ Antwerpen (De Arbeiderspers), 2009, ISBN 978-90-29-56754-1
Frode Grytten debuteerde met de dichtbundel Start (1983), maar schakelde met Dans som en sommerfugl stikk som en bie ***½ (1986 ) over op novellen. Over die switch zei hij in Berger Arbeiderblad (29.09.1986):
Novellen lenen zich gemakkelijker voor humor. In het gedicht is er niet veel plaats voor humor. Aan een roman heb ik me nog niet gewaagd.

In zijn eerste novellebundel ligt de focus vooral op tienerjongens zegt hij zelf
De onhandige aanpak bij het veroveren van het andere geslacht, frustraties bij wie zich niet onmiddellijk in de traditionele rollenpatronen kan vinden, en de snode en heimelijke manier waarop jongeren “die niet exact zoals wij zijn” onder handen genomen worden.
De titel van de bundel (een uitspraak van Mohammed Ali) verwijst wel naar hun grootsprakerigheid en opschepperij, hier vaak een uiterlijke houding die de innerlijke onzekerheid verbergt. Door naïveteit interpreteren die jongeren situaties vaak foutief of lopen ze ontgoochelende ervaringen op:
Grytten besteedt ruime aandacht aan de mislukkelingen, maar vervalt nooit in gemoraliseer en sentimentaliteit (Beret Wicklund, Kritikkjournalen, Årets bøker 1986-1987)
De toon varieert van novelle tot novelle. Eerder humoristisch is hij bijvoorbeeld in “Bille på hjertet” (waar de 12-jarige Freddy er ten onrechte van overtuigd is dat hij dood zal gaan) en in “Den rasande myggen”, over een opschepperige oplichter, een van de weinig novellen met volwassenen in de hoofdrollen. Sarcasme klinkt door in “Å miste en bror”, over een loser en zijn geslaagde broer, een tekst die
op een veelzeggende en fragmentarische wijze een historisch proces belicht waar rebelse hippies van de generatie van 1968 omgevormd worden tot aalgladde carrièrejongens (Einar Sivertsen, Rogalands Avis, 17.10.1986)
Pessimistisch is de toon dan bijvoorbeeld weer in “Krig hele tida”, een donker verhaal over racisme en pestgedrag en een illustratie van Sandemoses jantelov.
In een aantal novellen is er een duidelijk absurdistisch element aanwezig. Zo gaat “Fanny” over een meisje dat het zou gaan maken in de internationale muziekwereld. Aan het woord is haar allereerste manager en die dicht Fanny’s trouwe huskyhond allerlei menselijk eigenschappen en een uitgesproken americanofilie toe.
Gryttens taalgebruik illustreert zowel het humoristische als het absurdistische element. Beret Wicklund heeft het in dat verband over
uitgelaten invallen en speelse formuleringen
In “Å vandre fem hundre mil i ørkenen og komme til ein cola-automat” heeft de 14-jarige ikfiguur het over zijn pogingen om meisjes te versieren:
En dan is er die keer dat ik me tot Jezus wendde om Birgits hart te veroveren. Het werd een zwerftocht van gebedsdienst naar gebedsdienst, van kerkdienst naar kerkdienst, van avondmaal naar avondmaal, van eredienst naar eredienst. Ik zwoegde me door eindeloze landschappen met preken over de hel, de dood en de eeuwige verdoemenis, langs saaie psalmen en gospelliederen, over bergjes van gebeden gericht aan Jezus en zijn grijze vader. En de oases die de momenten alleen met Birgit zouden zijn, waren niet meer dan luchtspiegelingen. Altijd – altijd! was er een of andere christelijke duivel in de kamer, een devote vicieuze kerel met een halsdoek die zandkoekjes en rode frisdrank tot zich nam en er de hele tijd op los babbelde over mededogen, ontzag en Paulus’ vijfde brief aan het kindertijdschrift Magne.

(Magne was een jeugdblad dat sterk de nadruk legde op de gevaren van het alcoholisme)
Ook de beeldspraak komt soms verrassend over:
De groepsleden van The Lonely Riders sloten me aan, de basgitaar in het linkerneusgat, de ritmegitaar in het rechterneusgat, de sologitaar in m’n ene oog. De eindversterker van de drums plugden ze het meest elektrische, onnoembare lichaamsdeel in. The Lonely Riders sloegen een paar akkoorden aan – en dan rolden de eerste coupletten van “She Loves You” de zaal in (“Å vandre fem hundre mil i ørkenen og komme til ein cola-automat”).
De interesse voor popmuziek is sterk aanwezig in Gryttens eerste novellebundel en zal ook vaak opduiken in zijn latere werk.
Het boek is onderhoudend en goed geschreven. Tegelijkertijd geeft het een realistisch beeld van het geladen contrast tussen brutaliteit en tederheid in het jongerenbrein. (Beret Wicklund)
Frode Grytten, Dans som en sommerfugl stikk som en bie, Oslo (Aschehoug), 1986
Rom ved havet, rom i byen **** (2007) is wat men in het Noors een “konsept-novellesamling” noemt: alle tien novellen hebben een schilderij van Edward Hopper als uitgangspunt.
De schilderijen waren een ideaal uitgangspunt […] als je iets wilt creëren heb je een kader nodig. Binnen dat kader kun je dan heel veel doen
zegt hij daarover zelf in een interview in Dagsavisen (19.09.2007). In een ander interview in Hardanger Folkeblad (09.11.2007) zegt Grytten over Edward Hopper:
Edward Hopper spreekt veel mensen aan en er zit iets in zijn schilderijen dat ervoor zorgt dat we ons erin herkennen. Ze zijn mooi, mysterieus en je bent er nooit helemaal klaar mee.
Een zin als
De nachtelijke gebouwen deden haar denken aan kantoren die ’s nachts gesloten waren, computers die ingesluimerd zijn, het licht dat gedoofd is in de lokalen, verlaten kamers (“Ei kvinne i sola”)
past goed in een beschrijving van een schilderij van Hopper, maar wijst ook op Gryttens eigen uitwerking: computers speelden nauwelijks een rol in het dagelijkse leven van de “gewone” mens van jaren de jaren 1960. Daarbij tonen Hoppers schilderijen facetten van het toenmalige leven in New York en Cape Cod, terwijl er een grote verscheidenheid aan locaties is in Gryttens novellen: Truro, New York, Kinsarvik, Utne, Enniscrone (Ierland), Londen, Lissabon… Daarnaast benadert Grytten zijn onderscheiden hoofdpersonages op verschillende manieren: het vertelperspectief is soms dat van de eerste persoon, soms dat van de derde, en een keer zelfs iets wat op een interior monologue lijkt. Een aantal hoofdpersonages zijn vrouwen, andere mannen.
Al die grote verscheidenheid wijst op de universaliteit van het thema dat Grytten in Rom ved havet, rom i byen aansnijdt: het gaat iedere keer over twee mensen van wie de relatie op een dood punt gekomen lijkt te zijn. Een zin als
Hij zag dat de façade kamers verborg die hun inhoud verloren hadden (“Hotell ved ei jernbanelinje”)
gaat over een echt hotel, maar lijkt terzelfder tijd ook symbolisch.
Dat dode punt kan tot irritatie lijden:

Nadat ze van de zwemhal teruggekeerd waren, klaagde ze over de warmte en trok haar jurk uit. Het irriteerde hem dat ze nu half aangekleed rondliep. Het maakte een slordige en onfatsoenlijke indruk, alsof ze alles maar op zijn beloop liet en nergens nog om gaf. (“Hotell ved ei jernbanelinje”)
Het besef van mislukt te zijn komt wel meer voor in Rom ved havet, rom i byen:

De jongste jaren was bij hem het besef gegroeid dat hij iemand was die geen spoor zou achterlaten. Hij had over alles en nog wat geschreven, hij had nergens over geschreven. Hij had zijn talent vergooid. Misschien had hij wel helemaal geen talent. (“Sollys i ein kafetaria”)

We hadden geprobeerd om van deze kamers een gelukkig huis te maken, maar het was ons niet gelukt. Er was een verwijdering ontstaan, net zoals wanneer een schip de kade verlaat. Een tijdje blijft alles duidelijk: je kunt alles zien wat er aan boord gebeurt, je kunt nog aan boord of aan wal springen. Maar plots is het te laat, het schip is vertrokken (“Hus i skumringa”)
Vaak is er het gevoel om op een kantelmoment in het leven te staan:

Toen drong het plots tot me door, het besef dat niets nog hetzelfde zou zijn, niets gewijzigd of gecorrigeerd kon worden. Ik voelde dat ik een punt in mijn leven bereikt had waar ik moest kiezen, de dingen op een ernstigere manier benaderen. Ik moest een deel van de wereld kiezen en de rest laten vallen (“Rom i New York”)
Toeval speelt een belangrijke rol in het leven:

“Je begrijpt het niet,” zei hij. “Had ik jou eerst ontmoet, dan was ik met jou getrouwd. (“Rom ved havet”)

Het vreemde is dat de volgorde zo’n belangrijke rol speelt. Wie we het eerst ontmoeten; alles zou anders kunnen zijn als de volgorde anders was geweest. Ze zeggen dat liefde maar om één ding draait: timing. (“Ekskursjon inn i filosofien”)
Menigmaal speelt onzekerheid een belangrijke rol:

Toen de kinderen groter geworden waren, kreeg ik het gevoel dat niemand me nodig had. Toen dook Tom op, een jonge man die tot alles bereid was om me te krijgen […] steeds opnieuw had ik mezelf afgevraagd waarom hij me wou hebben. Hij kon gelijk wie gekregen hebben, gelijk wie van zijn leeftijd of jonger nog. (“Motell i vest”)
Plots drong het tot me door dat we zeven jaar getrouwd waren, en dat ik dacht alles over haar te weten, maar nu was ik onzeker. (“Hus i skumringa”)
Impulsiviteit en irrationaliteit zijn onmiskenbare onderdelen van elke persoonlijkheid:
“Ik wil met jou door het leven gaan,” fluisterde hij. Hij wist niet waarom hij dat zei. Hij wist niet of hij het wel meende. (“Rom ved havet”)
Een voetballer verdwijnt plots tijdens een wedstrijd en duikt een paar maanden later weer op:
Niemand wist waar hij was, of waarom hij plots verdween. Ik heb het hem in een interview gevraagd, maar hij wil er niet over praten. Hij zegt alleen dat hij gelooft dat elke mens een ommekeerdag in zijn leven heeft, een dag waarop alles op het spel staat en je een keuze moet maken die bepalend is voor de rest van je leven (“Sollys i ein kafeteria”)
En in Rom ved havet, rom i byen is het zoals in het echte leven. Er zijn nederlagen:
Ik voelde me erg moe, maar ik wist dat ik die nacht niet zou slapen. Ik moest gewoon blijven liggen tot het ochtend werd, tot de nieuwe dag eraan kwam. Binnenkort zou het licht worden. Weldra zou de zon haar weg vinden door het raam, en dan zou de dag echt aanbreken. Dan zouden we opstaan, ontbijten, naar de radio luisteren. En daarna zouden we ons aankleden en elkaar zonder een dramatische scène verlaten. (“Rom i New York”)
Soms is er aanvaarding van wat als onvermijdelijk ervaren wordt:
Er zat nog een zweem lente in me. Zodra ook die verdwenen was, zou Tom van me weggaan. Het kon na deze zomer gebeuren. Het kon over een jaar of twee gebeuren. Ik wist dat het onvermijdelijk was. (“Motell i vest”)
Soms blijft er hoop op een goede afloop:
Ik zag haar daar staan, en het viel me op dat het mooie binnen handbereik is, het mooie is altijd binnen handbereik, je hoeft enkel je hand uit te strekken en het aan te raken. (“Hus i skumringa”)
En soms blijft de lezer in het ongewisse:
Hij stond daar in de augustusnacht, alsof hij verwachtte dat iemand iets zou zeggen, dat iemand met een verklaring zou komen of met een soort van waarheid dat licht zou kunnen werpen op wat er nu eigenlijk gebeurd was. Niemand kwam en er gebeurde niets, en een ogenblik glimlachte hij omdat een deel van hem echt geloofd had dat er iets zou gebeuren, wat was hij toch een idioot, hij stond hier buiten voor zijn eigen huis in het donker te wachten (“Ekskursjon inn i filosofien”)
Niet verwonderlijk dus dat melancholie de overheersende toon is in Rom ved havet, rom i byen. Kåre Bulie (Dagbladet, 13.09.2007) heeft het in dat verband over
verhalen in de kleinetertstoonladder […] novellen die het best geschikt zijn voor melancholisch aangelegde romantici.
Silje M.S. Norevik (Bergens Tidende, 15.09.2007) spreekt van
een duidelijke blue note toon

Ze vroeg zich af of dat misschien niet de ergste vorm van liefde was, die waarin men stil doorging met beminnen nadat alles voorbij was (“Ei kvinne i sola”)
Hij had haar haar dat over de kussensloop uitgespreid lag kunnen strelen, misschien hadden ze dan nog een kans gehad. (“Ekskursjon inn i filosofien”)
Ze was de mooiste van allemaal, en nu was ze verdwenen. Een gevoel van verraad flakkerde in hem op. Hij voelde dat de dag hem verraden had. Hij had in deze dag geïnvesteerd, en had er niets voor in de plaats gekregen. (“Hotell ved ei jernbanelinje”)
Ondanks alle melancholie lukt het Grytten toch om nu en dan ook wat humoristische toetsen binnen te smokkelen:

“Ik had ooit een keer zo’n hotelsuite,” zei McGregor, “Maar kon totaal niet overweg met de afstandsbediening. Hij kon voor zowat alles in de kamer gebruikt worden. Als ik de tv wou aanzetten, kwam er een extra bed uit de muur tevoorschijn, en wanneer ik het bed weer wou doen verdwijnen, kreeg ik ontbijt op de kamer geserveerd. (“Nærme seg ein by”)
En ook een zekere spanning is sommige novellen niet vreemd. Zo staat er in “Nattvindauge”:

Ik vroeg me af of Ruth verteld had dat ze nu normaal in Parijs zouden zijn. Ik gokte erop dat ze niets gezegd had. Ruth kon er beter mee overweg dan ikzelf. Ze gaat nog ongeveer door het leven alsof er niets is gebeurd.
Pas in de afsluitende monoloog wordt duidelijk wat er is gebeurd.
De Noorse recensentenwaren nogal verdeeld in hun oordeel over Rom ved havet, rom i byen. Een aantal onder hen vonden dat Grytten te veel dezelfde snaar aanroerde:
Een teveel aan al zo vaak gebruikte motieven zorgt ervoor dat het boek er niet helemaal in slaagt om aan de verwachtingen van deze lezer te voldoen.
schreef Anders Sundnes Løvlie in Dagsavisen (28.11.2007).
Maar Henning Karlbom (Moss Avis, 13.10.2007) vond de novellen
tot de allerbeste van [de] herfst behoorden
En in het oordeel van de jury van de Nynorsk litteraturpris 2007 klonk het zo:
Het boek van het jaar, dat een hoogtepunt is in het werk van de auteur, bevat tien mooie, melancholische, rustige, intelligente, opmerkelijke novellen. Dit is een boek met vertrouwde melodieën over de liefde, over ontmoetingen tussen mensen die elkaar kennen, die van elkaar houden, die geloven dat ze elkaar kennen en van elkaar houden, of die hopen en onvoorwaardelijk liefhebben.
Ook Peter Henning (Die Zeit, 22.09.2000) laat zich erg lovend uit over de novellebundel: Grytten
bietet er faszinierende Einsichten in die Schönheit und Tragik unserer Existenz.
en weet op magistrale wijze
die Zerbrechlichkeit der Gefühle seiner Protagonisten in all ihren Facetten zu beleuchten, ohne dabei bekannte oder abgegriffene Bilder zu verwenden […]. Die Erkenntnis, dass das Glück immer schon verloren ist, und zugleich das Bewusstsein, dass es als Hoffnungsschimmer stets am Horizont zu sehen sein wird, prägen seine Figuren.
Zelf zegt Grytten (Dagsavisen, 19.09.2007) over Rom ved havet, rom i byen:
Misschien zit ik helemaal verkeerd in elkaar, maar voor mij zijn het positieve novelles. De mensen komen tot inzicht. Ze zien in dat niemand ze te hulp zal snellen en dat ze hun verantwoordelijkheid moeten opnemen.
Best geslaagd zijn naar mijn smaak
* “Nærme seg ein by”: een getrouwde vrouw maakt een afspraak met Russell, een muzikant met wie ze ooit een relatie heeft gehad:
Ze wist dat haar echtgenoot niets simpels had. Hij was een goede man, maar het idee dat ze Russell nooit meer zou zien, had haar machteloos gemaakt. Bijna vijftien jaar was hij uit haar leven weggeweest. Toch was hij een kwetsbaar litteken gebleven, iets wat plots weer kon beginnen te bloeden.
Op weg naar hem ontmoet ze een andere man, die net van iemand van wie hij hield afscheid genomen heeft.
* “Sollys i ein kafetaria”: een ghostwriter die vragen heeft bij het leven dat hij leidt, ontmoet in Lissabon heel toevallig een vrouw die in een fotowinkel werkt.
Frode Grytten, Rom ved havet, rom i byen, Oslo (Det Norske Samlaget), 2007 ISBN 978-82-521-8441-9
Van Rom ved havet, rom i byen bestaat een Duitse vertaling:

Frode Grytten, Eine Frau in der Sonne, vertaald door Ina Kronenberger, München (Nagel & Kimche), 2009 ISBN 978-3-312-00428-7
Saganatt**** (2011) is drie romans in één, en in alle drie staat een lid van de familie Lunde centraal. Knut Hoem omschrijft (NRK, Kulturnytt, 02.09.2011) het als een boek dat
zijn heel eigen visie geeft op de recentere Noorse politieke geschiedenis.
“Kom søndag” beschrijft de opkomst en de ondergang van Arvid Lunde in de jaren 80 van de vorige eeuw. Hij brengt het van leraar Duits en geschiedenis aan het Odda gymnas tot financieel expert in Oslo.
In Odda wordt hij beschouwd als het toppunt van onopvallendheid:
Arvid Lunde is perfect, hij is echt een man zonder eigenschappen, de middelmatigheid zelve.
en is hij lid van de Arbeiderparti. In Oslo wordt hij een graag geziene gast in de kringen van de Noorse conservatieve partij Høyre. Høyrecoryfeeën Presthus en Willoch doen zelfs een cameo.
Het gaat Arvid echt voor de wind in Oslo, tot eind 1987 de beurscrash heel erg veel roet in zijn eten gooit. Terug naar af voor Arvid Lunde, hoewel hij nog een bijzonder onorthodoxe poging onderneemt om zijn schulden terug te betalen…
Arvids leven wordt verteld door een (anonieme) werknemer van Smelteverket in Odda; de teleurgang van de zware industrie in Noorwegen en meer specifiek dan in Odda vormt een vaak terugkerend thema in “Komp søndag”. Na Arvids tijd in Odda volgt de verteller hem (net zoals vele andere inwoners van het stadje) via kranteninterviews en telefoongesprekken die hij nog geregeld voert met zijn ex-collega frøken Mowinckel.
In “Kom søndag” zit er nogal wat humor en ironie, bijvoorbeeld in het relaas van de veranderingen die de vrouw van rektor Brink doorvoert wanneer ze het plaatselijke amateurtoneelgezelschap “overneemt”. Daarnaast is er ook satire op de “jappetid” in Noorwegen in de jaren 80 van de vorige eeuw:
Hoe ziet een heel gewone dag eruit voor een belegger? We weten het niet, maar we kunnen het ons wel voorstellen: dagen met telefoon, gesprekken en vergaderingen, dagen volgepropt met getallen, speculaties en geruchten. Een belegger ziet statistieken en grafieken als een soort kunstwerken, een hoop materiaal dat geïnterpreteerd en bewonderd moet worden, een belegger moet ze in zich opnemen, ze nauwkeurig analyseren, van op afstand beschouwen en conclusies trekken, er helemaal onderaan een bedrag op plakken. Een belegger is een afluisterpost, iemand die signalen opvangt uit vergaderruimtes, restaurants en drankgelegenheden, uit hotelkamers en luchthavens, uit lobby’s en open kantoorlandschappen. Een belegger verspreidt geruchten, roddelt, liegt, lekt vertrouwelijke informatie en verzint dingen. Heb je het gehoord? Wist je? Ben je geïnteresseerd in een goede tip? Nooit pauzeren, altijd zijn oor te luisteren leggen, altijd praten. Zelfs wanneer een belegger een luchtje schept of gaat pissen, mag zijn aandacht niet verslappen.
“I morgon er det måndag” is het tragikomische verhaal over Arvids vader Harold, of Møbel-lunde, zoals hij in Åsane (een stadsdeel van Bergen) genoemd werd. Hij had daar een b loeiende meubelzaak tot hij uit de markt geconcurreerd werd door een grote IKEA-winkel, die in zijn buurt geopend werd zonder dat de plaatselijke Arbeiderpartibonzen de komst van de meubelgigant ook maar een strobreed in de weg legden
Ik was erbij toen de IKEA in Åsane geopend werd. Ik stond op de parkeerplaats ervoor en zag hoe mensen aangereden kwamen met meubelen die ze in containers gooiden. Voor de opening had Ikea grote advertenties in Bergens Tidende geplaatst en daarin iedereen opgeroepen om zich hier gratis van zijn oude meubelen te ontdoen. Bij IKEA, bij Ingvar Kamprad, bij de man die nooit iets weggooide! […] de mensen kwamen, van heinde en verre om zich van hun kwaliteitsmeubelen te ontdoen; ze gooiden ze weg alsof het oude kalkoenhennen waren. Veel van die meubelen hadden ze ongetwijfeld bij mij gekocht. […] Mensen willen toch zo graag geloven dat een product oké is zolang het maar niet te veel kost. Wanneer iets niet al te goedkoop is, staan ze daar om te klagen. Maar de rommelmeubelen van IKEA zien er ook uit als rommel, ze ruiken als rommel, je moet de rommel bovendien zelf ineenschroeven, en op een mooie dag valt de rommel gewoonweg uiteen. IKEA weet dat maar al te goed, daarom produceren ze rommel, ze verkopen niet wat we nodig hebben, ze willen alleen dat we nieuwe dingen kopen, dat we ons omringen met rommel omdat dat de vlugste manier is om meer rommel te verkopen.
Het heeft van Harold een ontgoochelde en verbitterde man gemaakt, en zijn gemoedstoestand wordt er niet beter op wanneer hij zich verplicht ziet om zijn vrouw Marny, met wie hij al een dertigtal jaren getrouwd is en met wie hij een erg goede relatie heeft, naar een zorginstelling te brengen omdat ze aan een voortschrijdende dementie lijdt.
En dus besluit Harold uiteindelijk om in Zweden verhaal te gaan halen bij de man die hij verantwoordelijk houdt voor al zijn ellende: IKEA-stichter Ingvar Kamprad.
Hij is de man die me chronische maagpijn heeft bezorgd, een onregelmatige hartslag, slechte ogen, slapeloosheid. Hij heeft ervoor gezorgd dat ik niets mee ruik, stijve knoken heb, bevende handen, hij heeft minachting getoond voor alles wat ik opgebouwd heb, alles waar ik van droomde, alles wat ik nu uiteindelijk geworden ben.
In zijn verfilming “Her er Harold” (2014) volgt regisseur Gunnar Vikene vrij trouw “I morgon er det måndag”, maar het slot is wel anders.



Her er Harold is een tragische komedie: voorzichtig komisch en ongetwijfeld tragisch. Niet bijzonder grappig dus. Maar wel goed.
schreef Thomas Litherland (filmsnakk.no, 30.10.2014)
“Den åttande dagen” (een verwijzing naar het Bijbelse scheppingsverhaal dat op dag zeven voltooid was) begint als een soort sciencefictionverhaal. In een soort bevinden zich de “onlevenden”: historische figuren die de Noorse Arbeiderparti groot gemaakt hebben: Johan Nygaardsvold (1879-1952, “Gubben”, premier van 1935 tot 1945), Andreas Cappelen (1915-2008; bijna tien jaar minister in vier verschillende regeringen), Oskar Skogly (1908-1988, minister en meer dan tien jaar parlementslid), Oddleif Fagerheim (1911-1999, plaatsvervangend parlementslid en parlementslid), Trygve Lie (1896–1968, minister van buitenlandse zaken en eerste secretaris-generaal van de Verenigde Naties),
Halvard Lange (1902–1970, twee maal minister van buitenlandse zaken), Oscar Torp (1893-1958, volksvertegenwoordiger, minister, premier)…
Zij waken over het welzijn van de huidige leiders en partijleden. Dat gaat van heel eenvoudige zaken zoals iemand
van 47, bevindt zich in de Konowsstraat, partijlid, heeft problemen om varkensribbetjes voor het kerstfeest te vinden, staat in de rij, het is -17°
tot serieuze aangelegenheden zoals
een partijtopper die als volksvertegenwoordiger inside-information gekregen heeft om in Oslo vastgoed te verkopen en te kopen.
Indien nodig grijpt de “corrigerende afdeling” in de echte wereld in om de situatie recht te zetten, want het gaat niet zo goed met de sociaal-democratische partij:
Dromen zorgen ervoor dat de mens zich altijd ontevreden en onvoldaan voelt. De toekomst brengt het verleden in gevaar met de belofte dat het altijd mogelijk is om meer te bereiken, nog verder op te klimmen. […] Vroeger protesteerden de mensen tegen wat oud en conservatief was, nu protesteerden ze tegen de sociaaldemocratie. De verhuiswagen van de democratie vervolgde rammelend zijn weg. Iedereen hoorde hem, maar niemand wist hoe de zaken aangepakt moesten worden, behalve dan via manipulatie en doofpotoperaties.



foto’s: Wikipedia
Twee andere overleden partijvoormannen zijn Einar Gerhardsen (1897-1987, “landfaderen”, premier van 1945 tot 1951, van 1955 tot 1963 en van 1963 tot 1965, wordt beschouwd als de hoofdarchitect van de Noorse welvaartstaat na de Tweede Wereldoorlog) en Trygve Bratteli (1910-1984, premier van 1971 tot 1972 en van 1973-1976). Even onzichtbaar als de Toyota waarin ze rondrijden patrouilleren ze samen door de echte wereld om een oog in het zeil te houden.
In de kersttijd van 2010 krijgen ze een oproep van de centrale en worden ze naar het hoofdkwartier van de Arbeiderparti in Oslo gestuurd, waar staatssecretaris Brofoss net zelfmoord gepleegd heeft door uit een raam te springen.
Wanneer Gerhardsen en Bratteli de zaak van naderbij bekijken, komen ze al snel iets verdachts op het spoor: Brofoss’ weduwe chanteert de Arbeiderparti met een document dat de partij blijkbaar in grote verlegenheid zou kunnen brengen. Wanneer ze dat rapporteren worden ze van hogerhand vrijwel onmiddellijk van de zaak afgehaald:
In de zaak-Brofoss waren ze een kamer binnengelopen zonder aandacht te besteden aan het bordje “Verboden toegang” aan de ingang, en binnen hadden ze op gevoelige tenen in zwarte schoenen getrapt.
Maar dan loopt in de echte wereld de zaak helemaal uit de hand. Nygaardsvold is daar in belangrijke mate voor verantwoordelijk, en wanneer hij door Gerhardsen geconfronteerd wordt met alles wat er gebeurd is, zegt die het volgende:
Je vindt van jezelf toch dat je altijd hoog boven de politiek gestaan hebt. Een goed principe, maar niet realistisch. We kunnen uren zitten denken over hoe de echte wereld eruitziet, maar daar bestaan juist en verkeerd niet, alles is daar wat het is. Onthou één ding: een echte sociaaldemocraat is zich bewust van de gedegen combinatie van idealisme en realisme.
Maar wanneer Robby Lunde, zoon van Arvid uit “Kom søndag” en extern senior manager in het Overheidspensioenfonds, dreigt te zullen moeten opdraaien voor iets waar hij niet verantwoordelijk voor is, besluit Gerhardsen om zich weer echt onder de levenden te begeven. Dat loopt echter niet zoals verwacht…
“Den åttande dagen” schetst een satirisch beeld van en oorspronkelijk sociaal geëngageerde partij die als beleidspartij evolueert naar een groepering die uiteindelijk vooral zijn eigen belangen veilig wil stellen.


Grytten, Frode, Saganatt. Lundetrilogien, Oslo (Oktober), 2011 ISBN 978-82-495-1021-4 (epub)
Van Saganatt bestaat een gedeeltelijke Duitse vertaling (zonder “Den åttande dagen”):
Grytten, Frode, Ein ehrliches Angebot, vertaald door Ina Kronenberger, Zürich/München (Nagel & Kimche), 2012, ISBN 978-3-312-00536-9
Joe Strummer, Mick Jones, Paul Simonon en Nicholas “Topper” Headon waren de kern van de invloedrijke Britse punk-rockgroep The Clash. In 1981, op het toppunt van hun roem, gaven ze een reeks concerten in Bond’s International Casino in New York. Dat is het startpunt van Frode Gryttens Brenn huset ned**** (2013)


De vier leden staan elk centraal in één hoofdstuk. Strummer wordt geplaagd door doodsgedachten en ziet de dood in een bizar voorval ook echt in de ogen. Mick, die door de verteller consequent met “du” aangesproken wordt, is de nuchterste van de vier:
We zijn een rockgroep, we maken platen en treden op.
Pauls liefje Pearl heeft een bad trip en moet naar het ziekenhuis gebracht worden.
Maar in elk van de vier hoofdstukken wordt ook vooruit en achteruit gekeken. Zo eindigt Micks hoofdstuk op het moment dat hij door Joe uit de groep gezet wordt. Toppers deel verschilt van dat van de drie anderen in zoverre dat New York hier maar een erg beperkte rol speelt en de focus ligt op de periode nadat hij om zijn drugsverslaving uit de groep gezet was en zijn kost verdiende als taxichauffeur in Londen. De roman eindigt met een korte flashback naar het prille begin van The Clash.
De (vaak onrustige) sfeer binnen de band wordt uitstekend weergegeven in een dynamische stijl met veel korte zinnen. Frappant is ook de sfeer in het Topper-hoofdstuk waar een soort berusting de overhand krijgt en Joe Strummer, op bezoek bij zijn voormalig bandlid, beseft dat het niet echt geworden is wat ze van plan waren:
We zouden de wereld veranderen, dat was wat de mensen ons vertelden. The Clash zal de wereld veranderen, ik hoorde het zo vaak dat ik het begon te geloven. We zouden de loop van de geschiedenis veranderen, we zouden de mensen anders doen denken, we zouden de gevoelens van een hele generatie onder woorden brengen […] We zouden de wereld veranderen, maar het was de wereld die ons veranderde.
Frode Grytten’s verhaal over The Clash is een staal van goede en gevarieerde vertelkunst.
schrijft Arne Hugo Stølan in VG (30.09.13). En hij voegt eraan toe:
En het beste is; je hoeft helemaal geen oude hardcorefan [van The Clash) te zijn om te genietn van wat je leest
Frode Grytten, Brenn huset ned, Oslo (Forlaget Oktober), 2013 ISBN 978-82-495-1290-4
Van Brenn huset ned bestaat een Franse vertaling:
Frode Grytten, Incandescents, vertaald door Céline Romand-Monnier; Paris(Buchet & Chastel), 2015 ISBN 978-2-283-02803-2

Vente på Fuglen*** (2014) is een soort experiment. Twee jaar lang (van 2012 tot 2014) schreef Grytten iedere dag een novelle in de vorm van een twitterbericht, en kreeg daarmee meer dan 30.000 “volgers”. Qua lengte betekende dat een enorme beperking: niet meer dan 140 tekens (heden ten dage is dat het dubbele). De beste van de 538 tweetsverzamelde hij in Vente på Fuglen, dat niet bij Gryttens gewone uitgever Samlaget, maar bij Kagge Forlag verscheen.
Het ordeningsprincipe is de leeftijd van het “hoofdpersonage”: van heel jong (3 jaar) tot erg oud (96) en zoals heel vaak bij Grytten gaat het om de relatie tussen twee mensen met motieven zoals liefde, dood, verlangen en verdriet, waarbij de toon varieert van grappig en optimistisch via laconiek tot triest. Een paar voorbeelden:
Haar ouders hebben beslist dat 2012 het jaar zal worden waarin hun dochter (7) eindelijk haar kamer begint op te ruimen. Tot hiertoe is het plan op niets uitgedraaid.
Sms’en lichten de kamer op. Ze vindt 22 spelfouten in vijf tweets. De boodschap is in ieder geval duidelijk: de grootste idioot van de wereld (14) heeft het uitgemaakt.
Ze is ziek. Hij is medicijn. Ze heeft hem een week lang iedere morgen en avond genomen. Op maandag is ze beter: – nu neem ik je preventief, zegt de vrouw.
Tweederangs BN (38) zit depri thuis met rode wijn en afstandsbediening, er is zooooveel dat hij niet kan, maar geen enkel televisiekanaal wil zijn incompetentie.
Man (51) hangt de vlag uit, kijkt naar de stad. Wat is er met ons gebeurd? Vonden we olie en verloren we ons goede humeur? Werd ieder van ons rijk, maar werden we samen arm?
Frode Grytten, Vente på Fuglen, Oslo (Kagge Forlag), 2014 ISBN 978-82-489-1554-6
