Inger Hagerup


Inger Hagerup (1905 – 1985) was een bekende dichter en vertaler. Haar poëzie is toegankelijk en formeel gezien traditioneel; liefde en dood zijn veel voorkomende motieven:



Snart skal du glemme


Beide motieven zijn ook aanwezig in haar bekende gedicht “Månekveld” dat ook op muziek gezet is: zie hier of hier:


Haar gedicht over de grote Amerikaanse dichteres Emily Dickinson (1830 – 1886), die een erg teruggetrokken leven leidde en nauwelijks een gedicht publiceerde, getuigt van groot psychologisch doorzicht. “Mitt første møte med Emily Dickinson rammet meg som et lynnedslag!” schreef Inger Hagerup zelf. Ze vertaalde ook een aantal van Dickinsons gedichten.

Emily Dickinson


Maar Inger Hagerup was ook een geëngageerd auteur, zoals blijkt uit “Til kvinne er du født”, dat in op 11 maart 1947 gepubliceerd werd in de toenmalige NKP-krant Friheten, waarvoor Inger Hagerup een hele tijd boekrecensies heeft geschreven:

Til kvinne er du født


Ook één van de bekendste Noorse gedichten over de Tweede Wereldoorlog is van haar hand; het werd in maart 1941 geschreven na Duitse represailles tegen de burgerbevolking:

Aust Vågøy



Soms is de toon lichter. In “Eventyr” keert ze de normale sprookjessituatie om:

Eventyr


Ingrid Hagerup schreef ook bijzonder geslaagde (nonsens)gedichten voor kinderen. In “Mauren” (“De mier”) staat het belang van kunnen relativeren centraal:


“Mauren” stond oorspronkelijk in de bundel Den sommeren (1971), die later samen met de bundels Lille Persille (1961) en Så rart (1950) onder de titel Så rart (1989) opnieuw uitgegeven werden. Die laatste werd in 2018 als Zo raar in het Nederlands vertaald door Bette Westera.

Twee andere gedichtjes uit die bundel zijn:

Så rart!


Pinnsvinet



In de Nederlandse versie zijn de oorspronkelijke tekeningen van Paul René Gaugain (een kleinzoon van de bekende Franse schilder) bewaard gebleven.

Det kommer en pike gående (1965), Hva skal du her nede? (1966) en Ut og søke tjeneste (1968) zijn jeugdherinneringen. Een belangrijke rol in het eerste deel speelt de dood van haar vader toen ze nauwelijks vijf was:

Het is laat in de namiddag. Het schemert in de woonkamer. We spelen ergens mee, totaal in beslag genomen door waar we mee bezig zijn, zoals dat bij kinderen altijd het geval is. Oom is teruggekeerd uit Bergen, hij komt nu naar ons toe, tilt eerst mijn broer op, dan mij en zegt rustig: “Ja, nu hebben jullie geen vader meer. Hij is voor altijd weg.” En de ogen van m’n donkerharige, opgewekte tante, die zo vaak lachte, staan vol tranen.

De gevolgen daarvan zijn niet alleen voor Inger, maar ook voor haar moeder en haar jongere broer ingrijpend, ook omdat de rest van de familie (en vooral een sterke “diakonesse” en een paar ooms) zich van hun bemoeizieke kant tonen:

Ja, de ooms hadden het echt voor het zeggen. Het kwam niet bij ze op dat een arme vrouw op eigen benen kon staan, en zeker niet iemand die zo meegaand en zachtmoedig was als moeder. En voor haar waren hun woorden even onweerlegbaar als de stenen tafelen op de Sinaïberg. Protesteren stond gelijk met het overtreden van één van de tien geboden

Het gezinnetje uit Bergen moet een aantal keer verhuizen

alles was zo voorlopig, zo tijdelijk, zo tijdelijk

en komt uiteindelijk in Sunnmøre terecht.

Hagerup vertelt op een charmante, zacht humoristische maar eerlijk-realistische manier over haar kinderlijke naïviteit. Over de dood van haar vader schrijft ze:

Of ik verdrietig was. Eigenlijk niet. Ten eerste werd iedereen zo geweldig lief tegenover me, en ten tweede was vader het grootste deel van de dag hoe dan ook afwezig geweest, zodat “voor altijd weg” weinig betekenis had.

Natuurlijk zijn er wel de typische kinderangsten zoals “mobbing” en de angst die o.a. het godsdienstonderwijs of een bezoek aan de tandarts kunnen veroorzaken:

Alles stond in het teken van de vooruitgang, tandverzorging was een heel nieuw fenomeen. Nooit heb ik, de vooruitgang luguberder ervaren. Een namiddag in een groot, halfduister lokaal, een groep doodsbange eersteklassertjes op houten banken langs de muren. Uit de spreekkamer klonk gehuil en gejammer, dan tuimelt er een schreiend, bloedend slachtoffer uit de martelkamer, en het volgende ogenblik staat er een slager in de deuropening, donkerrood aangelopen en hij brult: “de volgende!”. En daarna? Zwarte angst, alleen maar zwarte angst.

Hva skal du her nede? begint waar Det kommer en pike gående ophoudt. Inger is nu 13 en begint er zich door zelfanalyse van bewust te worden dat ze ook een “duistere” kant heeft. Ze gaat nu naar de “middenskole” en moet daarvoor op kamers:

stel je voor, alleen de grote wereld in, op een studentenkamer wonen, een eigen kamer hebben!

De leraars op school krijgen de nodige aandacht, maar centraal staat ook een tweede directe confrontatie met de dood, wanneer haar beste schoolvriendin Lank een hersenvliesontsteking krijgt:

Weer een paar dagen later. Ik had de hele weg naar school Onze-Lieve-Heer min of meer lopen te bedreigen: “Je kunt Lank niet laten doodgaan. Begrijp je dat, God. Dat kun je je goede naam niet aandoen. We bedoelden het niet slecht toen we “hårre” zeiden, we zullen het nooit meer doen. Wees goed, wees geweldig goed en maak haar weer gezond, allerliefste God! Je hebt er geen idee van hoe lief ik dan zal zijn”. Ik ging ervan uit dat het onmogelijk zou zijn om aan een dergelijke smeekbede te weerstaan, en het leek alsof ik in de milde ochtendlucht een zuchtje wind voelde. Zonder twijfel een teken van God zelf. Hij had mijn haar gestreeld, alles zou goed komen.

(“hårre” was een zelf uitgevonden bastaardvloek, een samentrekking van “hårde død”).

God geeft echter niet thuis:

Begrafenis. Lank lag in haar witte kist, zo bleek, zo stil, mooier dan ze levend ooit geweest was, haar lange, lichte vlechten lagen mooi geordend elk op een kant van haar borst. Handen gevouwen. Een geur van hyacinten en andere bloemen – vermengd met een zwakke geur van iets verschrikkelijks waaraan je niet wou denken.

In Ut og søke tjeneste is Inger 19 geworden, en dan wil je natuurlijk helemaal op je eigen benen staan. En dus trekt ze naar het verre Finnmark waar ze een soort gouvernante wordt voor een ietwat merkwaardige familie. Het is het eerste van een reeks baantjes, waarvan er nog veel zullen volgen wanneer ze zich het erop volgende jaar is Oslo zonder al te veel enthousiasme inschrijft in een handelsschool. Ze wordt verschillende malen verliefd, droomt ervan om actrice te worden, ontdekt de literatuur en bekeert zich tot het linkse gedachtegoed, wat er haar toe aanzet om in haar functie van redactiesecretaresse van een jeugdblad een poging te ondernemen om het aan de socialistische ideologie aan te passen.

En ze begint uiteindelijk gedichten te schrijven en dat gaat met vallen en opstaan:

Ieder gedicht was een meesterwerk – ’s avonds wel te verstaan. Gelukkig was ik vooruitziend genoeg om deze meesterwerken naast de divan te leggen voor ik insliep, en de volgende morgen bleven er bijna altijd alleen maar banale jeremiades over. In de kachel ermee, hoe vlugger hoe beter.

Hagerup beschrijft het allemaal met een behoorlijke dosis zelfrelativering en humor, maar ook nu is de ernst nooit veraf zoals wanneer een van haar beste vriendinnen aan tuberculose overlijdt: we bevinden ons immers in de jaren 20 van de vorige eeuw; Kristiania had nog niet zo lang geleden zijn oorspronkelijke naam Oslo teruggekregen.


Østenfor kjælighet, vestenfor drøm ***½(1977) (een verwijzing naar een bekend Noors sprookje) is Karin Beate Volds selectie uit Inger Hagerups proza, en bevat teksten geschreven tussen 1936 en 1965. De bloemlezing bestaat uit twee delen.

In “12 essays og artikler” bevinden zich een aantal teksten over vrouwelijke dichters zoals Emily Dickinson,

de dichter van de liefde, het verlangen, de angst en de dood,

Edith Södergran

begaafd, hectisch, onzeker, rusteloos hongerend naar contact met gelijkgestemden, maar niet in staat om dat contact tot stand te brengen,

Karin Bøyer,

altijd erg streng voor zichzelf […] de duistere zus van Lucifer, die trotse, ongelukkige opstandige engel met wie ze zich erg verwant voelde, worstelend met het conflict tussen ascese en levensgenot;

Tove Ditlevsen,

in bijna alles wat ze schrijft voelt men een heimwee naar iets ooit meegemaakt, maar vergeten en onbereikbaar  (geschreven in 1948, toen Ditlevsen nog aan het begin van haar literaire carrière stond)

en Gudrun Hofmo

eenzaamheid, nacht, sterren, koude zijn haar sleutelwoorden.

Daarnaast bevat dit deel o.a. ook een historisch interessant stuk over het “ptolemeïsche wereldbeeld”, van de Europeaan als het over politiek, empathie en cultuur gaat. In twee andere stukken heeft Hagerup het over poëzie en de macht van het woord:

Je moet erg aandachtig en geconcentreerd zijn wanneer je je naar een gedicht toe luistert. Je moet onophoudelijk op je hoede zijn voor jezelf, voor de valse profeten… en daarmee bedoel ik deze gevaarlijke, gevaarlijke “mooie” regels en goede invallen die zo snel aan de oppervlakte komen zonder dat ze iets met het eigenlijke gedicht te maken hebben. Het is erg stresserend voor een zelfingenomen dichter – en zelfingenomen zijn we allemaal – om te zien dat misschien net de mooiste regel doorgehaald moet worden omdat die het gedicht vernielt. Soms worstel je zo met een gedicht dat je honger hebt als een wolf wanneer het voltooid is. En ik wil er graag aan toevoegen dat wie denkt dat gedichten schrijven een mooie, rustige en wereldvreemde bezigheid is, beter twee keer nadenkt. (“Om lyrikk”)

Goethe heeft ooit gezegd dat: Alle literatuur is qua ontstaan asociaal en qua effect sociaal. Ik ga ervan uit dat hij daarmee bedoelde dat een auteur altijd moet vertrekken vanuit zijn eigen persoonlijke aannames, vanuit zijn eigen privésituatie. Er bestaat geen andere vorm van artistieke eerlijkheid. Maar aangezien alle mensen toch een aantal wezenstrekken gemeen hebben, zal de privésituatie van de schrijver toch bij anderen weerklank vinden, indien hij zich eerlijk en open blootgeeft. De echte asociale auteur is naar mijn mening het hoogmoedige genie – hij die in zijn verheven minachting voor de mensen, verheven monologen over zijn eigen onbegrijpelijkheid aflevert. (“Forsvar for ordet”)

Deel twee, “Skikker og noveller”, bevat ook twaalf onderdelen. Enkele daarvan zijn cursiefjes met een soort tongue-in-cheek humor. Zo gaat het in “Småbyliv” (“Het leven in een kleine stad”) over een gegradueerde in de theologie die zedenmeester wil spelen maar uiteindelijk voor aap gezet wordt en in “Historien om en hobby” (“Het verhaal van een hobby”) over een boekhouder die van berg beklimmen houdt en daardoor in een min of meer grotesk misverstand in een onafgewerkt gebouw terechtkomt. “Borte” (“Weg”) is een humoristisch portret van een zesjarig jongetje.

Maar andere novellen hebben een ernstigere ondertoon. Drie daarvan gaan over meisjes/vrouwen die “enigszins anders zijn.” In “Renate og livet” (“Renate en het leven” )beseft een gehandicapte jonge vrouw dat haar leven niet zoals dat van de anderen zal zijn. In “Bare en nattkjole” (“Alleen maar een nachtjapon”) staat een minderbegaafd kamermeisje centraal. “Hun steg op de glatte marmortrappen” (“Ze liep de gepolijste marmeren trap op”) gaat over een droom die toch niet in vervulling gaat.

Bepaald sarcastisch is de toon in “Gode naboer” (“Goede buren”) (over een benepen dorpsmentaliteit) en “Kjerring på Kleppe” (“Huisvrouw in Kleppe”) (over gevoelloze “goede” christenen). Stilistisch geslaagd zijn de twee monologen “Skål, Andreas” (“Op je gezondheid, Andreas” en “Dame med slør” (“Dame met sluier”). “Skål, Andreas” is dronkemanspraat met een verrassend einde. In “Dame med slør” krijgt de lezer gaandeweg door wat de relatie tussen spreker en zwijgend luisteraar is. “Natt i april” (“Een nacht in april) ten slotte is een variante op het “what if?”-motief

Een interessant artikel over Hilde Hagerup geschreven naar aanleiding van de honderdste verjaardag van haar geboorte is Kjeld-Willy Hansens ” Hagerup i hundre”, verschenen in Østlands-Posten van 6 mei 2005. 


Duitse bloemlezing:

Inger Hagerup, Ausgewählte Gedichte : norwegisch-deutsch, vertaald door Annette Rodenberg, Berlijn (Elfenbein), 2005   ISBN 978-3-932245-72-5


Inger Hagerup, Zo raar, vertaald door Bette Westera, Haarlem (Uitgeverij J. H. Gottmer), 2018    ISBN 978-90-257-6860-7

Duitse bloemlezing uit de gedichten:

Inger Hagerup, Ausgewählte Gedichte : norwegisch-deutsch, vertaald door Annette Rodenberg, Berlijn (Elfenbein), 2005   ISBN 978-3-932245-72-5

Inger Hagerup, Det kommer en pike gående, Oslo (Aschehoug, 1965

Inger Hagerup, Hva skal du her nede?; Oslo (Aschehoug), 1966  

Inger Hagerup, Ut og søke tjeneste, Oslo (Aschehoug), 1968

(De drie titels zijn verwijzingen naar een kinderliedje uit Bergen)

Inger Hagerup, Østenfor kjærlighet, vestenfor drøm: prosa gjennom 30 år, Oslo (Aschehoug), 1977  

ISBN 82-03-09193-8


Terug naar Auteurs