
Jan Wiese (1928-2014 studeerde economie en was heel zijn leven in het uitgeversbedrijf werkzaam. Van 1973 tot 1988 was hij algemeen directeur van J.W. Cappelens Forlag. Van 1975 tot 1978 was hij ook voorzitter van de Vereniging van Noorse Uitgevers. In 1990 publiceerde Wiese de roman Kvinnen som kledte seg naken for sin elskede, die een bijzonder goede ontvangst kreeg en in meer dan tien talen vertaald werd.
In 1989 stort een splinternieuwe kerk in Perugia in wanneer er daar voor de eerste keer een mis in opgedragen wordt. Van de meer dan zevenhonderd aanwezigen overleeft maar één de ramp.
Wat de catastrofe veroorzaakt heeft is voor iedereen onduidelijk, behalve voor de een 53-jarige (naamloze) bibliothecaris van het Vaticaan die zich gespecialiseerd heeft in oude handschriften. Hij zit een celstraf van acht jaar uit, waarvoor wordt pas veel later duidelijk(?). In zijn uit het geheugen gereconstrueerde “verhaal”, dat hij situeert in de vroege renaissance, spelen twee (ook naamloze) figuren een hoofdrol: : een verhalenverteller met een “verleden” en een schilder die door de ouderen van de stad geëngageerd wordt om een nieuw altaarstuk te schilderen dat de madonna met het kind voorstelt.
Kvinnen som kledte seg naken for sin elskede **** heeft een ingenieuze structuur. De bibliothecaris schrijft dat wat hij vertelt gebaseerd is op een (nu blijkbaar verdwenen) 15de eeuws manuscript uit de bibliotheek van het Vaticaan. In dat manuscript (even goed opletten nu!) is een verhalenverteller aan het woord die, aan de hand van de nagelaten papieren van een spoorloos verdwenen schilder, een opeenvolging van gebeurtenissen vertelt, waarin hij, naast de schilder zelf, een van de hoofdfiguren is en aan de schilder verhalen vertelt met als initiële bedoeling die schilder een beter inzicht te verschaffen in de situatie waarin hij (de schilder dus) zich bevindt:
Toen ik de aantekeningen van de kunstenaar in mijn handen hield, wilde ik dat eerst als een toeval beschouwen. Maar dat is niet zo. Integendeel, ik ben de enige in deze stad die kan zeggen dat ik hem kende. Niet goed genoeg om hem een vriend te noemen, maar ik heb heel wat over hem te horen gekregen uit zijn eigen mond. Dingen die een vriend zelden hoort. […] Hij moet een goed luisteraar geweest zijn. Zijn aantekeningen bevatten weergaven van verhalen die hij mij op het marktplein heeft horen vertellen in de vijf dagen dat hij zijn crisis doormaakte. […] De verhalen zijn zeker niet slecht weergegeven. Het verbaast me met welk een ernst hij naar me heeft geluisterd. Zo ernstig dat hij hier en daar iets verkeerd begrepen moet hebben. Als ik deze verhalen bij mijn relaas over de kunstenaar voeg, moet ik daarom toegeven dat ik hier en daar een formulering heb veranderd. Ook ik heb mijn trots als kunstenaar. (vertaling Paula Stevens)
Het klinkt allemaal héél ingewikkeld, maar laat je daardoor niet afschrikken. Kvinnen som kledte seg naken for sin elskede is een meeslepend verhaal over een schilderij dat voor veel onheil zorgt. Het boek behandelt een aantal universele thema’s, waarvan liefde (in al zijn facetten), hoogmoed, slechtheid en hypocrisie de belangrijkste zijn. Opvallend daarbij is het groot aantal interne en externe verwijzingen. Zo komt het thema “hoogmoed” ook aan bod in het kaderverhaal: het schilderij in kwestie hing in de nieuwe kerk in Perugia, maar de architect wou het niet als altaarstuk, daarvoor had hij zijn eigen ontwerp gecreëerd. “Legende”, een van de verhalen van de verhalenverteller, is dan weer een gecorrumpeerde versie van de blijde boodschap aan Maria uit het Nieuwe Testament. En Wieses roman kan ook als een misdaadroman gelezen worden.
Wat ongetwijfeld bijdraagt tot het intrigerende aspect van de roman is dat Wiese er uitstekend in slaagt om de lezer voortdurend het gevoel te geven dat hij/zij iets over het hoofd ziet, dat niet alles is wat het lijkt. Misschien is ook de bibliothecaris een veel enigmatischere figuur dan hij pretendeert te zijn.
Naar dat intrigerende element verwees ook Andreas Skartveit wanneer hij in zijn nawoord bij de uitgave van Den norske bokklubben (1996) schreef:
Hoe komt het toch dat dit korte boek de lezer in een ijzeren greep weet te houden? […] Daar heb ik veel over nagedacht, en mijn antwoord is deprimerend en duidelijk: ik weet het niet. Had ik het geweten, dan zou ik een verstandigere, en vooral een rijkere man zijn […] Mijn eigen conclusie is dat het niet mogelijk is om goede romans te omschrijven en te zeggen waar ze over gaan. Ik zal het boek dan ook niet samenvatten of becommentariëren.
(Gyldendals website deed wel een poging tot omschrijving:
A bewitching tale of love and lust, faith and superstition, an intricate mystery set against the vivid background of Renaissance Italy.)
Kvinnen som kledte seg naken for sin elskede was een groot commercieel succes en kreeg lovende kritieken, zowel van “gewone” recensenten
Hij […] schrijft adembenemend (Anne Mari Waagaard, Romerikes Blad, 26.10.1990)
als uit het meer “academische” milieu:
een erg goede roman (Hans H. Skei, Veien til bøkene: artiklar om norsk litteratur, 1993)
Wiese zei in Romerikes Blad:
Het voornaamste voor mij was een verhaal zo te vertellen dat het spannend werd.
maar er is al overtuigend aangeduid dat de roman veel meer is dan gewoon een spannend verhaal. Anne G. Sæbø (Kirke og Kultur, 1/92) wees op de parallellen tussen Wieses roman en Umberto Eco’s post-modernistische De naam van de Roos. Ragnhild Engelskjøn (in: Åse Hiorth Lervik (red), Kvinner i verden og tiden (1995)) schreef dat
Deze korte roman beschouwd kan worden als een allegorie over de functies van een literaire tekst. Hij focust op het specifieke en het gecompliceerde dat eigen is aan de kunst van het vertellen. De roman eist van de lezer dat hij de mogelijkheden, maar ook de uitdagingen die in de literatuur besloten liggen, ernstig neemt. Op die manier wordt Wieses roman een metaroman, en het thema is het erkennen van de mogelijkheden die kunst biedt
Volgens haar vertoont de roman duidelijke feministische trekken:
De roman maakt gebruik van bekende literaire motieven zoals het goddelijke, de liefde en de kunst. Hij problematiseert begrippen zoals goed en fout en zeker ook de relatie tussen mannen en vrouwen. Zijn constructie is die van een mozaïek of een labyrint, en hij creëert patronen die voortdurend doorbroken worden om grotere patronen te construeren. Ook al heeft de roman een gecompliceerd en raadselachtig uiterlijk, toch is de traditionele eenvoud van het verhaal de dragende kracht achter de tekst […] De complexe vertelstructuur zorgt voor sterke en effectieve kritiek op de door het patriarchaat bewust begane vergrijpen tegen vrouwen, en hij onthult de ontoereikende geschiktheid van de drie mannelijke vertellers in hun omgang met vrouwen.
In de tekst zijn de vrouwen zwak én sterk, maar ze vertegenwoordigen wat er leeft en worden op die manier de belichaming van waarden terwijl de mannelijke vertellers vaak het slachtoffer worden van hun ontbrekend inzicht in de menselijke complexiteit.
Voor Kvinnen som kledte seg naken for sin elskede kreeg Jan Wiese in 1991 de Nota Bene bokpris. Op de vraag of het succes van zijn eerste roman geen stress zou opleveren bij het schrijven aan een tweede roman antwoordde hij aan Romerikes Blad, 20.09.1991):
Ja, ik ben doodsbang om aan iets nieuws te beginnen. Ik schrijf elke dag, maar het kan lang duren voor ik klaar ben met een nieuw boek.
Dat nieuwe boek is nooit verschenen.

Jan Wiese, De naakte madonna, vertaald door Paula Stevens, Breda (De Geus), 2002
ISBN 90-445-0117-8
Jan Wiese debuteerde in 1979 met het oorspronkelijk als relatiegeschenk geconcipieerde Jeg skal til Katnosa i kveld: drie “fortellinger”, die eigenlijk kaderverhalen zijn. In het langste van de drie, “Budbringeren” (“De boodschapper”) is het kaderverhaal het verslag van een skitocht van de ik-figuur naar Katnosa, waar hij samen met een paar goede vrienden het weekend zal doorbrengen.
Bij zijn eerste poging raakt hij verdwaald en komt hij na vier uur skiën weer bij zijn vertrekpunt uit. Even denkt hij het daarbij te laten, maar besluit dan een tweede poging te wagen, want misschien zijn z’n ongeruste vrienden wel naar hem op zoek.
Denken en skiën gaan goed samen, maar het is moeilijk een gedachte vast te houden. De ene gedachte volgt de andere snel op, zonder dat ze onderling met elkaar verbonden zijn. Het lijkt alsof je aan het skiën bent op een terrein waar skisporen, mijn eigen sporen, elkaar in alle richtingen kruisen.
Wat flitst er allemaal door zijn hoofd? Als elfjarige “imiteerde” hij de tocht die de legendarische Noorse langlaufer Lars Bergendahl in 1939 de overwinning bezorgde op het wereldkampioenschap 50km. Hij nam een soort “wraak” op de leraar lager onderwijs die hem had verteld dat hij bijzonder vals zong. Een kinderverliefdheid waarin hij het op het cruciale moment verstek liet gaan kondigt nu voorn hem zijn latere levenshouding aan:
liever naar iets uitkijken dan het in vervulling zien gaan, aanzet en verlangen zijn meer waard dan een heftige omarming.
Ervaring als telegrambezorger kort na de Tweede Wereldoorlog. Een ontmoeting in Finland die hem jaren later het gevoel geeft dat hij als boodschapper niet deugt:
Ik zat daar en voelde me ellendig, een incompetente boodschapper, die zijn bericht jaren te laat bracht, en die het toch niet kon laten zich te goed te doen aan de inhoud nu het zegel verbroken was.
Voor Bjørn Smith-Simonsen (Markalitteraturen. Fra Asbjørnsen til Grimstad (2012) kan “Budbringeren” gelezen worden
als een parafrase van Asbjørnsens “En sommernatt på Krokskogen“
Ook daar is er inderdaad een ik-verteller die een tocht maakt en worden er verhalen verteld (maar niet door die verteller zelf), maar qua thematiek en toon verschillen de teksten erg duidelijk van elkaar.
“Budbringeren” werd geselecteerd voor de bundel Norske perler i prosa III (1993) een uitgave van De norske Bokklubbene met de beste Noorse novellen van het laatste deel van de 20ste eeuw. De tekst van de novelle vind je hier.
Een woordje uitleg bij de tekst:
► Tsarens Kurér (oorspronkelijke titel: Michel Strogoff) is een Frans-Duitse miniserie uit 1975, die in 1993 op NRK te zien was. Een woordje uitleg bij de tekst:


► Elbert Hubbard (1856-1915) was een Amerikaanse schrijver, uitgever, kunstenaar en filosoof, wiens essay A Message to Garcia (1899) de waarde van het individuele initiatief beklemtoonde.
► een “skogsbilvei” is een “bosweg”
► Stryken is een gehucht op een 40-tal kilometer van Oslo dat als uitgangspunt dient voor tochten in Nordmarka
► “å brøyte” is “sneeuwruimen”
► bij de “diagonaltakt” (Nederlands: “diagonaalpas”) gaat de rechterarm vooruit zodra het linkerbeen vooruit gezet wordt en omgekeerd).
Ook de twee andere verhalen bevatten nogal wat zelfanalyse van de verteller. In “Dobbeltdekkeren og angsten” (met o.a. een parafrase van een novelle van Lagerkvist), staat het laatste woord van de titel centraal:
De angst is geen toevallige gast die een tijdje op bezoek komt en dan weer vertrekt […] Je kunt ermee leven, maar dat moet je leren […] Zo nu en dan komt hij in vol ornaat op bezoek. Dan weet ik al voor ik wakker word, dat het een moeilijke dag wordt. Maar de angst en ik hebben met mekaar afgesproken dat wanneer hij af en toe zo’n dag mag hebben, hij zich alle andere dagen koest zal houden.
In “Tilskueren” (“De toeschouwer”) haalt de ik-figuur herinneringen op aan familieleden en aan het begin van de Tweede Wereldoorlog. Een “toeschouwer” is iemand die maar een deel van de werkelijkheid ziet/wil zien,
een mens die het onrecht analyseert en ertegen protesteert, maar er niets aan doet.
Na het succes van Kvinnen som kledte seg naken for sin elskede werd de bundel heruitgegeven en aangevuld met twee latere teksten. In “Ars longa, vita brevis” is de ik-verteller een buitenstaander. Hij is de kleinzoon van de schilder Lars, van wie (ook onder impuls van zijn schoonvader en zwagers) beweerd werd dat hij gek was. Onzin zegt de verteller, die zijn grootvader overigens nooit gekend heeft:
Lars kon noch wou iemand slaan. Hij was gewoon vriendelijk.
Na Lars’ dood houden zijn schoonvader en zwagers “grote schoonmaak’. Een tragisch verhaal met een centrale rol voor Lars’ echtgenote Hanna en een intrigerende laatste zin.
“Brev til en datter” is een monoloog in briefvorm. Hij is gericht aan een dochter die op de rand van de volwassenheid staat. De schrijver beklemtoont het belang van blijven dromen en aandacht hebben voor wat niet nuttig is:
Er zijn diepten in je gemoed waarin je je hele leven mag verdwalen […] “De goede daden redden de wereld” zei Bjørnson. Ik wil eraan toevoegen: “De nutteloze daden redden de mens.”
een mooi boekje, vijf verhalen over dromen, angst, afrekenen met het gezag en zelfonderzoek (Kristin Moe Krohn, Snø og ski, 1998/3)


Jan Wiese, Jeg skal til Katnosa i kveld, Oslo (Gyldendal) 1998² ISBN 978-82-05-25389-6
Terug naar Home
