
Johan Harstad (1979) is een van de belangrijkste hedendaagse Noorse auteurs. Hij studeerde media en literatuurwetenschap aan de universiteit van Trondheim. In een uitgebreid interview in Trouw (24.12.2020) omschrijft hij zichzelf als iemand die
een buitengewoon gecontroleerd leven [wil] leiden om ongecontroleerd te kunnen zijn in de creatie van kunst.
Een uitgebreid interview met Johan Harstad op het literatuurfestival Passa Porta 2019 is te vinden op YouTube.
Hij debuteerde in 2001 met een verzameling prozateksten, Herfra blir du bare eldre. Veel van zijn literair werk is in het Nederlands vertaald. Harstad is ook actief als grafisch ontwerper.
Ambulanse (2002) werd in 2014 vertaald als Ambulance (2014)
Op de achterzijde van de Noorse uitgave staat o.a. dit fragment:
Er zijn mensen die zichzelf voor de tv in huishoudfolie wikkelen, duikers van de eerste hulp die steeds opnieuw gered moeten worden, er zijn vaders die dan toch niet zullen sterven, passagiers van een bus die synchroon een lied aanheffen, een luchtballon ’s nachts boven de stad, er zijn meisjes die zo mager zijn dat je ze haast niet ziet, airbags die niet werken, Elvisconcerten waarvoor men te laat kwam, mobiele telefoons met een lege batterij. En daarnaast is er een ziekenwagen waar men het liefst niets mee te maken wil hebben.
Wanneer we daar de naam van de novellen waarover het in deze samenvatting gaat, aan de tekst toevoegen geeft dat het volgende resultaat:
Er zijn mensen die zichzelf voor de tv in huishoudfolie wikkelen [112], duikers van de eerste hulp die steeds opnieuw gered moeten worden [Chloor], er zijn vaders die dan toch niet zullen sterven [Overzicht], passagiers van een bus die synchroon een lied aanheffen [Ik ga naar huis], een luchtballon ’s nachts boven de stad [Op weg], er zijn meisjes die zo mager zijn dat je ze haast niet ziet [Airbag], airbags die niet werken [Airbag], Elvisconcerten waarvoor men te laat kwam [Vietnam Donderdag], mobiele telefoons met een lege batterij [nokia. connecting people]. En daarnaast is er een ziekenwagen waar men het liefst niets mee te maken wil hebben [Ambulance]
De elf novellen van de bundel hebben veel met elkaar gemeen. Ze hebben allemaal een anonieme ik-verteller en frequent schijnbaar “toevallige” uitweidingen. Stilistisch zien we vaak een aaneenschakeling van korte zinnen binnen een langere “hoofdzin”. “We blijven rock-‘n-roll spelen, maar we gaan wel dood” begint zo:
Ik ben te vroeg, veel te vroeg, zoals elke ochtend, ik maak graag een rondje voordat ik aan het werk ga, tussen de graven door, in de ochtendnevel, de regen of de nog wat kille winterzon, voordat ik het dienstgebouw binnenloop, en de lijst met begrafenissen bekijk. Meestal is er maar één, maar soms zijn het er twee, drie, in het ergste geval vier, wat sowieso extra werk met zich meebrengt. We hebben maar één graflift voor de kisten en we zitten in de bosjes te wachten tot de nabestaanden het graf hebben verlaten, dan komen we tevoorschijn op het moment dat de laatste broer snikkend wegloopt in zijn zwarte pak dat altijd te klein lijkt te zijn, om zijn schouders spant, we komen tevoorschijn en ik haal de bloemen, de kransen weg, de anderen ruimen de plek eromheen op (vertaling Paula Stevens)
En die laatste zin loopt nog een hele tijd door…
Inhoudelijk verwijzen de novellen vaak naar elkaar. Voorbeelden zijn o.a. de gelijklopende details in “Vietnam. Donderdag”, “Airbag”, “Overzicht” en “Ambulance” of de relatie tussen “112” en “Ambulance”. Ook de ik-figuren zijn aan elkaar verwant: zo zitten er nogal wat diehard-televisiekijkers tussen – en ze blijven zitten voor de “spelletjes” na de reguliere programma’s.
In elk van de novellen duikt er wel een ziekenwagen op als symbool van het leven of van de dood en dat houdt verband met de overheersende thematiek in de bundel. Het hierboven begonnen citaat van de achterzijde van de pocketuitgave gaat immers nog verder:
Maar er zijn daar ook mensen om van te houden, vrienden die wachten. Je reddingsvest aantrekken, blijven drijven, op een dag nemen de zaken een andere wending.
De formulering “volhouden”(“holder ut” in het Noors) komt in de bundel ook effectief een aantal keren voor, in “Ik ga naar huis” bijvoorbeeld:
ik bedacht dat je vol moet houden, het is gewoon een kwestie van volhouden. Je reddingsvest aantrekken, je drijvende houden, bij wijze van spreken. (vertaling Paula Stevens)
Dat idee wordt ook geïllustreerd op de voor- en achterzijde van de Noorse pocketuitgave:


Daarom verwoorden de meeste novellen uiteindelijk toch een soort optimisme, ook al is het motief “eenzaamheid” vaak aanwezig. Enkele voorbeelden:
►uit “112”:
zou jij zo eenzaam kunnen worden, Andreas? Dat je op de grond gaat liggen en jezelf inpakt in plastic? Je hebt nu al zo’n behoefte aan mensen om je heen, de hele tijd. Stel dat je alleen blijft, Andreas? (vertaling Paula Stevens) (Andreas is de nog erg jonge zoon van de verteller; 113 is in Noorwegen het noodnummer van de “Akuttmedisinsk kommunikasjonssentral”: het dient om de ambulancedienst te bellen. In de Nederlandse vertaling is dat “112” geworden).
►uit “Plexi”:
Ik ben op weg naar Tokio. Ik heb daar niks te zoeken. Er is niemand die daar op me wacht. (vertaling Paula Stevens)
► “Ik ga naar huis”:
Als je alle eenzame mensen achter elkaar zou leggen, zou je een paar keer de aarde rond kunnen. (vertaling Paula Stevens)
Maar er is vaak een soort uitweg uit die eenzaamheid. In “Vietnam. Donderdag” behandelt de psychiater iemand 25 jaar post factum voor een blijkbaar onoplosbaar oorlogstrauma. ’s Avonds praat hij zelf met het psychiatrische programma “Eliza” op het internet, ook al is
Eliza’s expertise (…) beperkt en voorspelbaar. (vertaling Paula Stevens)
Uiteindelijk toont hij toch zijn betrokkenheid. (NB! De website Eliza bestaat echt! Harstad geeft in een voetnoot helemaal achteraan het internetadres ervan. Je komt daar op Eliza, maar op Europese servers werkt het programma niet meer. Je kunt er hier nog wel mee “spelen”.

en zo kun je eindeloos rondjes blijven draaien. Een volslagen onnozel concept natuurlijk, maar wel een heel oude voorloper van de huidige AI-chatboxen…
Bijna absurdistisch wordt het in “Nokia. Connecting people” waar de verteller zich onder het puin bevindt van het gebouw dat hij zelf opgeblazen heeft:
Je wilt niet weten waarom (vertaling Paula Stevens)
Aanvankelijk onderneemt hij geen enkele poging om gered te worden. Wanneer dat uiteindelijk bij toeval (de opmerking van het Nederlandse echtpaar die daarbij een rol speelt, is goud waard!) toch gebeurt, loopt hij gewoonweg huiswaarts en neemt daar zijn gewone leven weer op:
Als ik thuiskom, is mijn dochter vertrokken naar haar training. Dus ga ik zitten en wacht op haar, zet de tv die ze heeft laten staan uit, loop naar de keuken, kijk in de kastjes, zoek iets waarop ik een avondmaal kan baseren, en bedenk dat het huis geschilderd moet worden, en de auto gewassen. (vertaling Paula Stevens)
Een paar keer loopt het wel niet zo goed af, zoals in “Plexi”, met een bijbelleverancier die BORED BEYOND BELIEF is en als een soort acte gratuit het vliegtuig naar Tokio neemt, of in “Oversikt”, met een man die alles plant, maar er zijn nu eenmaal dingen die niet te voorzien zijn. Een soort open einde vinden we dan weer in “We blijven rock-‘n-roll spelen, maar we gaan wel dood”, met een kerkhofarbeider die een oude kennis ontmoet en dat dreigt zijn (monotoon) leven te verstoren:
weer trekt ze me naar zich toe, zegt kom nou maar, lacht, en ik verlies bijna mijn evenwicht, val bijna op haar, in de sneeuw. Maar blijf overeind. Tien vingers op de grond. Haarfijn evenwicht. (vertaling Paula Stevens)
Mijn persoonlijke favoriet? “Chloor”, voor sommigen waarschijnlijk te sentimenteel en te happy-enderig, maar een mooi verhaal over adolescentieliefde en zelfoverwinning. En doe er ook maar “Op weg” bij, met een oude man die, terwijl hij in een ballon “ten hemel” stijgt, afscheid neemt van (of op bezoek gaat bij?) zijn overleden vrouw.
Achteraan in de Nederlandse vertaling staat een in 2008 geschreven nawoord dat in mijn Noorse pocketuitgave ontbreekt. Daarin gaat Harstad dieper in op de ontstaansgeschiedenis van het boek en op de centrale thematiek ervan:
toen ik begon te schrijven, met geen ander plan, geen ander doel dan iets te schrijven over mensen die zichzelf en elkaar wilden helpen […] Ik heb het snel geschreven, in een paniekerige gemoedstoestand, bang dat ik dat sterke positieve gevoel, dat gevoel dat alles uiteindelijk goed zal komen als we maar volhouden, zou kwijtraken.
Het relevante, begeesterende, hartverscheurende en ontroerende, de verwijzingen naar de popcultuur, de soms surrealistische wendingen, de verwevenheid met grote maatschappelijke verhalen, het vermogen om lezers een verhaal binnen te trekken en niet meer los te laten: alle kiemen van Harstads schrijverschap zijn hier al, vaak opvallend matuur, aanwezig.
schreef Alexander van Caenegehem (Standaard der Letteren, 16.05.2014). Hij vond Harstad en Knausgård de grootste talenten in de hedendaagse Scandinavische literatuur.
Voor Ambulanse ontving Johan Harstad in 2003 het Bjørnssonstipend.

Johan Harstad, Ambulance, vertaald door Paula Stevens, Amsterdam (Podium), 2014 ISBN 978-90-5759-605-6
Harstads eerste roman, Buzz Aldrin, hvor ble det av deg i alt mylderet **** (2005) betekende meteen ook zijn grote doorbraak. Het boek werd in 2006 vertaald als Buzz Aldrin, waar ben je gebleven?
Buzz Aldrin, hvor ble det av deg i alt mylderet (2005), zei Johan Harstad in een interview (“Bokvennen” 2011/1),
is een bewuste verkenning van de monotonie
Dat kan wel zijn, maar het is in de eerste plaats toch een portret van Mattias, een nog jonge man die, waarschijnlijk in tegenstelling met de meerderheid van de mensen, helemaal niet beroemd wil zijn. Hij verkiest integendeel een zo onopvallend mogelijk leven en wil zo weinig mogelijk sporen achterlaten:
in de lente van 1979 besloot ik in al die drukte in de wereld te verdwijnen, nummer twee te worden, iemand die nuttig wilde zijn in plaats van op te vallen, die deed wat hem gevraagd werd. (vertaling Paula Stevens)Als ik één enkele wens had mogen doen, zou ik gewenst hebben dat er niets veranderde. Dat alles eeuwig vastlag. Ik wil voorspelbare dagen. (vertaling Paula Stevens)
Dat verklaart ook zijn fascinatie voor Buzz Aldrin, de tweede man op de maan (Mattias is zelf geboren op de dag dat Armstrong en Aldrin als eersten voet op de maan zetten) en ook de tweede man die ooit een ruimtewandeling maakte. Armstrong herinnert iedereen zich ergens nog wel, maar Buzz Aldrin is allang uit het collectieve geheugen verdwenen.
Op 29-jarige leeftijd belandt Mattias in een diepe emotionele crisis: Helle, het meisje met wie hij al heel lang samen is, laat hem in de steek, en het tuincentrum waar hij werkt gaat failliet. Nadat hij zich op een ferry naar de Færøer laveloos gedronken heeft komt hij als het ware toevallig terecht in het opvangcentrum van psychiater Havstein Garðalið in het kleine plaatsje Gjógv:
Het gaat om een tehuis voor mensen die hier of in Denemarken niet langer in een gesloten inrichting hoeven te zitten, maar die er voor hun gevoel nog niet helemaal aan toe zijn om op zichzelf te wonen. Om verschillende redenen. Laten we het gewoon zo zeggen, als je te lang in een inrichting hebt gewoond, jarenlang, dan raak je daar te zeer aan gewend. Dan kan het prettig zijn om op een plek te wonen die erop lijkt. Of laten we het zo zeggen: iedereen heeft graag iemand die op hem past. Dus dat doe ik. Ik pas op hen. Zorg ervoor dat het goed met hen gaat. (vertaling Paula Stevens)
De andere “ingezetenen” zijn Anna, Palli, Ennen (Mattias ontdekt achteraf dat ze eigenlijk Sofia heet) en later ook Carl, een fotograaf die in Bosnië traumatische ervaringen opgelopen heeft.
Het is de monotonie van het leven in Gjógv waarnaar Harstad in het interview verwijst: op de Færøer valt er nu eenmaal weinig te “beleven”. Toch wordt de monotonie nu en dan onderbroken door wat Mattias “Kodakmomenter” noemt.
Buzz Aldrin, hvor ble det av deg i alt mylderet telt meer dan 600 bladzijden, maar dit verhaal over vriendschap, liefde, dood, hoop en occasioneel conflict binnen een kleine gemeenschap verveelt geen moment. Je zou het een “includerende” roman kunnen noemen: Mattias is de hele tijd aan het woord en betrekt de lezer bij wat er gebeurt. Een belangrijke rol hierbij speelt de door Harstad aan Mattias toegemeten vertelstijl: vaak erg lange zinnen, een woordenstroom die onthullend werkt maar terzelfder tijd ruimte laat voor interpretatie.
Is Buzz Aldrin, hvor ble det av deg i alt mylderet een optimistische roman? Het einde, met het verslag van een reis die oorspronkelijk alleen maar in de verbeelding van psychiater Havstein bestond, lijkt dat te suggereren. En ook daarvoor heeft Mattias al een moment gekend waarop hij zich realiseerde dat er
voor de eerste keer in mijn leven (…) iemand is die me echt nodig heeft (vertaling Paula Stevens)
Over dat einde gesproken: in het al vermelde interview geeft Harstad aan dat zijn roman
achteraf bekeken ongeveer vijftig bladzijden te lang is. Of: hij is net te lang genoeg. Maar in vele van de buitenlandse uitgaven heb ik ongeveer vijftig bladzijden weggeknipt, en het ziet er niet naar uit dat de roman daar schade door geleden heeft.
In de Nederlandse vertaling ontbreken ongeveer de laatste 25 bladzijden en die versie heeft daardoor een “opener” einde. Ook Sarah Salmer gaf in haar recensie (Aftenposten, 27.05.2005) aan dat ze het laatste deel,
waar Mattias zich plots in het jaar 2019 bevindt, […] overbodig
vond.

Johan Harstad, Buzz Aldrin, waar ben je gebleven?, vertaald door Paula Stevens, Amsterdam (Podium), 2006 ISBN 978-90-5759-249-2
Wie Hässelby **** (2007) in het Noors leest mist waarschijnlijk iets. Dat is minder het geval voor wie zich met de Nederlandse vertaling uit 2009 tevreden stelt: daar heeft Johan Harstad voor een nawoord gezorgd. Voor de naam van zijn hoofdfiguur, Albert Åberg, heeft de auteur zich laten inspireren door Alfons Åberg,

de held van een reeks populaire kinderboeken van de Zweedse schrijfster Gunilla Bergstrøm. Een paar ervan werden ook in het Nederlands vertaald: het figuurtje in kwestie heet daar Alfons Alfrink.
Toen Gunilla Bergström vroeg in de jaren 70 haar eerste kinderboek over Albert Åberg publiceerde, wist ze niet dat hij voor alle Zweedse en Noorse kinderen decennialang een bekende en geliefde figuur zou worden. Wat ze ook niet wist, is dat Albert het hoofdpersonage zou worden in een Noorse roman uit 2007. Het is Johan Harstad die Albert ontvoerd heeft, hem een aantal jaren ouder heeft laten worden, en hem in Hässelby, een voorstad van Stockholm, neergepoot heeft.
schreef Anne Cathrine Straume (Kulturnytt, NRK P2, 15.10.2007) in haar bespreking van de roman. Ook een paar andere figuren uit Hässelby (Milla, naar wie verwezen wordt, en Viktor, die effectief optreedt) verwijzen naar de kinderboekenreeks.
Op Straumes vraag
En Albert Åberg op 40-jarige leeftijd, wat voor iemand is hij? Heeft hij hetzelfde ronde, zo goed als kale hoofd en dezelfde slimme glimlach als toen hij als vijfjarige zijn papa voor de zoveelste keer overrompelde?
is het antwoord wel duidelijk: nee.
Het is niet zo eenvoudig om te zeggen tot welk romantype Hässelby behoort. Harstad mengt heel wat genres door elkaar. De roman heeft iets van een familieroman, maar dan wel één over een heel beperkte familie. De verhouding tussen Albert en zijn vader Bertil speelt een belangrijke rol in de roman en ze is heel anders dan in de kinderboeken.
Alberts moeder verliet haar echtgenoot een paar dagen na de geboorte van haar zoon en is sindsdien nooit meer opgedoken. De voortdurende zorgzame aanwezigheid van zijn niet-ambitieuze vader wordt door Albert vanaf zijn adolescentie als verstikkend ervaren. Hij ziet zijn vader als
een depressieve zoutpilaar die alleen maar medelijden met zichzelf had omdat hij iets was kwijtgeraakt waarvan hij in eerste instantie niet eens wist dat hij het had gehad. (vertaling Paula Stevens)
In 1985 trekt Albert er effectief op uit. Met Interrail gaat het richting Duitsland. Uiteindelijk belandt hij in (het toen nog Britse) Hong Kong als tolk voor een Duitser met een waanzinnig businessplan. Later beleeft hij nog een romance in Parijs. Uiteindelijk krijgt Albert echter wroeging omdat hij zijn vader alleen heeft gelaten. Hij keert terug naar het troosteloze Häselby, ook al beseft hij maar al te goed dat de vooruitzichten daar niet bepaald denderend zijn:
Het was hoog tijd dat hij over de schok heen kwam en een eigen leven ging leiden, maar dat was al een hele poos geleden in de pauzestand blijven steken, dat leven, en ik wist dat dat ook met mijn leven zou gebeuren zodra ik terugging. (vertaling Paula Stevens)
De volgende twintig jaar zal hij doorbrengen als bediende in de lokale winkel van een elektronicaketen.
Hässelby heeft daarmee ook wat van een psychologische roman. Na de dood (zelfmoord?) van zijn vader (waarbij eerst een gevoel van opluchting primeerde) krijgt hij psychotische neigingen:
Het was alsof werkelijkheid en fantasie een verbond waren aangegaan zonder mij daarvan op de hoogte te stellen. (vertaling Paula Stevens)
Met de existentialistische roman heeft Hässelby dan weer gemeen dat (een gevoel van) menselijk onvermogen na verloop van tijd een steeds belangrijkere rol begint te spelen. Verder is de roman ook een tijdsdocument dat de jaren 80 van de vorige eeuw beschrijft,
het decennium dat men zich later zou herinneren als de tijd waarin het bijna niemand een donder kon schelen en iedereen er het beste van hoopte, maar het ergste vreesde. (vertaling Paula Stevens)
Voeg daarbij nog een snuif absurdisme zoals het gegoochel met Koestlers theorie over niet-causale maar niet-toevallige en terugkerende verbanden:
Toeval bestond niet. Er bestonden verbanden, patronen waar je onmogelijk wijs uit kon worden. (vertaling Paula Stevens)
Ook het sciencefictionachtige einde (met een wel erg letterlijke demontering) past in dit kader.
Harstad bevestigt met Hässelby wat hij al in Buzz Aldrin getoond had: hij is een verteller die, gebruik makend van een bedrieglijk eenvoudige stijl, zijn lezer voortdurend weet te boeien – de gelaagdheid van de roman speelt hierbij natuurlijk ook een belangrijke rol.
Over het einde van Hässelby kun je van mening verschillen, maar dat het boek Johan Harstads plaats als een van de interessantste jonge auteurs (Marie G. Aubert, Aftenposten, 11.10.2007) bevestigt, staat buiten kijf.
Voor Hässelby kreeg Johan Harstad de Ungdommens kritikerpris 2007-2008. In de motivering van de jury stond o.a.:
We worden onverhoeds en zonder omhaal in het verhaal gegooid. Van begin tot einde gaat het maar door, en volgen we de hoofdpersoon in voorspoed en tegenslag op zijn reis door het leven. Het boek is boeiend en zit vol gekke ideeën. Liefde, verdriet en onzekerheid lopen als een rode draad door het hele boek. Het boek is leuk en tegelijkertijd triest. Het is onvoorspelbaar en zit vol mysterie.
Cathrine Krøger (Dagbladet, 29.09.2007) zag het erg somber in: voor haar was Hässelby apocalyptisch, een
pikdonkere verhaal over het einde der tijden […] waarin de vader-zoon relatie zich ontwikkelt tot een angstaanjagende versie van ouderliefde
Ze liet zich erg lovend uit over Harstads stilistische kwaliteiten: beelden en overwegingen worden geformuleerd
in een poëtische taal die tegelijkertijd treurig en monter is.
Met “Hässelby” verdedigt Harstad zijn status als een van de belangrijkste auteurs die na 2000 debuteerden. Hij jongleert spelenderwijs met een groot aantal culturele en historische verwijzingen, wisselt probleemloos tussen humoristische ironie en hartslagversnellende ernst, en bedient zich van gewaagde verteltechnische ingrepen zonder de lezer onderweg te vervelen of kwijt te spelen. (
schreef Gerd Elin Stava Sandve (Dagsavisen, 28.11.2007).

Johan Harstad, Hässelby Het demonteren is begonnen, vertaald door Paula Stevens, Amsterdam (Podium), 2009 ISBN 978-90-5759-348-1
Heeft Johan Harstad iets met de maan? In Buzz Aldrin, hvor ble det av deg i alt mylderet? werd er al in de titel naar onze bijplaneet verwezen en was hij in de roman zelf op de achtergrond aanwezig, in Darlah – 172 timer på månen **** (2008) spelen de maan en wat er daar te vinden is een nog veel belangrijkere rol. Zelf relativeerde hij in een interview met de webkrant abcnyheter.no (19.07.2009) in elk geval die veronderstelling:
Het was eerder toevallig dat het twee boeken over de maan werden, en dat heeft ertoe geleid dat de mensen denken dat ik meer in de maan geïnteresseerd ben dan eigenlijk het geval is.
Het boek werd in 2011 als Darlah – 172 uur op de maan in het Nederlands vertaald.
Nasa wil het maanlandingsproject Apollo nieuw leven inblazen, maar heeft daarvoor onvoldoende financiële middelen. Om sponsors aan te trekken wordt er daarom een loterij georganiseerd: drie jongeren die tussen 14 en 18 jaar oud zijn, zullen de astronauten mogen vergezellen naar Darlah 2, een maanbasis die in de jaren 70 gebouwd werd.
Het initiatief is een groot succes: een enorm aantal jongeren stelt zich kandidaat. De drie uitgelote gelukkigen zijn de vijftienjarige Midori Yoshida uit Yokohama in Japan, de zestienjarige Mia Nomeland uit Stavanger in Noorwegen en de zeventienjarige Antoine Devereux uit Parijs in Frankrijk.
De lezer volgt hun wel en wee vanaf geruime tijd voor de lancering. In dit deel van Darlah komt het duidelijkst naar voren dat het boek als adolescentenroman geconcipieerd werd: ouders zeuren (Mia), jongeren willen zich niet in het traditionele sociale patroon laten dwingen (Midoni) en worstelen met relationele problemen (Antoine).
Maar ook in dit deel zijn er al onheilspellende elementen aanwezig, vooral in de pregnante scènes met Oleg Himmelfarb, een demente man die vroeger conciërge was op de militaire basis Area 51. Wanneer hij in het rusthuis in Florida waar hij nu verblijft, op tv beelden van de vroegere Apollolanceringen ziet, maakt een onverklaarbare paniek zich van hem meester:
Zijn hele lichaam verstijfde.
Hij kreeg geen adem meer.
[…]
In een oogwenk veranderde zijn gezicht, de lege, onverschillige uitdrukking maakte plaats voor een verpletterende, naakte angst.
Hij schreeuwde’.
En zijn schreeuw was tot op straat te horen.
Het was het geluid van iemand die zojuist begrepen had dat alle hoop verloren was. ( vertaling Paula Stevens)
Niet onterecht, zo blijkt, want vanaf de landing op de maan en het in gebruik nemen van de basis, loopt er van alles mis met de expeditie en wordt Darlah een spannend maar benauwend (“skummel” is het Noorse adjectief dat het best de atmosfeer weergeeft) verhaal met een apocalyptisch aandoend slot waarin alle oppositie uiteindelijk futiel lijkt te zijn.
Dat Harstad een voorkeur voor “sampling” heeft was al in zijn vorige romans duidelijk en in Darlah doet hij dat met veel bravoure nog een keer over. Het verhaal bulkt van de verwijzingen naar sciencefictionfilms en dito romans, naar bijgeloof en urban legends en naar historische feiten. Achteraan in het boek bevindt zich (in heel kleine lettertjes) een “infonomimportanta” waar een groot aantal inspiratiebronnen genoemd worden. In het hierboven al vermelde interview vermeldde hij nog eens expliciet de drie films die belangrijke inspiratiebronnen waren: “Alien”, “Solaris” (Andrei Tarkovskijs film, niet de afschuwelijke remake van George Clooney) en “2001: A Space Odyssey”.
De jury die Harstad in 2008 de Brageprijs voor “Barne- og ungdomslitteratur” toekende formuleerde het zo::
Dit is een boek dat de lezer vanaf het eerste ogenblik beetgrijpt en hem het hele verhaal lang in zijn greep houdt. In het gezelschap van een gevarieerde personengalerij en maken we een spannende en heel speciale reis. Door het extensieve gebruik van elementen uit zowel de historische als de hedendaagse populaire cultuur gaat er iets fascinerend uit van het verhaal. Met een groot aantal verwijzingen naar film, muziek en literatuur valt er hier voor een breed spectrum van lezers veel te halen. Bovendien zijn de personages geloofwaardig, goed beschreven en “rond”.
Hier vinden we hoge literaire kwaliteit gecombineerd met een knap opgebouwde plot. Dit is spannende lectuur die maar moeilijk weg te leggen is.
Ook Alexander Van Caeneghem liet zich in De Standaard (05.08.2011) erg lovend uit over Darlah:
In Noorwegen werd Darlah oorspronkelijk als ‘adolescentenroman’ in de markt gezet, maar laat u niets wijsmaken: de nieuwe meesterproef van wellicht het allergrootste talent in de Scandinavische literatuur is een boek voor iedereen. Darlah is verslavend, beklemmend, ontroerend, intelligent en gewoon verschrikkelijk goed geschreven.

Johan Harstad, Darlah – 172 uur op de maan, vertaald door Paula Stevens, Amsterdam (Podium), 2011 ISBN 978-90-5759 436-6
Na Darlah verscheen er geruime tijd geen nieuwe roman van Johan Harstad. Stilzitten deed hij in elk geval niet: hij was actief in het theater en werkte aan een nieuwe, in 2015 in Noorwegen verschenen roman: Max, Mischa & Tetoffensiven ***** . “De dikke van Harstad” zet Katja de Bruin als kop boven haar recensie in de vpro-gids van mei 2017. Het is dan ook “en murstein av en bok” (“een pil van een boek”): in de Noorse pocketuitgave 1083 bladzijden met weinig dialoog, maar wel veel ellenlange zinnen – zonder dat die de leesbaarheid noemenswaardig schaden.
De centrale figuur van de roman is de Max uit de titel. Max Hansen emigreerde op 13-jarige leeftijd en tegen zijn zin met de rest van het gezin van Stavanger naar Garden City in de staat New York. Hij is nu 35, een succesvol theaterregisseur op tournee door de V.S. met het merkwaardige stuk “Better Worlds Through Weyland-Yutani”. De moeilijke relatie tussen kapitalisme en socialisme speelt een belangrijke rol in veel van zijn producties en daar is zijn familiale achtergrond niet vreemd aan.
Max lijdt aan mentale moeheid:
Ik denk vaak dat ik een kind was van de laatste generatie die meende dat ze een verschil kon maken; ik hoor bij de eerste generatie die begreep dat dat helemaal niet het geval was (vertaling Edith Koenders en Paula Stevens)
en worstelt met het besef dat het leven hoe dan ook een opeenvolging van gemiste kansen is:
Er zijn momenten in je leven die ’s nachts knipperen als rode lampen op hoge gebouwen in de aanvliegroutes van vliegtuigen, korte momenten waarin je alles had kunnen veranderen. Maar we houden onszelf voor dat het te laat is, te onwaarschijnlijk, te lang geleden, te riskant, een verloren zaak. (vertaling Edith Koenders en Paula Stevens)
Hij speelt met het idee dat “Better Worlds Through Weyland-Yutani” wel eens zijn laatste productie zou kunnen zijn, blikt terug op zijn leven en komt met een waarschuwing:
Het geheugen is een archief met onbetrouwbare medewerkers (vertaling Edith Koenders en Paula Stevens)
Max’ terugblik begint kort voor de emigratie naar de V.S. en zijn relaas eindigt een paar dagen na de verwoestende ravage die de orkaan Sandy in 2012 in New York City aanricht.
Een erg belangrijke rol in zijn leven was/is weggelegd voor de Mischa uit de titel: met Mischa Grey, een Canadese schilderes die een paar jaar ouder is dan hij, heeft hij lange tijd een relatie gehad. Andere belangrijke figuren zijn Mordecai Weintraub, zijn eerste vriend op Amerikaanse bodem, die acteur wordt, hun beider high school drama teacher Wohlman, en Max’ “vergeten” oom Ove Hansen.
Die trok nog vóór Max naar de V.S. en wou carrière maken in de jazzwereld, had decennialang nauwelijks contact met de rest van de familie, kon zijn droom maar in heel beperkte mate waarmaken, maar maakte wel het einde van de oorlog in Vietnam (het derde deel van de titel verwijst naar die oorlog) van dichtbij mee: de reden voor zijn aanwezigheid daar is even bizar als logisch.
Max vertelt zijn “verhaal” niet chronologisch, maar wisselt hoofdstukken over zijn eigen leven af met het (evenmin tijdrekenkundig geordende) relaas over Ove Hansen. Uiteindelijk kruisen hun beider levenslopen elkaar uiteindelijk kruisen. Op dat ogenblik heeft die laatste zijn naam al in Owen Larsen laten veranderen.
Max, Mischa & Tetoffensiven is echter veel meer dan een fictieve autobiografie. Het is een roman die, zoals Marta Norheim (nrk.no, 10.11.2015) het formuleert
alles probeert te omvatten
Het aantal aan de realiteit gelinkte onderwerpen dat aan bod komt is bijzonder groot. Dat het vaak over film (Coppola’s “Apocalypse Now” is bijna een leitmotiv), toneel, muziek (jazz) en schilderkunst gaat, zal wel niet verbazen, maar daarnaast komen onder andere ook over (en ik citeer hier vlotjes de achterzijde van de Noorse pocketuitgave:
verbondenheid en emigratie, over heimwee, de oostkust van de V.S. tegenover de westkust, zon en orkanen, sneeuwballen en bladzuigers en opgroeien in voorsteden met golfbanen aan alle kanten, over zij die naar de oorlog trokken en zij die ertegen betoogden; over pictorale kunst, uitputtende theaterproducties en generische archiefmuziek, over Noorwegen en Amerika, wasmachines en helikopters en een felbegeerd exemplaar van Coppola’s Apocalypse Now-film en ga zo maar door)
aan bod. Met “generische archiefmuziek” wordt muziek bedoeld die gecomponeerd is om in licentie te geven aan klanten die ze dan kunnen gebruiken in films, televisie, radio en andere media. Het is een goedkoper alternatief voor speciaal voor een bepaald werk gecomponeerde muziek. De naam van de componist wordt vaak niet vermeld. Het is met het componeren van dit soort muziek dat Owen Larsen uiteindelijk aan de kost komt.
Gerd Elin Stava Sandve (Dagsavisen, 11. 11. 2015) formuleerde het zo:
Noem een onderwerp en “Max, Mischa & Tetoffensiven” heeft er heel zeker iets over te vertellen. Uitvoerig en duidelijk, of in het voorbijgaan, gelinkt aan andere onderwerpen, andere overwegingen, onderweg naar andere verhalen, andere personages, andere tijden
Die “uitweidingen” zijn op de een of andere manier altijd met een of ander fictief element van de roman verbonden en er dus perfect in geïntegreerd. Een voorbeeld: Mischa Grey lijkt volgens Max Hansen wat op de actrice Shelley Duvall en dus duikt die verschillende keren in de roman op, bijvoorbeeld met haar rol in Kubricks “The Shining”, maar ook met haar vertolkingen in een aantal films van Robert Altman. De link tussen fictie en fact wordt nog versterkt door het portret van


Duvall op de voorpagina, een portret dat op de binnenkaft van het boek toegeschreven wordt aan Misha Grey en Wade Guyton. Guyton (geboren in 1972) bestaat echt: hij is een post-conceptuele Amerikaanse kunstenaar die digitale schilderijen maakt met behulp van scanners en digitale inkjettechnologie.
Via LACKTR, dat Harstad ooit beschreef als
een erg bureaucratisch project/werkplaats/naaiclub/organisatie, die op een veelomvattende, maar onoverzichtelijke manier verbonden is met de auteur Johan Harstad
heeft hij ook nog een fictieve catalogus gepubliceerd van een (eveneens fictieve) retrospectieve van Mischa Grey in het Whitney Museum of American Art in New York, een museum dat dan weer wel degelijk bestaat:



VAN ZWART NAAR GRIJS
Door Jeffrey Wilkins
De overzichtstentoonstelling van het Whitney Museum van het werk van de Canadese beeldend kunstenaar Mischa Grey in de periode 1992-2012, gaat voornamelijk over haar periode in New York, maar behandelt ook de realisaties van de afgelopen twee jaar, nadat ze opnieuw naar Canada is verhuisd en zich in Montreal, Quebec heeft gevestigd. In die twintig jaar groeide Grey van een interessante naam in de undergroundkunstscène van New York City uit tot een kunstenaar van topniveau, met aanzienlijk internationaal succes en dito erkenning. De voormalige polsstokhoogspringster trad daarmee in de sporen van haar voorbeeld, Serhij Bubka, en legde de lat steeds hoger; het is onmogelijk te zeggen hoe hoog ze zal eindigen.
De kunstcarrière van Mischa Grey verschilt van die van vele generatiegenoten door zijn uitzonderlijke gevarieerdheid in termen van uitdrukkingsvormen, bijna vluchtig, soms grenzend aan inconsistentie. Van het ene jaar op het andere kan ze haar stijl volledig veranderen en al haar bruggen achter zich verbranden, gewoon om dichter bij de methode te komen die ze heeft – de satire op pseudo-intellectueel gewauwel is duidelijk merkbaar.
De catalogus van het Whitney Museum of American Art was vroeger hier te vinden, maar is nu helaas verdwenen…
Zelf zei Harstad in een kort interview voor het Deense Politikens Forlag (06.12.2018) o.a het volgende over de roman:
Max brengt de 25 jaar die hij in de VS door met het vergeten van zijn droom om naar Noorwegen terug te keren en met het zoeken naar een plaats die hij zijn (nieuwe) thuis kan noemen. Dat is het centrale idee in deze roman: de vraag hoe lang je weg kunt blijven voor het te laat is om terug te keren, en wat “thuis” eigenlijk betekent […] Max’ oom is, wanneer hij terugkeert uit Vietnam, dubbel ontheemd: hij is niet langer een Noor en hij keert terug naar de Verenigde Staten, een land dat na de oorlog aan het desintegreren is. Dat is het tweede thema van de roman: de ontheemding die alle personages in meer of mindere mate ervaren, een grote eenzaamheid. En het laatste deel van de titel alludeert daarop. Het gaat over Max, over Mischa en over het Tet-offensief. Dat staat voor Vietnam, maar ook voor de poging van de Vietccong en Noord-Vietnam om op verschillende plaatsen tegelijkertijd toe te slaan om de Amerikanen het land uit te jagen. In de roman wordt het Tet-offensief gebruikt als een constructie in Max’ verhaal waarin hij vertelt over alle verschillende plaatsen omdat hij hoopt op die manier zijn leven, zijn vrienden en zijn bestaan samen te houden, voor alles uit elkaar valt en verdwijnt.
Max, Mischa & Tetoffensiven moet zowat de langste Noorse roman tot hiertoe van de 21ste eeuw zijn, maar op enkele fragmenten na (Max’ inleiding over de toneelstukken die hij geregisseerd heeft is aan de lange kant, de citaten uit de catalogi munten uit in gewild geleerde betogen) blijft Harstads roman, tot op de laatste bladzijden (mooi open einde overigens) ongemeen boeiend, iets waar ook de vaak elegante formuleringen zoals
je blijft altijd van elkaar houden, je kunt elkaar alleen niet langer verdragen. (vertaling Edith Koenders en Paula Stevens)
niet vreemd aan zijn.
Als slot nog vier citaten uit recensies:
►Max, Mischa en het Tet-offensief is meer dan ‘alleen maar’ een lijvige roman. Harstad kiest de verhalen van Max, Mischa en Ove en creëert met die verhalen een prachtig nieuw verhaal dat op alle fronten aandoet als de realiteit en rijk is aan symboliek, bijzondere thematiek en prachtige vormen van beeldspraak. Hij combineert geschiedenis met actualiteit en stelt belangrijke (ethische) vraagstukken centraal. (Marloes Otten, tzum.info, 15.06.2017)
►Door zijn magnetiserende schrijfstijl, zijn absurde humor, zijn maatschappelijke betrokkenheid, de vele verwijzingen en de gulle vormexperimenten is […] Harstad een van de interessantste schrijvers van deze tijd. (Alexander Van Caeneghem, De Standaard der Letteren, 22.12.2017).
►’Less is more,’ hoor je mensen wel eens zeggen, maar dat zullen dan geen lezers van Johan Harstad zijn. Die hebben immers te veel heerlijk overdadig leeswerk om u met zulke platitudes te vervelen. (Humo, 12.12.2017)
►De knuistdikke roman Max, Mischa & het Tet-offensief […] is nog indrukwekkender [dan Buzz Aldrin, waar ben je gebleven?] […] Het is natuurlijk de stijl waarmee alles begint. De zinnen van Harstad doen denken aan Virginia Woolf, en daardoor aan Michael Cunningham: het zijn meanders, het is stream of consciousness en dan ook nog in een briljante structuur. […]De hoofdpersonen komen erachter dat je iemand nodig hebt om het leven te vervolmaken. Banaal? Ja. Zoals het leven banaal is. Maar het levert 1.230 geweldige pagina’s op die in je leven hakken. (Fleur Speet, athenaeum.nl, 12.07.2017)
Voor Max, Mischa & Tetoffensiven ontvingen Johan Harstad en zijn Nederlandse vertalers Edith Koenders en Paula Stevens in 2018 samen de Europese Literatuurprijs, die de beste Europese roman bekroont die het jaar ervoor in Nederlandse vertaling verschenen is. De prijs is een initiatief van het weekblad De Groene Amsterdammer, en bedraagt 10.000 euro voor de auteur, en 5.000 euro voor de vertaler(s). Zelf zei Harstad over de Nederlandse vertaling op de website van het tijdschrift Filter:
Ik wil uit de grond van mijn hart mijn medewinnaars bedanken, mijn fantastische vertalers Paula Stevens en Edith Koenders. Paula en ik werken al meer dan tien jaar samen en sinds ze Edith heeft laten aanmonsteren is de grandioze vertaling nog grandiozer geworden. De vele uren, de inspanning en de aandacht voor detail die zij tweeën bereid waren hierin te investeren zijn werkelijk verbluffend. Jullie tweeën hebben dit boek beter gelezen dan ieder ander die ik ken, en doorgedacht en gediscussieerd over elk van de 390.000 woorden van het origineel, lijkt het wel, en zijn zo uitgekomen bij precies het goede Nederlandse equivalent.

Johan Harstad, Max, Mischa en het Tet-offensief, vertaald door Edith Koenders en Paula Stevens, Amsterdam (Podium),2017 ISBN 978-90-5759-849-4
Na het monumentale Max, Mischa & Tetoffensiven kwam Johan Harstad met een relatief “dun” boek: : Ferskenen *** (2017). De Nederlandse vertaling ervan kwam snel op de markt; uitgeverij Podium was alle andere niet-Noorse uitgevers te snel af.
Forskeren is een verzameling van 15 korte tot bijzonder korte detectiveverhalen waarin privédetective Ferskenen (hij heeft wel een speciale relatie met de politie) erg snel en op zijn eentje misdaden oplost – soms gewoon na een telefoontje.
“Ferskenen”(letterlijk: “de perzik”) is op het eerste gezicht een merkwaardige titel en dito naam. Hij verwijst naar de modus operandi van de privédetective: hij betrapt (soms na een telefonische tip van ene mysterieuze Bernt) de misdadiger tijdens of vrijwel onmiddellijk na het plegen van de misdaad. “Iemand op heterdaad betrappen” is in het Noors “å ta noen på fersken”, vandaar ook de titel van de Nederlandse vertaling “Heterdaad”. .
Over de kwaliteit van de verhalen kunnen we kort zijn: het zijn allemaal flutverhaaltjes. Harstad zelf heeft in een interview niet de minste moeite gedaan om dat te ontkennen, wel integendeel:
Ik schreef zo slecht ik maar kon (Sunnmørsposten, 25.01.2018)
Dat verdient de nodige uitleg. De “auteur” van de “verhalen” is de (fictieve) schrijver Frode Brandeggen, die in 2014 “overleed”. Hij publiceerde in de jaren 90 van de vorige eeuw een roman, Konglomatorisk pust, die Joyces Finnigans Wake in het niets deed verzinken. Er werden dan ook nauwelijks exemplaren van verkocht, niemand schreef er een recensie over en uitgeverij Gyldendal vernietigde uiteindelijk al de exemplaren die ze niet aan de straatstenen kwijt kon.
Ontgoocheld besloot Frode Brandeggen het dan maar over een totaal andere boeg te gooien. Hij schreef 15 ultrakorte detectiveverhalen bedoeld voor mensen die van het genre houden, maar absoluut niet graag lezen. Ze werden pas na zijn dood uitgegeven en van een enorm voetnotenapparaat voorzien door de Duitse professionele “voetnotenschrijver” Bruno Aigner, een van Frode Brandeggers weinige vrienden. Het is die uitgave die de lezer nu voor zich heeft.
Het contrast tussen de onverholen banaliteit van de verhaaltjes en het hoge “intellectuele” niveau van Aigners voetnoten, die zoals Harstad zelf zegt
[het boek] kapot analyseert
is zo gigantisch dat Harstads satirische bedoelingen al vanaf de eerste bladzijden overduidelijk zijn. Hij steekt de draak met een aantal literair-theoretische concepten en deelt ook speldenprikken uit naar de uitgeverswereld en een aantal collega-auteurs. Kwaadaardig wordt het echter nooit. Harstad is, zoals hij zelf zegt in het al vermelde interview met Veronica Karlsen in Sunnmørsposten,
geen auteur die om zich heen schopt
De voetnoten (die in lengte variëren van enkele woorden tot bladzijden lange uitweidingen) zijn van een grote verscheidenheid. Doodgewone zinnetjes worden geïnterpreteerd als heel effectieve narratieve ingrepen. Er wordt geciteerd uit de blijkbaar heel uitgebreide aantekeningen die Brandeggen bij elk van zijn verhalen maakte. Een aantal voetnoten gaan de ethische kant op. Er wordt verwezen naar literaire stromingen en naar andere auteurs, bestaande en niet-bestaande. En natuurlijk wordt ook de evergreen dat een ongelukkige jeugd een zegen is voor een auteur uit de kast gehaald. Een van de “biografische” voetnoten is een heel stuk langer dan het langste van Ferskenens-verhalen.
Daarbij komt de voetnotenschrijver ook met heel wat informatie over zijn eigen leven; zelf een foto ontbreekt niet. Hieruit concludeerde May Grete Lerum (bok365.no, 19.01.2018) dat
Bruno Aigner […]Johan Harstads centrale personage [is], een persoonlijkheid die zo schrander geconstrueerd is dat hij in alle richtingen uithaalt en ironiserend werkt.
en dat is een interpretatie waarin Harstad zich wel kan vinden:
Hij eigent zich in elk geval het hele project toe
zegt hij in het interview met Veronica Karlsen. Lerum wijst er ook op dat met Aigner een andere literaire traditie in stand wordt gehouden:
ook de voetnotenschrijver schikt zich uiteindelijk naar de regel dat wat opgehemeld wordt ook neergehaald moet worden. Het is wellicht een langzame, inwendige en pijnlijke erkenning van een verwantschap die de arme man een meer twijfelende en sceptische houding doet aannemen tegenover de auteur die hij met lof overladen heeft.
Los van alle andere functies getuigen de voetnoten indirect ook van Harstads belezenheid en zijn ze een mix van fictie en feit. Fictief is bijvoorbeeld de verwijzing naar de literaire stroming van het “banalisme” waartoe Brandeggen zou behoren en naar toty die stroming behorende schrijvers Walter Hoppings, Jean-Claude Camille en Vladislav Paramonov – natuurlijk vind je die namen wel op Facebook, welke naam niet. De in dezelfde voetnoot aangehaalde Peter Bichsel en Hugo Ball zijn dan weer wel “echte” auteurs, en dat geldt zeker voor auteurs zoals Dag Solstad en Jon Fosse. Solstads roman Det uoppløselige episke element i Telemark i perioden 1591-1896 wekte inderdaad heel wat opzien.
Ferskenen is dus erg leuke lectuur. Dat vinden ook de Noorse recensenten die op de website detskjeritromso.no geciteerd worden:

Sprankelend, hard-boiled en banaal. Johan Harstads “Ferskenen” is een uitstekend humoristisch boek over een highbrow, ontoegankelijke auteur die misdaadfictie begint te schrijven.
Johan Harstad is vakkundig én sluw genoeg om zowel de avant-garderoman zonder enige interpunctie als het hypercommerciële whodunit-misdaadgenre te parodiëren. Actuele sociale thema’s worden gecombineerd met gekheid en spot in een burlesk spel vol energie.
Onweerstaanbaar charmant plusproject. Een heerlijke satire over een avant-gardeschrijver die bij wijze van protest misdaadfictie begint te schrijven voor wie niet van lezen houdt.
Sprankelende spotternij.
Harstad heeft een leuke combinatie van keiharde en overgare misdaadfictie bedacht.
Er kan geen twijfel over bestaan dat Johan Harstad zich echt geamuseerd heeft toen hij Ferskenen schreef.
Een listig spel met het genre van de misdaadroman.
En ook de Nederlandstalige recensenten zijn fans:
de lezer amuseert zich kostelijk tijdens zijn tocht doorheen deze verrassende bladzijden, die satirisch, grotesk en tragikomisch tegelijk zijn
vond Sofie Messeman (Trouw, 25.11.2018), en Iris Hannema (De Morgen, 05.12.18) noemde het boek een
uitermate geslaagde satire
waarin ook
het grote thema uit al het werk van Harstad aan de oppervlakte [komt]: gaan wij niet allemaal gebukt onder de angst om over het hoofd gezien te worden?
Twee opmerkingen nog. De voetnoten bij de tekst staan allemaal na de zogenaamde misdaadverhalen, en dat zorgt voor heel wat enigszins enerverend heen en weer geblader, en daarom lijkt Ferskenen me geen boek(je) dat je in één ruk uitleest. En wat Gerd Elin Stava Sandve (Dagsavisen, 24. 01.2018) schrijft is zeker waar:
je moet echt wel erg geïnteresseerd zijn in boeken om de grap door te hebben.

Johan Harstad, Heterdaad, Vertaald door Paula Stevens, Amsterdam (Uitgeverij Podium), 2018 ISBN 978-90-5759-936-1
Terug naar startpagina.
