
Jon Michelet (1944 – 2018) was de zoon van een communistische vader en een moeder die lid was van de Quakersbeweging. Zelf was hij was van vele markten thuis. Hilde Lundgaard (Aftenposten, 01.12.2012) formuleerde het zo:
Avontuur, zon en storm maken uitgebreid deel uit van Michelets leven. Heel kort samengevat: hij werd uit de middelbare school van Ullern gezet na politieke stokerij en slecht gedrag, werd op zijn achttiende matroos, zeilde zes jaar de wereld rond en werd uiteindelijk stuurmand, ,keerde , marxist-leninist, de zee de rug toe en werd journalist, oproerkraaier, dokwerker, redacteur in dienst van een linkse uitgeverij, en redacteur van de krant Klassekampen (“De Klassenstrijd”). Voeg daarbij nog succes bij de vrouwen, een grote interesse voor voetbal, een massa verhalen over dronkenschap en vechtpartijen, de Birken1 lang voor die “in” was en jagen op antilopen en ijsberen.
1 De Birkebeinerritt (in de volksmond Birken) is een mountainbikewedstrijd van zo’n honderd kilometer
Michelet reisde de halve wereld rond, verbleef o. a. geruime tijd in Zuid-Amerika en Afrika, en bevond zich politiek gezien aan de (uiterst) linkse kant van het spectrum. Hij was eerst actief in de maoïstische AKP(m-l) en later in Rødt. In 2003 kreeg hij 80.000 kronen als vergoeding voor het feit dat de Noorse geheime dienst hem in de jaren 70 onrechtmatig bespioneerd had.
Michelets engagement is duidelijk zichtbaar in zijn literair werk. Hij heeft de gewoonte om een massa allusies op en informatie over de tijd en het milieu waarin het verhaal zich afspeelt aan de eigenlijke intrige toe te voegen. Dat (en ook het veelvuldig gebruik van volkse uitdrukkingen en slang) zorgt ervoor dat zijn romans voor een niet-Noor niet altijd even gemakkelijke lectuur zijn.
Michelets nauwe betrokkenheid bij de toenmalige actualiteit en zijn onwrikbare geëngageerdheid zorgden er ook voor dat de reportages en opiniestukken die hij o.a. bundelde in 7800 demonstranter sporløst forsvunnet – og andre merkverdige historier fra 1970-år (1978) nu erg gedateerd aandoen – om niet te zeggen erg naïef:
Ook onder wie van bescheiden afkomst is, vind je mensen zonder principes.
Er zijn mensen die ervoor kiezen om toe te geven aan de druk die ze ervaren, die hun toevlucht nemen tot criminaliteit om zich erdoor te slaan: kleine diefstallen, roofovervallen, brandkasten kraken. Veel voorkomende Noorse wetsovertredingen, die in aantal zullen toenemen naarmate het kapitaal door crisissen wordt opgeschrikt en de werkende mensen in de werkloosheid en andere ontberingen worden geduwd.
Onder het socialisme zullen we zorgen dat dit niet langer gebeurt.
Het zal een lang en moeilijk proces zijn. Maar we zullen slagen. De ervaringen in de landen die begonnen zijn met het opbouwen van het socialisme tonen dit duidelijk en ondubbelzinnig aan. In China, bijvoorbeeld, waar veel meer mensen worden geboren dan in Noorwegen, wordt niemand “geboren” als “sadist”. Tijdens het feodalisme en de periode waarin het imperialisme China’s miljoenen onderdrukte, werden er aan de lopende band sadisten, verkrachters, opiumslaven, prostituees, gangsters, woekeraars, bankrovers, enzovoort enzovoort “geboren”. De Chinese samenleving worstelt nog steeds met de naweeën hiervan. Maar er is iets gebeurd dat ervoor gezorgd heeft dat China een goede moeder voor zijn kinderen is geworden.
Het ergste misdadige gespuis is verpletterd.
Zoiets krijg je nu niet meer verkocht – behalve misschien aan diegenen die zo van hun eigen gelijk overtuigd zijn dat ze niet meer voor reden vatbaar zijn. Het is in deze context wel overbodig erop te wijzen dat Michelet zich toentertijd aan de uiterste linkerzijde posteerde en in die hoedanigheid de heer Mao
de grootste marxist-leninist van onze tijd
noemde.
De Arbeiderparti en door haar gevormde regeringen kregen er flink van langs: het waren
regeringen [die] de interesses van de burgerij behartigen
Ook SV en de kleine NKP, nochtans allebei een stuk “linkser” dan de Arbeiderparti blijven niet buiten schot:
Drie prominente “socialistische” intellectuelen spelen een heel prominente rol in de huidige zwarte campagne om van de Auteursvereniging een tandeloze tijger te maken. Het zijn: Sigbjørn Hølmebakk (ex “NKP”), Arne Skouen (SV) en Kåre Holt (DNA). Vraag deze mensen of ze socialisten zijn en ze zullen ja zeggen. Kijk naar wat ze doen, en je zult zien dat deze drie heren uitstekende werktuigen zijn in dienst van de burgerlijke dictatuur.
(NKP = Norges Kommunistiske Parti; SV = Sosialistisk Venstreparti; DNA = Det norske Arbeiderparti)
Zelf zegt Michelet in Brev fra de troende (2003) over zijn functie als auteur:
Op zijn best geeft dit werk me een gevoel van toereikendheid, een zekere tevredenheid. In mijn strijd om het bestaan is schrijven het eerste gebod.
In 1991 kreeg Jon Michelet de Språklig samlings litteraturpris, een prijs die uitgereikt wordt aan
auteurs van wie het werk eerst en vooral literaire kwaliteiten bezit, maar die in hun literaire productie ook status verlenen aan taalvormen die anticiperen op één gezamenlijke Noorse schrijftaal.
Hij won ook twee keer de Rivertonprijs voor het beste Noorse werk binnen de misdaadliteratuur: in 1981 voor Hvit som snø en in 2001 voor Den frosne kvinnen.

De overheid heeft een beurs voor oudere verdienstelijke kunstenaars verleend aan Jon Michelet (65). Aan de beurs is een bedrag van 20.000 NOK per jaar verbonden. Ze is een blijk van waardering voor kunstenaars die zich jarenlang op een waardevolle manier ingezet hebben. In de motivering van de toekenning staat onder meer dat “Michelet een erg productieve en veelzijdige auteur is, waarbij de nadruk vooral ligt op de misdaadliteratuur. Hij is een auteur die waardering verdient voor zijn jarenlange inzet en zijn groot belang voor de Noorse literatuur.” Van Jon Michelet verscheen dit najaar de novellebundel Snøfonnenes geograaf.
Een uitgebreid interview (met Noorse onderschriften) met Jon Michelet vind je hier.

In 2021 publiceerde journalist en politicus Mímir Kristjánsson een uitgebreide biografie van Jon Michelet.
Van Michelets heel omvangrijke oeuvre werden maar vier boeken in het Nederlands vertaald: twee romans voor volwassenen en twee jeugdromans.
Orions belte (1977) *** werd vertaald als De gordel van Orion (1988). Met Jernkorset had Michelet zichzelf al in de Noorse belangstelling geschreven, maar zijn echte doorbraak kwam er met deze spannende (en in de Nederlandse vertaling enigszins ingekorte) avonturenroman.
Thomas (“Tommy”) Jansen wordt in Longyearbyen op Svalbard gearresteerd. De beschuldigingen zijn niet min: moord, wapensmokkel, stroperij… Voor de lezer is het initieel niet erg duidelijk wat er precies aan de hand is, maar het boek dat hij in handen heeft is het boek dat Jansen schrijft tijdens zijn verblijf in de cel in afwachting van zijn proces en langzaamaan wordt duidelijk wat zich in de Svalbardarchipel heeft afgespeeld.
(NB: Spitsbergen wordt in het Nederlands zowel het eiland als voor de archipel gebruikt; in het Noors wordt Spitsbergen gebruikt voor het grootste eiland van Svalbard: de andere grote eilanden van de archipel heten Nordaustlandet en Edgeøya. Kleinere eilanden zijn o.a. Barentsøya, Prins Karls Forland, Amsterdam, Moffen en Kvitøya.)

Samen met zijn kompanen Sverre en Lars zorgde Jansen met de kleine en aftandse Sandy Hook voor allerlei vrachttransporten tussen Noorwegen en Svalbard. Vaak balanceerde het trio daarbij op de rand van het illegale: naast wat contractueel afgesproken was, gristen ze voor eigen gewin zowat alles mee wat niet te heet of te zwaar was:
We waren een zootje warhoofden en driftkikkers.
De proefboringen naar olie die toen (al) in de archipel aan de gang waren, leverden echter niet het verwachte resultaat op en wanneer die stopgezet werden, kwam er meteen ook een einde aan het handeltje van het drietal. Op dat ogenblik besloten ze om nog een keer naar Kvitøya (een van de kleinere eilanden van de Svalbardarchipel) te varen en daar nog (illegaal) een paar beren te schieten en hun huiden (letterlijk) duur te verkopen.
Op dat eiland deden ze echter een merkwaardige ontdekking: een van de twee toenmalige grootmachten was er blijkbaar illegaal geavanceerd wapentuig aan het installeren. Hun (ontdekte) aanwezigheid werd dan ook allesbehalve op prijs gesteld…
Naast dit centrale verhaal zit er nog veel meer in Orions belte: de voorgeschiedenis van de Sandy Hook, de geschiedenis van Svalbard, Thomas’ vader zijn werkzaamheden tijdens Wereldoorlog II, Thomas’ “avonturen” op andere schepen. Het vertelplezier spat van de bladzijden af. Zelfs voor bespiegelende passages is er ruimte:
In het zuiden maken wormen en bacteriën het karwei snel af. Hier kost het tijd, wildernistijd. Je ziet de dood, je wordt erdoor omringd. In de stad is de dood verborgen in slachthuizen, hospitaals, op kerkhoven, vuilnisbelten, achter gesloten gordijnen. Hier is de dood open en bloot. Het is natuurlijker. Niet dat je minder bang bent voor de duivel en het grote onbekende, maar je leert de dood niet langer te beschouwen als een mysterie dat aan psychiaters en bisschoppen moet worden overgelaten. (vertaling Paula Stevens)
Ook voor engagement is er ruimte. Thomas Jansen (ondanks al zijn “tekortkomingen” een sympathieke kerel) is van uitgesproken linkse signatuur. Dat blijkt al uit zijn uitgesproken mening over de laksheid van de Noorse regeringen tegenover de Grote Buur, en zeker ook over zijn opvatting over de politie:
Een politiepatrouillewagen rijdt loeiend door de straten. Aan het geluid te horen, verdwijnt hij in de richting van het Grølandskryss. Hij is hoogstwaarschijnlijk op weg naar politiebureau in de Bekkegate. Met een afgepeigerde man aan boord. Met de Vleesnek of een ander Gestapo-varken achter het stuur. Hij geeft vol gas en kwijlt van vreugde nadat hij de man in de cel heeft gegooid, de lompen van zijn lijf heeft gescheurd en hem tegen de muur gezet heeft voor een dosis Noorse politieterreur op een gewone maandagavond. Nierstoten en schoppen mag hij verwachten.
Als hij geluk heeft, geven ze hem een veroordeling voor geweld tegen de politie. Als hij wil schijten, zeggen ze: “Schijt in je broek, schoelje!” Als het een jonge kerel is, stelen ze de bankbiljetten van honderd kronen uit zijn portefeuille. Als het een diabetespatiënt of een oude man met een zwak hart is, laten ze hem daar liggen en creperen in zijn eigen braaksel. De Bekkegate is een voorportaal naar de hel en het fascisme.
Thomas Jansen sympathiseert echter helemaal niet met de toenmalige Sovjet-Unie (gemeenzaam “Ivan” genoemd):
Ik schud met plezier een Russische arbeider de hand. Heb er meer ontmoet dan de meeste Noren. […] Rondslenterend op het strand kwamen we ze tegen, Ivan en Pjotr, mijnwerkers op wandel in lange anoraks en slechte rubberen laarzen, altijd ongewapend. Meestal met een borrel in hun ransel. Praat een beetje Duits met de jongens. Maar je kunt er niet aan twijfelen dat het gedrag van de Russen nu idioterie is.
Het regent verwijten over de machthebbers daar en diegenen die hun beleid uitvoeren; “nazi-helveter” en “Gestapo” zijn maar twee van de gebruikte koosnaampjes. Veel sympathie is er wel voor de Noorse linkse krant Klassekampen.
De taal zorgt er wel voor dat Orions belte niet echt “gemakkelijke” lectuur is. Michelet bedient zich van een “radicaal” Bokmål met nogal wat minder gebruikelijke vormen en voegt daar nog slangwoorden en allusies aan toe.
Voor R.A. (Romerikes Blad, 20.12.1977) was Orions belte
Ongewoon in meer dan één opzicht. (…) Grote delen van het boek zijn ongewoon spannend en alles wordt ongewoon boeiend verteld. Maar het is soms ook ongewoon langdradig en vaag en ongewoon zwart/wil als het gaat over het beschrijven van het milieu en de personages (…) Een van de meest briljante aspecten van Orions belte is dat dit ongenuanceerde en schematische denken niet dodelijk is voor de spanning. Dat zegt een heleboel over Jon Michelets buitengewone verteltalent.

Jon Michelet, De gordel van Orion, vertaald door Paula Stevens, Baarn (De Fontein), 1988 ISBN 90-261-0268-2 (ingekort)

De roman werd in 1985 verfilmd door Ola Solum en staat op YouTube. De beeldkwaliteit is goed, de klankkwaliteit een stuk minder, maar de film heeft Engelse ondertitels.
Grote bekendheid verwierf Michelet met zijn misdaadverhalen met de (voormalige) advokaat Wilhelm Thygesen in de hoofdrol. In “Giften i systemet” uit Thygesen- fortellinger wordt hij omschreven als
het type advocaat dat een speciaal talent heeft om toevallig betrokken te raken in louche zaken
Een van de romans met Thygesen kreeg een Nederlandse vertaling: Den frosne kvinnen**** (2001) (Nederlandse titel: De diepgevroren vrouw (2003). Den frosne kvinnen was toen Jon Michelets eerste Thygesenroman sinds meer dan tien jaar en dat hij in het Nederlands vertaald werd zal wel te maken hebben met het feit dat Michelet er de Rivertonprijs 2001 voor de beste Noorse misdaadroman voor kreeg.
Vilhelm Thygesen heeft al heel wat watertjes doorzwommen. Hij is advocaat geweest, maar mag dat beroep niet meer uitoefenen. Hij heeft ook een tijdje bij de politie gewerkt, maar ook dat was geen succes. Later is hij een aantal keren met justitie in aanraking gekomen. Een erge alcoholverslaving lijkt de nu 63-jarige Thygesen te boven gekomen te zijn. Officieel is hij arbeidsongeschikt; hij komt o.a. aan de kost met het geven van juridisch advies en de aan- en verkoop van postzegels. Zijn reputatie bij de politie is die van een “døgenikt”, een “onbetrouwbaar, lui iemand”, een “nietsnut” in de vertaling van Marianne Molenaar.
Op een ijskoude dag in januari vindt deze Thygesen in zijn tuin het lijk van een vermoorde vrouw van buitenlandse origine. Het onderzoek naar de dader(s), in handen van Kriposspeurders Vanja Vaage en Arve Stribolt, schiet helemaal niet op (er rust wel, omwille van zijn verleden, een soort vage verdenking op Thygesen zelf) tot er uiteindelijk in de kranten een soort robottekening van de vermoorde vrouw gepubliceerd mag worden.
Op dat ogenblik heeft Michelet ons al uitvoerig kennis laten maken met het reilen en zeilen in een motorbende zonder dat het duidelijk wordt wat die “Seven Samurais” eigenlijk te maken hebben met de vermoorde vrouw in Thygesens tuin.
Den frosne kvinnen heeft een knap geconstrueerde plot, zoveel is zeker, let bijvoorbeeld maar eens op de verwarrende rol van de heer Gierløff. De jury van de Rivertonpris had het over
een gedetailleerde, goed geschreven, vitale en erg vakkundig gecomponeerde misdaadroman
Overigens kun je de Michelet van Den frosne kvinnen alweer een didactisch trekje niet ontzeggen. De lezer krijgt op geregelde tijdstippen een brokje informatie geserveerd:
Achter het donkere haar van Picea is iets wits. Het is zo’n soort beschermingsdoekje dat over de bovenkant van trein- en vliegtuigstoelen wordt gehangen. Vroeger werden dergelijke kleedjes antimakasssar genoemd, omdat ze meubels moesten beschermen tegen haarolie, die gemaakt werd van vette, aromatische oliën uit Makassar in het Oost-Indische eilandenrijk. (vertaling Marianne Molenaar)
En ook over waar hij zich in het politieke spectrum bevindt laat Klassekampenredacteur Michelet, die de roman eerst als een feuilleton in die krant liet verschijnen, geen twijfel bestaan:
Gerhard Ryland neemt de lift van de zesde verdieping naar beneden. Hij stopt op de vierde, en vier heren in pakken van Armani en Boss maken hun entree, zodat de lift meteen vol is. Ze weten best wie Ryland is, maar ze verwaardigen zich niet om een dergelijke geldschuiflakei van de staat te groeten. Want zij zijn particuliere geldschuivers; ze vertegenwoordigen de vrije stroom van het financieringskapitaal. Ze hebben de onderneming Ermine Funds opgezet, en toen Ryland erachter kwam dat het Engelse ermine “hermelijn” betekent, doopte hij die troep op de vierde “de Hermelijnen.”
Zelf is hij en kat tussen de hermelijnen, zoals het in een Zweeds revueliedje heet.
Dat komt hem goed uit: en grijze, sjofele straatkat, en echte grauwe loeres tussen al die opgedirkte schepsels, die geloven dat geld geld produceert en niet begrijpen dat werk kapitaal schept – productief werk.” (vertaling Marianne Molenaar)
Overigens, en dat is dan niet echt didactisch, zijn de meeste van Michelets personages verstokte rokers, zelfs op plaatsen waar toegeven aan die barslechte verslaving uitdrukkelijk verboden is.
Verder zitten er nogal wat verwijzingen naar Noorse toestanden in de roman. Vooral de Orderudzaak, een driedubbele moord uit 1999 en het daaropvolgende proces komen herhaaldelijk aan bod, zoals in
De helft bij jullie op de tactische afdeling is immers ziek na al die inspanningen om die Orderud-sok te vinden. (vertaling Marianne Molenaar)
De sok waarvan hier sprake zou de ene helft van het paar zijn dat een van de moordenaars over zijn schoenen had getrokken. Voor de doorsnee Nederlandstalige lezer is dit natuurlijk irrelevant. Voor Erik Solheim en Ari Behn is er daarentegen wel hulp voor die lezer voorzien:
Deze afperser moet en kruising zijn tussen de voorzitter van de natuurbescherming en Karate Kid. (vertaling Marianne Molenaar)
Als het om een lokale grootheid gaat, is Ari Behn, die vriend van de prinses, de enige bigshot die we op het ogenblik hier in de regio Moss hebben.” (vertaling Marianne Molenaar)

En “en sur Sigrid”, een verwijzing naar het vijfhonderkronenbiljet met de afbeelding van Sigrid Undset, wordt “een zilverkleurig briefje van vijfhonderd kronen” .
Zowel qua plot als qua taal is Michelet in topform
vond Terje Stemland (Aftenpostren, 20.10.2001).
een sterk geschreven roman
schreef Bart Holsters (De Morgen, 03.03.2004)
Jon Michelet is een onconventionele maar meesterlijke verteller die spanning, maatschappijkritiek, humor maar ook weemoed uitstekend weet te doseren. Zijn stijl, die soms aan American noir doet denken, is even persoonlijk als boeiend.

Jon Michelet, De diepgevroren vrouw, vertaald door Marianne Molenaar, Utrecht (Signature), 2003 ISBN 978-90-5672-035-3
Michelet schreef ook jeugdromans. Twee ervan werden in het Nederlands vertaald.
In Vår afrikanske eksplosjon **** (1986) (Nederlandse vertaling: Onze Afrikaanse explosie (1988) zit heel wat (soms licht absurde) humor. Dat heeft veel te maken met de figuur van de verteller: een Franse componist (van wel heel speciale muziek) van wie we de naam niet te weten komen. Hij is in Noorwegen terechtgekomen op de vlucht voor mei ’68. Daar is hij met een Noorse (in het boek “Fruen i huset” genoemd) getrouwd. Samen hebben ze vier kinderen: drie meisjes (“Lillegullet”, “Gullet” en “Storegullet”), die elkaar voortdurend in de haren vliegen, en een peuter, die eigenlijk Bjørn heet, maar door iedereen Pjørn genoemd wordt omdat hij de b nog niet kan uitspreken. Samen wonen ze in de Zambiaanse hoofdstad Lusaka in het kader van een Noors ontwikkelingsproject. Fruen i huset werkt in een bibliotheek, de componist is huisman.
Naast humor zit er ook heel wat engagement in Vår afrikanske eksplosjon. De componist/verteller (en met hem Michelet) is niet blind voor mistoestanden en de corruptie in Zambia en hij heeft het ook over de wat ambigue positie van de ontwikkelingshelpers, maar de nadruk ligt toch op kritiek op het toenmalige Zuid-Afrikaanse apartheidsregime. Centraal in het boek staat de aanslag op een Zuid-Afrikaanse balling die in het huis naast dat van de verteller woont. De intrige zit leuk in elkaar, met flink wat spanning en een laatste hoofdstuk waarin alles bijna perfect samenkomt.

Jon Michelet, Onze Afrikaanse explosie, vertaald door Paula Stevens, Baarn (Fontein), 1988 ISBN 90-261-0287-9
Michelet schreef drie delen over de avonturen van “den flygende brasilianer”, de jonge Braziliaanse matroos Nelson. Het eerste deel daarvan, Kjærlighet ved første treff ***½ (1987), werd in het Nederlands vertaald als De vliegende Braziliaan. Liefde op het eerste gezicht (1989).
Het is een innemende adolescentenroman over twee Noorse meisjes (Berit is de intellectueelste, Hildegun de hevigste) die op de Holmenkollenschans de jonge donkere Brazilaanse koksmaat Nelson, ontmoeten. Nelson is daar gearriveerd met het vrachtschip “Lloyd Altamira”. In zijn broekzak zit een foto van zijn vermoedelijke vader met op de achtergrond de beroemde Holmenkollenschans in Oslo:

Van zijn vader weet hij voor de rest niets af.
Het klikt niet echt direct tussen de twee meisjes en de jongen. Het feit dat ze elkaars taal niet begrijpen (Nelson spreekt nauwelijks Engels) helpt natuurlijk niet. Wat oorspronkelijk begon met wat sneeuwballengegooi van Hildeguns kant, eindigt zelfs in een heuse vechtpartij.
Met het relaas van het verloop van de rest van die ene dag (waarin Nelson en Hildegun zich dan toch tot elkaar aangetrokken voelen) verweeft Michelet allerlei observaties over cultuurverschillen, armoede en onderdrukking in Zuid-Amerika, (latent en minder latent) racisme en adolescente onzekerheid en seksualiteit.

Jon Michelet, De vliegende Braziliaan. Liefde op het eerste gezicht, vertaald door Paula Stevens en Annemarie Smit, Baarn (De Fontein) 1989, ISBN 90-261-0355-7
Een (onvolledig) overzicht van Michelets overige, niet in het Neder’lands vertaalde, werk. We beginnen met de romans over Thygesen.
Den drukner ei som henges skal **½ (1975) was Jon Michelets literaire debuut en ook zijn eerste roman over Vilhelm Thygesen. Thygesens vader was “høyseterettsadvokat” (“adocaat bij het hooggerechtshof”), zijn zus werkt voor de conservatieve krant Aftenposten. Zelf heeft hij rechten gestudeerd, maar heeft er daarna voor gekozen om bij de politie te werken. Hij is adjudant in de kriminalpolitiet, en iemand die niet helemaal volgens het boekje werkt.

Thygesen is maar één van de drie belangrijke figuren in Den drukner ei som henges skal. De twee anderen zijn “sjefen for mordkommisjonen” (“de commissaris van de moordsectie”) Harry Schreiner en Bernt Balke Paulsen, die als journalist voor de sectie economie van Aftenposten werkt. Vanuit een treincoupé ziet die laatste hoe iemand in een appartement in een woonkazerne vermoord(?) wordt.
Dat is de aanzet tot een intrige die wat magertjes uitvalt en waarin het draait om een grote smokkelzaak. De teneur van het boek is echter duidelijk en wordt goed verwoord door een cynisch citaat van de Franse schrijver Anatole France:
De wet […] verbiedt zowel rijken als armen om onder bruggen te slapen, op straat te bedelen en brood te stelen
Als het over een gerechtelijk onderzoek gaat worden de rijken met fluwelen handschoenen aangepakt en schrijft de conservatieve pers er nauwelijks over:
Aftenposten is eigendom van een grote familie, en wanneer de medewerkers van de krant elkaar treffen tijdens min of meer feestelijke gelegenheden, neemt een van de eigenaars gewoonlijk het woord en noemt hij de hele krant – van de jongste leerling in de letterzetterij tot de hoofdredacteur “één grote familie”. De krant wordt gerund volgens liberale en traditionele principes. In de krantenkolommen wordt vaak gesproken over democratie, minder vaak over macht. Een stevige en bloeiende economie staat garant voor constante expansie. Het is absoluut fundamenteel dat de leiding van de krant niets onderneemt dat de economie zou kunnen ondermijnen. Een medewerker die lang bij de krant wil blijven, en velen willen dat ook, leert snel bepaalde gedragsregels. De belangrijkste regel is: Trap nooit op de tenen van de gevestigde orde, en doe dat zeker niet als er eksterogen op staan.
De titel Den drukner ei som henges skal (letterlijk: wie opgehangen wordt verdrinkt niet”) is een citaat uit Holberg en betekent zoiets als “de duivel beschermt zijn vrienden”.
Thorkild Thorkildsen (Drammens Tidende, 27.06.1975) zag nogal wat gelijkenissen met de romans van Sjöwall en Wahlöö, maar ook een belangrijk verschil:
In tegenstelling tot Sjöwall en Wahlöö veegt Michelet de vloer niet aan met gewone politiemensen

Jon Michelet, Den drukner ei som henges skal, Oslo (Gyldendal Nork Forlag –Den svarte serie), 1975 ISBN 82-05-08070-4
Den drukner som ei henges skal werd in het Duits vertaald:

Jon Michelet, Tod im Vorüberfahren, vertaald door Gabriele Haefs, Reinbek bei Hamburg (Rowohlt Verlag), 1986 ISBN 978-3-499-42749-7
Thygesens rol is erg beperkt in Mellom barken og veden**½ (1975): hij valt vooral op door zijn alcoholische katers. De echte hoofdrol is weggelegd voor politie-inspecteur Harry Schreiner van de moordcommissie:
Een rustige kerel. Ja, Gemelijk en bijna te rustig. Nuchter en ongeïnteresseerd in hoogdravende theoretische beschouwingen. Niet onfeilbaar, maar houdt alles stevig in de hand. Praat niet graag over zichzelf. Praat niet graag over anderen. Voor een leidinggevende in een klein politiekorps doen er maar heel weinig geruchten over hem de ronde..Vaderlijk tegenover jonge ondergeschikten. Heeft een en ander meegemaakt tijdens de oorlog, maar heeft er geen zwakke zenuwen of alcoholisme aan overgehouden. Drinkt een enkele keer wel een borrel in goed gezelschap. Familieman, maar geen kinderen. Taai. Volhardend. Moeilijk om hoogte van te krijgen. Een rustige kerel.
Schreiners taak is uit te vinden wie er verantwoordelijk is voor de moord op Ivar Mathiesen, die moedwillig doodgereden werd toen hij met zijn hond op wandel was tijdens een bezoek aan Oslo.
Mathiesen had een verleden als bouwvakker met communistische sympathieën en vocht tijdens de Spaanse burgeroorlog aan de kant van de republikeinen, maar Schreiner is niet zeker of dat iets met de moord te maken kan hebben:
wie heeft er de dag van vandaag belang bij het omverrijden van oude radicalen. Mocht het nu nog een jonge radicaal geweest zijn.
Een onderzoek van Mathiesens appartement en bankkluis in zijn woonplaats Tromsø geeft echter wel stof tot nadenken: in de bankkluis lag er tweeduizend dollar in gebruikte biljetten van tien, een Nikkormat camera met telelens, een miniatuurcamera van Zwitsers fabricaat, vier rolletjes ontwikkelde film, een grote gewatteerde enveloppe met foto’s, een multomap met getypte bladzijden en tekeningen, een autokaart van Troms en Finnmark n waarop een aantal punten met een rode viltstift aangeduid waren, en twee kleine notititieboekjes met een zwarte kaft.
Net zoals in Michelets debuut Den drukner ei som henges skal, is de intrige ook in Mellom barken og veden redelijk eenvoudig en zorgt Michelet voor de nodige politieke duiding. De Russen zijn bij de zaak betrokken maar ook de Amerikanen zitten niet stil: de titel van de roman kan vertaald worden als “Tussen twee vuren”.
Veel drama maar weinig spanning
oordeelde Rune Andersen (Romerikes Blad, 06.01.1976) en Tore Nilsen (Arbeiderbladet, 15.12.1975) vond het jammer dat
de politieke kinderachtigheden van de auteur ervoor zorgen dat het boek niet de spionagethriller is die de cover wel degelijk belooft. Schrijven kan hij, dat is nog altijd duidelijk, maar de intrige haalt niet het niveau van zijn eerste boek
Arngeir Berg (Profil, 1976/1) deelde die opvatting niet. Voor hem
heeft [Michelet] vooruitgang geboekt als auteur: zowel qua inhoud als qua stijl is dit een beter boek dan Den drukner ei som henges skal.
Verder is ook het mannelijk chauvinisme van het eerste boek nu grotendeelsafwezig. Berg stoorde zich ook minder aan de politieke tendens van Mellom barken og veden:
het politieke aspect wordt niet aangesneden in uitweidingen die losstaan van de rest, iets wat vaak het geval is in andere progressieve misdaadliteratuur.
Toch zag hij ook zwakke punten: Michelet gebruikt nogal veel traditionele procedés van het genre:
dramatische gebeurtenissen mogen niet beperkt worden tot roekeloos rijgedrag en intense schietpartijen en de personages vertonen te weinig individuele trekken

Jon Michelet, Mellom barken og veden, en roman om supermaktspionage i Norge, Oslo (Gyldendal Norsk Forlag), 1975 ISBN 82-05-08547-1
Mellom barken og veden werd in het Duits vertaald:

Jon Michelet, Zwischen Hammer und Amboss, vertaald door Gabriele Haefs, Reinbek bei Hamburg (Rowohlt Verlag), 1986 ISBN 978-3-499-42755-8
Jernkorset*** (1976) is eigenlijk twee romans in één. Het eerste deel vertelt over de (werkelijk gebeurde) ontsnapping uit de gevangenis van een aantal Noorse collaborateurs kort na de Tweede Wereldoorlog. Met de boot Solbris vluchten ze naar Argentinië en bouwden daar een nieuw leven op.


In het tweede deel (gesitueerd in 1974 – 1976) moet de zoon van een van die collaborateurs na een fout afgelopen politieke moordaanslag Argentinië verlaten en de wijk nemen naar Noorwegen. Hier voegt hij zich bij een neonaziorganisatie en voert een aanslag uit op een linkse boekhandel in Notodden. Twee kinderen komen daarbij om het leven.
Op dat ogenblik maakt de nu 38-jarige Thygesen zijn intrede. Hij is uit de Oslose politie “verwijderd” en werkt nu in Notodden. Thygesen is nog altijd een outsider en beantwoordt niet aan het beeld van de “perfecte” politieman. De morgen na de aanslag is hij niet echt in goede vorm na een hele week lang bijna ononderbroken dronken geweest te zijn.
Voor de roman ten einde is wordt hij definitief ontslagen. Hij begint dan aan een (niet erg succesvolle) carrière als advocaat in Oslo, maar dreigt het slachtoffer te worden van een neonazistisch complot.
De ondertitel van Jernkorset (“Een roman gericht tegen het nazisme en het neonazisme”) laat ook nu weer weinig twijfel bestaan over Michelets plaats op het politieke spectrum
Een paar korte citaten die Michelet in de mond van zijn personages legt:
Samen trekken de werkgevers en hun sociaaldemocratische meelopers op tegen de arbeidersklasse.
de bobo’s van de Arbeiderspartij en de vakbond
(over het uiteindelijke doel van rechts:) Een maatschappij met veel burgerlijke partijen (…) Een natie waar het stakingswapen voorgoed begraven is.
De roman heeft een sterk documentaire inslag. In het eerste deel worden de “activiteiten” en de organisatie van de collaboratie in Noorwegen uitvoerig besproken en Michelet schrikt er niet voor terug om een aantal gewoonlijk verzwegen elementen daaruit te belichten:
De Administrasjonsråd, deze raad van brave Noren, die het land voor de Duitsers moesten besturen en die vanaf het begin opriep tot samenwerking. Alles moest blijven draaien. De industrie mocht niet stilvallen (…) Het voorzitterschap van het parlement [had] in september 1940 (…) een brief aan Hitler geschreven waarin stond: “Het Noorse volk is bereid vrede te sluiten met Duitsland als de leider van het Duitse Rijk gelooft dat de tijd daarvoor gekomen is.” Hetzelfde voorzitterschap onderhandelde dat najaar met de Duitsers om de koning, de regering en alle parlementsleden in ballingschap af te zetten. De de parlementsleden die in Noorwegen gebleven waren, namen deel aan een door het voorzitterschap georganiseerde niet-bindende stemming waarvan het resultaat was dat een 2/3 meerderheid voor het advies van het voorzitterschap stemde om te onderhandelen met Terboven1. In wat erover bleef van de parlementaire groep van de Arbeiderspartij was er een meerderheid van 35 tegen 25 die Haakon VII wou afzetten. 92 van de 145 parlementsleden waren bereid om het systeem dat hen aan de macht gebracht had te liquideren en om een rijksraad te installeren met daarin een solide nazi-vertegenwoordiging. De Duitsers werden naar de mond gepraat. Maar ook al onderwierpen de Noren zich slaafs, toch maakten de Duitsers daar korte metten mee en installeerden ze commissarissen in alle ministeries. De meesten van hen waren lid van NS2. Maar op de drie belangrijkste posten voor de Duitse uitbuiting van Noorwegen werden “goede Noren” aangesteld om eersteklas relaties met het bedrijfsleven in het bezette land te verzekeren. Pas in februari 1942 vonden de Duitsers het nodig om Quisling officieel premier te laten worden van een regering van alleen verraders.
1 de erg gehate Reichskommissar van Noorwegen tijdens de Tweede Wereldoorlog.
2 Nasjonal Samling (1933-1945), de fascistische politieke partij van Noorwegen.
In deel twee wordt beschreven hoe de politieke rechterzijde gebruik maakt van een kleine neonazipartij om haar vuile werkjes op te knappen. De politie fungeert als hulpje van diezelfde “deftige” rechterzijde, bijvoorbeeld wanneer een grote zaak van milieuvervuiling uiteindelijk maar in een kleine boete resulteert. In dit deel maakt Michelet gebruik van “fictieve” personen, waarbij echter vaak gemakkelijk te onderkennen is over wie het in werkelijkheid gaat. Het leverde hem een proces wegens smaad op en zorgde voor de verwijdering van een hoofdstuk uit de oorspronkelijke uitgave.
De bekende Noorse auteur Johan Borgen liet zich in zijn bespreking van Jernkorset (Dagbladet, 03.11.1976) erg lovend uit over de thriller:
Lezers op zoek naar spanning kunnen een tijd zonder Detektimen1. Het hele boek door demonstreert Michelet zijn bekwaamheid in het nauwkeurig weergeven van verifieerbare details als het gaat over landschappen, routes en wapens. Wat het erbij horende commentaar betreft, moet men in gedachten houden dat Michelet het kapitalisme eronder wil krijgen. (…) Voor de rest een erg goede roman die de hele tijd van schrijversvakmanschap getuigt en in elk geval voorzien is van de nodige aanvallen op het systeem dat hij zo hartstochtelijk haat.
1 televisieprogramma van NRK met Noorse en buitenlandse misdaadreeksen

Jon Michelet, Jernkorset, Oslo (Gyldendal Norsk Forlag), 1976) ISBN 82-05-09085-8
Jernkorset werd in het Duits vertaald:

Jon Michelet, Der Anschlag, vertaald door Gabriele Haefs, Hamburg (Rotbuch Verlag), 1995 ISBN 978-3-88022-472-8
Hvit som snø***½ verscheen in 1980. Vilhelm Thygesen heeft een tijd in de gevangenis doorgebracht na een veroordeling wegens het doodschieten van een neonazi. Hij is daarmee ook zijn advocatenlicentie kwijt en probeert na zijn vrijlating aan de kost te komen als freelancer in de reclamesector.
Wanneer hij op een morgen na (alweer) een zware braspartij wakker wordt, vindt hij een lijk in de badkamer van zijn appartement. Zelf herinnert hij zich nog nauwelijks iets van wat er zich de vorige nacht afgespeeld heeft.
Thygesen komt er wel vrij snel achter dat de man ene Herman Mossige is en aan de kost kwam als drugskoerier. Zijn “onderzoek” spitst zich dan ook toe op het milieu van de drugshandel, en dat is nu niet bepaald de gezelligste plek van Oslo,
de grootste van alle kleine wereldsteden
Michelet geeft een uitgebreide en sfeervolle beschrijving van de gebruiken en praktijken binnen dat drugsmilieu. Thygesens leven komt al snel in gevaar. Op een bepaald ogenblik leest hij zelfs in de krant dat hij dood is. Een bijkomend probleem is, vindt hij zelf,
dat hij noch het een noch het ander was, geen echte crimineel met stalen zenuwen maar ook geen liberale jongen uit West-Oslo die altijd excuses kon verzinnen die de rechters zouden geloven, omdat hij eigenlijk een van hen was, alleen was hij gestruikeld en had hij wat tegenslag gehad.
De krant Dagbladet stelde in 2009 een panel van “deskundigen” samen dat een top-25 van de beste Noorse misdaadverhalen moest opstellen. Hvit som snø (de “snø” verwijst naar heroïne) kwam op nummer drie te staan en Terje Thorsen schreef naar aanleiding daarvan (Dagbladet, 24.06.2009) een bijna lyrisch artikel over de kwaliteiten van het boek. Een citaat:
Hvit som snø is een 2-3-5 ploegopstelling, bebop-proza à la Jack Kerouac met Sjöwall & Wahlöö in de bagage, maar met de volumeknop helemaal open. Het boek beschrijft de gebeurtenissen van dichtbij en met gevoel voor dramatiek, en Michelet portretteert zijn personages op een gedetailleerde en overtuigende manier en met een register aan gevoelens dat echt en menselijk overkomt. (…) De dialogen zijn gevarieerd, trefzeker, geloofwaardig en aangepast aan de personages, die zich noch schematisch nog clichématig uitdrukken. Michelet gebruikt een rijk taalspectrum en weet exact wanneer hij dat moet begrenzen en het taalgebruik moet aanpassen aan de achtergrond en de situatie waarin de personages zich bevinden.

Jon Michelet, Hvit som snø
werd in het Frans en in het Duits vertaald:


Jon Michelet, Comme neige, vertaald door Alex Fouillet, Parijs (Éditions Points), 2012 ISBN 978-2-7578-3166-3
Jon Michelet, Weiss wie Schnee, vertaald door Grabriele Haefs, Reinbek bei Hamburg : Rowohlt Verlag, 1986 ISBN 978-3-499-42790-9
Den gule djevelens by **** (1981) is New York. Van Harry Schreiner, een ex-collega van toen hij nog bij de politie werkte, krijgt Thygesen een “opdracht” waarmee voor beiden eventueel veel geld te verdienen valt. Schreiner heeft een brief uit de Verenigde Staten gekregen waarin beweerd wordt dat zijn halfbroer, ex-zeeman en oorlogsveteraan, maar daarna aan lagerwal geraakt en niet zolang geleden in New York brutaal met een bijl vermoord, in het bezit zou zijn geweest van een koffer met daarin niet minder dan een half miljoen dollar.
En dus trekt Thygesen, gesponsord door Schneider, naar New York. Hij logeert er in het beroemde/beruchte Chelsea Hotel, en zal proberen uit te vissen of er enige waarheid in het verhaal over de koffer vol geld zit.
Ronald Reagan is net president geworden, maar de titel verwijst naar iemand die er totaal andere opvattingen op nahield. Hij is ontleend aan een kort verhaal van Maxim Gorki over New York. De gele duivel is het goud, of anders gezegd het geld, datgene waarnaar iedereen in de VS in het kader van de “American dream” op zoek is. Michelet citeert er een aantal keren uit.
Hij baseerde zich voor zijn verhaal op werkelijk gebeurde feiten en citeert soms letterlijk uit politierapporten. Naast het verhaal over de zoektocht naar de dader van de moord en natuurlijk ook het geld, is Den gule djevelens by ook een portret van de (niet erg opwekkende) achterkant van “kapitalismens høyborg” (“het bolwerk van het kapitalisme”: de slums van de Bronx en Brooklyn, waar misdaad (en armoede) welig tieren:
In de loop van een paar dagen ontmoet je in New York duizend mensen, van wie er circa 10 procent je beschouwt als een mogelijke prooi: kan deze man kaalgeplukt worden, neergeslagen, neergestoken, neergeschoten worden? Heeft hij contant geld op zak, reischeques, een waardevol polshorloge? En de overige 90 procent? Die zal je ook graag willen neerslaan voor een paar duiten, tweehonderd duiten, tweeduizend duiten. Zal je naar binnen willen slepen, je willen gebruiken, je doen vallen, je neerslaan.
Ook de politie en het nachtleven komen uitvoerig aan bod.
Vindt Thygesen, die zich naar aloude Amerikaanse gewoonte ook een revolver heeft aangeschaft, dat half miljoen dollar,
Dit akelige, bizarre geld dat op de een of andere manier, als een luchtspiegeling in de woestijn, in de hoofden bleef hangen van mensen die het hadden gezien,
Wel, hij vindt in ieder geval iets, maar of hij daarmee uit de problemen blijft, is een heel andere zaak…
En Michelet zou natuurlijk Michelet niet zijn, als hij niet zou uithalen naar een of ander onrecht in de Noorse maatschappij. De Nortrashipfondet-kwestie, waarbij de Noorse zeelieden van de koopvaardijvloot na de oorlog niet de premies uitbetaald kregen waarop ze normaal gezien recht hadden, komt uitvoerig aan bod.
vooral in de beschrijvingen van mensen en stedelijke omgevingen blinkt hij uit. Zijn beschrijvingen van New York(…) zorgen voor een intense onderdompeling in de onderwereld waarin de actie zich afspeelt: vuilnisbelten, gokholen, de zeemanskerk. Het doet je aan Jack London denken
schreef de journalist van het ter ziele gegane conservatieve weekblad Farmand (14.08.1982), en voegde er schamper aan toe:
alleen met dit verschil dat de ellende die London met zoveel haat en toewijding beschrijft zijn voedingsbodem vindt in de werkelijkheid, terwijl de ellende die Michelet met diezelfde haat beschrijft een valse ondertoon heeft, omdat hij als communist bij voorkeur de kapitalistische samenlevingen over de hekel haalt. Wanneer verschijnt zijn boek over de nog grotere ellende in de communistische landen? We achten het erg onwaarschijnlijk is dat het er ooit zal komen.
Nu kon Michelet moeilijk van sympathie voor Rusland en zijn vazalstaten beschuldigd worden…

Jon Michelet, Den gule djevelens by, Oslo (Oktober), 1981 ISBN 82-7094-297-9
Den gule djevelens by werd in het Duits vertaald:

Jon Michelet, In letzter Sekunde, vertaald door Gabriele Haefs, Frankfurt am Main : (Fischer-Taschenbuch-Verlag), 1990 ISBN 978-3-596-28374-3
In Panamaskipet ***(1984) houdt Thygesen zich (ver weg van Oslo) onledig met de sneeuwhoenjacht wanneer hij van een bevriende journaliste steeds dringender klinkende verzoeken krijgt om naar de hoofdstad terug te keren om er te helpen met het onderzoek naar twee illegale immigranten uit Bangladesh die spoorloos verdwenen zijn.
Thygesen heeft daar helemaal geen zin in, maar laat zich uiteindelijk toch overhalen. Maar na zijn aankomst in Oslo loopt het al direct mis. Hij wordt gearresteerd voor een moord (waar hij natuurlijk niks mee te maken heeft) en is het slachtoffer van nodeloos politiegeweld: zijn verblijf in de cel wordt uitgebreid beschreven. Toch blijkt politiadjutant Astrid Boye op het einde van de roman nog niet de slechtste te zijn.
Eenmaal terug op vrije voeten wordt het voor Thygesen stilaan duidelijk (de lezer weet dat al veel langer) dat ene Lammers, een reder die door de veranderde situatie op de oliemarkt in grote financiële moeilijkheden gekomen is, de spin in het web is – de titel van het boek verwijst naar een van zijn schepen dat in Panama geregistreerd is. Het is op dat schip dat de twee Bengalen werkten voor ze spoorloos verdwenen.
Thygesen kent Lammers overigens nog van vroeger: ze zaten op dezelfde school. En Lammers beschikt over een bijzonder lugubere assistent: Jørstad, beter bekend onder zijn bijnaam Gordo.
In Panamaskipet krijgt de gevestigde orde er natuurlijk weer geregeld van langs, en deze keer krijgt de kritiek ook een ecologisch kantje:
De lucht boven op de heuvel is licht en koud. Het waait niet, er is alleen een beetje tocht. Het is er fris. Maar Thygesen weet dat deze frisheid bedrog is. Terwijl hij door Aftenposten bladerde, vond hij een artikel met als titel “Lichtpunt in Oslo: minder lood in de lucht”. Aangezien de stad nu een conservatieve burgemeester heeft, ligt het voor de hand dat de belangrijkste conservatieve instantie wijst op eventuele lichtpuntjes. De titel had net zo goed kunnen zijn: “Lichtpuntjes in Oslo: Gestage toename roetconcentratie, de grenswaarden voor kooldioxide, stikstofoxide en zwaveldioxide worden dagelijks overschreden.
Het einde van Panamaskipet is dan weer merkwaardig en heeft een vrij hoog James Bondgehalte.
Wie in elk geval niet hoog opliep met Panamaskipet was Henning Hagerup in Kritikkjournalen 1984. Over de stijl schreef hij o.a.
Jon Michelets stijl begint stilaan krampachtige trekken te vertonen. Misschien schrijft hij nog als een vulkaan, mar veel vulkaanuitbarstingen vallen er in Panamaskipet niet te bespeuren.(…) Voor zover ik het begrijp gaat Michelet ervan uit dat taal het meest vonken slaat wanneer er zoveel mogelijk naar geslachtsorganen verwezen wordt. (…) De milieubeschrijvingen, ooit een van Michelets sterke kanten, zijn hier – enkele uitzonderingen niet te na gesproken – gereduceerd tot verplichte nummertjes.
En de inhoud was volgens hem ook niet veel soeps:
Eerst lijkt het erop dat Michelet van plan is om een boek te schrijven over de behandeling van gastarbeiders in Noorwegen en daarnaast heel wat wil zeggen over de meedogenloosheid van de rederijen. Het eerste onderwerp verdwijnt algauw spoorloos, waarschijnlijk omdat de auteur wat te vlug het quotum gastarbeiders dat hij in het boek tot zijn beschikking heeft, opgebruikt heeft. Wat het tweede aangaat: opperschurk Lammers is te veel een cliché en is daarom niet geschikt om een aanval op de scheepvaartindustrie te lanceren.
Maar ook Michelets diehard fans lieten zich niet onbetuigd. In Romerikes Blad (174.12.1984) schreef Bjørn Bjornson:
in de misdaadromans over Thygesen heeft Michelet het concept gevonden dat bij hem past, met een overvloed aan observaties, intelligente scherpe japen naar mensen en machtsfactoren van alle slag (…) Wat maakt het uit dat de woorden (in strijd met de logica van de misdaadroman) over de bladzijden gutsen?
Hij
was helemaal weg van
de manier waarop Michelet de meest verschillende milieus beschrijft en was erg te spreken over Michelets snelle karaktertekeningen:
geen enkele ervan blijft zwart-wit
Voor Bjornsons kan
Michelet (…) de vergelijking met de grote Traven1 aan, zowel qua leesplezier als qua werkelijkheidsgetrouwheid.
1 Bedoeld wordt waarschijnlijk de mysterieuze B. Traven bedoeld, een schrijver van adventure novels with proletarian themes (Wikipedia)

Jon Michelet, Panamaskipet, Oslo (Oktober), 1983 ISBN 823-7094-330-4
Panamaskipet werd in het Duits vertaald:

Jon Michelet, Auf Hartem Kurs, vertaald door Gabriele Haefs, Frankfurt am Main (Fischer-Taschenbuch-Verlag), 1990 ISBN 978-3-596-28375-0)
In Mannen på motorsykkelen ***½ (1985) is Vilhelm Thygesen opnieuw met een advocatenpraktijk gestart. Bijzonder vlot lopen de zaken niet, maar hij heeft al wel een “partner”: de 62-jarige Kaare Hagfred Sundin heeft zichzelf aangesteld als Thygesens “altmuligmann”.
Sundin is een fantast: hij beweert al heel erg veel meegemaakt te hebben, maar het is nooit helemaal duidelijk wat waarheid is en wat verzinsel:
Ik heb nog nooit zo’n veeleisend, opdringerig, zeurderig, verward individu ontmoet. Een hopeloze opschepper.
Een van de personen met wie Sundin in conflict ligt is Døscher, de zaakvoerder van de verhuisfirma A/S Oslo Transportbyrå. Sundin werd daar ontslagen na een diefstal waarvan hij – zegt hij – onterecht beschuldigd werd.
Wanneer Thygesen na een verblijf in London in verband met een andere “zaak” naar Oslo terugkeert, blijkt Døscher vermoord te zijn – door Sundin, daar zijn alle getuigen het over eens.
De politie organiseert een grote klopjacht. Van Sundin is geweten dat hij een “schuiloord” heeft in een van de bossen rond Oslo, maar hij blijft onvindbaar. Ook Thygesen trekt op onderzoek uit, en komt daardoor steeds meer te weten over de figuur van Sundin. De vraag
Hoe kunnen we ervan uitgaan dat we de waarheid over anderen weten? Die zogenaamde waarheid komt altijd tot ons in vertroebelde vorm, verdraaid, verwrongen, vervormd.
wordt dan ook een belangrijk motief in de roman.
Wanneer Thygesen Sundin uiteindelijk toch vindt (hoe en in welke omstandigheden laat ik hier onvermeld) is daarmee de moord op Døscher allesbehalve opgelost. Thygesen brengt het er uiteindelijk zelf maar op het nippertje levend vanaf.
Mannen på motorsykkelen is helemaal Michelet: rond het eigenlijke misdaadverhaal verkondigt de auteur zijn (geëngageerde) mening over alles en nog wat. De eerste 75 bladzijden zijn in dat opzicht heel illustratief. De lezer volgt Thygesen op een tocht door London en de daaropvolgende vliegtuigreis naar Oslo. Veel gebeurt er niet: Thygesens gedachten en Michelets commentaar daarop vormen de hoofdmoot.
Vervelen doet het boek echter geen moment, en daar draagt ook de soms ironische humor (de zogenaamde krantenkoppen) toe bij.

Jon Michelet, Mannen på motorsykkelen, Oslo (Forlaget Oktober), 1985
ISBN 82-7094-414-9
De roman werd in het Duits vertaald:

Jon Michelet, Mit tödlichen Auftrag, vertaald door Gabriele Haefs, Frankfurt am Main (Fischer Taschenbuch Verlag), 1990 ISBN 978-3-596-28376-7
In Thygesens terrorist ** is de voormalige advocaat 52 en (als gevolg van het bewogen leven dat hij tot dan toe geleid heeft) niet langer goed te been. Hij komt nu aan de kost als commentator in een misdaadprogramma op de Zweedse tv. Daarnaast is hij lid geworden van Hollby United, een groepje nudisten die hun hobby beoefenen op het eilandje Gressholmen in de Oslofjord. De vroegere bingokoningin Vera Hollby is een van de andere leden – vandaar de naam. Ze bridgen ook samen en houden hun strandje proper.
In de jaren 80 van de vorige eeuw waren er al wetenschappers en andere milieubewuste mensen die de toekomst van de aarde somber inzagen:
Zegt het meisje met de IJsklandse trui “het broeikaseffect”? Iedereen lijkt in de ban te zijn van de onheilsprofeten die koren op hun molen hebben gekregen door het zachte weer. Zij waren het die tijdens de erg strenge winter twee jaar geleden voorspelden dat de wereld op weg was naar een nieuwe ijstijd, een een globale overstromingsramp voorspellen. Het ijs rond Groenland zal smelten en alle havensteden, ook Oslo, zullen onder water komen te staan. Als de onheilsprofeten gelijk krijgen, zullen de eilanden in de fjord erbij liggen als nauwelijks zichtbare klippen.
Vooraan in het protest tegen de verloedering loopt in Oslo een zekere Konni, bijgenaamd “bilspretteren”: ’s nachts maakt hij het betere deel van de hoofdstad onveilig door de banden van chique auto’s kapot te steken. Hij wil Thygesen absoluut als advocaat voor het geval dat hij betrapt wordt, maar die ziet dat in geen geval zitten.
In Thygesens terrorist is Ome Jon weer zijn oude zelf en etaleert hij zijn uitgebredie kennis weer aan de hand van lange verhalende uitweidingen. Zo is hoofdstuk 13 helemaal gewijd aan de anti-Russische sfeer die in Noorwegen in de late jaren 40 van de vorige eeuw de bovenhand kreeg in Noorwegen:
Ze (= Thygesens moeder) belooft een enorme slagroomtaart voor zijn nakende verjaardig te bakken. “Maar,” zegt ze, “Als de Russen komen, kan er van een taart geen sprake zijn. Want in Rusland hebben ze geen suiker, geen room en geen meel. Ze zullen onze winkels komen plunderen.
Het wordt allemaal vlot verteld en is best leesbaar, maar de “echte” intrige in Thygesens terrorist is niet veel soeps, om niet te zeggen flinterdun: Vera Hollby wordt dood teruggevonden in de fjord en is blijkbaar vermoord. Thygesen gaat, tussen al zijn andere bezigheden door, op zoek naar de dader(s). Daarbij heeft Michelet ook nog geopteerd voor een niet bepaald origineel bloederig einde dat eerder parodiërend dan geloofwaardig overkomt.
Voor Jon Henriksen (Sarpsborg Arbeiderblad, 20.12.1989) kon Thygesens terrorist
ermee door (…) maar is het niet een van zijn beste boeken (…) het boek mist wat taalkundige originaliteit en veerkracht
Stein-Arve Myrbakk (Rana Blad, 19.12.1989) vond Thygesens terrorist
een aangenaam spannend boek, maar geen grote roman
Øyvin Søraa (Oppland Arbeiderblad, 22.11.1989) was heel wat strenger. Onder de kop

schreef hij o.a.
De warmte van met inlevingsvermlogen beschreven personages in Michelets eerdere meesterwerken over de uitgerangeerde politieman en advocaat Vilhelm Thygesen (…) heeft plaats gemaakt voor een staccato, semi-agressieve manier van typeren van personages, ook van de weinigen die uit zichzelf geen pathologisch karakter etaleren. We zijn ver verwijderd na de heerlijk vloeiende en vanzelfsprekende dynamiek van Michelets eerdere sociaal-realistische thrillers, en de vraag klinkt steeds luider: is het echt mogelijk, hebben we hier te maken met een ronduit zwak boek over Thygesen?
Øystein Rottem (Norges litteraturhistorie: etterkrigslitteraturen: Vår egen tid: 1980-1998) zag ook een wijziging in Michelets standpunt:
Zwakker is (…) Thygesens terrorist, waarin hij opnieuw een duister beeld schetst van een besmeurde wereld. In de roman stelt Michelet zich ook meer vragen dan in de vorige. Misschien is er ook iets mis met de “linkerkant”? Misschien moet die ook een deel van de schuld op zich nemen voor het feit er nieuwe rampspoed op komst is. Op die manier kan het boek gelezen worden als een kritische met het “rode” terrorisme dat Europa in de jaren ’80 teisterde.

Jon Michelet, Thygesens terrorist, Oslo (Forlaget Oktober), 1989 ISBN 82-7094-516-1
In de jaren 90 nam Thygesen een pauze. In 2001 verscheen Den frosne kvinnen (zie hierboven). Thygesen-fortellinger *** (2005) bevat 2 verhalen die in 1996 en 1997 als feuilleton in Dagbladet verschenen. Het derde verhaal verscheen in dezelfde krant in 2005. Een niet-Thygesen verhaal, oorspronkelijk gepubliceerd in Arbeiderbladet in 1988 sluit de bundel af.
Over Thygesen afwezigheid in de jaren 90 schrijft Michelet in het voorwoord dat je nu en dan de keuze maakt om “je bek te houden”:
mijn misdaadheld was nooit uit mijn gedachten, en er ging in deze twaalf jaar bijna geen dag voorbij zonder dat ik aan Thygesen dacht.
“Damer dreper da ikke” is een beetje atypisch voor Michelet, een soort whodunit. Karl-Petter Engebraaten, Thygesens buur in Bestum, wordt vermoord teruggevonden voor zijn hytte. Er zijn drie verdachten: zijn vrouw, van wie hij het levenswerk, een televisiezender, voor veel geld wil verpatsen, de eigenares van de hytte naast de zijne, van wie hij het uitzicht op de omgeving verpest heeft door de aanleg van een
een rotsblokgolfbreker die aan een gigantische penisverlenger deed denken.
en ten slotte zijn minnares.
Kalle-Pé, zoals Thygesen de man gemeenzaam noemt, was niet bepaald een sympathieke figuur en wanneer Thygesen er uiteindelijk toch achterkomt wie de moordenaar is (het feit dat hij een volslagen “tomsing” (“dommerik”) is wat de nieuwe media-apparatuur van de jaren 90 betreft, helpt hem niet bepaald), besluit hij niet naar de politie te stappen:
Kalle-Pe was een brutale vent die met een glad gezicht bijdroeg aan het voortdurende economische geweld in een samenleving die smacht naar rijkdom en de armen vertrapt (…) Hij vindt dat misdaad noodzakelijk kan zijn, straf niet altijd nodig.
De politiek geëngageerde Michelet is minder aanwezig dan in de Thygesen-romans, maar helemaal afwezig is hij niet …
Dat geldt ook voor “Stålneven”, waarin hij samen met een journalist en een fotograaf van Dagbladet naar Nesodden trekt om te onderzoeken of de zelfmoord van een linkse militant in 1974 (Thygesen was toen als openbare aanklager zelf bij het onderzoek betrokken), wel echt een zelfmoord was. Misschien werd de man wel vermoord en speelden er politieke motieven? Wanneer iemand veel nauwer bij de zaak betrokken is dan hij voorgeeft, komt Thygesen voor de zoveelste keer in een levensbedreigende situatie terecht. Niet erg diepgaand misschien, maar wel heel onderhoudend.
In “Giften i systemet” komt Thygesen nog maar eens in de problemen wanneer hij in Frederikstad betrokken wordt bij het “tumult” rond een uitgeprocedeerde Afrikaanse asielzoeker. De titel is ambigu en verwijst zowel naar het gevaar van de consumptie van methanol als naar de Noorse (immigratie)politiek.
Het afsluitende verhaal, “Et spørsmål om tid”, over een brandkastenkraker (een Belg!) met een heel eigen methode, is met zijn zo goed als totale afwezigheid van auctoriale intrusies zeker geen typische Michelet, wel een strak verteld misdaadverhaal met een spannend einde.

Jon Michelet, Thygesen-fortellinger, Oslo (Forlaget Oktober), 2005 ISBN 82-495-0270-1
In Mordet på Woldnes ***(2008) is Thygesen 70 en al een paar jaar met pensioen. Ook lichamelijk gaat het niet zo best: er is bij hem prostaatkanker geconstateerd en de mogelijkheid dat die al uitgezaaid is beheerst een groot deel van zijn gedachten.
Dan krijgt hij een aanbod van zijn oude kennis Levin om een paar dagen door te brengen in Woldnes, een privé wellness-centrum en patiëntenhotel voor wel héél rijke Noren. Levin is een van de aandeelhouders en het is niet zomaar een vrijblijvend aanbod. Er is namelijk een moord gepleegd in Woldnes: een van de dokters is om het leven gebracht en dat is natuurlijk slechte reclame.
Er wordt Thygesen een fikse vergoeding in het vooruitzicht gesteld wanneer hij de moordenaar kan vinden; de politie is daar immers nog niet in geslaagd:
Je bent te gast in het patiëntenhotel, maar tegelijkertijd ben je de privédetective die de moord probeert op te lossen
En dus komt Thygesen terecht tussen patiënten uit de kringen die hij uit zijn jeugd kent (reders, grote beleggers, tv-mogols…) en voor wie hij gezien zijn maatschappijvisie maar weinig sympathie voor voelt:
Ik denk niet dat ik pas in zo’n mooie omgeving, met zo’n hoge aanstellersgehalte
Met deze setting lijkt de lezer terecht te komen in een soort Agatha Chtistieverhaal: er is de specifieke locatie waar het grootste deel van de handeling zich afspeelt, er zijn de vele potentiële daders, van wie er velen een idee blijken te hebben over wie de echte moordenaar is. Michelet heeft daar zelf op gewezen in Brev fra de troende:
Ik heb een compactere schrijfstijl met veel dialoog gebruikt dan in de vroegere romans over Thygesen. Het boek schurkt aan tegen het klassieke misdaadmysterie, à la Agatha Christie, met de moord op een exclusieve plek op het platteland. Meer dan voordien houd ik me aan de regel van eenheid qua tijd en plaats in het misdaadverhaal. Het experimentele ligt deze keer in het inbrengen van sterk persoonlijke elementen in een roman die tot het misdaadgenre behoort.
“Sterk persoonlijke elementen” verwijst naar het feit dat hij zelf prostaatkanker had toen hij Mordet på Woldnes schreef. Maar Michelet blijft Michelet en legt wel degelijk een duidelijke link naar een hedendaagse problematiek.
En natuurlijk vindt Thygesen de dader. Hij krijgt daarbij een waardevolle tip van Renate Winløv, die de lezer nog kent uit “Giften i systemet”. Er komen zelfs felicitaties voor hem uit een eerder onverwachte hoek:
“Bedankt”, zegt Stribolt. “Ik haat het uit de grond van mijn Kriposhart, maar ik moet het toegeven: je bent eigenlijk best behulpzaam geweest.”
Er volgt dan nog een merkwaardige epiloog. Eerder, tijdens zijn verblijf in Woldnes, had Thygesen nog met spijt teruggekeken op zijn verleden:
Hij had zijn leven anders moeten inrichten. Hij had bij Astrid moeten blijven, met wie hij getrouwd was in een tijd die oneindig ver weg lijkt, en een stel kinderen en kleinkinderen hebben. Hij zou zich ver weg moeten houden van het naïeve, utopische links in de politiek. Hij had zich rechts moeten opstellen. Vaste koers aanhouden op de rechterbaan van de samenleving. Hij zou een vooraanstaand advocaat moeten worden die zijn stempel op het rechtssysteem drukte.
maar nu lijkt hij toch een soort innerlijke rust gevonden te hebben. Zelf zei Michelet over mordet på Woldnes (Dagsavisen, 12.03.2008)
Ik beschouw Mordet på Woldnes bijna als een soort humanistisch manifest. Thygesen onthult niet het kwaad dat in de mensen zit, maar het goede. Wanneer de moord is opgelost, zijn er velen die positieve dingen zeggen over de dader – we begrijpen dan gemakkelijker waarom wat gebeurd is, gebeurd is. Ik geloof dat we er in dit land in kunnen slagen om ons fatsoenlijk te gedragen.

Jon Michelet, Mordet på Woldnes, Oslo (Forlaget Oktober), 2008 ISBN 978-82-495-0550-0
Andere “spenningsromaner” uit Michelets omvangrijke oeuvre zijn o.a.
► Angrepet på Longyearbyen ***½ (1978)
Dat Jon Michelet nooit een fan van de Sovjet-Unie is geweest (voor hem een imperialistische supermacht van hetzelfde allooi als de Verenigde Staten) bleek al uit Orions belte en de korte roman Angrepet på Longyearbyen (1978) bevestigt dat. In het voorwoord schrijft hij over de roman:
Hij is bedoeld als een waarschuwing. De waarschuwing is in de eerste plaats gericht tegen de grootmacht Sovjet-Unie, die zo’n aanval concreet plant. Maar het boek is ook een waarschuwing aan de Noorse instanties die ervoor kiezen om deze plannen te negeren, om hun kop in het zand te steken nu de Russen provoceren en dreigen.
Het woord “fremtidsroman” (“toekomstroman”) moet dan ook met een korrel zout genomen worden: Angrepet på Longyearbyen verwees in het jaar dat het verscheen naar iets wat volgens Michelet wel in de toenmalige heel nabije toekomst zou kunnen gebeuren.
In het boek draait alles (op een aantal verwijzingen naar de Tweede Wereldoorlog na) om een militaire aanval die de Sovjet-Unie lanceert tegen het hele niet-Warschaupactgedeelte van Europa. Het pseudodocumentaire karakter van het boek wordt nog versterkt door foto’s van (voornamelijk Russisch) wapentuig waarmee ieder hoofdstuk begint.
In die korte hoofdstukken beschrijft Michelet het verloop van de oorlog. Die begint in Oost- en Zuid-Europa, maar spoedig komt ook Noors terrein in het vizier: Longyearbyen is de grootste nederzetting op het eiland Spitsbergen. Daar wordt een hopeloze strijd gevoerd tegen de Sovjet-Russische overmacht. Michelet geeft de Noorse verzetsstrijders daarbij wel een erg idealistisch karakter:
ze was geen revolutionair uit eigenbelang: het waren anderen die ze moest helpen op weg naar een betere samenleving. Het zou een wereldoorlog worden. Maar het was voor de anderen dat ze tegen de oorlog vocht.
Angrepet på Longyearbyen heeft een open einde: hier en daar verspreid over Europa zijn er nog kleine verzetsgroepen actief…
Orions belte en Angrepet på Longyearbyen zijn allebei romans vol actie en geweerschoten met moedige mannen in de hoofdrol (Tor Sveum, Svalbardlitteratur; En bibliografi, Tromsø, 1987)

Jon Michelet, Angrepet på Longyearbyen, Oslo (Forlaget Oktober), 1978
ISBN 82-7094-222-7
► Terra Roxa *** (1982)
Terra roxa is Portugees voor “rode aarde.” Zo ziet de aarde eruit in de Braziliaanse deelstaat Mato Grosso, die voor de rest veel weg heeft van “een groene hel”. Michelets roman is een scherpe aanklacht tegen het toenmalige Braziliaanse dictatoriale regime, dat gekenmerkt werd door miskenning van de fundamentele mensenrechten, beknotting van de vrijheid van meningsuiting, uitmoording van de oorspronkelijke Indianenbevolking en onvoorwaardelijke steun aan (ook buitenlandse) grootgrondbezitters. De gevolgen voor de “gewone” bevolking laten zich raden: armoede en ziekten. Het is een werkelijkheid die heel ver ligt van
Braziliës valse imago: sambacarnaval, nachtelijk lawaai, loomheid, tieten in de zon, geslaapwandel, palmgeruis, bossa nova
Het onderwerp van Terra Roxa is realistisch genoeg; de uitwerking ervan in de roman is dat minder. Alles wordt gezien door de ogen van de 33-jarige Noorse “arts-missionaris” Bjørg Sognedal, die een soort dagboek bijhoudt en er al een periode als ontwikkelingshelper in Kameroen op zitten heeft. Het heeft haar blik op de wereld grondig veranderd:
We laten de armen malaria krijgen. We worden elk jaar geconfronteerd met honderd miljoen mensen die het slachtoffer worden van malaria. We hebben er geen probleem mee dat een half of een heel miljard mensen moeten rondlopen met wormen in hun bloed, wormen in hun celweefsel, wormen in hun ogen.
Het minste wat je van Bjørg kan zeggen is dat ze een hoogst ongebruikelijke, atypische missionaris is die niet binnen het traditionele referentiekader van de Noorse staatskerk past: haar religieuze opvattingen zijn niet bepaald orthodox en haar taalgebruik allesbehalve “luthers”:
er gebeuren choquerende dingen met een missionaris die aankomt in ongerepte weiden waar hij/zij de eerste herder kan zijn sinds de schepping
zegt ze zelf.
Verwonderlijk is het niet dat Michelet van feministische kant het verwijt kreeg dat hij (zoals ook de mannelijke criticus Øystein Rottem het in zijn recensie van de roman formuleerde)
haar vanuit zijn eigen masculiene beeld heeft gecreëerd (Fantasiens Tiår)
Zelf beschrijft Bjørg haar dagboekrelaas als
niet zozeer godslasterlijk (…) maar surrealistisch, retorisch, bombastisch, onrealistisch, romantisch, didactisch, moralistisch
Met zijn niet-rechtlijnige structuur, zijn uitgebreide personengalerij en zijn nogal barokke taalgebruik is Terra Roxa niet echt gemakkelijke lectuur
Het is een bruisend boek dat fonkelt van nauwkeurige observaties, treffende verwoordingen, gedurfde en verrassende beelden en formuleringen. (Rottem)
Idalou Larsen (Sirene, 1982/2) was echter niet overtuigd:
Jungel-Bjørg is een postulaat, en op zich gezien een postulaat dat ik heel goed kan accepteren, ze is niet waarschijnlijk, maar het zou wel geloofwaardig kunnen zijn. Wat vals klinkt is dat Michelet overdrijft. Hij had zich moeten beperken tot het portretteren van een non-conformistische en kwieke vrouwelijke missionaris! Maar door de openhartige ik-vorm heeft hij zich ook verplicht gevoeld om een deel van haar intiemste fysieke leven te beschrijven (…) en dan houdt de illusie geen stand meer. (…) mijn voornaamste bezwaar tegen Terra Roxa is dat lange stukken ervan verschrikkelijk saai zijn. Michelet heeft zijn schrijfkriebels de vrije loop gelaten: hij had echter meer aan de intrige moeten werken.

Jon Michelet, Terra Roxa, Oslo (Gyldendal Norsk Forlag), 1982 ISBN 82-05-14096-0
De roman werd in het Duits vertaald:

Michelet, Terra Roxa, vertaald door Gabriele Haefs, Hamburg (Kabel), 1989
ISBN 978-3-8225-0094-1
Verder schreef Michelet o.a.
► Le coconut ***½ (1988) is een soort dagboek van de hand van Charles de Chaumont, een Franse baron (dat beweert hij tenminste zelf) die een hotel van een niet al te hoge standaard exploiteert op het eiland Mauritius. Hij heeft vroeger een omzwervend bestaan geleid, is niet zonder culturele bagage, leeft in onmin met de rest van zijn familie en is meer dan middelmatig in seks geïnteresseerd. Bij dat laatste is o.a. zijn nicht Marie Helene hem behulpzaam.
Today, I had my first long talk with the proprietor of this dinghy hotel, Monsieur Charles, who is said to be some kind of a nobleman, a cheap bastard, a former student of the fine arts, a pervert, and a com[m]itted bi-sexual. In spite of all this, I liked him quite well.
Het citaat komt uit een manuscript dat in de kamer van de Noorse hotelgast Alv Ladim (Chaumont noemt hem consequent “Vadim” naar de Franse regisseur) gevonden werd na diens spoorloze verdwijning. Chaumont is o.a. daardoor erg geïnteresseerd in wat Vadim te zeggen had. Hij kent geen Noors, maar Siri Breivik, een Noorse ontwikkelingshelpster die ook in het hotel logeert, (Chaumont noemt haar consequent “Bergen” naar de Noorse stad waar ze vandaan komt), vertaalt het voor hem.
Chaumont neemt Bergens vertaling (ze vertaalt één bladzijde per dag) op in zijn “dagboek”, levert er commentaar op, maar bespreekt ook de situatie op Mauritius en zijn eigen doen en laten.
Niemand kan er mij van beschuldigen geen zelfironie te bezitten.
merkt hij daarbij terecht op. Wat Chaumont echter niet doorheeft, is dat er ondertussen ook een complot tegen hem gesmeed wordt. Hoe die vork juist in de steel zit, wordt pas duidelijk in een paar brieven aan het einde van de roman.
“En annleis Afrika-bok” (“een andersoortig boek over Afrika”) staat er op de achterflap van de pocketuitgave van Le Coconut, en dat is het ook: geen diepgravend commentaar op economische uitbuiting of interraciale problemen, maar vaak wel erg grappig, zoals wanneer Chaumont in dronken toestand via de boordradio van zijn boot in contact probeert te komen met de een paar dagen daarvoor in een “jacht” verdwenen Vadim. Hij werkt daarbij danig op de zenuwen van wie de noodfrequentie wel nodig heeft. Ook de brief die Marcel Beauval, Chaumonts voormalige factotum en nu “inspektør ved hotellet” naar Ladims zus schrijft, valt in dezelfde categorie.
De plaatsen die in het boek beschreven worden heb ik allemaal zelf bezocht. De intrige is gebaseerd op waanzinnige voorvallen die ik zelf heb meegemaakt, zegt Michelet. Hij benadrukt dat alle personages een speciale reden hebben om op Mauritius te vertoeven. Of anders gezegd, ze hebben een speciale reden om zich nergens anders op te houden (…) Ook lijkt de roman op het eerste gezicht een leuk en gek boek, toch ben ik een schrijver met een boodschap. Deze roman is geen vat zonder inhoud. Achter de façade zitten de nodige ernst en een idee. (Haugesunds Avis, 17.10.1988)

Jon Michelet, Le Coconut, Oslo (Forlaget Oktober), 19942 ISBN 978-82-7094-657-0
► Snøfonnenes geograf **** (2009)
Wat al opviel in Mordet på Woldnes is ook duidelijk in het een jaar later verschenen Snøfonnenes geograf at als ondertitel “Sju fortellinger, og et dikt av min mor” (Zeven verhalen en een gedicht van mijn moeder” heeft. De toon is minder heftig, het taalgebruik minder overdadig. Maar de sociale dimensie is er nog altijd.
Dat blijkt al uit het titelverhaal. Die titel verwijst naar de hobby van de hoofdpersoon, de 63-jarige Johannes Mørk:
Ik breng sneeuwformaties in kaart die lijken op over onze aardbol verspreide geografische formaties en beeld ze af.
Mørk is zijn job kwijtgeraakt:
Mijn eigenlijke misdaad is dat ik op het verkeerde moment arm en geradbraakt werd in ’s werelds rijkste land, een land waar alles op wieltjes loopt; een land, dat overvloeit van olie en honing.
Een impulsieve daad die daar het rechtstreekse gevolg van is, zal hem duur te staan komen. Een sterk verhaal.
Ironie overheerst in “Den lyseblå kajakken”, waarin Gerhard Planck, de “styreformann” (“voorzitter van de raad van bestuur”) van de holdingcompany “Seven Seas”, aan het woord is, en zijn licht doen schijnen op de financiële crisis van 2008. De banken en de rijken hebben daar volgens hem geen schuld aan; de echte reden is
dat miljoenen gewone Amerikanen hypotheken afsloten, en daarna bleek dat ze onvoldoende inkomsten hadden om die af te betalen. De inhaligheid van de bevolking zorgde ervoor dat ze woningen kochten die qua prijs meer kostten dan ze zich konden veroorloven.
Overigens is het de kleine man (in dit geval Plancks buur) die het gelag zal betalen:
Er rust een loodzware hypotheek op zijn gemoderniseerd kleine boerenbedrijf en dat zal hij duidelijk voelen wanneer zijn bank […] nu de rentevoet van zijn lening aanzienlijk verhoogt, onder andere om haar eigen verlies in Lehman Brothers te compenseren.
En dan maar verontwaardigd zijn over de losse verkoopprijs van Aftenposten:
pure hebzucht, zonder meer
Maar in Snøfonnenes geograf zit dus ook een nieuwe invalshoek: het besef van de vergankelijkheid van het leven (zowat alle hoofdpersonen zijn de 60 al voorbij) en de beangstigende onwetendheid over de toekomst, met de daarmee samenhangende melancholie. In het mooie “Verdens lys” (Het licht van de wereld”) verliest Hauk Haugland, invalide verklaard en nu “tewerkgesteld” in een “charity bookshop” zijn nieuwe vriendin aan kanker. Ter harer ere “dooft” hij alle licht op de “jorden om natten1-kaart van National Geographic.
1 de wereld ’s nachts
Daarbij komt nog een opvallende religieuze tolerantie:
Ik geloof niet in de mythe van het eeuwige leven, maar natuurlijk laat ik Monika geloven in deze prachtige door mensen gecreëerde mythe.
Religie was al uitgebreid aan bod gekomen in het in 2008 als e-bok gepubliceerde Brev fra de troende (zie hieronder)
In “Møter ved båthuset” “Ontmoetingen bij het boothuis”), een van de vier episodes uit het leven van Fred Iver Kjenner, ontmoet die opnieuw het meisje (nu een vrouw van laat middelbare leeftijd) dat 40 jaar geleden haar verloving met hem verbrak. Sterk aanwezig is hier het besef dat
het noodlot en ons gemoed […] ervoor [zorgen] dat we soms fatale fouten maken
De autobiografische inslag in de verhalen is duidelijk: zowat alle hoofdpersonen hebben iets met de scheepvaart te maken, Mørk heeft een verhalenbundel geschreven, Michelet heeft zelf kanker gehad… Het sterkst komt het autobiografische element tot uiting in het afsluitende “Min mors dikt ‘Barndomsminner'”, geen verhaal, maar en soort commentaar bij een lang gedicht dat zijn moeder ooit schreef en waarin ze jeugdherinneringen ophaalde:
het gedicht […] heb ik hier bijgevoegd om haar te eren en te gedenken, en om mijn lezers iets te geven dat ik ze nog nooit eerder heb gegeven
Jon Michelet schrijft met medegevoel en warmte over beslissende keuzes en momenten in het menselijk leven, over gebeurtenissen die iemands hele bestaan en omstandigheden reliëf geven. (Forlaget Oktober, 2009)

Jon Michelet, Snøfonnenes geograf, Oslo (Oktober), 2009 ISBN 978-82-495-0660-6
► Brev fra de troende (2008)
De directe aanleiding voor het hierboven al vermelde Brev fra de troende (2008) was een interview met Jon Michelet in het najaar van 2005 in de krant “Vårt Land” onder de titel “Evig ateist”. Dat interview wordt in dit boek weergegeven in hoofdstuk 12.
Twee jaar later vond hij de brieven terug van een aantal gelovigen die er hem naar aanleiding van het interview probeerden van te overtuigen dat hij het niet bij het rechte eind had. Michelet geeft in Brev fra de troende (“brev” is hier dus een meervoud) een aantal fragmenten uit die brieven weer en verklaart daarbij omstandig waarom hij bij zijn standpunt blijft.
Ik heb nooit gemerkt dat ik in God geloof – in welke vorm dan ook. Ik formuleer het zo: ik verlang er wel naar om te geloven, maar voor mij zal het een wandeling in de woestijn blijven. Ik kan geen enkele bron vinden.
zei hij al in het interview met “Vårt Land” en op dat idee borduurt hij hier verder:
Ik heb telkens weer gezondigd tegen wat ikzelf waardevol vind. In die zin ben ik een berouwvolle zondaar. Ik heb andere mensen uitgebuit, gekwetst en gekrenkt. Maar ik zie niet in hoe ik tegen iemand anders gezondigd kan hebben dan tegen deze mensen zelf.
Dat er niets meer is na de dood is een donkere gedachte. Maar ik kan mezelf niet bedriegen, ik kan geen bronnen vinden die er niet zijn.
Ik kan het niet geloven, hoe graag ik dat ook zou willen. De kaars wordt uitgeblazen en het is gedaan. Je leeft verder in de gedachten van wie het dichtst bij je staan. Er gaat een generatie of twee voorbij, en dan ben je verdwenen uit de herinneringen van de levenden, en word je – aangezien je ooit schrijver was en wat sporen in boeken achterliet – gevonden als trefwoord in een encyclopedie op papier of online: Jon Michelet, Noors auteur.
En verzoenender:
Val ik wie gelooft aan, is God een vijand? Nee, ik val God noch zijn volgelingen frontaal aan. Op een vriendelijke manier heb ik geprobeerd uit te leggen waarom het christelijke Godsconcept mijn ding niet is. Dat komt vooral omdat ik heel sceptisch sta tegenover het idee van het eeuwige leven. Dit is waar het voor mij om draait. Mocht ik in het eeuwige leven kunnen geloven, dan zou ik in God kunnen geloven.
Na verloop van tijd duikt er een tweede thema op: bij Michelet wordt prostaatkanker vastgesteld. Hij beschrijft hoe hij de lichamelijke en geestelijke effecten van de strijd ertegen ervaart. Een ding staat voor hem al van bij het begin vast:
Als ik morgen te horen krijg dat het resultaat van het bloedonderzoek slecht is, moet ik proberen om te gaan met die tegenslag, zonder neerslachtig en hulpeloos te worden, zonder een God die mij steunt.
Om zijn betoog te illustreren citeert Michelet vaak anderen, zoals Hans Olav Tungesvik, een Kristelig Folkeparti-politicus en psychiater, die “Når kreft gir kraft” geschreven heeft. Ook de dichter Walt Whitman komt aan het woord, en de bekende Amerikaanse psychiater Irvin Yalom, bij wie hij steun voor zijn standpunten vindt:
Ieder mens ervaart de angst die gepaard gaat met de gedachte aan de dood, de zinloosheid, de vrijheid (dat wil zeggen: het totale gebrek aan structuur in het bestaan, das Nichts) en wezenlijk isolement – en religie ontstaat als de fundamentele poging van de mensheid om existentiële angst te bestrijden. Religieus geloof is overal aanwezig omdat dat existentiële angst overal aanwezig is.
En zoals altijd bij Michelet is de politiek nooit ver weg…

Jon Michelet, Brev fra de troende. Ei bok om tro og tvil, Oslo (Forlaget Manifest), 2008 ISBN 978-82-9286608-5
Je vindt het boek ook hier.
Erg veel succes had Jon Michelet in Noorwegen met zijn in 2012 begonnen cyclus “En sjøens helt” over de Noorse handelsvloot tijdens de Tweede Wereldoorlog.


In de eerste roman, Skogsmatrosen **½ (2012), verlaat de jonge Halvor Skramstad op 17 december 1939 zijn ouderlijk huis om “lettmatros” te worden op het cargoschip Tomar. Hij heeft dan al wel enige ervaring opgedaan in de Noordzee op een kleiner schip. Halvor komt uit Rena,
in het hart van Zuid-Noorwegen
en dat levert hem algauw de bijnaam “Skogsmatrosen” (“de bosmatroos”) op.
Halvors eerste reis met de Tomar brengt hem al direct naar het Verre Oosten, en zijn wel en wee wordt vanuit twee elkaar afwisselende standpunten verteld: er is derde-persoons point-of-view met Halvor als centrale figuur, en er is Halvors dagboek – niet dat het onderscheid qua toon tussen die twee invalshoeken erg groot is.
Naast de “belevenissen” van Halvor en de rest van de bemanning (waarbij o.a. het cliché van de zeeman met een vrouw in iedere haven grotendeels bevestigd wordt) is ook de achtergrond waartegen alles zich afspeelt erg belangrijk: de oorlogsdreiging in Europa en daarna het echte uitbreken van de vijandelijkheden.
Het zijn vooral berichten van radioamateurs die de bemanning van de Tomar op de hoogte houden. Op de terugweg naar Europa, voor ze Aden aandoen, krijgen ze zo te horen dat nazi-Duitsland Noorwegen binnengevallen is. De angst voor wat er tijdens de Duitse bombardementen gebeurd zou kunnen zijn met hun familieleden houdt vanaf dan de bemanningsleden (en zeker Halvor) voortdurend bezig.
Net zoals de andere Noorse schepen die zich buiten de Duitse invloedssfeer bevinden, weigert ook de Tomar de bevelen van de nieuwe machthebbers in Noorwegen op te volgen. Het cargoschip sluit zich aan bij NORTRA (the Norwegian Shipping and Trade Mission) en wordt ingeschakeld in het verschepen van levensnoodzakelijk voedsel en oorlogsmaterieel van Noord-Amerika naar Groot-Brittannië, een bijzonder heikele opdracht want overal op de Atlantische Oceaan liggen er Duitse onderzeeërs met hun torpedo’s op de loer.
Skogsmatrosen heeft “vaart”: de belevenissen van de Tomar worden met verve verteld. Wel jammer is dat de karakters nogal eendimensionaal blijven. Het toekennen van één specifieke karakteristiek aan heel wat van de personages versterkt die indruk nog. “Tillitsmann” Båsen (die eigenlijk Jørgensen heet) grossiert in al dan niet gewilde versprekingen van het type
Er zijn hier elementen kro en pontra
Geir Ole (met wie Halvor een kajuit deelt) is een verwoed visser. Sildebakken is erg bijgelovig en Eiebakken
het christendom in hoogst eigen persoon
Daarbij komt nog dat het zonder uitzondering harde werkers en goede (lees: patriottische) Noren zijn – kapitein Nilsen maakt wel eens een uitschuiver, maar dat gebeurt alleen onder invloed van een overmatige hoeveelheid sterkedrank. Michelet (hij zal het zelf niet graag horen) komt soms wel dicht in de buurt van het Sovjet-Russisch “sociaalrealisme”.
Hij kan het ook weer niet laten zijn antikapitalistisch stokpaardje te berijden en strooit daarnaast gewoontegetrouw ook weer kwistig rond met (in dit geval niet altijd echt ter zake doende) informatie. Dat gebeurt hier vooral door die informatie in de mond van de personages te leggen – en dat geeft de dialogen soms wel een implausibel en/of hoogdravend tintje. Vooral kapitein Nilsen en scheepstimmerman Flise-Guri kunnen er wat van. Twee voorbeelden:
Prytz verdiende een fortuin met grootschalige bosbouw in het Rusland van voor de revolutie. Toen hij terugkeerde naar Noorwegen, kocht hij het landgoed Storfosen aan de kust van Trøndelag. Op deze boerderij woonde in de vijftiende eeuw een van Henrik Ibsens heldinnen, Fru Inger til Østraat. Ibsen beschrijft haar als de laatste voorvechter van de Noorse onafhankelijkheid. Dus nu heeft de heer van Østråt zich aangesloten bij een regering die Noorwegen aan Duitsland wil uitleveren en onze onafhankelijkheid wil vernietigen.
(Frederik Prytz was minister van financiën in de “regering ” Quisling)
De Deense vlag (Danebrog) is niet alleen een trotse vlag […] Het zou ook de oudste nog in gebruik zijnde vlag ter wereld kunnen zijn. Een Deens leger dat in de twaalfde eeuw op kruistocht was in het heidense Estland kreeg volgens de legende de vlag op het hoofd vanuit de hemel. We mogen niet vergeten dat de rode vlag met het witte kruis tot in 1814 ook onze vlag was.

En Halvor, die leest “grote” literatuur: voor Hamsun draait hij (ondanks diens fascistische sympathieën) zijn hand niet om. Ook aan Joyces Ulysses (in het Engels!) begint hij, maar moet dan toch toegeven dat dat wel een beetje zijn petje te boven gaat:
Ik vind ook dat niet alles wat het romanpersonage Stephen Dedalus onderneemt vreselijk spannend is. De vorig jaar overleden James Joyce is meer geïnteresseerd in merkwaardige gedachtesprongen en slimmigheden dan in actie.

Jon Michelet, En sjøens helt. Skogsmatrosen, Oslo (Forlaget Oktober), 2012
ISBN 978-82-495-0917-1
Skytteren **½ (2013) is het directe vervolg op Skogsmatrosen en speelt zich af in de periode 28 oktober 1940 tot 5 februari 1941. Halvor Skramstad is hersteld van de lichamelijke en geestelijke verwondingen die hij opgelopen heeft en monstert nu in IJsland als “lettmatros” aan op de grote tanker “Iberia”, die voor Nortraship olietransporten uitvoert tussen de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk.
De Iberia is een veel groter schip dan de Tomar (in de dagboekfragmenten heeft Skramstad het nog geregeld over de tijd die hij daar aan boord doorbracht) en heeft dan ook een veel grotere en (qua nationaliteiten) heterogene bemanning. Gelukkig zorgt Michelet op bladzijde 61 e.v. voor een overzicht.
Onder die bemanning (die overigens niet de hele tijd dezelfde blijft) bevinden zich ook nu weer een paar heuse intellectuelen die voor een aantal discussies “op niveau” zorgen. Zo is kok Gryteulven een aanhanger van Freud en diens discipel Wilhelm Reich en zet donkeyman Melchior op een bepaald moment een boom op over
de Griekse tragedie. Niet de tragedie over de rotzak Mussolini die Griekenland heeft aangevallen, maar de Griekse tragedie uit de klassieke oudheid.
Verrassend genoeg is er ook een vrouw aan boord, Fridy Corneliussen, de vrouw van de steward, en ze is niet op haar (Deens) mondje gevallen. Een gemengde bemanning zorgt onvermijdelijk ook voor interne spanningen. Zo zijn er twee Finnen aan boord, van wie de ene in 1939 voor de “roden” gevochten heeft en de andere voor de “witten”, en dat leidt tot hevige (maar niet van enige humor gespeende) confrontaties tussen de twee.
Niet iedereen kan de voortdurende (en ook psychologische) dreiging aan: een olietanker wordt niet voor niets een “flytende bombe” genoemd. Tijdens de tochten over de Atlantische Oceaan liggen Duitse onderzeeërs en kruisers voortdurend op de loer om de geallieerde schepen zoveel mogelijk averij toe te brengen. De laatste overtocht van de Iberia eindigt dan ook niet zoals verwacht/verhoopt.
Skramstad zelf brengt een groot deel van zijn tijd door aan het roer van de olietanker, maar heeft daarnaast ook een functie als schutter en het lukt hem om met de op dek gemonteerde machinegeweren een paar Duitse vliegtuigen neer te halen – vandaar de titel.
Veel aandacht is er ook voor Skramstads relatie met de Ierse Muriel, die hij in Liverpool heeft leren kennen. Hier dreigt een oerkatholieke priester (Skramstad zelf is in theorie protestant) roet in het eten te gooien.
Skytteren is net zoals Skogsmatrosen soms een beetje naïef en wijdlopig (zo wordt Skramstads activiteit als redacteur van de scheepskrant wel erg uitvoerig behandeld), maar spannend is het wel en het had in elk geval impact: na de publicatie van het tweede deel kwam de toenmalige minister van defensie Anne Grete Strøm Erichsen met officiële excuses van de Noorse staat voor de manier waarop de oorlogsmatrozen na de oorlog bejegend werden (Bernt Erik Pedersen, Rogalands Avis, 08.09.2018)

Jon Michelet, En sjøens helt. Skytteren, Oslo (Forlaget Oktober), 2013
ISBN 978-82-495-1361-1
Gullgutten **½ (2014) bestrijkt de periode van 7 maart 1941 tot begin april 1942. Zodra de noodzakelijke reparaties uitgevoerd zijn, begint de olietanker “Iberia”, met Halvor aan boord, aan een nieuwe tocht over de Atlantische Oceaan.
Lang duurt Halvors reis niet: hij wordt met een blindedarmontsteking van het schip gehaald nog voor dat het schip de Britse wateren goed en wel verlaten heeft en belandt in een gedeeltelijk tot ziekenhuis omgebouwde psychiatrische instelling in de buurt van Swansea.
Wanneer Halvor uit het ziekenhuis ontslagen wordt gaat hij op zoek naar een nieuw Nortaschip. Zijn relatie met de plaatselijke vertegenwoordiger van de Noorse overheid is niet bepaald goed, maar toch raakt hij aan boord van de olietanker “Vivian” wanneer er daar iemand gewond afgevoerd wordt. Halvor wordt wel maar als lichtmatroos aangenomen, maar zal later wel weer tot matroos bevorderd worden.
Zijn aanmonstering heeft Halvor in belangrijke mate te danken aan Jespersen, de Noorse consul in Liverpool, die hem in een aanbevelingsbrief als
een echte kerel van goud
omschrijft. In Liverpool heeft hij op dat ogenblik al zijn groot hart getoond door Sam Hopkins, de ex-verloofde van Muriel, een “lifeline” te verschaffen.
Met de “Vivian” doet Halvor weer een aantal havens verspreid over een groot deel van de wereld aan: van Halifax in Canada tot Walvisbaai in zuidelijk Afrika. In Curaçao toont hij via een nummertje “flateren” nog maar eens dat hij zijn naïveteit nog niet (helemaal) verloren is.
Aan boord van de Vivian bevinden zich ook nu weer een aantal “speciale” figuren. Zo is kapitein Coldeweyn wel erg verschillend van zijn equivalent op de “Iberia”: hij is een een “lugarkaptein” die
bijna nooit op de brug komt
Voor Halvor heeft hij wel iets van een operettekapitein. Daarenboven zijn er geruchten dat Coldeweyn er voor de aanvang van de Tweede Wereldoorlog behoorlijk rechtse sympathieën op nahield. Halvors communistische vader is voor Coldeweyn in elk geval een reden om Halvor (zeker in het begin) met het nodige wantrouwen te bejegenen. Verder worstelt Coldeweyn met depressies en spreekt hij een wel erg formeel Noors.
Andere bemanningsleden zijn o.a. Lauritz Schjerwen, Halvors “lugarkamerat”, die als kleptomaan en occasioneel druggebruiker door het leven gaat, en “smøreren” (later “motormannen”) Monrad Fister, ook wel “Fister-faen” genoemd, een ongelooflijke vuilbek en “trettekjær”(“twistziek”) in de hoogste graad. Hij zoekt voordurend ruzie met Jan en alleman (een van Halvors tanden gaat eraan en eruit tijdens een van hun confrontaties) en koestert daarbij nog een onverholen sympathie voor het oprukkende Japanse leger. Hoewel, zo enorm slecht blijkt hij uiteindelijk toch weer niet te zijn: Michelet heeft duidelijk een onwrikbaar vertrouwen in de fundamentele goedheid van de Noorse zeeman.
Ondertussen is Hitler-Duitsland de Sovjet-Unie binnengevallen en zijn de Verenigde Staten na de Japanse aanval op Pearl Harbour ook rechtstreeks betrokken geraakt in de Tweede Wereldoorlog. De strijd op de verschillende fronten volgt de lezer via aantekeningen in Halvors dagboek. Want dat houdt hij nog steeds bij:
Ik hou een soort uitgebreid logboek bij waarin ik een aantal aspecten van en gebeurtenissen uit deze chaotische oorlog opteken.
en hij gaat er ook mee door nadat het van hogerhand officieel verboden wordt:
Ik moet schrijven om mijn gedachten en gevoelens de vrije loop te laten. En ik vind eerlijk gezegd dat het verbod verdomde onzin is. Ik heb geen grote oorlogsgeheimen om over te schrijven.
Een groot probleem voor de Noorse handelsvloot is dat de Amerikanen weinig aandacht besteden aan de verdediging van hun oostkust, waar het nochtans (in het kader van de Duitse operatie “Paukenschlag”) wemelt van de Duitse onderzeeërs. Dat dezelfde kustlijn onvoldoende verduisterd is en dus onvermijdelijk voor problemen moet zorgen, ondervinden Halvor en de rest van de bemanning van de “Vivian” aan den lijve. Voor Halvor is de conclusie duidelijk:
Nooit kies ik nog voor een tanker, laat daar geen twijfel over bestaan.
Gelukkig is er nog Muriel, die nu een verpleegstersopleiding volgt, om ervoor te zorgen dat hij de moed niet laat zakken
Op het stofomslag van Gullgutten wordt Dagbladets John O. Egeland geciteerd:
Nu hebben de oorlogszeilers eindelijk een sprankelend monument gekregen … Het zeewater spat van de ongeveer 1200 bladzijden, maar de boeken stralen ook een warmte uit die ontroert en tot nadenken stemt. Het is misschien geen perfecte literatuur, maar wel verduiveld effectief.
Wat Egeland hier zegt over delen 1 en 2 van de cyclus, geldt ongetwijfeld ook voor deel 3. De foto op de cover verwijst overigens naar een scène die zich aan boord van de “Vivian” afspeelt: een bokswedstrijd tussen Skramstad en Coldeweyn (in een van diens “actieve” periodes): de eerste waant zich superieur, maar krijgt dan onverwachts een ferme peut te verwerken.

Jon Michelet, En sjøens helt. Gullgutten, Oslo (Forlaget Oktober), 2014
ISBN 978-82-495-1407-6
In 2015 verscheen het vierde deel van de reeks “En sjøens helt”: Blodige strender **½
Blodige strender dekt de periode van 19.04.1942 tot en met 06.06.1944, wanneer de inval in Normandië net begonnen is.
Op 19 april 1942 bevindt Halvor Skramstad zich in New York, waar hij wacht op een nieuwe aanmonstering. Hij verneemt er wel twee dingen over Nortraship die eigenlijk geheim zijn.
Nortraship was de staatsrederij die bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog opgericht werd om de Noorse handelsvloot te controleren. De hele oorlog lang verrichtte de handelsvloot vrachtvervoer voor de geallieerden, die goed betaalden voor de ingehuurde tonnage. Na de Tweede Wereldoorlog ontvingen de Noorse scheepsexploitanten bijna drie miljard kronen van Nortaship. Vele jaren lang werd er hard geruzied over het Zeemansfonds van Nortraship, dat microscopisch klein was in vergelijking met het aan de rederijen uitbetaalde bedrag: ongeveer 40 miljoen kronen.
Wat Halvor hoort over Nortraship bevalt hem allesbehalve. Er bestaan speciale Noorse zeevaartrechtbanken waar de rechten van de verdediging niet gewaarborgd zijn. Nortraship gebruikt ook een zwarte lijst. Wat de zaak voor Halvor nog erger maakt is dat hij op die lijst staat: dat zou kunnen betekenen dat hij geen job meer aangeboden krijgt… Michelet bracht hiermee twee tot dan toe onderbelichte (en niet zo fraaie) aspecten van de Noorse geschiedenis tijdens de Tweede Wereldoorlog onder de aandacht

Jon Michelet ontdekte geheime archieven. Noorse oorlogsmatrozen kwamen in geallieerde gevangenissen terecht en stonden in geheime archieven op een zwarte lijst. Dat zijn twee van de dragende elementen in het vierde boek van Jon Michelets succesvolle reeks over “Halvor Skramstad”.
Van hoge pieten had Michelet nooit een hoge hoed op:
Ik kan me moeilijk voorstellen dat een eerste stuurman een gewapende actie onderneemt zonder rugdekking van Nortraship. Maar hier zullen we waarschijnlijk nooit een duidelijk antwoord op krijgen. Zoiets wordt nergens schriftelijk vastgelegd. En de hoge heren zullen nooit toegeven dat ze hun toevlucht hebben genomen tot grof machtsmisbruik.
Ook onze eigenste Leopold II komt in Blodige strender even ter sprake:
Hier wandelt hij [= Halvor] langs Stanley Road, die waarschijnlijk zijn naam kreeg ter ere van de zogenaamde ontdekkingsreiziger Stanley, Henry Morgan Stanley, die in werkelijkheid een massamoordenaar was in opdracht van de Belgische koning Leopold.
Uiteindelijk lukt het Halvor toch om via een handigheid als lichtmatroos aan te monsteren op de Kronprins Olav, maar al spoedig volgt er een grote ontgoocheling: het schip zet koers naar Gibraltar, en niet naar Liverpool zoals hij verwacht had. Een weerzien met Muriel Shannon komt er niet en daar keek hij echt naar uit, zeker omdat hij een zekere verkoeling denkt opgemerkt te hebben in haar laatste brief. Daarom is Halvor van plan om er stiekem tussenuit te knijpen in Gibraltar, maar dat plannetje wordt op een heel onverwachte manier gedwarsboomd…
Hij wordt opgeroepen om deel uit te maken van “Río de Oro”, een geheime operatie langs de Noord-Afrikaanse kust, in een schip dat voor de gelegenheid tot Miragem is omgedoopt en met een merkwaardig “aardappelkanon” is uitgerust. Voor zijn deelname aan de operatie zal hij uiteindelijk een Franse medaille krijgen.
Wanneer Halvor ten slotte in Liverpool arriveert, worden zijn bange voorgevoelens bevestigd.
Opvallend: de piepjonge John Lennon krijgt een cameo:
Halvor steekt zijn hand uit en zegt hallo tegen juffrouw Mimi.
De dreumes zegt niets.
“Say hello to the sailor boy, ” zegt Mimi.
“Hallo,” zegt de dreumes.
Mimi legt uit dat de dreumes haar neefje is, maar dat zij degene is die gewoonlijk voor hem zorgt.
“What’s your name?” vraagt Halvor.
“John Winston Lennon,” zegt de dreumes wat stuurs.
“Can you sing a song for the sailor?” vraagt Molly.
“No,” antwoordt kleine John.
Tante Mimi verontschuldigt zich door te zeggen dat de jongen een beetje verlegen is en dat ze hem nog nooit heeft horen zingen in het bijzijn van vreemden.
En dan gaat het weer richting de Verenigde Staten met de Kronprins Olav als konvooibegeleider. Het konvooi wordt aangevallen door Duitse onderzeeërs en lijdt zware verliezen, en kapitein Stinius Holtedahl-Smith (onder de bemanning doen bijnamen zoals “Sitting Bull” en “Admiral Scheisse” de ronde) kiest voor de vlucht vooruit.
Halvor komt niet onbeschadigd uit het treffen en belandt in een Amerikaans ziekenhuis. Daar blijkt dat zijn verwonding ervoor gezorgd heeft dat hij een bloedvergiftiging opgelopen heeft. Gelukkig is er nu penicilline – een geschikt moment voor Michelet om de farma-industrie een veeg uit de pan te geven:
Dokter Nossum houdt een kleine lezing en vertelt Halvor dat hij, nu hij genezen is met het wondermiddel penicilline, op zijn hoede moet zijn voor het grootkapitaal. De grote kapitalistische farmaceutische bedrijven, die nu met elkaar wedijveren om zo snel mogelijk een formule te vinden voor de winstgevende massaproductie van penicilline, zullen zich waarschijnlijk maar al te graag “ontfermen” over een patiënt die zo duidelijk illustreert wat voor een fabelachtige medicijn penicilline wel is.
In hetzelfde ziekenhuis krijgt Halvor ook onverwacht en erg onaangenaam bezoek dat verstrekkende gevolgen zal hebben…
Uiteindelijk wordt hij “begenadigd”, maat blijft geruime tijd “werkloos” tot hij, na een opleiding tot schutter, op de Malvika , een omgebouwde kleine “nordsjøtraver” terechtkomt en deelneemt aan de invasie van Normandië.
De titel Blodige strender slaat overigens niet alleen op die invasie: hij wordt in de roman voor het eerst gebruikt door Holtedahl-Smith en verwijst o.a. ook naar de moordende strijd bij Guadalcanal op de Solomonseilanden in de zuidelijke Stille Oceaan.
Blodige strender was net als de eerste drie delen van de reeks een groot commercieel succes: in december 2015 stond het in Noorwegen al helemaal bovenaan op de bestsellerlijst van uitgeverij Oktober:

Dat had ook wel te maken met het positieve beeld dat er in de roman van de Noorse oorlogsinzet wordt getekend, want literair valt er (opnieuw) wel een en ander op Blodige strender aan te merken.
Het boek is wel erg lang uitgevallen, en dat heeft alles te maken met de enorme hoeveelheid informatie die Michelet erin gepropt heeft. Zo zijn er de lange opsommingen: hoofdstuk 26 en het eerste deel van hoofdstuk 27 bijvoorbeeld gaan bijna uitsluitend over Noorse schepen, de rederijen waartoe ze behoorden en hoe en waar ze getorpedeerd werden. Opvallend zijn ook de lange uitweidingen, vaak over het verloop van de Tweede Wereldoorlog in Oost-Europa en buiten Europa. Turid Larsen (Dagsavisen, 10.10.2015) merkte terecht op:
Die geschiedenisles komt wat schoolmeesterachtig over, vertraagt soms het verhaal en maakt het wat minder vlot.
En dan zijn er passages die eigenlijk gewoon irrelevant zijn voor het verhaal als zodanig. Voorbeelden hiervan zijn o.a. de uitweiding over de “ontspanningsmogelijkheden” in New York (in hoofdstuk 4) en de etymologie achter Halvors familienaam.
Een aantal keren sluipen er onwaarschijnlijkheden binnen, zoals wanneer er discussies over niet ter zake doende onderwerpen gevoerd worden tijdens heftige U-bootaanvallen. Ook de toon die Halvor aanslaat in zijn brieven aan de hoge officier Kvammen komt ongeloofwaardig over.
De personages blijven, niet ongewoon in dit soort romans, aan de vlakke kant. Zelfs “flat characters” die gedefinieerd worden aan de hand van een steeds weerkerend kenmerk ontbreken niet: een typisch voorbeeld is Larry Pytten, met zijn obsessie voor “roverer” (estuaria).
Net zoals in de vorige delen komt Halvor Skramstad zelf (hier o.a. met zijn verwijzigingen naar o.a. Kafka, Burns en Conrad), wel erg “intellectueel” over:
Je mag Michelets matrozen niet onderschatten
schreef Turid Larsen (wellicht enigszins ironisch?) in Dagsavisen.
En zoals in de vorige delen van de reeks is het nu ook weer praktisch onmogelijk om een “slechterik” te vinden. Wanneer iemand dan toch een negatief trekje lijkt te hebben, zoals de communist Brandholm, die niet van “svartinger” lijkt te houden:
Over negers staat er helemaal niets in het Communistische Manifest, Halvor.
dan volgt daarvoor een verklaring: Brandholms vader kwam voor de oorlog als matroos vaak in Zuid-Afrika en was daar een verhouding begonnen met een zwarte vrouw, en Brandholms moeder had daar erg onder geleden.
De uitzondering op de regel is in Blodige strender de karikaturale majoor Kreigem, maar die eindigt dan ook in een psychiatrische instelling. Endré Olesen Mannevig zorgt in het Canadese Skipper’s Hall dan weer voor een humoristische noot.
Ook de Noorse recensenten hadden wel oog voor de zwakke punten van de roman maar lieten zich er toch positief over uit. Het strengst was wellicht Sindre Hovdenakk (VG, 12.10.2015):
grote delen van Blodige strender zijn […] zowel onderhoudend als soms spannend. Daarnaast heeft het portret van Halvor Skramstad een zekere psychologische diepgang. […] Maar een even belangrijk onderdeel van dit werk is al de feitelijke informatie die Michelet in het boek opgenomen heeft: gedetailleerde data over Noorse schepen en hun lot tijdens de oorlog, met vooral aandacht voor de schepen die getorpedeerd werden terwijl ze in konvooi voeren. […] Dat geldt ook voor de informatie over het verloop van de oorlog. Michelet laat zijn personages daarover uitweiden in lange, kunstmatige en eerder stijve monologen. Dit zorgt er, samen met een galerij van personages die allemaal zo knap of stoer zijn dat ze soms bijna parodieën worden, voor dat het moeilijk is om de roman een grote literaire belevenis te noemen. Maar effectief en voor een groot publiek, in de beste betekenis van het woord, is de roman zeker.
Turid Larsen erkende wel dat
Jon Michelet […] geen verfijnde literaire kunstgrepen of subtiele dubbele bodems [gebruikt]. Maar wie maalt daarom? Ook in deze roman imponeert hij door zijn engagement, zijn grondige kennis en zijn briesende woede waarmee hij de kant van de oorlogsmatrozen kiest.
Fædrelandsvennen schreef dat Michelet
zich in deze 700 bladzijden lange roman overtroffen heeft (geciteerd in nettavisen.no, 19.10.2015)
Seinar Sivertsen (Stavanger Aftenblad, 21.11.2015) kon het niet laten om naar Michelets “dieprode” achtergrond te verwijzen, en schreef ook:
Vanuit literair oogpunt is het niet moeilijk om met allerlei opmerkingen te komen over een wijdlopige, chronologisch opgebouwde roman als deze.
Hij wees o.a. op de belerende elementen en het gebrek aan diepgang bij de personages, maar voegde eraan toe:
Maar wat de bezwaren ook mogen zijn: hier hebben we te maken met een rabelaisiaans verteltalent dat door diepgravende journalistieke houding, enthousiasme en heilige woede bezig is met het scheppen van een romanreeks in vijf delen die zeker een centraal naslagwerk zal blijven over de Noorse oorlogszeelieden en het onrecht waaraan zij werden blootgesteld. (…) Via sappige, behoorlijk ruige en humoristische replieken in de makkelijk herkenbare, met vulgarismen doorspekte matrozentaal, met kwieke woordspelingen, spitse formuleringen en scherpe metaforiek als taalkundige leidraad, laat de auteur de (communistische) vlam van solidariteit en verontwaardiging fel branden voor de Noorse matrozen die tijdens de Tweede Wereldoorlog vechten, sterven en overleven, terwijl ze bloedig onrecht aangedaan wordt door een Noors machtsapparaat dat zonder moreel kompas navigeert.
Voor Kjell Moe (kulturspeilet.no, 15.10.2015) was het duidelijk:
de bladzijden tijdens mijn lectuur vlogen zo snel voorbij dat ik zelfs de tijd niet kreeg om buiten adem te raken […] niemand heeft zo nauwkeurig, zo levendig, zo kleurrijk en met zo’n groot inlevingsvermogen en inzicht beschreven wat Noorse zeelieden hebben meegemaakt tijdens de Tweede Wereldoorlog.[…] een gigantisch werk dat zijn gelijke niet kent in de Noorse literatuurgeschiedenis!
en Svein Johs. Ottesen (Aftenposten, 10.10.2015) was dezelfde mening toegedaan:
Het werk zal de centrale, literaire bijdrage aan de geschiedenis van de inspanningen van Noorse oorlogszeilers blijven.[…] Jon Michelet schrijft gedreven en met veel inleving over het milieu en over de mensen, die hij portretteert in een effectieve, kleurrijke taal. Hier vinden we drama, emoties, gespannen zenuwen, heimwee, woede, pijn – en vreugde.

Jon Michelet, En sjøens helt – Blodige strender, Oslo (Oktober), 20162, ISBN 978-82-495-1634-6
Het vijfde deel van de reeks, Brennende skip, verscheen in 2016 en het zesde, Krigerens hjemkomst, kort na Michelets overlijden in 2018.
Een uitgebreid interview (met Noorse onderschriften) met John Michelet over “En sjøens helt” vind je hier.
Ondertussen zijn er ook al plannen om de reeks te verfilmen:

Dit wordt een van de duurste NRK-producties ooit.
NRK heeft het groene licht gegeven voor de tv-reeks gebaseerd op Jon Michelets populaire romanreeks En sjøens helt.
Terug naar Home.
