
Jonny Halberg (1962) is naast romanschrijver ook scenarist. Hij werkte o.a. mee aan het scenario voor de films “Amatørene” en “Budbringeren”. In 1998 was hij redacteur van het tijdschrift Vagant. Hij was een tijdlang recensent voor Morgenbladet en is een van de organisatoren van het Møllebyen Litteraturfestival in Moss. Hij debuteerde als Jonny Berg met de novellebundel Overgang til tertiær (1989), die volgens Tinic Talén in VG aantoonde dat
Jonny Berg de kunst verstaat om novellen te schrijven die zo hardgekookt [“hard-boiled”] zijn dat de schaal barsten vertoont.
Voor zijn roman Flommen**** kreeg Berg in 2000 de Kritikerpris. Het boek werd in 2004 in het Nederlands vertaald met als titel De grote overstroming.
Die overstroming uit de titel is reëel genoeg: de omgeving van het stadje Melhus (op zo’n 300 km van Oslo) wordt getroffen door de grootste overstroming sinds mensenheugenis wanneer de Kvenna buiten haar oevers treedt. Bruggen worden weggespoeld, gebouwen met de grond gelijkgemaakt en hele landbouwbedrijven blank gezet:
Tråseth keek waar Nina naar wees. En daar, in de trage, zwartgroene stroom, kwam zijn huis langzaam onze kant op. Het kantelde een beetje. Op de nok stonden de boomwortelfiguren die hij had geschuurd en bijgesneden en vastgespijkerd. Het huis draaide langzaam om zijn as en de korte muur werd zichtbaar. In de zijmuur zat een groot gat, alsof hij door een reusachtige steen was geraakt. Door het gat konden we zijn slaapkamer zien. We stonden daar te kijken naar het oude witgeverfde tweepersoonsbed dat hij met zijn zwijgzame vrouw had gedeeld. Het stond scheef. De stoel, waar een paar uur geleden zijn kleren nog netjes overheen hadden gehangen, was omgevallen en tegen het bed aan gegleden. Verder was alles nog hetzelfde. (vertaling Annemarie Smit)
De overstroming is ook als een katalysator in het leven van de twee hoofdpersonages omdat ze onderhuids woekerende conflicten in een stroomversnelling brengt. Die twee centrale personages (tevens de ik-figuren – ze komen om de beurt aan het woord) zijn Robert Gjørstad en Stein Ove Sand.
Landbouwer Gjørstad woont met zijn moeder Grethe, zijn vroegrijpe zus Nina en zijn jongere doofstomme broer Jonny op de boerderij. Normaal zou Roberts oudere broer Hugo het bedrijf moeten leiden, maar die is na een ongeval(?) met een tractor waarbij hun vader het leven liet naar Melhus vetrokken en werkt daar nu als slachter. De broers hebben geen contact meer met elkaar. Robert Gjørstad is een driftkikker en slaat geregeld iemand in mekaar. Of zoals hij het zelf zegt:
Ik zocht de problemen niet op, maar ze kwamen toch wel, het was alsof ze aan me kleefden. (vertaling Annemarie Smit)
En het zit blijkbaar in de familie:
De familie was als het ware gehuld in een wolk van onwil en achterbaksheid. Het was hun aan te zien dat ze altijd op zoek waren naar gedonder om zich mee te bemoeien, en als dat er niet was, waren ze maar al te bereid om het zelf te veroorzaken. Dat was altijd zo geweest, de hele streek wist het, mensen liepen een blokje om als ze hen tegenkwamen. (vertaling Annemarie Smit)
Roberts moeder Grete illustreert dit door naar de plaatselijke krant lezersbrieven te schrijven die niet bepaald van een open geest getuigen. Haar vader was dan weer heel erg fout tijdens de Tweede Wereldoorlog. Toch kan niet ontkend worden dat Robert bezorgd is voor zijn familie, in het bijzonder dan voor Jonny.
Stein Ove Sand is politieagent, en verre familie van Gjørstad: hun grootvaders waren halfbroers. Hij is intrinsiek een goeie kerel, erg begaan met Nina. Robert Gjørstad vindt hem maar een doetje. Sand lijdt ook erg onder het feit dat zijn huwelijk met Siv op de klippen is gelopen.
De overstroming dwingt de Gjørstads hun hoeve te verlaten en hun toevlucht te zoeken in het door de gebeurtenissen overvolle Melhus. Welkom zijn ze daar door Roberts reputatie niet echt en moeder Grethe wil dan maar dat ze met z’n allen tijdelijk bij Hugo gaan logeren, met alle gevolgen van dien. Ook voor Stein Ove Sand zal de overstroming niet zonder dramatische gevolgen blijven.
Jonny Halberg is een prominent vertegenwoordiger van wat men in Noorwegen het “skitten realisme” noemt:
Skitten realism is a Norwegian translation of Dirty Realism, which gave the editor of Granta, Bill Buford, his title for a special feature edition back in 1983 […] Buford was out to put his finger on a new trend in American Literature – a strain of Realism set in the trailer park, the diner and the K-mart, peopled with casual labourers and jobless truckers, waitresses and others with low job status. People who cannot get a firm hold on their lives, but are constantly falling behind, sinking to the bottom, already having given up any hope of ever resurfacing. […] Dirty realism […] lacks any kind of social commitment or any attempt to expose the mechanisms which have determined such dismal existences. Dirty Realism relies on ice-cold observation, refusing to judge or criticise, but permitting itself to dwell with clinical precision on human dregs and trash.
Vertaald naar Noorwegen is
The focus on marginalised Norwegian society […] certainly a common feature – often in the shape of suburbs, working class areas, the alienated youth culture, but most of all (of course!) the isolated village, the heart of Norwegian national culture, which, in the eyes of the dirty realists, is characterised by idleness, narrow-minded morality, violence, abuse and incest. Rural culture is on the relentless road to ruin – full of “dirty characters howling for Grace, without knowing what it is”, as Jonny Halberg writes in Trass (1996) (Per Krogh Hansen, “Recent Norwegian Realism Bites the Dirt”, Nordic Literature 2005)
Wat er bij rasverteller Halberg zo allemaal te vinden is in een schijnbaar vredige rurale gemeenschap oogt niet echt fraai – ook de manier waarop de redacteurs van de lokale krant er blijkbaar plezier in scheppen mensen niet tegen zichzelf te beschermen is hiervan een illustratie. Er gaat iets fascinerend uit van de manier waarop Halberg alles portretteert. De karakterisering van de twee hoofdpersonages via hun eigen woorden is bijzonder overtuigend. Het heeft Halberg al een vergelijking met het werk van Faulkner opgeleverd (Trond Haugen, “Kritikerprisen for beste voksenbok 2000 til Jonny Halberg”, http://www.kritikerlaget.no/), maar van moeilijke leesbaarheid is bij hem helemaal geen sprake.
Voor Gro Skorpen (Natt & dag, 2000/1) is het vooral een goed boek omdat
er veel medemenselijkheid in zit. Halberg is een empathische persoonlijkheid, wiens blik op zijn merkwaardige figuren altijd doorvoeld is zonder daarbij te overdrijven. Hij houdt zo veel van zijn plomperds dat ik er goedgehumeurd van wordt.


Jonny Halberg, De grote overstroming, vertaald door Annemarie Smit, Breda (De Geus), 2004, ISBN 90-445-0326-X
Onder de naam Jonny Berg schreef de auteur o.a. de novellenbundel Gå under *** (1992),
novellen over veranderingen die gebeuren wanneer het fundament het af laat weten en het leven een onverwachte wending neemt
heet het in een tekst van uitgeverij Oktober
De novellen worden vaak in en rond het fictieve dorp Enevarg gesitueerd. De symboliek van de naam is duidelijk voor wie weet dat “varg” een oud Noors woord voor “wolf” is. Tinic Talén heeft er bovendien op gewezen dat de naam een omkering van “gravene” is. Het zijn een soort momentopnamen die gebrek aan menselijk contact, onvermogen om zijn dromen te realiseren en verlangen naar zelfstandigheid op een bewust asentimentele wijze registreren. In “Døden er en tyv” probeert Ivan zijn jonge zoon Varg te troosten na de dood van diens zus:
Tijdens de begrafenis gaf Vargs grootmoeder hem een roos die hij op de kist moest werpen. Hij gooide ze voor haar op de grond en begaf zich tussen de groep aanwezigen, duwde een paar volwassenen opzij en sjokte naar een grafzerk. Hij ging erop zitten terwijl de kist in het graf neergelaten werd. Ivan wou hem troosten. Toen hij Vargs wang probeerde te strelen, beet die in de hand van zijn vader voor hij het kerkhof uit rende.
Ivan dacht dat het verdriet in zijn zoon zou stollen indien hij er niet over praatte. Op weg naar huis reed hij naar de wegkant en volgde hem een tijdje, maar Varg reageerde niet op zijn aansporingen om in te stappen, en hij reed dan maar door.
Uiteindelijk zal Ivan inzien dat zijn pogingen om zijn zoon te troosten nutteloos zullen blijven:
Als hij vanavond thuiskomt zal ik niets vragen, dacht hij. Hij zou naar de bruine ogen van zijn zoon kijken, de jongenshanden die een boterham vasthielden, het gouden ringetje in zijn oor, maar niet wachten op een blik die zich opende, die hem binnenliet. Hij besefte dat dit een nieuwe sterkte van hem eiste, zoals toen hij een keer de hand van zijn zoon vastgreep en er de kracht van een man in voelde, terwijl bij hemzelf alles bij het oude gebleven was.
Jonny Berg, Gå under, Oslo (Oktober), 1992 ISBN 82-7094 602 8
In 2006 verscheen Halbergs roman Tvillingen.
Adam Egeberg keert na een mislukt financieel avontuur, dat hem met een schuld van 13 miljoen opgezadeld heeft, en op de vlucht voor zijn schuldeisers, terug naar Sirstad, waar zijn moeder Margrete en zijn jongere, zwakbegaafde broer Kristian wonen. Zijn vader, die districtsarts was, is al een hele tijd geleden gestorven.
In Sirstad wacht hem echter een verrassing van formaat. Hij treft er alleen Kristian aan; zijn moeder is nergens te bespeuren. Samen met zijn broer trekt Adam noordwaarts naar Straume in Trøndelag, aan
de Midden-Noorse scherenkust
waar de rest van zijn familie woont. Hij is daar ooit één keer een tijdje met zijn moeder geweest en toen is er blijkbaar “iets” gebeurd, dat ertoe geleid heeft dat het bij die ene keer gebleven is. Maar misschien is zijn moeder nu daar…
In Straume logeert hij bij zijn oom Clem Rose en zijn tante Nora Marie, die samen een vervallen pension uitbaten (de laatste gast is al meer dan een jaar geleden vertrokken) en daarnaast ook zorgen voor een aantal “afgedankte” paarden. Van Margrete is er geen spoor.
Adam doet een poging om het pension te renoveren, maar neemt niet zo’n goede start wanneer de eerste gast reeds na een paar dagen spoorloos verdwijnt. Al spoedig blijkt hij in een echt wespennest terecht te zijn gekomen. Frode Eikely, een lokale ondernemer, loopt rond met plannen om Straume een nieuw elan te geven door er een landingsplaats voor kleine vliegtuigen en een conferentiecentrum (met golfterrein en de mogelijkheid om op zalm te vissen) te bouwen. Hij heeft daarvoor Clem Roses lap grond nodig, maar die weigert halsstarrig om te verkopen. Het resultaat zijn wederzijdse pesterijen.
Veer benauwender voor Adam is dat hij langzamerhand meer te weten komt over zijn familie. Niet dat Clem Rose, Marie Nora en de anderen hem zomaar op de hoogte brengen, ze houden die potjes liever gedekt, Maar toch valt Adam van de ene verrassing in de andere, en het zijn dus niet bepaald leuke verrassingen.
Voor alle duidelijkheid: Tvillingen is geen roman à la Ragdes Berlinerpoplene. Er lopen in de roman wel een aantal “bygdeoriginaler” (plattelandstypetjes”) rond en er zitten ook wel een aantal komische passages in het boek, zoals wanneer Adam “smalahove” (klaargemaakte schaapskop) voorgeschoteld krijgt:
Een half schaapshoofd met en wazig oog lag op een bord en staarde me aan, omgeven door slap, afgekookt vel, vlekkige tanden en een stompje oor met haar op. Alles diende opgegeten te worden, met uitzondering van de tanden en de schedel.
Over het algemeen is de toon van het boek echter duister. En een happy end komt er zeker niet, en daar heeft Adam, die door Knut Hoem (NRK, 16.02.2006) omschreven wordt als iemand
die het goede wil, maar vreemd genoeg niet altijd dienovereenkomstig handelt
zelf schuld aan
door een bijdrage te leveren die ervoor zorgt dat de wereld even ellendig blijft als hij was
Stein Roll (Adresseavisen, geciteerd op http://www.kolonforlag.no) omschreef Tvillingen als
Voortreffelijk en spannend over familierelaties […]verzwijgen van de waarheid en geheimhouding [hebben] tot wandaden geleid en verdriet veroorzaakt.[…] een roman uit één stuk […] met mensen die zo onharmonisch in elkaar zitten dat ze als kwetsbaar en geloofwaardig naar voren komen. Een complexe roman over de zwakheden des levens, waarin daden uit het verleden zorgen voor pijnlijke gevolgen bij de erop volgende generaties.

Jonny Halberg, Tvillingen, Oslo (Kolon Forlag), 2006 ISBN 978-82-05-34920- 9
Like nord for kirka*** (2016) was Halbergs eerste novellebundel in meer dan twintig jaar, en hij blijft erin op zijn vertrouwde terrein: dat van de rurale onderlaag van de bevolking. Voor Knut Hoem (NRK 07.12.2016) zouden de personages uit Like nord for kirka zeker op Trump stemmen indien ze in de V.S. woonden. Als locatie wordt een paar keer Sirstad, en daarover wordt in “Fekestad” gezegd wordt dat er maar één
deftige familie
woont. En in “Langt ute i fjellet” wordt de plaats van handeling omschreven als
ute i hutiheita
en dat betekent zoiets als “ergens in Langvekkistan”.
De novellen (Halberg zelf heeft het over “verhalen”) zijn niet alleen thematisch, maar ook qua stijl en structuur met elkaar verwant. In elk van hen is er een “jeg” aan het woord en die doet zijn zeg in een rechttoerechtaan-stijl: Halberg
smukt zijn stijl niet op met fraaie woorden, uitdrukkingen en formuleringen (Hoem)
Tegelijkertijd wordt er,
naar Amerikaans voorbeeld, zo weinig mogelijk verteld, heel veel weggelaten
Halbergs personages zijn mensen die op de een of andere manier worstelen met hun bestaan. In “Aldri mer Willy” heeft Charlies vader
tegenslag gehad de jongste jaren
en komt er een einde aan de vriendschap tussen Charlie en Willy door een goed bedoelde poging van de laatste om de ander in een gunstig daglicht te stellen. Over waarschijnlijk dezelfde vader gaat het in “Anna 3”: daar heeft zijn vrouw hem verlaten. In “Fekastad” zijn het de beslaglegging op en de erop openbare verkoop van Svends dieren en materiaal die bij hem de stoppen doet doorslaan. “Flanører” gaat over seksualiteit en loyauteit maar ook over een zoon-vader conflict.
Een amoureuze relatie die geen nieuw begin krijgt (Dagsavisen 25.10.2016 citeert uit een persbericht van Kolon Forlag)
is het slotakkoord in “Tollef Buen Project”. En Henri Bordnes is in “Langt ute i fjellet” samen met een zwakbegaafde vrouw op de vlucht voor de politie.
En er lopen natuurlijk ook “bygdetullinger” rond in Like nord for kirka. In “Tollef Buen Project” legt Kristoffers vader uit wie met dat woord bedoeld worden:
Een dorpszonderling is iemand die zich onderscheidt van de anderen omdat hij zich raar gedraagt, wat simpeler is dan de meeste mensen. Tegelijk hoort hij erbij. De mensen praten met een dorpszonderling. Soms helpen ze hem als hij in de problemen zit. Er zijn er die hem pesten. Maar over het algemeen laat men hem met rust.
Svend uit “Fekastad” is al vermeld. In “Armod” (een bewerkte versie van een fragment uit Gå til fjellet) gaat het over een disfunctioneel gezin met een veertienjarige dochter die moet bevallen.
Niet te verwonderen dat het er vaak behoorlijk ruw aan toe gaat in Like nord for kirka:
Blåmanns wijf had hem in een dronken bui een paar keer met een broodmes bewerkt, en toen ze hem in het districtsziekenhuis weer opgelapt hadden, weigerde hij een klacht in te dienen. Hij lag een paar uur te janken, en toen maakte hij zich weer uit de voeten en liep naar Kroken, waar zijn wijf op hem wachtte met meer pure alcohol en akelige praat. (Fekastad)
Toch zijn, zoals Knut Hoem opmerkt, Halbergs personages niet gespeend van empathie. In de titelnovelle “Like nord for kirka” is het ijskoud wanneer een vrachtwagen geladen met kippen van de weg geraakt in de buurt van het huis van de verteller. De chauffeur, die geklemd zit in de stuurcabine, heeft ooit, in een lezersbrief aan de plaatselijke krant, lelijke dingen over hem gezegd en hem met een dier vergeleken. Toch komt hij die chauffeur nu ter hulp…
De verhalen zien er even ongepolijst en perfect uit als boomstronken die uit de aarde gerukt worden, met zich naar alle kanten uitstrekkende wortels en een gebarsten bast (Fredrik Wandrup in Dagbladet; geciteerd op de website van Kolon Forlag)

Jonny Halberg, Like nord for kirka, Oslo (Gyldendal Norsk Forlag), 2016 ISBN 978-82-05-49708-5 (epub)
Terug naar Home
