In een interview met De Morgen (29.12.95) zei auteur Jan Kjærstad dat de Europese belangstelling voor de Noorse literatuur veel met Gaarder te maken had:
Zijn De wereld van Sofie is de lezers in de rest van Europa blijkbaar zo goed bevallen dat ze de smaak van Noorse romans te pakken hebben gekregen. Voor hetzelfde geld hadden ze het zo slecht gevonden dat ze de komende vijftg jaar hun buik vol zouden hebben gehad van Noorse schrijvers.
De cijfers ogen dan ook indrukwekkend: Jostein Gaarder (1952) had toen al meer dan 40 miljoen boeken verkocht en was vertaald in meer dan 50 talen. Ook als vulgarisator is zijn inbreng niet te onderschatten:
Misschien hebben geboeide lezers dankzij De wereld van Sofie wel de weg gevonden naar echt filosofisch werk
merkt John Vervoort (Standaard der Letteren, 16.06.05) op.


Puur literair gezien is het beeld heel wat gemengder. Gaarder
is dol op spelelementen en structuren
schrijft Ann Christiansen (Aftenposten, 11.03.06). In zijn romans heeft hij een voorkeur voor metafictie; hij vertelt graag verhalen die zich binnen andere verhalen bevinden en die structuur komt bij hem soms nogal gewrongen over. Ook de dialogen die hij schrijft willen wel eens gemaakt-houterig overkomen.
Gaarder is vooral bekend als auteur van romans voor adolescenten. Zelf zegt hij daarover:
De traditionele Noorse roman is realistisch. Wanneer men een jeugdboek schrijft is men vrijer en kan men gemakkelijker een beroep doen op het fantastische. (Aftenposten, 07.05.91)
In een interview in de plaatselijke krant Tromsø (26.11.1990) noemt hij
het gebruik van fantasie een van zijn stokpaardjes
Barna fra Sukhavati (1987) was Gaarders debuut als kinder- en jeugdschrijver. In Sukhavati, dat
achter alles wat bestaat (vertaling Lucy Pijttersen)
ligt,
wonen mensen. Maar die zijn er altijd geweest. Die zijn niet uit de buik van een moeder gekomen, zoals wij. Zij worden niet ziek, en ze gaan nooit dood. Alles wat er in Soekhavati is, is er altijd al geweest. (vertaling Lucy Pijttersen)
De tweeling Lik en Lak zijn de enige kinderen in Sukhavati. Ze zijn nooit baby’s geweest; altijd even groot (of klein) gebleven. De oude Oliver vertelt hen heel wat over Verden (de Wereld) zoals die in zijn verbeelding bestaat. Wanneer Lik en Lak zeggen dat ze die Wereld ook echt zouden willen bezoeken creëert hij voor hen een soort capsule waarmee ze door de ruimte (en de tijd) kunnen reizen. Hij geeft ze echter een opdracht mee: ze moeten de mensen vertellen dat de wereld een avontuur is:
Daarbinnen nemen ze alles maar als vanzelfsprekend aan. Ze noemen het ‘werkelijkheid’ en denken er verder niet bij na. Een heleboel mensen zijn zelfs niet eens blij dat ze leven! (vertaling Lucy Pijttersen)
Lik en Lak besluiten naar Bergen in Noorwegen te reizen en daar met de ontdekking van de Wereld te beginnen. De overvloed aan informatie die ze van Oliver gekregen hebben blijkt in de praktijk niet altijd even gemakkelijk aanwendbaar en dat levert voor de lezer een frisse en aparte kijk op onze wereld op: alles wat voor ons vanzelfsprekend lijkt, is dat in werkelijkheid niet. Tussendoor geeft Gaarder ook wat overwegingen over de zoektocht naar en de houding tegenover het onverklaarbare mee.
Lik en Lak raken bevriend met twee Noorse kinderen: Anne Lise en haar wat jongere broer Hans Petter en samen maken ze in de ruimtecapsules een aantal reizen in de tijd. Terug in Bergen wordt hun ruimtetuig echter vernield in een confrontatie met de politie, die het plots verschijnen en dan weer verdwijnen van de twee kinderen maar niks vindt.
De consequenties van het verlies van hun ruimtecapsule zijn enorm: ze kunnen niet alleen niet meer terug naar Sukhavati, maar op aarde zijn ze net “gewone” mensen: ze worden ouder en zullen uiteindelijk sterven. Wanneer ze uiteindelijk toch een eenmalige kans krijgen om naar Sukhavati terug te keren staan ze voor een hartverscheurende keuze.
In Barna fra Sukhavati zien we al een aanzet van wat één van Gaarders geliefkoosde structuurelementen zal worden: een duidelijk aanwezige verteller.
Jostein Gaarder, De kinderen uit Soekhavati, vertaald door Lucy Pijttersen, Baarn (Fontein), ISBN 978-90-261-0959-1
In Froskeslottet (1988) ontmoeten we de vijfjarige Kristoffer Hansen die in zijn droom in een andere wereld terechtkomt. Nadat hij daar een kikker weer tot prins gekust heeft, beleeft hij samen met kabouter Umpin allerlei avonturen in een kasteel waar de koningin met blote borsten rondloopt, de koning steeds meer op Kristoffers overleden opa begint te lijken, prinses Aurora hem sterk doet denken aan zijn nichtje uit Telemark en de maarschalk gedachten kan lezen en uiteindelijk het brein blijkt te zijn achter een opstand van de salamanders. De verwijzingen naar andere sprookjes zijn legio, de dood speelt een rol in het verhaal en de les die de kabouter Kristoffer meegeeft is dat je nooit moet vluchten als je bang bent – een idee dat op zijn minst voor discussie vatbaar is.
Jostein Gaarder, Het kikkerpaleis, vertaald door Elina van der Heijden, Baarn (De Fontein), 1998. ISBN 90 261 0960 1
Kabalmysteriet (1990) bevat een merkwaardige mix van magische, realistische en didactische elementen:
Het geheim der kaarten kan op verschillende manieren worden gelezen. Het dient zich aan als een reisverhaal, maar ook als een psychologische roman over een vader en een zoon die op zoek gaan naar de verdwenen moeder. Bovendien krijgt het werk ook fantastische allures doordat in de spiegeltekst gewone stervelingen in een parallelle wereld terechtkomen.
schreef Rita Ghesquiere in haar recensie (Standaard der Letteren, 09.11.1995) van de roman.
Gaarder gebruikt de aloude literaire truc van het kaderverhaal: de nu 18-jarige Hans Thomas vertelt hoe hij tien jaar geleden met zijn vader (ex-zeeman en nu amateur-filosoof) een reis maakte naar Italië. Het doel van de reis was om Hans Thomas’ moeder te vinden. Nog eens acht jaar eerder had zij plots haar gezin in de steek gelaten
om zichzelf te vinden
Een foto in een Grieks modetijdschrift heeft bij vader en zoon het vermoeden gewekt dat ze in Griekenland als fotomodel werkt.
Onderweg krijgt Hans Thomas van een bakker een “bolle”, een soort (krenten)broodje, waarin een minuscuul boekje verborgen zit. In dat boekje gaat het over een schipbreuk in het jaar 1842. De schipbreukelingen kwam terecht op een magisch eiland bevolkt door 52 dwergen met ieder de naam van een speelkaart, met daarbij nog één één joker en één oude man: Frode.
Tijdens de verdere reis naar Griekenland en in Griekenland zelf leest Hans Thomas stiekem het boekje en vindt hij daarin steeds meer parallellen tussen de gebeurtenissen op het magische eiland en zijn eigen situatie: het “bollebok” wordt een soort “orakelbok” Het leven op het eiland is “den lille kabalen”; de werkelijkheid wordt “den store kabalen.
Op die manier worden magie en realisme met elkaar gecombineerd. In de buitenste kaders overheerst schijnbaar het realistische element (maar let bijvoorbeeld op het ongelooflijk toevallige van de familierelaties), in het “bollebok” het magisch-mysterieuze.
Maar bestaat/bestond dat “bollebok” wel echt ? Wanneer Hans Thomas op de reis voor de eerste maal over het bestaan ervan rept, wordt het op geheimzinnige wijze uit de auto gestolen en nu (op 18-jarige leeftijd dus) geeft hij zelfs toe dat hij zo zijn twijfels heeft:
Zat er een boekje in het grootste broodje uit de zak? Over geen enkele andere vraag heb ik me zo het hoofd gebroken. Ik kan net als Socrates zeggen: één ding weet ik… dat ik niets weet. (vertaling Lucy Pijttersen)
En dat brengt ons bij het didactische element. Hoewel Kabalmysteriet minder conceptgebonden is dan Sofies verden is het overduidelijk dat Gaarder meer wil dan alleen maar een verhaal vertellen. De Noorse titel wijst al in die richting. Een “kabal” is een kaartspel voor één persoon; het doel is de kaarten in een bepaalde volgorde gelegd te krijgen. Zo moet de mens ook proberen de wereld waarin hij leeft te structureren en daardoor beter te begrijpen. “Sleur” kan “dodelijk” zijn, beklemtoont zijn vader:
“Weet je waarom de meeste mensen gewoon in de wereld rondslenteren zonder zich te verwonderen over wat ze om zich heen zien?” vroeg hij.
Ik schudde het hoofd.
“Omdat de wereld een gewoonte is geworden.” (vertaling Lucy Pijttersen)
Etymologisch is het woord “kabal” nauw verwant met “kabbala” en die associatie verwijst dan weer naar het mysterieuze, het metafysische en het onvoorspelbare van het leven met de prominent aanwezige joker van het kaartspel:
De joker […] is de outsider die vragen stelt. In zekere zin staat hij voor de menselijke verwondering. Dat we leven is gewoonweg ongelooflijk. De meeste mensen denken daar weinig over na. (Geir Nødset, BA, 12.11.1990)
Gaarder vindt duidelijk dat de gemiddelde mens te weinig nadenkt over zijn bestaan:
Ik vond het een raadsel hoe de mensen als een kip zonder kop op aarde rondstapten zonder zich steeds maar weer af te vragen wie ze waren en waar ze vandaan kwamen. Hoe kon het leven op onze planeet iets zijn waarvoor je je ogen sloot of wat je als vanzelfsprekend beschouwde? (vertaling Lucy Pijttersen)
en ook nog :
Het verschil tussen Socrates en al die anderen was dat de anderen volkomen tevreden waren met het kleine beetje dat ze wisten, terwijl ze niets meer wisten dan Socrates. En iemand die tevreden is met wat hij weet, kan nooit een filosoof worden. (vertaling Lucy Pijttersen)
Zelf zei Gaarder (Aftenposten, 07.05.1991) over Kabalmysteriet
ik wens het zoeklicht te richten op het samenhorigheidsgevoel onder mensen – dat het belangrijk is om lid van een familie te zijn. Terzelfder tijd wijst het boek erop dat we allemaal deel uitmaken van een grotere samenhang en dat we allemaal voortkomen uit de veelzijdige Europese cultuur.
En of je nu met de volgende bewering akkoord gaat of niet, dit blijft een mooi citaat:
Het leven is een gigantische loterij, waarbij alleen de winnende loten zichtbaar zijn. (vertaling Lucy Pijttersen)
Helge Andersen (Aftenposten, 12.12.1990) was meer onder de indruk van het fantastische dan van het filosofische aspect:
Ik werd geïmponeerd, soms betoverd, door de geestkracht achter het boek. Vooral het verhaal in het “bollebok” dat vertelt over een wereld geschapen door ’s mensens verlangens, fantasie en passie voor het patiencespel. Af en toe verveelde ik me met een vader die tot elke prijs de meest banale en evidente, als filosofie gepresenteerde uiteenzettingen wil houden.
Jostein Gaarder, Het geheim van de kaarten, vertaald door Lucy Pijttersen, Antwerpen (Houtekiet), 1995, ISBN 978-90-261-0816-7
Sofies verden (1991) werd een van de onwaarschijnlijkste bestsellers van de jongste decennia. Nog meer dan de rest van Gaarders boeken heeft het een sterke didactische inslag:
ik [richt] me tot jonge adolescenten […] jongens en meisjes van een jaar of veertien. En natuurlijk richt ik me in één moeite door ook tot volwassenen, vooral dié volwassenen die ervan uitgaan dat filosofie hun petje te boven gaat (Humo, 10.06.94)
De Sofie uit de titel is een tiener die op een dag een mysterieuze brief krijgt met de vraag “Wie ben je?”. Er volgen meer brieven met soortgelijke wijsgerige vragen en de man achter die epistels (en de auteur van wat een heuse cursus geschiedenis van de filosofie blijkt te zijn) is de filosoof Alberto Knox:
Is er dan ook iets wat eigenlijk iedereen zou moeten interesseren? Bestaat er iets wat iedereen aangaat, wie ze ook zijn of waar ter wereld ze ook wonen? Ja, lieve Sofie, er bestaan enkele vragen die alle mensen zouden moeten bezighouden. Over dat soort vragen gaat deze cursus […] filosofen […] vinden dat een mens niet van brood alleen kan leven. Alle mensen hebben natuurlijk eten nodig. Iedereen heeft ook liefde en aandacht nodig. Maar er is nog iets wat alle mensen nodig hebben. We moeten een antwoord vinden op de vraag wie we zijn en waarom we leven.
[…] De beste manier om de filosofie te benaderen, is een paar filosofische vragen te stellen: Hoe is de wereld geschapen? Gebeurt iets met opzet of heeft alles wat er gebeurt een doel? Bestaat er een leven na de dood? Hoe moeten we in hemelsnaam een antwoord op zulke vragen vinden? En vooral: hoe moeten we leven? (vertaling Janke Klok, Lucy Pijttersen, Kim Snoeijing en Paula Stevens)
Sofie maakt kennis met Alberto en die gebruikt de vraag-en-antwoord methode om haar inzicht in de verschillende filosofische strekkingen bij te brengen. Hij gaat daarbij chronologisch te werk: van de eerste Griekse filosofen tot het midden van de 20ste eeuw:
Ik ben […] gestopt bij het existentialisme van Sartre, ooik al omdat ik geen expert ben in de 20ste-eeuwse filosofie
Humo: Derrida en Baudrillard, die erg in de mode zijn, staan er al helemaal niet in.
Gaarder: Lees jij Derrida en Baudrillard?
Humo: Ik begrijp al geen hol van artikelen óver Derrida en Baudrillard. Mijn verveling kreeg niet eens een kans om in verwondering om te slaan.
Gaarder: Ze zijn in de mode, inderdaad, en een belangrijk kenmerk van de mode is dat ze overwaait. Van Socrates kun je bezwaarlijk zeggen dat hij is overgewaaid. (Humo, 10.06.94)
De opbouw van Sofies verden heeft weer de typisch Gaarderiaanse trekjes. Zo komt de lezer na verloop van tijd te weten dat Sofie en Alberto eigenlijk verzonnen figuren zijn in een boek dat de Noorse majoor Albert Krag, die in Libanon voor de Noorse vredesmacht aldaar werkt, geschreven heeft voor de vijftiende verjaardag van zijn dochter Hilde en een van de vragen wordt dan of er interactie tussen de imaginaire wereld van Sofie en Alberto en de echte wereld van Hilde en haar vader mogelijk is.
Een interessant boek is Sofies verden zeker: het is een van de weinige boeken over fiosofie die ik ooit begrepen heb – ook al zegt dat waarschijnlijk evenveel over mij als over de filosofie. De weer redelijk gezochte structuur en de nogal artificiële dialogen moet je er weer bij nemen, zoals ook John Elson (Time, 12.12.94) vindt:
The characters are half-dimensional, the plot creaks and Gaarder’s prose […] has a distinct flavor of bark. As fiction Sophie’s World deserves no better than a D+. But as a précis of great thought, Gaarder’s tour de force rates a solid B.
Harold Polis (Standaard der Letteren, 08.05.09) heeft zo z’n eigen ideeën over waarom Sofies verden zo’n gigantisch succes werd:
Het doel van de filosofielessen heeft veel weg van een initiatierite. Sofie moet een weerbaar meisje worden. Wat achteraf niet nodig blijkt, omdat ze zich als personage niet in de echte wereld moet handhaven. Misschien zit in dit zachtmoedige escapisme de reden voor het wereldwijde succes van het boek: een jeugdroman die volwassenen aanspreekt.
Jostein Gaarder, De wereld van Sofie, vertaald door Janke Klok, Lucy Pijttersen, Kim Snoeijing en Paula Stevens, Antwerpen (Houtekiet), 1994) ISBN 90-5240-223-X
Sofies verden kreeg ook een paar “spin-offs”. In 1997 verscheen (met een korte inleiding van Gaarder zelf) van de hand van Peer Olsen een Werkboek bij De wereld van Sofie.

Het werd uit het Duits (Ein Arbeitsbuch zu “Sofies Welt”) vertaald en bewerkt door Tom Luyben. Van het “Arbeitsbuch” bestaan ook uitgaven in het Engels, het Pools en het Catalaans.
Het doel van het boek wordt als volgt omschreven:
Dit boek wil via overzichtsschetsen, inleidingen en actievoorstellen het gebruik van De Wereld van Sofie in het onderwijs aanmoedigen. De bijhorende werkbladen en gegevens zijn ook geschikt om projecten te begeleiden.
Het uitgangspunt is natuurlijk Gaarders roman. Bij de opdrachten wordt verwezen naar de relevante passages in de Nederlandse uitgave ervan. Het werkboek bevat naast werkbladen ook “lerarenbladzijden”, verder is er aandacht voor groepswerk, persoonlijke verwerking en discussie.
Het Werkboek is een behoorlijk grondig werkstuk, soms zelfs wat té grondig. Zo merkt Jack Priestley (TES Magazine, 14.02.1997) terecht op dat
Its map of our philosophical world, from Homer’s myths to neo-Thomism, (in de Nederlandse uitgave staat die kaart op bladzijde 185) would frighten many an honours graduate.
Ludo Abicht (“De toegepaste wereld van Sofie”, De Morgen) vond dat het Werkboek “geslaagd” is en “knap in elkaar” zit, maar vindt de tekst “erg schools geschreven”. Daarbij ergert hij zich aan de opmerking in de inleiding
waarin de auteur beweert dat de roman van Gaarder samen met zijn eigen boek voor de docent een betere voorbereiding zijn “dan een meterslange privé-bibliotheek met de volledige werken van Plato, Kantof Nietzsche” […] Noch Gaarder noch Olsen (geen enkele filosofieleraar trouwens) kunnen ooit de lectuur van de filosofen zelf vervangen. Een dergelijke suggestie is niet alleen beledigend want neerbuigend, maar in feite ook dom.
Wie het werkboek tot het einde toe doorneemt zal in ieder geval de in Sofies verden opgedane kennis uitgediept en grondiger verworven hebben.
Peer Olsen, Werkboek bij De wereld van Sofie, vertaald en bewerkt uit het Duits door Tom Luyben, Antwerpen/Baarn (Houtekiet/Fontein), 1997, ISBN 978-90-261-1337-6
In 2000 verscheen de filmversie van Sofies verden (regie: Erik Gustavson). De film neemt de structuur van Gaarders roman over maar snoeit in de filosofische inhoud ervan. Een paar filosofen (Descartes, Berkeley, Kierkegaard, Hegel…) mogen kort een standpunt formuleren en er duiken ook een aantal figuren uit de Europese geschiedenis op: Leonarda da Vinci, Shakespeare, Copernicus, Robespierre… Ze spreken allemaal hun eigen taal; Alberto Knox bedient zich van het Zweeds: de film was een Noors-Zweedse coproductie. Het geheel is meer “fantasy” dan “philosophy”.

Erik Gustavson, De wereld van Sofie, DVD videofilmexpress. De versie is Noors (+ de andere talen) gesproken, Nederlandse ondertiteling is mogelijk, Noorse niet.
Ook in Julemysteriet (1992) (Nederlandse vertaling: Het Mysterie ) werkt Gaarder weer met een verhaal binnen een verhaal en geeft hij wat hij vertelt meer dan één mysterieus tintje mee.
Wanneer Joachim en zijn vader eind november op zoek zijn naar een adventskalender blijken die al uitverkocht te zijn. Uiteindelijk behandelen ze in een stoffig boekhandeltje waar ze een heel oud en merkwaardig exemplaar (gratis) op de kop kunnen tikken.
Hoe merkwaardig die kalender wel is blijkt pas thuis. Achter ieder vakje zit een op een piepklein papiertje geschreven verhaal: samen vertellen ze de belevenissen van Elisabeth die als klein meisje achter een lam aanrent dat het lawaai van kerstaankopende mensen zo beu was dat het wegliep uit de kerststal in het warenhuis.
Elisabeth komt in een andere wereld terecht en maakt een reis door Europa (van Noorwegen naar Betlehem) en door de tijd (terug naar het jaar nul van onze tijdrekening). Ieder nieuw vakje voegt een episode toe aan haar reis en wanneer ze uiteindelijk bij de kerststal waar Jezus geboren werd, aankomt bestaat haar groep van metgezellen uit zeven schapen, vier schaapherders, de drie wijzen, een Syrische stadhouder, keizer Augustus en vier engelen (waarvan er één nogal wat menselijke eigenschappen bezit).
Joachim en zijn ouders komen ook te weten dat er in 1948 in Oslo effectief een meisje met de naam Elisabeth verdwenen is. Nooit werd er enig spoor van haar teruggevonden. Verder is er nog een mysterieuze bloemenverkoper (waarschijnlijk de maker van de unieke adventskalender) die ook naar dat meisje op zoek lijkt te zijn…
Wie op bokkilden.no beoordelingen van (ook volwassen) lezers zoekt krijgt heel positieve commentaren:
Joachims adventskalender is magisch, net zoals het boek. Héél, héél warm aanbevolen.
Een kerstkalender in boekvorm is gewoonweg geniaal. Voor kinderen die iets meer wensen dan chocolaatjes of prutserijtjes – of daarnaast nog iets anders wensen – is het boek perfect! Het is spannend, leuk en interessant.
spannend én sfeervol.
Dit is een boek dat uitstekend geschikt is om rustig in te zitten lezen (liefst met kinderen) in een voor de rest hectische adventstijd.
Dit is een geweldig goed boek en wordt heel warm aanbevolen. Dit is één van de beste boeken die ik van J.G. gelezen heb.
Ik heb het daar nogal moeilijk mee: de oplossing van de nevenintrige over het vermiste meisje is erg vergezocht, de personages missen diepgang en Gaarders stijl is ook niet direct om naar huis over te schrijven. De Nederlandse Biblion recensie heeft zo ook zijn bedenkingen:
Haar reis bevat diverse kerkhistorische feiten die nogal schools zijn verwerkt. Sommige kinderen boven de tien zullen het verhaal kinderachtig vinden; voor kinderen onder de tien zijn sommige passages waarschijnlijk te moeilijk. Het lijkt het best tot zijn recht te komen door in de Adventstijd elke dag een hoofdstuk voor te lezen aan kinderen vanaf ca. 9 jaar.
Jostein Gaarder, Het Mysterie, vertaald door Elina van der Heyden en Lucy Pijttersen, Baarn (Fontein/Houtekiet), 1998 ISBN 90-5240-528-X
Samen met Klaus Hagerup schreef Jostein Gaarder ook een soort ode aan het boek, Bibbi Bokkens magiske bibliotek (1993) (Nederlandse vertaling: De magische bibliotheek). Het werd in Noorwegen in “Bokåret 1993” (de 350ste verjaardag van het eerste gedrukte Noorse boek: een almanak) aan alle leerlingen van het zesde leerjaar cadeau gedaan. Qua concept is het alweer een typisch Gaarderaans boek: didactisch van opzet en met allerlei mysterieuze situaties die op het einde dan toch (maar vaak nogal gewrongen) verklaard worden.
Nils Bøyum Torgersen en Berit Bøyum zijn neef en nicht: hij woont in Oslo, zij in Fjærland (in het westen van Noorwegen). Ze corrsponderen via een “brievenboek” met elkaar. De centrale figuur daarin is Bibbi Bokken, een zich nogal vreemd gedragende oudere dame die in Fjærland woont (Nils komt daar regelmatig met vakantie) maar ook connecties in Oslo blijkt te hebben. Hoewel er in haar huis schijnbaar geen enkel boek te vinden is, zou die Bibbi een grote boekenverzamelaarster zijn, en daarnaast ook een boek bezitten dat nog moet verschijnen. En dan is er ook nog een schurk, die verwoede pogingen onderneemt om Nils en Berits brievenboek in handen te krijgen.
In de loop van het verhaal krijgt de lezer allerlei dingen over de geschiedenis en de classificatie van boeken (incunabelen, Dewey…) te weten. Verder duiken er ook nogal wat namen van Noorse schrijvers op.
Uiteindelijk zal blijken dat Bibbi het meeste in elkaar gezet heeft om Nils en Berit aan het schrijven te krijgen en dat hun brievenboek (dat in het tweede deel van de roman overgaat in een gewoon relaas waarin Nils en Berit om de beurt aan het woord komen) in het Noorse Boekenjaar uitgegeven zal worden. De schurk in kwestie blijkt de eigenaar te zijn van een videobedrijfje. Hij beschouwt boeken als een concurrent voor zijn medium en wil daarom niet dat het boek uitgegeven wordt.
Bij Nederlandstalige recensenten viel het boek wel in de smaak. Andrea Oostdijk (Biblion) vond dat de schrijvers duidelijk willen
overbrengen hoe leuk en belangrijk lezen is en slagen [ze] erin dit te doen in een spannend, maar vrij rechtlijnig verhaal, waarbij de tegenstelling tussen het creatieve lezen en het geestdodende tv-kijken net iets te moralistisch overkomt. Een hier en daar filosofisch, maar vlot leesbaar boek
Inge Umans zei op de website van Pluizuit dat het
zowel voor schrijver als lezer jammer [is] dat het boek eindigt maar het steekt zo fantastisch in elkaar dat het nog lang blijft nazinderen. […] Dit boek geeft je het geruststellende gevoel dat het geschreven woord altijd zal blijven bestaan, ook al leven we in een tijd waarin flitsende beelden ons langs alle kanten bestoken.
De recensie op de website Leesfeest.nl was genuanceerder:
De auteurs hebben hun best gedaan om een bijzonder boek te schrijven, en gedeeltelijk is het ook gelukt; sommige personages zijn mooi en levendig en op een paar plaatsen is het boek echt spannend. Maar het boek wordt onrealistisch doordat het teveel dingen tegelijk moet zijn: een roman in de vorm van een briefwisseling; een detective die een naslagwerk moet zijn; een goed kinderboek dat een deftig jubileum moet promoten.
De Nederlandse vertaling kwam er tien jaar na de Noorse publicatie en een aantal voor Noren relevante opmerkingen en situaties zeggen de doorsnee Nederlandstalige lezer erg weinig.
Gaarder, Jostein/Hagerup, Klaus, De magische bibliotheek, uit het Noors vertaald door Kim Snoeijing, Baarn (De Fontein), 2003, ISBN 978-90-261-1869-2
Tiener Cecilie Skotbu, de hoofdfiguur uit I et speil, i en gåte (1993) (Nederlandse vertaling: Door een spiegel, in raadselen) is ernstig ziek. Zelf gelooft ze dat ze weer gezond zal worden, maar de bezorgde en ook gelaten indruk die haar ouders maken spreekt dat tegen. Op kerstnacht krijgt Cecilie bezoek van een engel, Ariël, die met haar gesprekken begint over wat zij is (bij de mens is het zintuiglijke/ materiële belangrijk) en over wat hij is (bij de engel primeert het geestelijke) …
Als I et speil, i en gåte filosofie voor kinderen is, dan is het toch voor filosofisch aangelegde kinderen (en volwassenen) bedoeld.
Jostein Gaarder, Door een spiegel, in raadselen, vertaald door Elina van der Heijden, Baarn (De Fontein), 1996, ISBN 90-261-0957-1
Hallo? Er det noen her? (1996) (Nederlandse vertaling: Hallo, is daar iemand?) is een als een brief van Joakim aan zijn achtjarig nichtje Camilla gepresenteerd kinderboek waarin die Joakim vertelt hoe hij, op de dag dat zijn vader met zijn hoogzwangere moeder naar het ziekenhuis reed, kennismaakt met het jongetje Mika, dat van een andere planeet komt maar toch erg op een mens lijkt.
Door de erop volgende gesprekken tussen die twee over natuurwetenschappelijke en filosofische onderwerpen begint Joakim dieper na te denken over allerlei dingen die hem altijd vanzelfsprekend geleken hebben maar die bij nader toezicht eerder toevallig blijken te zijn of aan verandering onderhevig al naargelang het standpunt van waaruit je ze bekijkt.
Jostein Gaarder, Hallo, is daar iemand?, vertaald door Janke Klok en Lucy Pijttersen, Amsterdam/Antwerpen (Querido), 1997, ISBN 90-214-6352-0
In Appelsinpiken (2003) krijgt de 15-jarige Georg Rød een lange aan hem gerichte brief in handen die zijn vader Jan Olav elf jaar geleden schreef kort voor hij overleed. Het boek is een aanvankelijk magisch-realistisch aandoend verhaal over Jan Olavs verliefdheid op het “sinaasappelmeisje” dat uitmondt op een vraag die hij zijn zoon stelt over de zin van het leven:
Ik heb mezelf de afgelopen weken dikwijls diezelfde vraag gesteld. Zou ik voor een leven op aarde hebben gekozen, in het besef dat ik plotseling kon worden weggerukt, misschien op het hoogtepunt van mijn geluk? Of zou ik al aan het begin hebben bedankt voor dat vermetele geef-en-neemspelletje? Want we zijn maar één keer op deze wereld. We mogen het grote sprookje betreden, maar dan komt er een olifant met een grote snuit…
Nee, ik weet niet zeker wat ik had gekozen. Ik geloof dat ik de voorwaarden niet geaccepteerd zou hebben. Misschien had ik wel beleefd bedankt voor het aanbod om het grote sprookje te mogen bezoeken als het alleen om een kort bezoek zou gaan, en misschien zou ik zelfs niet eens beleefd zijn geweest. (vertaling Lucy Pijttersen en Kim Snoeijing)
Frode M. Gjeralds oordeel in Finnmark Dagblad (17.10.2003).
al de onbeantwoorde vragen maken het moeilijk om “Appelsinpiken” weg te leggen. […] [Het boek] is intens geschreven, maar helaas maakt Gaarder de rit niet af. Fantasie maakt uiteindelijk plaats voor moraliserende filosofie, met een iets te zichtbare en belerende Gaarder.
Jostein Gaarder, Het Sinaasappelmeisje, vertaald door Lucy Pijttersen en Kim Snoeijing, Utrecht (Signature), 2003, ISBN 978-90-5672-112-1
_______________________
Jostein Gaarders eigenlijke debuut (we laten hier de schoolboeken waaraan hij meegewerkt heeft buiten beschouwing) was in 1986 met een boek voor volwassenen. Diagnosen og andre noveller**½, is een bundel met filosofische novellen. De auteur houdt zich hier al bezig met de grote vragen des levens: de (on)zin van het leven, eenzaamheid, waarheid en fantasie, droom en realiteit, de dood, de rol van het toeval… Terugkerende motieven zijn ook ongeneeslijk ziek zijn, romanfiguren die hun ″bestaan″ in vraag stellen, een niet zo fraai toekomstbeeld…
Vooral de ″echte″ filosofische novellen zijn behoorlijk ″zware″ lectuur met veel vragen en weinig antwoorden. De titelnovelle ″Diagnosen″ bijvoorbeeld, waarin de 36-jarige Jenny te horen gekregen heeft dat ze lymfekanker heeft en een laatste keer voor haar vertrek (naar het Radiumhospitaal in Oslo) door Bergen wandelt en en over de kosmos en het leven mediteert. Ook ″Kritikeren″, over een kunstcriticus die gaandeweg onbegrijpelijke kritieken begint te schrijven is niet bepaald lichte kost.
De twee sciencefictionachtige verhalen geven geen al te hoopvol beeld van de toekomst. “Tidsscanneren” handelt over een toekomst waarin een tijdscanner het mogelijk maakt de hele geschiedenis te herbeleven, waardoor de geschiedeniswetenschap en heel wat andere wetenschappen overbodig geworden zijn en de mensen niet meer geïnteresseerd zijn in eigen activiteiten. In “Katalogen″ geldt het absolute gelijkheidsprincipe: iedereen moet een tekst van dezelfde lengte (zeven tot vijftien regels) publiceren in een steeds maar groter wordende kataloog.
Een paar verhalen zijn wel heel wat toegankelijker. De zich hoofdzakelijk in Italië afspelende tragische liefdesgeschiedenis “Møtested Engelsborg” bijvoorbeeld of het ironische ″Farlig hoste″, waarin een devote oude dame met een grote afkeer van alcohol daar onbewust aan verslaafd geraakt.
Voor iedere novelle heeft Gaarder ook nog een uitermate filosofische ″inleiding″ geschreven. Dat filosofische is niet echt mijn ding maar ik voeg er onmiddellijk aan toe dat er nogal wat mensen zijn die anders over Diagnosen og andre noveller denken:
Jede Geschichte ist für sich ein kleines Meisterwerk […] Jostein Gaarder ist hier in Bestform! (literaturschock.de)
Jostein Gaarder, Een zeldzame vogel, vertaald door Kim Snoeijing en Lucy Pijttersen, Baarn (de Prom), 2000 ISBN 978-90-6801-649-9
In Vita Brevis**½ (1996) vertelt Jostein Gaarder hoe hij tijdens een bezoek aan Buenos Aires in een klein antiquariaat rondsnuffelt en daar een afschrift vindt van de brieven die Floria Aemilia schreef aan haar ex-partner, de beroemde theoloog, kerkvader en bisschop van Hipo, Augustinus (354-430). Hij leefde twaalf jaar samen met haar voor hij onder invloed van zijn moeder een einde aan de relatie maakte.
Gaarder koopt het document, trekt er mee naar het Vaticaan en geeft het daar af. Later ontkent het Vaticaan het geschrift ooit ontvangen te hebben. Gelukkig had Gaarder er al een “fotostat” (een fotokopie) van laten maken. Wat de lezer nu in handen heeft is een wetenschappelijke uitgave van de brieven met de vertaalde tekst aan de rechterkant en verklarende voetnoten aan de linkerkant. In de Nederlandse vertaling is die lay-out gewijzigd: daar staan de noten (wanneer die er zijn) onder de tekst. Verder zijn ook de illustraties uit de Noorse uitgave weggelaten.
Feit of fictie? Fictie natuurlijk. “Roman” staat er op het stofomslag en op de titelpagina van Vita Brevis. Het fictionaliseren van historische of Bijbelse figuren is een beproefd recept. Voorbeelden uit de Nederlandse literatuur zijn o.a. Paul Lebeaus Xanthippe (1959) en Marnix Gijsens Het boek van Joachim van Babylon (1947)
Wat heeft Floria, die zichzelf omschrijft als een “dannet kvinne” (“een ontwikkelde vrouw”) haar ex, die ze aanspreekt als Aurel maar soms ook met het ironisch klinkende “nådige biskop” te melden? Ze heeft Augustinus Confessiones (Bekjennelser in het Noors) gelezen en heeft er heel wat op aan te merken.
Haar belangrijkste bezwaren tegen de Confessiones zijn van tweeërlei aard. Ze vindt dat Agustinus aan een typische auteurskwaal lijdt: hij stelt zich in zijn geschriften “mooier” voor dan hij in werkelijkheid is: de principes die hij daar huldigt brengt hij zelf niet in de praktijk. Augustinus is voor haar van zijn voetstuk gevallen door het afbreken van hun relatie en door de manier waarop hij er later op terugkijkt. Augustinus’ moeder Monica krijgt hierbij de volle laag.
Daarnaast deugen de theorieën die hij in de Confessiones naar voren brengt niet. Augustinus predikt “avholdenhet” (totale onthechting ) als het gaat over het zintuiglijke en het aangename, de liefde en de natuur:
uitgerekend jij gelooft aan een God der wrake, die de mensen tot in alle eeuwigheid voor hun daden wil straffen en pijnigen! (vertaling Lucy Pijttersen)
Floria is een andere mening toegedaan: wie de schepping negeert, negeert ook de schepper:
Heb je er wel eens aan gedacht dat jij misschien met verachting op Gods gaven neerziet? (vertaling Lucy Pijttersen)
Haar eigen opvattingen leunen aan bij het epicurisme:
Haal diep adem, luister naar het gezang van de vogels, kijk omhoog naar het hemelgewelf en neem alle geuren in je op. Dat is de wereld, Aurelius, en die is hier, op dit moment. (vertaling Lucy Pijttersen)
Van de filosofie heeft ze geen al te hoge pet op, zoals blijkt wanneer ze Cicero citeert:
niets is zo absurd dat het niet door een filosoof kan worden gezegd. (vertaling Lucy Pijttersen)
of zegt:
Eerst moeten we leven en pas daarna kunnen we gaan filosoferen. (vertaling Lucy Pijttersen)
En zo wordt Vita Brevis (“het leven is kort”) een waarschuwing tegen extremisme in het algemeen en religieus fanatisme in het bijzonder:
Moge God het jullie vergeven, als hij bestaat. Maar misschien worden jullie op een dag veroordeeld vanwege alle vreugdes in het leven die jullie de rug hebben toegekeerd. Jullie verloochenen de liefde tussen man en vrouw. Misschien dat jullie dat vergeven kan worden. Maar jullie doen het in Gods naam. (vertaling Lucy Pijttersen)
Dag Kullerud (Dagbladet, 31.10.1996) was erg te spreken over Vita Brevis:
een aparte en intrigerende roman … een fascinerend boek, verrassend door zijn onderwerp, dat ernstig genoeg is, en speels door zijn raamvertelling.
Bjørn Gabrielsen (Morgenbladet, 29.11.1996) maakte heel wat meer voorbehoud:
Indien men Vita Brevis bekijkt als een boek voor een schrandere 13-jarige, kan het er misschien mee door. Maar “het eerste boek van Jostein Gaarder voor volwassenen”? Of zoals de uitgeverij op het omslag schrijft: “Een erotische tragedie”?
Ook Gaarder zelf heeft (in een interview met Ann Christiansen, Aftenposten 11.03.06) Vita brevis als “en erotisk tragedie” omschreven.
Gabrielsens bezwaren hebben ook te maken met de onderliggende tendens van het boek:
Het hoofdpersonage van het boek is intelligent, ontwikkeld en goed van de tongriem gesneden, maar het slachtoffer van structurele discriminatie. Ze werd bedrogen, maar is vergevingsgezind. En ze vertegenwoordigt een tegengewicht voor de wereldvreemde en levensvijandige mannelijke cultuur. […] Vrouwen telkens weer als vergevingsgezind, als immer attent, als eeuwige pleitbezorgers voor het natuurlijke, waar de mannen vijandig tegenover staan – is dat op zichzelf geen structurele discriminatie?
In 1999 publiceerdeGaarder Maya*. Sofies verden was dan allang een wereldsucces geworden:
Kersvers van de drukkerij, de titel is “Maya”. En natuurlijk, natuurlijk! is het al verkocht aan alle Europese landen. Dat kan geen moeilijk opdracht geweest zijn. De heer Gaarder heeft de geldzak van de uitgeverijen allang gevuld. Zo goed zelfs dat alleen al het zien van zijn naam de uitgevers duizelig van geluk maakt.
schreef Lars-Ludvig Røed (Aftenposten 20.11.1999) niet zonder enige ironie.
De Noorse evolutiebioloog Frank Andersen is de ik-figuur: hij schrijft een hele lange brief aan zijn Spaanse vrouw Vera van wie hij gescheiden leeft. Andersen bevindt zich in 1998 op het Fiji-eiland Taveuni waar hij onderzoekt in hoeverre de ingevoerde planten- en diersoorten het ecologische evenwicht verstoord hebben. Het eilandje staat op dat ogenblik nogal in de belangstelling omdat het zich op de 180° meridiaan bevindt en dus in het jaar 2000 als eerste de overstap naar het nieuwe millennium zal maken.
Hij ontmoet er een aantal andere personen van wie de belangerijkste het Spaanse echtpaar Ana en José, de Engelse schrijver John Spooke en de Amerikaanse milieuactiviste Laura de belangrijksten zijn. Met Spooke organiseert hij een soort “tropisk toppmøte” waarop ze over filosofische en wetenschappelijke kwesties debatteren – of zoals Spooke het formuleert:
Afgezien daarvan, afgezien van alle jurken en diners, make-up en dasspelden, banktegoeden en barokke spiegels boven de open haard, dus afgezien van alles waarmee we ons in sociaal verband tooien, hebben we misschien nog maar twee of tien, of in het beste geval enkele tientallen jaren te leven. En in het licht daarvan, ja, in het licht daarvan bestaan er ook enkele algemeen geldende, existentiële perspectieven die ons allemaal aangaan, ook al spreken we daar slechts zelden over. Ik stel daarom voor dat wij vanavond proberen om onze arbitraire belangen en bezigheden links te laten liggen en dat wij ons concentreren op iets wat ons allemaal aangaat. (vertaling Kim Snoeijing en Lucy Pijttersen)
Dit citaat geeft al een goed idee van hoe het er in Maya aan toe gaat. Gaarder zelf noemt zijn boek in het interview met Røed “ganske heavy lesestoff” en omschrijft het onderwerp als “de mens als natuurwezen”, “onze natuurbiologische achtergrond” en “de liefde”. In een interview met Sissel Fantoft (Dagbladet, 19.11.1999) trekt hij van leer tegen het “reductionisme”, het concept dat het menselijke denken en handelen volledig gereduceerd kan worden tot fysische en chemische processen:
Ik weiger mee te doen met de bewering dat het bewustzijn alleen een toevallig bijproduct van biochemische processen is. Er is vier miljard jaar nodig geweest om tot hier te komen. Het leven is een fundamenteel deel van de natuur, en wij zijn een deel van iets mysterieus, wonderlijk en zinvol.
Ik vraag me af hoeveel kopers het ook echt uitgelezen hebben. Voor mij zijn de gevoerde discussies behoorlijk wollig, hoogdravend, weinigzeggend en repeterend. Thema’s die aan bod komen zijn o. a. de evolutie van eencellig wezen tot mens, de aantasting van het milieu, zin of onzin van het leven op aarde en het al of niet bestaan van een hiernamaals. Dat Frank een probleem met de “dood” heeft is al vanaf het begin van Maya duidelijk:
Ik heb het altijd een onvoorstelbare gedachte gevonden dat ik op een dag zomaar verdwenen kan zijn, dat ik hier alleen deze ene keer ben en nooit meer zal terugkeren.(vertaling Kim Snoeijing en Lucy Pijttersen)
Gaarder doet er nog een schepje bovenop door de al genoemde José en Anna allerlei wijsheden tegen elkaar te laten debiteren. Een voorbeeldje:
– Objectief bekeken is de wereld niet zozeer een onwaarschijnlijke, eenmalige gebeurtenis maar in de allereerste plaats een constante aanslag op de rede. Als er iets als rede bestaat tenminste, als er een neutraal vermogen tot denken bestaat. Dat zegt de innerlijke stem. Dat zegt de stem van Joker.
Ana knikte veelzeggend. Toen voegde ze er zelf aan toe:
– ]oker voelt zichzelf groeien, hij voelt het in armen en benen, hij voelt dat hij niet iets is wat hij zichzelf alleen verbeeldt. Hij voelt dat er glazuur en ivoor in zijn antropomorfe dierensnuit ontstaan. Hij voelt het lichte gewicht van de rib van de primaat onder zijn ochtendjas, hij voelt het ritmische kloppen van zijn pols dat de warme vloeistof door zijn lichaam pompt. (vertaling. Kim Snoeijing en Lucy Pijttersen)
Slikt u nu even? Ik in elk geval wel. Frank (half aan de drank blijkbaar) voert daarnaast ook nog lange gesprekken met een gekko.
Het debat beperkt zich overigens niet tot de bijeenkomsten op Taveuni; tijdens een later weerzien in Spanje wordt er tussen Spooke, Andersen, José en Ana nog flink doorgeboomd en breidt Gaarder er nog een absurd verhaal aan vast dat naar de titel verwijst. De aanzet werd al gegeven in Taveuni wanneer Laura het daar over het begrip “maya” uit de Indiase filosofie had. In Spanje blijkt dan dat Ana (Frank had vanaf de eerste ontmoeting het gevoel dat hij haar al ergens ontmoet had) qua gezicht als twee druppels water lijkt op de naakte Maya van Goya en …zelf Ana Maria Maya blijkt te heten. Ook de maya’s uit Midden- en Zuid-Amerika komen er nog aan te pas – de moeder van de Griekse god Hermes is Gaarder daarentegen uit het oog verloren. Verder maakt ook nog een dwerg die om de zoveel jaren opduikt zijn opwachting: er wordt trouwens duchtig met cijfers gejongleerd. Voor al zijn onwaarschijnlijke verhalen komt Gaarder met zo mogelijk nog onwaarschijnlijker verklaringen aanzetten. Als kers op de taart blijkt uiteindelijk dat Andersens hele uiteenzetting eigenlijk uit de pen van de schrijver John Spooke gevloeid is.
En dan is er nog de stijl. Een groot stilist is Gaarder ook in zijn andere boeken niet, maar hier vallen de gemaakte dialogen toch wel erg op, om nog maar te zwijgen van stilistische hoogstandjes zoals
Een van hen had een gitaar, de twee anderen hadden geen andere instrumenten dan een rauwe keel en de pentadactylische ritme-instrumenten van de handen zelf. (vertaling Kim Snoeijing en Lucy Pijttersen) (Mocht u zich afvragen wat “pentadactylische ritme-instrumenten” zijn: vingers natuurlijk!)
en
Ik wilde Frank met name Ana laten zien in Sevilla. Ik wilde hem de overdadige viering van de soepele ledematen van het postanimale gewervelde dier laten zien. Dit had het oeramfibie moeten zien, dacht ik, nu dansten de achterkleinkinderen de flamenco in Sevilla, en daarvoor waren alle extremiteiten van de tetrapoden nodig, alle spieren en wervels, en alle coördinerende synapsen van de hersenen. (vertaling Kim Snoeijing en Lucy Pijttersen)
Ik bespaar u toch maar de rest van John Spookes lyrische ontboezeming…
En wat zeiden recensenten zoal over Maya? Ze hadden “mixed feelings” zo blijkt….
Michael Brett (Times Literary Supplement, 10.11.2000) noemde Gaarder een “affable pedagogue”, “a teacher of unfailing patience and goodwill” en de roman een
obsessive quest to find some logic behind the creation of the universe and seek a deeper understanding of the evolutionary biology which had led to our unique ability to pounder our own existence
Voor Jan Flamend (Standaard der Letteren, 15.03.2001) heeft Gaarder
een complexe structuur opgezet die om alertheid vraagt. Door de perspectiefwisselingen en het betwistbare auteurschap van de verhalen binnen het boek, weet je niet wat je mag geloven […] Het boeiende aan Maya is dat Gaarder een onbehandelbare thematiek behandelt in een “spannend en ingenieus spinsel van verhalen”.
Hij voegt er echter aan toe dat
de filosofische pretenties enerveren behoorlijk omdat Maya soms wel erg zwaarwichtig en zweverig is.
Karl van den Broeck (De Morgen Metro, 21.12.2000) noemde Maya een “conte philosophique”,
een spinsel van verhalen dat de theorieën over het ontstaan en de zin van het leven op een begrijpelijke en boeiende manier naast elkaar zet.
Per Kristian Olsen (Kulturnytt, NRK P2, 23.11.1999) is dan weer behoorlijk scherp:
Maya is een van die romans die geweldig gemaakt aandoen en die tijdens de lectuur echt in hun voegen kraken. Alle hoofdpersonages zijn flat. Er gebeurt niks met ze. […] Sofies verden was meer pedagogie dan grote romankunst. Dat is ook het geval met Maya. In Sofies verden wou Gaarder vooral de geschiedenis van de filosofie vertellen. In Maya filosofeert hij zelf. Maya is vooral een pedagogisch informatief project dat weinig met kunst te maken heeft. […] Als roman is het tamelijk mislukt. Het boek is een proeftuin voor beweringen, bezweringen, hypothesen, ontwikkelingstheorie, kosmologie, sommige interessant, vele andere dan weer irritant.
Zo hoort u het ook eens van een ander. Maar toch: dit stukje troost uit Maya wil ik u niet onthouden:
Als de wereld bestaat, dan zijn de grenzen van het onwaarschijnlijke reeds overschreden. Als deze wereld bestaat, waarom zou er dan niet ook een hiernamaals zijn? (vertaling Kim Snoeijing en Lucy Pijttersen)
Jostein Gaarder, Maya, uit het Noors vertaald door Kim Snoeijing en Lucy Pijttersen, Baarn (De Prom), 2000, ISBN 978-90-6801-686-4
Minder vermoeiend is in ieder geval Sirkusdirektørens datter*** (2001) – Nederlandse vertaling: De dochter van de circusdirecteur. Hoofdfiguur en verteller Petter bezit een heel bijzondere eigenschap: hij beschikt over een ongebreidelde fantasie en heeft daardoor voortdurend ideeën die voor literaire werken gebruikt kunnen worden.
Zelf wil hij geen roman of iets dergelijks schrijven:
Ik zal nooit een roman schrijven. Ik zou me nooit op één verhaal kunnen concentreren. Als ik eenmaal aan een verhaal begonnen ben, zuigt het onmiddellijk vier of acht andere verhalen op. Dan wordt het een hele klus om het overzicht te bewaren in al die dikke lagen raamvertellingen en een krioelende massa opzichzelfstaande anekdotes met verschillende vertellers op diverse vertelniveaus, of Chinese doosjes, zoals het ook wel wordt genoemd.
Toch verdient hij rijkelijk als antipode van een ghostwriter: hij schrijft niet de ideeën van anderen uit maar voorziet een groot aantal (beginnende of met een writer’s block sukkelende) auteurs van synopsissen. Verschillende van die synopsissen zijn in Sirkusdirektørens datter terug te vinden.
Na verloop van tijd heeft Petter een heel netwerk gecreëerd met zichzelf als een “edderkopp” (spin) er middenin; van al die schrijvers is er geen enkele die weet dat hij niet de enige is die door Petter “bediend” wordt. Onwillekeurig denk je hier natuurlijk: wordt er hier op “echte” Noorse schrijvers gealludeerd?
Uiteindelijk gaat hij zelfs internationaal en frequenteert hij (als lector bij een uitgeverij) grote boekenbeurzen. Maar dan gaat het fout met zijn systeem en begint hij voor zijn leven te vrezen. Hij trekt zich terug in een klein stadje in Italië en schrijft daar het boek dat de lezer nu voor ogen heeft – Gaarders voorkeur voor constructies steeds ook nu weer de kop op. En nu komt de lezer ook de achterliggende reden voor zijn besluit om zelf geen romans te schrijven te weten…
onderhoudend en vlot leesbaar
vond Ragnhild Engelskjøn (Nordlys, 29.11.2001)
een speciale, speelse spanning brengt vaart in het verhaal, ook al is de hoofdpersoon niet het type “homo ludens” met wie we het liefst plezier zouden maken
Zij wijst ook op de talrijke verwijzingen naar Ibsen in de roman, niet verwonderlijk want
de thema’s in Sirkusdirektørens datter staan ook centraal in Ibsens werk: schuld en verraad.
Jostein Gaarder, De dochter van de circusdirecteur, vertaald door Lucy Pijttersen en Carla Joustra, Utrecht (Signature), 2002, ISBN 978-90-5672-043-8
De moeilijke relatie tussen wetenschap en geloof, daar gaat het over in Slottet i Pyreneene** (2008) Als vehikel voor zijn ideeën heeft Gaarder deze keer gekozen voor de moderne versie van de aloude briefroman: de “e-mailroman”!
Steinn en Solrun ontmoeten elkaar voor het eerst in dertig jaar, en wel op de plaats waar er een einde kwam aan hun relatie: een hotel in Fjærland. Beiden zijn ze ondertussen getrouwd en hebben ze kinderen. Waarom ze toentertijd een einde aan hun relatie maakten wordt niet meteen duidelijk; wel dat ze toen al op levensbeschouwelijk vlak uit elkaar gegroeid waren. Sindsdien zijn ze allebei hun eigen weg gegaan. Steinn is een wetenschapper (meer specifiek een “klimaforsker”) en een atheïst. Solrun is lerares en gelovig.
Toch slaat er bij dat totaal onverwachte weerzien weer een vonk over en besluiten ze contact te houden. Steinn woont in Oslo, Solrun in Bergen en dus schrijven ze elkaar een lange reeks uitvoerige e-mails, waarin ze hun levensbeschouwelijke discussie weer opnemen.
Voor Steinn zal de wetenschap uiteindelijk in staat zijn om alles te kunnen verklaren:
Iki geloof voor honderd procent in het natuurwetenschappelijke wereldbeeld. Het wordt de hele tijd bijgesteld, na een stap vooruit en twee opzij gaat het wetenschappelijk onderzoek twee stappen vooruit en een opzij. Maar ik geloof in de wetten van de natuur, en uiteindelijk betekent dat de wetten van de fysica en de wiskunde. Ik geloof in wat is. Ik geloof in feiten. We begrijpen nog niet alle fenomenen, we begrijpen niet alles, maar we weten en begrijpen, veel meer dan onze voorouders.
Wat nog niet verklaarbaar is zijn voor hem alleen maar
zogenaamde bovennatuurlijke fenomenen
Solrun, die zichzelf een “christelijk spiritualist” noemt, gelooft wel in het bestaan van een ziel onafhankelijk van het lichaam:
Ik ben er vandaag de dag van overtuigd dat mijn ik de dood van mijn lichaam zal overleven […] Wij mensen hebben wel degelijk een vrije ziel, ik bedoel daarmee een ziel die onafhankelijk is van het lichaam dat we bewonen
De titel van de roman verwijst naar een bekend schilderij van Margritte, dat door Solrun gebruikt wordt om Steinns houding te illustreren:

Je bent niet veranderd, Steinn. […] Je halsstarrigheid heeft iets fris en jongensachtig. Maar misschien ben je blind. Misschien ben je bekrompen en pedant. Herinner je je nog dat schilderij van Magritte van een zware rots vrij zweven boven een landschap en met erbovenop als ik me goed herinner een kasteeltje. Je kunt dat schilderij onmogelijk vergeten hebben. En als je nu getuige zou zijn van iets gelijkaardigs, zou je zeker proberen het weg te redeneren. Misschien zou je gezegd hebben dat het een constructie was. Dat de rots hol was en gevuld met helium. Of dat hij in de lucht gehouden werd door een ingenieus systeem van katrollen en touwen.
In een boek waar de verteller uitdrukkelijk afwezig is wordt het volledig aan de lezer overgelaten om een standpunt te bepalen en het lijkt me onwaarschijnlijk dat die lezer onder invloed van dit boek van mening zal veranderen.
Lange discussies blijven het wel en om het geheel “verteerbaarder” te maken zorgt Gaarder ervoor dat het al snel duidelijk wordt dat de liefde tussen de twee correspondenten nooit echt heeft opgehouden te bestaan en laat hij de lezer lange tijd in het ongewisse over wat nu precies de breuk 30 jaar geleden veroorzaakt heef. Wel wordt er vanaf de eerste bladzijden verwezen naar een mysterieuze “vossenbessenplukster” en naar een mogelijk misdrijf dat toen gepleegd werd.
Het slot van de roman is verrassend, en hoewel er een zeker verband blijkt te zijn met wat er 30 jaar geleden gebeurd is en de universele (en onvermijdelijke?) menselijke twijfel hier beklemtoond wordt, voegt het weinig toe aan het centrale thema van de roman.
Turid Larsen (Dagsavisen, 15.10.2008) noemde Jostein Gaarder
een origineel en moedig schrijver. Je kunt je moeilijk inbeelden dat andere auteurs dan Gaarder het zouden aandurven om een hele roman te schrijven waarin de hoofdpersonages over religieuze vragen discussiëren.
maar voegt er wel aan toe dat een aantal passages in de roman
meer dan zwaar en gekunsteld, of pijnlijk bombastisch kunnen overkomen.
Van Slottet i Pyreneene bestaat een Duitse vertaling:

Jostein Gaarder, Die Frau mit dem roten Tuch, vertaald door Gabriele Haefs, München (Dt. Taschenbuch-Verlag), 2011 ISBN 978-3-423-14058-4
Gaarders glorietijd is overigens al een tijdje voorbij.
ontgoochelend oninteressant
schreef Gerd Elin Stava Sandve (Dagsavisen, 02.03.2016) over Dukkeføreren (2016, niet gelezen):
ietwat beter naar het einde toe, maar alles bij elkaar […] spannend noch goed geschreven
Det er vi som er her nå (2021) (Nederlandse vertaling: Wij zijn de wereld – Een levensfilosofie (2022) heeft de vorm van een brief van Jostein Gaarder gericht aan zijn zes kleinkinderen. Een aantal onder hen zijn nog (veel) te jong om hem nu te lezen, maar de auteur hoopt dat ze het ooit zullen doen en dan constateren dat een aantal van zijn bange vermoedens geen bewaarheid geworden zijn.
Gaarder heeft het in zijn brief vooral over de mensen en de aarde die ze bewonen. In de eerste hoofdstukken gaat het in de eerste plaats over een aantal persoonlijke ervaringen uit zijn jeugd en over allerlei pseudowetenschappen, die hij als zodanig bespreekt, ook al houdt hij wel een slag achter de hand:
Dat een fenomeen niet aangetoond kan worden, wil namelijk niet zeggen dat het niet bestaat (vertaling Lucy Pijttersen) (ik zou “nu niet aangetoond” zeggen)
En dan is het op het eerste gezicht wel merkwaardig dat in Gaarders vroeger werk (waarnaar hij trouwens een aantal keer verwijst) best wat “bovennatuurlijke” elementen aanwezig zijn. Gaarder wijst er wel op dat het bovennatuurlijke daar niet iets is dat op zichzelf staat, maar dat het altijd gelinkt wordt aan iets wat zich in de geest van een personage afspeelt:
We kunnen niet uitsluiten dat alle ideeën over bovennatuurlijke verschijnselen puur menselijke voorstellingen zijn die nergens anders op zijn gebaseerd dan op wat in de mensen zelf zit (…) en misschien wel op de eerste plaats ons verbeten verzet tegen het accepteren van het feit dat het leven op een dag is afgelopen en in een groot niets eindigt. (vertaling Lucy Pijttersen)
Gaarder benadrukt ook dat de mens en zijn aarde maar een piepklein deel van de kosmos zijn:
Alleen van dit heelal kunnen we iets afweten, maar het is niet onmogelijk dat er een oneindig aantal andere heelallen bestaat, dat is zelfs waarschijnlijk (vertaling Lucy Pijttersen)
en dat het hoe dan ook altijd enorm moeilijk zal blijven om met eventuele andere bewust levende wezens in contact te komen: beschavingen hebben maar een beperkte houdbaarheidsdatum en de enorme afstand tussen planetenstelsels gekoppeld aan de “trage” snelheid van het licht zorgen ervoor dat de kans bijzonder groot is dat een beschaving al verdwenen is voor de boodschap de Aarde bereikt.
Maar het belangrijkste onderwerp van de brief is de bedreiging die de mens vormt voor het voortbestaan van de Aarde:
Hoe kunnen we de menselijke beschaving in stand houden en de essentiële levensvoorwaarden op onze eigen planeet beschermen? (vertaling Lucy Pijttersen)
Dit is het belangrijke thema dat in Sofies verden ontbrak:
ook degenen die na ons leven, zijn onze medemensen. En wij moeten ze behandelen zoals wijzelf door hen behandeld hadden willen worden als zij eerder dan wij hadden geleefd (vertaling Lucy Pijttersen)
Met de klimaatveranderingontkenners
zien we niet alleen een archetypisch voorbeeld van terrorisme en chantage, maar ook een typisch voorbeeld van een bepaald soort clownesk of schofterig gedrag dat helaas nog niet uit de mode is geraakt. (vertaling Lucy Pijttersen)
Gaarder ziet parallellen tussen de wijze waarop wetenschappers en klimaatverandering-negationisten elkaar te lijf gaan enerzijds en de strijd tussen goed en kwaad in de Noordse mythologie anderzijds:
Het is niet zo moeilijk om in de huidige tijd een malloot aan te wijzen die wel wat van de reus Thrym weg heeft (vertaling Lucy Pijttersen)
Hij probeert (tegen beter weten in?) toch optimistisch te blijven. Misschien is het daarom dat Jonas Hansen Meyer (nrk.no, 06.10.2021) Det er vi som her er nå omschrijft als “charmant” maar “ongevaarlijk”?
Gaarder verwijst in elk geval wel naar de Gaia-hypothese: zij ziet de Aarde als één groot zelfregulerend ecosysteem dat ernaar streeft om het evenwicht in stand te houden door het elimineren van de elementen die dat evenwicht verstoren…
Hij vraagt zich ook af waar de huidige generatie op haar sterfbed spijt zal van hebben. Niet genoeg gewerkt aan relaties of aan zichzelf? Niet genoeg naar zichzelf geluisterd? Te egoïstisch geweest? En ook iets om over na te denken is dit aan Stephen Hawking ontleende citaat:
We hoeven alleen maar naar onszelf te kijken om te begrijpen dat intelligent leven zich kan ontwikkelen tot iets waar we liever niet mee kennismaken.
Toch omschreef Oda Faremo Lindholm (VG, 06.10.2021) Det er vi som her er nå als
een opbeurend en mooi boek over het mirakel de aarde
maar wel een
met een visie die verplichtingen impliceert
Gaarders nieuwste boek is erg toegankelijk, maar komt wel met fundamentele vragen en pogingen tot antwoorden. Geschikt
voor iedereen vanaf 16 jaar
zoals het achterplat van de Nederlandstalige uitgave zegt.

Jostein Gaarder, Wij zijn de wereld – Een levensfilosofie, vertaald door Lucy Pijttersen, Utrecht (De Fontein), 2022 ISBN 978-90-261-6161-2
Terug naar Startpagina
