Karsten Alnæs

Karsten Alnæs
Voorpagina Noorse uitgave "Sabina"
Sabina — Noorse uitgave

Karsten Alnæs (1938) studeerde Duits, geschiedenis en Noors aan de Universiteit van Oslo en was daarna een tijdlang leraar. Hij debuteerde in 1975 met de novellebundel “Veps”, was tweemaal voorzitter van “Den norske Forfatterforening”, en was ook cultuurredacteur bij de krant “Dagbladet”. Alnæs ontving diverse litteraire prijzen. Zijn literair werk getuigt van een grote geschiedkundige belangstelling.  


Die belangstelling blijkt ook uit zijn in het Nederlands vertaalde biografische roman Sabina *** (1994). De Sabina uit de titel van het boek is Sabina Spielrein, een nu totaal vergeten Russische jodin die een belangrijke rol speelde in de beginperiode van de psychoanalyse. Op de kaft van één van de Noorse edities van de roman staat boven de titel

Freud stal haar ideeën, op Jung werd ze verliefd en de nazi’s vermoordden haar.

Als (heel) korte inhoud kan dat ermee door, hoewel de chronologie fout is en zeker één belangrijk element uit Sabina’s leven onvermeld gelaten is :

De stalinisten vernietigden haar levenswerk.

Sabina Spielrein wordt in 1885 geboren in een welvarend joods handelaarsgezin uit Rostov. Tijdens haar adolescentie valt ze ten prooi aan een neurose die haar gedrag totaal verstoort, zodat haar ouders haar ten einde raad naar de kliniek van Dr. Bleuler in Zürich sturen. Daar komt ze onder de hoede van de jonge psychiater Carl Gustav Jung. Het lukt Jung na verloop van tijd om Sabina uit haar diepe psychische afgrond te halen. Ze begint zelfs medicijnen te studeren.

Sabina is echter hartstochtelijk op Jung verliefd geworden. Ze wordt Jungs maîtresse. Wanneer die echter uiteindelijk voor de keuze tussen zijn vrouw Emma en Sabina gesteld wordt, laat hij zijn patiënte vallen op een manier die alleen maar als behoorlijk gemeen omschreven kan worden.

Sabina Spielrein is ondertussen arts geworden en verdiept zich in de psychiatrie. Freud wordt haar “biechtvader”). Ze voert een vrij drukke correspondentie met hem en verblijft ook in Wenen, waar ze een voordracht geeft tijdens één van de woensdagavondbijeenkomsten die daar door Freud georganiseerd worden. Onderwerp van haar referaat (dat later ook gepubliceerd wordt) is:

de mens draagt in zijn onderbewustzijn explosieven met zich mee, de duivel in ons wil niet alleen “de ander”, maar even hard “het Ik” vernietigen. “Ieder afzonderlijk mens” wenste zijn eigen dood. (vertaling Janke Klok en Lucy Pijttersen)

Freud zelf blijkt afwijzend te staan tegenover de ideeën die ze naar voren brengt. Voor hem

is het zo dat we geen theorie over een afzonderlijk doodsinstinct nodig hebben om de destructieve kanten van het menselijk gedrag te verklaren. (vertaling Janke Klok en Lucy Pijttersen, 232)

Een aantal jaren later neemt hij in “Jenseits des Lustprinzips” (1920) haar ideeën echter klakkeloos over. Sabina’s broer Jean merkt dan woedend op:

Hij […] heeft wezenlijke ideeën van je overgenomen en je naam slechts in een voetnoot vermeld! (vertaling Janke Klok en Lucy Pijttersen)

In zijn nawoord suggereert Alnæs overigens dat ook bepaalde van Jungs concepten (bijvoorbeeld de animus/anima-theorie en de aanwezigheid van een “schaduw” in de menselijke persoonlijkheid) op ideeën van Sabina Spielrein teruggaan, maar de materiële bewijzen hiervoor zijn veel vager. Slechts één passage uit de biografische roman zelf lijkt hiernaar te verwijzen:

Tegelijkertijd voelt ze zich miserabel omdat ze zich vastklampt aan een fantoom dat haar reeds lang geleden heeft vertoten. In haar diepste innerlijk verdenkt ze hem ervan haar gedachten te stelen en het gestolene te tonen zonder zich ervan bewust te zijn dat zíj de gedachten te voorschijn heeft gepeuterd. (vertaling Janke Klok en Lucy Pijttersen)

Sabina’s verliefdheid op Jung blijft dus voortduren ook al trouwt zij in 1912 met de in Berlijn verblijvende Russische arts Paul Scheftel. In 1917 komen in Rusland de bolsjevieken aan de macht en staan Sabina en haar man voor een verscheurende keuze: in het Westen blijven of naar Rusland  trekken om er mee te werken aan de opbouw van een nieuwe maatschappij ? Uiteindelijk opteren ze voor het tweede.

En dat blijkt spoedig een verkeerde keuze te zijn. De eerste tijd is het leven is Moskou nog vrij draaglijk. Sabina leidt er een kliniek voor verwaarloosde kinderen met psychische problemen. Na 1924 wordt Stalins greep op de hele Sovjet-Unie steeds wurgender. De psychoanalytici worden door de overheid met een scheef oog bekeken en uiteindelijk wordt Sabina’s kliniek opgedoekt.

De Scheftels en hun twee dochters worden verplicht om naar Rostov (waar de rest van de familie Spielrein nog steeds woont) te verhuizen en Sabina moet aan de kost komen als huisarts. Vanaf 1934, wanneer Stalin een nieuwe golf van “zuiveringen” doorvoert, wordt het leven helemaal een nachtmerrie. Sabina’s echtgenoot gaat ten onder aan de druk en de vernederingen, haar drie broers “verdwijnen”, maar zij blijft moedig doorwerken en voor haar dochters zorgen.

Sabina Spielreins levensverhaal wordt van tijd tot tijd doorbroken door het relaas van de laatste dagen van haar leven, wanneer het Duitse invasieleger in 1941 Rostov steeds dichter nadert. Uiteindelijk wordt de stad ingenomen. Een groot aantal joodse vrouwen en kinderen wordt voor de synagoge vermoord. Deze paragrafen behoren tot de meest schrijnende en ontroerende van het hele boek.

In zijn nawoord legt Kartsen Alnæs er de nadruk op dat hij wel degelijk een roman (en geen biografie) geschreven heeft. De achtergrond (met het steeds opnieuw opduikende antisemitisme) is echter historisch genoeg en voor Sabina’s levensloop heeft hij zich waar mogelijk gebaseerd op bestaande documenten, zoals het dagboek van Sabina Spielrein uit haar “Duitse” periode. Voor de grote hiaten die overbleven was het noodzakelijk zelf

een milieu en een kader (vertaling Janke Klok en Lucy Pijttersen) te creëren.

Sabina Spielrein komt uit de roman naar voren als iemand die (zoals één van haar collega’s het uitdrukt)

al het lijden probeerde te ondergaan wat een mens maar kon treffen. (vertaling Janke Klok en Lucy Pijttersen)

maar die toch altijd liefde, humanisme en vergevingsgezindheid blijft uitstralen.

Het ligt ook in je aard om jezelf weg te cijferen. (vertaling Janke Klok en Lucy Pijttersen)

schrijft haar broer Jean. Typerend voor Sabina is haar latere houding tegenover Jung:

Syboesjino heeft me ook verteld dat Carl Gustav Jung een gesprek heeft gehad met de minister van propaganda, Joseph Goebbels, en dat Jung zelf de overtuigd nationaal-socialist Gustav Richard Heyer als vice-voorzitter heeft aangewezen. […] Toch moet je me op mijn woord geloven dat dr Jung een humaan mens is, die geestelijke barbarijen als het nationaal-socialisme en het fascisme op geen enkele wijze goedkeurt. (vertaling Janke Klok en Lucy Pijttersen)

en Freud:

Dan maakt het toch niet uit dat mijn naam daarbij niet wordt genoemd? (vertaling Janke Klok en Lucy Pijttersen)

En als een soort testament van Sabina Spielrein nog deze overweging van haar, gemaakt nadat de stalinistische wurggreep iedere vrije wetenschapsbeoefening onmogelijk maakte:

Ik ben uit liefde psychoanalitica geworden, enkel en alleen uit liefde. En als ik de psychoanalyse achter me laat […] is dat omdat de wereld geen liefde verdraagt. De mensen vrezen de liefde, omdat die het kwade dat ons spoedig zal opslokken, aan het licht brengt. Liefde is een bedreiging voor degene die nooit liefde heeft gevoeld, voor degene die vernietiging en pijn zaait om anderen geen kans te geven zich aan het vuur der liefde te warmen. (vertaling Janke Klok en Lucy Pijttersen)

Herman Jacobs (De Morgen 19.07.1196) is postief over Sabina: Hij noemt het boek

een boeiende biografische roman […] En als Alnæs een iets “hardere” stilist was geweest, een boek, waar je zonder meer van onder de indruk zou zijn. Nu blijft het bij vakmanschap, geen meesterschap — wat Sabina overigens nog altijd gunstig onderscheidt van veel andere literatuur.

Zelf heeft Alnæs het centrale thema van Sabina als volgt omschreven:

Hoe reageert een mens wanneer hij geconfronteerd wordt met totale vernietiging of totale zinloosheid? (Aftenposten 07.01.1995)

In een een gesprek met John Vervoort (De Standaard 15.04.1996) zegt hij verder over zijn boek:

Ik ben er nogal van overtuigd dat Jung en Freud haar niet voor vol aanzagen. In de eerste plaats omdat zij een vrouw was. Maar ook, en vooral, omdat haar ideeën niet in hun kraam pasten. In mijn roman laat ik Sabina Spielrein een beetje als stoorzender optreden.

Sabina Spielrein speelt een centrale rol in David Cronenbergs film “A Dangerous Method” (2011).

Karsten ALNÆS, Sabina. Een biografische roman, vertaald door Janke Klok en Lucy Pijttersen, Breda (De Geus), 1996, ISBN 90-5226-345-0


Na Sabina werkte Alnæs verschillende jaren aan zijn Historien om Norge, die in zes delen tussen 1996 en 2000 verscheen. Het werk was een enorm succes en werd ook tot een tv-reeks bewerkt. Alnæs werd

de geschiedenisleraar van heel Noorwegen,

maar kreeg na verloop vanuit het vakmilieu kritiek omdat hij een aantal passages nogal letterlijk uit andere geschiedkundige werken had overgenomen zonder bronvermelding,

iets wat erg onpopulair is in academische kringen (Birger Kolsrud Jåsund, NRK, 07.11.2003)

Na Noorwegen nam Alnæs een nog “omvangrijker” onderwerp onder handen: Europa. Hij wordt beschouwd als een van de belangrijkste Noorse Europakenners, maar is geen fan van de Europese Unie:

Ik ben geen voorstander van een organisatie waarvan ik vind dat ze te veel politiekle en economische macht heeft. (Aftenposten 20.03.2004)

In 2003 verscheen het eerste deel van Historien om Europa met als titel Oppvåkning. In het Nederlands werd het vertaald als De geschiedenis van Europa: Ontwaken.

Alnæs laat zijn geschiedenis in de 14de eeuw aanvangen: de dreiging vanuit het Oosten (die later zal culmineren in de inname van Constantinopel door de Turken in 1453) leidde ertoe dat bij de elite het concept van een Europese identiteit veld won.

Alnæs concentreert zich vooral op determinerende factoren (zoals grote epidemieën) en nieuwe ideeën die tot ingrijpende veranderingen leidden. Wat hem hierbij vooral interesseert is de impact hiervan op het leven van de “gewone mensen”. Dat komt duidelijk tot uiting in het voorwoord: hij wil een boek schrijven

over de mensen in het werelddeel, over honger en rampjaren, over ziekte en gezondheid, over lichaam en ouderdom, over liefde en huwelijk, over het dagelijkse leven tijdens oorlogen, de levensomstandigheden van kunstenaars en nog veel meer. (vertaling Kim Snoeijing)

Alnæs geeft geen droge opsommingen van feiten en hanteert geen strenge chronologie. Hij introduceert een sterk verhalend element in zijn Geschiedenis en schuwt daarbij de petite histoire niet. In zijn presentatie voor “Bokklubben” zegt Børge Skråmestøs dat

dit is een boek waarbij ik tijdens de lectuur voortdurend opkeek en ongefocust voor me uitstaarde om voor mijn innerlijk oog opnieuw de fabelachtige en kippenvel veroorzakende scènes die Alnæs oproept af te draaien.

Dit komt heel duidelijk tot uiting in “Ni fortellinger fra Europa”, een soort intermezzo waarin het gaat over mensen die in de traditionele geschiedenisboeken niet aan bod komen, zoals een priester uit de Languedoc die het niet al te nauw met de kuisheid neemt, of een enigszins geletterde molenaar die omwille van zijn ideeën de inquisitie op zijn dak krijgt.

Wie Oppvåkning leest kan Alnæs alleen maar gelijk geven wanneer hij in Aftenposten (
20. 03. 2004 laat optekenen:

Wij hebben onszelf geprofileerd als intelligenter, humaner en toleranter [d.w.z. als de islam] Puur historisch gezien houdt dat geen steek. We hebben een donkere en verschrikkelijke geschiedenis.

Het angstaanjagende is dat we vaak aan het heden niet alleen buiten, maar ook in Europa, herinnerd worden:

– De Engelsen hielden in de 14de eeuw moordende intimidatierazzia’s in grote delen van Frankrijk; de Spaanse troepen moordden erop los in Vlaanderen in de tweede helft van de 16de eeuw, om nog maar te zwijgen wat ze uitspookten tijdens de verovering van Amerika. (de burgeroorlog in Joegoslavië op het einde van de vorige eeuw; de Janaweed in Darfur met de goedkeuring van de nu afgezette Bashir)

– De grote kanonnen die gaten sloegen in de vestingsmuren van Constantinopel in 1453 waren van Hongaarse makelij; de ingenieur die ze ontworpen had had ze eerst aan de Byzantijnse keizer aangeboden, maar die kon niet genoeg piasters op tafel leggen (wapenhandelaars van het type Victor Bout, of recenter nog, de Belgische “handelaar des dood” (De Standaard 16.08.2019) Jacques Monsieur, leveren aan gelijk wie het kan betalen)

– De vredelievende wederdopers in de Nederlanden en Duitsland moesten boeten voor de strapatsen van de anabaptistische leiders in Münster (extremisten bezorgen de islam een slechte reputatie)

– De fanatieke boeteprediker Savoranola stuurde toen hij Firenze in zijn greep had kinderen erop uit om te controleren of de volwassenen volgens zijn regels leefden (de Taliban knikken goedkeurend)

– Religieus fanatisme is van alle tijden: pogroms kwamen in de late middeleeuwen met angstaanjagende regelmaat voor. Vaak werden ze door de overheid georganiseerd – 9 november 1938 was niets nieuws. En als de huidige antidarwinisten van christelijke huize het scheppingsverhaal letterlijk nemen (zoals de klerikale overheid in het begin van de 17de eeuw), geldt dat dan ook voor de structuur van ons zonnestelsel zoals die in Genesis beschreven staat?

– De beroemde humanist Vives (1492-1540) ervan overtuigd was dat een vrouw haar met syfilis besmette echtgenoot in leven kon houden door regelmatig seks met hem te hebben is gezien de stand van de toenmalige wetenschap te “begrijpen”, maar een vice-president die begin 21ste eeuw nog poneerde dat je je tegen AIDS kan beschermen door na de seksuele omgang een warme douche te nemen?

En zo kan je nog een tijd doorgaan – en dan besteedt Alnæs nog niet eens zoveel aandacht aan de inquisitie en de slavernij. Zijn boek heeft ook de verdienste dat het een “corrigerend” beeld schets van een aantal “grote” figuren uit de wereldgeschiedenis. De heer Luther bijvoorbeeld bleek een overtuigd verdediger van onmenselijke straffen te zijn.

Waarom heeft Alnæs het eerste deel van zijn geschiedenis van Europa dan eigenlijk “Ontwaken” genoemd? Het was natuurlijk niet allemaal kommer en kwel. In het Ottomaanse rijk was er bijwijlen een grote mate van godsdienstvrijheid. Veel aandacht gaat uit naar de Italiaanse schilderkunst van de 16de eeuw en de Spaanse literatuur uit dezelfde periode. Filosofen zoals Francis Bacon gaven belangrijke stimulansen tot de ontwikkeling van de wetenschapsfilosofie. Maar het belangrijkste: in deze tijd zegt Alnæs werd de kiem gelegd voor ons concept van de menselijke waarde.

Karsten Alnæs er en lysende forteller. Jeg har aldri tidligere lest noen historieoversikt som er så vitalt skrevet og så medrivende fortalt. 

schreef Lars-Olof Franzén in Dagbladet (31.03.2003) toen het eerste deel verscheen. Vertaald op de achterflap van de Nederlandse uitgave wordt dat:

Kartsen Alnæs is een schitterend verteller. Nooit eerder las ik een geschiedenisboek dat zo levendig is geschreven en zo meeslepend verteld.


De titel van dit tweede deel, dat de periode van 1600 tot 1800 behandelt, is merkwaardig. Besettelse, Bezetenheid in de Nederlandse vertaling, is een begrip dat we met duivels en heksen, of algemener nog met heftige gevoelens associëren, en laat nu net de achttiende eeuw de eeuw van de ratio, de Verlichting zijn. Nergens in het boek geeft Alnæs aan waar zijn titel nu eigenlijk op slaat.

Ook in dit deel gaat het over politiek en economie, maar opnieuw besteedt de auteur veel aandacht aan human interest en de daarbij horende petite histoire. Het privéleven van belangrijke personen, de levensomstandigheden van de gewone man en de culturele hoogtepunten, alle drie komen ze erg ruim aan bod. Een paar voorbeelden.

Bij Samuel Pepys gaat er wat de inhoud van zijn beroemde dagboeken betreft meer aandacht naar zijn amoureuze perikelen dan naar zijn commentaar op actuele gebeurtenissen. Voor de rest was Pepys een puritein – een geval van “kijk niet naar mijn daden” dus. Hij was op dat vlak natuurlijk lang niet de enige. Ook Jean-Jacques Rousseau past zijn revolutionaire pedagogische principes niet toe bij de opvoeding van zijn eigen kinderen. We krijgen ook te horen dat er in de 17de eeuw vorsten waren die meer dan driehonderd bastaardkinderen verwekten zonder dat ze daarom als amoreel beschouwd werden.

Ook wanneer het over “gewone” mensen gaat komt de lezer voor verrassingen te staan. Alnæs besteedt heel wat bladzijden aan de procedures die gehanteerd werden wanneer een man wou bewijzen dat hij niet impotent was en de scheidingsaanvraag van zijn vrouw dus ongegrond was.

Besettelse bevat een mooi contrasterend portret van Rubens en Rembrandt. Ook Goya komt uitgebreid aan bod. Ook als het over cultuur gaat weet Alnæs pittige en/of humoristische anekdotes te serveren, zoals de uitspraak van een lid van de Thomaskirche in Leipzig, die, bij de aanstelling van Bach als cantor aan de koorschool aldaar, opmerkte dat men niet anders kon dan genoegen nemen met een man van middelmatige bekwaamheid aangezien de beste musici niet te krijgen waren.

Besettelse bevat een paar “algemene” hoofdstukken zoals eentje over eten en drinken (ezelinnenmelk was in Valladolid in Spanje lange tijd een favoriete drank) en het afsluitende hoofdstuk met daarin een poging tot synthese. Gewoonlijk gaat het in ieder hoofdstuk over één land. Zo wordt het absolutisme in de eerste plaats behandeld aan de hand van de situatie in Frankrijk. Dit principe laat toe om contrasterende evoluties te tonen: terwijl het absolutisme in Frankrijk (en Rusland) steeds meer zijn stempel op het beleid aldaar drukt, is er in Engeland een omgekeerde evolutie aan de gang met meer macht voor het parlement. Na zijn schermutselingen met de Noorse historici over vermeend plagiaat in Historien om Norge, heeft Alnæs er deze keer wel voor gezorgd dat zijn bronnen duidelijk aangegeven zijn.

Een “geschiedenis van Europa” vestigt hoe dan ook de aandacht op punten waar je als lezer uit een bepaald land nooit veel aandacht voor gehad hebt. Zweden als machtsfactor bijvoorbeeld, of de Engelse onderdrukking van Ierland. Rusland wordt een centrale rol toegekend in de ontwikkeling van de Europese identiteit. En Peter de Grote koesterde, ondanks zijn vele verblijven in (West-)Europa en de door hem geleide europianisering van Rusland, verachting voor het rationalisme, de religie en de zeden en gewoonten waar de Westerse cultuur voor stond.

Alnæs merkt al in zijn inleiding heel terecht op dat heel wat van de vorsten met een heldenstatus hun onderdanen in het oorlogsgeweld stortten en honderdduizenden onschuldigen van honger en ellende lieten omkomen. Jozef II, hier te lande door ideologisch gekleurde geschiedschrijvers met de spotnaam “Keizer-koster” bedacht, krijgt dan weer terecht lof toegezwaaid voor de afschaffing van de lijfeigenschap en de invoering van de godsdienst- en de persvrijheid. En wanneer Alnæs vermeldt dat in Frankrijk maar 10 procent van de edelen een bibliotheek van meer dan 100 boeken naliet, dan moeten we toch wel concluderen dat wanneer hij in het slothoofdstuk zegt dat in de 17de en de 18de eeuw bij de intellectuele en de regerende elite een bewustzijn van Europese identiteit ontstond dit toch wel een beperkte elite zal geweest zijn.

Wie een omvangrijk onderwerp behandelt wordt automatisch gedwongen om keuzes te maken. Dat is bij Alnæs niet anders. Trond Berg merkt terecht op dat er in Besettelse met zo goed als geen woord over Italië gerept wordt. Het Turkse beleg van Wenen in 1683 blijft ook onbesproken, net zoals de kolonisatie. Ook als het over culturele toppers gaat kan Alnæs onverwacht uit de hoek komen: geen Cervantes, geen Shakespeare (wel ruime aandacht voor Dr. Johnson), meer Diderot dan Voltaire.

in Dagsavisen ( 31.03.2004) heel streng. Hij verwijt Alnæs een gebrek aan synthese en samenhangende visie:

Als bedlectuur kan het boek wel geschikt zijn. Maar alleen voor vaste slapers. Toch mogen ze iedere avond maar een paar bladzijden lezen. De auteur heeft geen besef van het verschil tussen wat historisch relevant is en droog feitenmateriaal.. Hij doet zelfs geen poging om verbanden te leggen of om voor één of andere vorm van historische  continuïteit te zorgen.

Per Egil Hegge is in Aftenposten (18.102006) veel positiever. Hij herinnert eraan dat Alnæs geen historicus is en zegt:

Alnæs toont vaak zijn sterke kanten, en de lezer die zich verveelt, zal het moeilijk hebben om lectuur te vinden die boeit. […] Het overgrote deel is harmonisch, weloverwogen, overzichtelijk, gedocumenteerd en goed. En boeiend.

Ten slotte vermeld ik ook nog het citaat uit “De Groene Amsterdammer” op de blurb van de Nederlandse uitgave van Besettelse:

Alnæs excelleert in de schildering van het dagelijkse leven, de rauwe realiteit van de oorlog, de gruwelen van de vele epidemieën die Europa overspoelden, en schetst indringende portretten van allerlei belangrijke en interessante personen. Een meeslepend leesboek, waarin de lezer steeds wordt verrast.

Maar zoveel heb ik in Besettelse niet gelezen over epidemieën – dit citaat gaat toch niet over het eerste deel zeker?

Karsten Alnæs  De geschiedenis van Europa  1600-1800  Bezetenheid  Vertaald door Lucy Pijttersen en Kim Snoeijing  Anthos/Standaard Uitgeverij  (Amsterdam/ Antwerpen)  2005  ISBN 978-90-8549-007-3

Aln¾s/Europa-bind1

Het derde deel van Alnæs’ Historien om Europa, Oppbrudd heet in het Nederlands Rebellie en heeft de negentiende eeuw als onderwerp.

Op het einde van dit deel citeert Alnæs de historicus Robert Hobsbawn, die zegt dat er in de geschiedenis nooit een zo door Europa gedomineerde eeuw heeft bestaan als de negentiende. Het superioriteitsgevoel dat de negentiende-eeuwse Europeaan kenmerkte werd nog versterkt door succesvolle kolonisaties.

Rebellie bestaat uit vier grote delen. In deel I komen Frankrijk, Rusland en het Habsburgse rijk uitgebreid aan bod. Alnæs’ oordeel over Napoleon Bonaparte is eerder positief, ook al kan hij natuurlijk niet ontkennen dat diens veldtocht tegen Rusland alleen al aan zo’n 400.000 mensen het leven kostte en noemt hij hem ook een keer een ramp voor het land. De titel van eerste moderne dictator reserveert Alnæs voor Lodewijk Napoleon (= Napoleon III). Ook hier is zijn oordeel weer wat ambigu: enerzijds wordt de vooruitgang tijdens dit bewind geprezen, anderzijds wordt toegegeven dat de levensomstandigheden van de arbeiders ellendig bleven en dat er van persvrijheid nauwelijks sprake was. Veel aandacht besteedt Alnæs ook aan het verloop van de affaire Dreyfus – het antisemitisme komt veelvuldig aan bod in het eerste deel van Rebellie.

De willekeur in het tsaristische Rusland wordt aangeklaagd – een willekeur die de laatste decennia van de eeuw nog toenam als reactie op de radicalisering bij een deel van de jongeren en die van Rusland een echte politiestaat maakte. Verder wordt er aandacht besteed aan de russificatiepolitiek en de slavofilie-ideologie. Economisch gezien bleef Rusland vooral een landbouwland, en die landbouw kampte met allerlei problemen.

Het Habsburgse rijk werd rond 1850 geconfronteerd met een groeiend nationaal zelfbewustzijn en een daarmee gepaard gaand streven naar onafhankelijkheid in een aantal gebieden binnen het rijk. Daarop reageerden de machtshebbers met een streven naar centralisatie en eenvormigheid. In de dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije was de katholieke kerk een belangrijk bolwerk in de strijd tegen de vooruitgang.

Over die vooruitgang gaat het in het tweede deel van Rebellie. De industriële revolutie in Engeland (al begonnen was in de achttiende eeuw maar tot volle ontplooiing gekomen in de negentiende) wordt uitvoerig besproken. Belangrijke elementen die verklaren waarom net Engeland het voortouw nam zijn o. a. de politieke stabiliteit, de aanwezigheid van een grote middenklasse, de afwezigheid van gilden, een goed wegen-, spoor- en kanalennet, een betere scholing van de arbeiders én de Engelse mentaliteit van wedijver.

De negatieve gevolgen van de industriële revolutie waren niet min: fabrieken werden een nieuw soort gevangenissen, gore achterstandswijken domineerden de steden, en geregeld waren er economische depressies. Alnæs stelt dat er na 1850 een zekere verbetering in de situatie van de arbeiders kwam maar laat die bewering volgen door een zeer donkere beschrijving (van de hand van een Deense journalist) van de situatie aan het eind van de eeuw – niet de enige plaats in het boek met een contradictie.

Net als elders in het boek gebruikt Alnæs ook hier schilderijen (in dit geval van de hand van Turner) om evoluties en/of gebeurtenissen te illustreren. Opmerkelijk is verder dat Charles Dickens (toch een auteur voor wie het lot van de arbeidersklasse één van de belangrijkste onderwerpen was) in het hele boek maar twee keer vermeld wordt. Aan bijvoorbeeld Byron zal later in het boek (naar aanleiding van de Griekse onafhankelijkheidsstrijd) veel meer aandacht besteed worden — en wat er daar over de dichter gezegd wordt, is niet echt relevant voor die vrijheidsstrijd.

Dat er op wetenschappelijk gebied grote vooruitgang geboekt werd in Europa wordt o. a. geïllustreerd aan de hand van de ontdekkingen van de Engelse fysicus Faraday, het theoretische werk van de Noorse wiskundige Abel en het vaccinatiesucces van de Engelse arts Jenner – ook al zou de werkwijze van deze laatste nu deontologisch totaal onaanvaardbaar zijn! In een apart hoofdstuk gaat Alnæs dan nog dieper in op het werk van drie mannen die ieder op hun terrein pionierswerk verricht hebben: Darwin, Marx en Freud. Over Darwins en Freuds karakter doet hij er het zwijgen toe; Marx komt er op dit gebied niet al te fraai uit.

Het derde deel van Rebellie gaat over het leven van alledag. Alnæs heeft hier een probleem (o.a. geïllustreerd in het onderdeel over het huwelijk): een eeuw is een lange periode en de situatie verschilde aanzienlijk van gebied tot gebied. Zo bestond ook het idee van een verenigd Europa rond 1830 alleen maar bij een klein aantal “verlichte” geesten.

Structureel komt dit deel niet duidelijk uit de verf. Alnæs springt voortdurend heen en weer tussen het begin en het einde van de eeuw en alles wat daartussen ligt. Hij herhaalt zichzelf nogal eens en spreekt zichzelf ook wel tegen zoals wanneer hij schrijft dat er steeds meer mensen trouwden terwijl er een twintigtal bladzijden eerder beweerd werd dat het aantal huwelijken daalde. Veel aandacht gaat naar de situatie in Engeland, Frankrijk en Scandinavië, over Italië en Duitsland wordt weinig gezegd en over de rest van Europa helemaal niets. Eén ding is in ieder geval duidelijk: de pogingen om de hegemonie van de man in het huwelijk te doorbreken liepen veelal op niets uit.

Veel aandacht gaat in dit deel ook naar de hongersnood in Ierland in de jaren 1840 en de door ultraliberale overwegingen ingegeven weigering van de Britse regering om daar iets aan te doen.

In het laatste deel van Rebellie staat het ontstaan van het nationaliteitsbesef centraal. Een belangrijke rol hierbij speelde de Duitse filosoof Herder. Het was overigens een idee dat initieel alleen bij een elite opgang maakte. Het besef van een eigen nationaliteit drong pas tegen het einde van de negentiende eeuw tot de brede lagen van de bevolking door.

Alnæs bespreekt de situatie land per land. Dat is niet zo verwonderlijk als het over het ontstaan van naties gaat, maar leidt soms wel tot fragmentarisering zodat de supranationale verbanden niet altijd even duidelijk zijn. Dat er geen landkaarten in het boek opgenomen zijn, wordt hier toch wel als een gemis ervaren.

Dat het onderdeel over de Balkan enigszins chaotisch overkomt is, gezien de complexiteit van de situatie daar, niet verwonderlijk, net zomin als de noodzaak om vaak diep in het verleden terug te moeten grijpen om de negentiende-eeuwse situatie te verklaren. Het is in ieder geval een feit dat de Turkse repressie tegen opstandige gebieden ongemeen heftig was. Verder mag de rol die het tsaristische Rusland in oostelijk Europa speelde zeker niet onderschat worden.

Leerrijk is het allemaal wel. Dat Wagner een jodenhater was is vrij algemeen bekend, maar wist u dat Finland het eerste Europese land was dat het stemrecht voor vrouwen invoerde (we zitten dan overigens al wel in het begin van de twintigste eeuw)? België en Nederland komen in het boek nauwelijks aan bod: aan België wordt één paragraaf gewijd; aan Nederland nog minder. Wel heeft Leopold II ervoor gezorgd dat de rol die België in Afrika gespeeld heeft niet onvermeld blijft. Dat hij zelf de voornaamste verantwoordelijke was voor de massamoorden in zijn kolonie Kongo staat niet in Rebellie.

Karsten Alnæs, De geschiedenis van Europa deel 3: 1800-1900: Rebellie, vertaald door Lucy Pijttersen en Kim Snoeijing, Anthos/Standaard Uitgeverij  (Amsterdam/ Antwerpen)  2006 ISBN 978-90-8549-008-1


Het vierde en laatste deel van De geschiedenis van Europa heeft in het Nederlands als ondertitel “1900 – heden. Onbehagen”. De Noorse titel “1900-1945: mørkets tid” geeft de inhoud nauwkeuriger weer: Alnæs heeft het over de eerste helft van de twintigste eeuw; wat daarna gebeurd is, wordt summier in een nawoord behandeld. Net zoals in de vorige delen zijn er ook hier weer een aantal levensverhalen van “gewone” mensen en worden schilderijen als illustraties gebruikt. Jammer genoeg ontbreken landkaarten ook hier weer. En zoals in de vorige delen heeft de auteur ook hier weer keuzes moeten maken: veel aandacht gaat bijvoorbeeld uit naar Finland.

Zowel de Nederlandse als de Noorse ondertitel geven goed weer waar de nadruk op ligt: twee wereldoorlogen en de opkomst en heerschappij van het fascisme en het communisme. Het is dan ook vaak geen al te aangename lectuur die de lezer voorgeschoteld krijgt.

Alnæs begint met een aantal kunststromingen (fauvisme, kubisme, futurisme) van voor de Eerste Wereldoorlog die één ding gemeen hebben: ze staan allemaal voor een opstand tegen de traditie. Merkwaardig voor die tijd is ook het contrast tussen het geloof in de vrede dat in heel wat kringen heerste enerzijds, en de oorlogsvoorbereidingen en de imperialistische mentaliteit van diverse regeringen.

Zoals wel algemeen geweten was de moord op aartshertog Frans Ferdinand van het Habsburgse rijk de directe aanleiding voor de Eerste Wereldoorlog – nogal ironisch want een oorlogsstoker was de man zeker niet.

Die Eerste Wereldoorlog leidde aanvankelijk tot uitbarstingen van naïef patriottisme. Tijdens de eerste maanden lieten twee miljoen Britten zich inlijven. Veelzeggend is ook dat, hoewel de Duitse sociaaldemocraten afstand namen van de oorlogsagitatoren, ze net voor het uitbreken van de oorlog in het parlement toch als één man instemden met extra geld voor het leger.

Als er één ding typisch is voor de Eerste Wereldoorlog dan zijn het wel de enorme verliezen tijdens veldslagen waarin er nauwelijks terreinwinst geboekt werd. 13 miljoen mensen werden gedood of raakten vermist als direct gevolg van oorlogshandelingen. Indirect kwamen daar door hoger en ziekte nog eens 17 miljoen bij. Niet zonder enig cynisme vermeldt Alnæs dat hogere officieren een beloning kregen zonder gewond te zijn geraakt en dat Douglas Haig, de verantwoordelijke generaal aan de Somme na de oorlog tot graaf benoemd werd en een beloning kreeg die naar huidige maatstaven overeenkomt met een bedrag van ongeveer 250.000 euro… Kort na de Eerste wereldoorlog zorgde de beruchte Spaanse griep voor nog eens 20 miljoen doden.

In 1917 namen de bolsjewieken in Rusland de macht in handen. Al vanaf het begin, schrijft Alnæs, was ideologie minder belangrijk dan de zucht naar macht en de bereidheid om alle middelen te gebruiken om die veilig te stellen. Dat resulteerde in de totalitaire dictatuur onder Stalin en miljoenen doden. Interessant en niet zo algemeen geweten is dat (a) Duitsland de bolsjewieken voor ze de macht overnamen hoogstwaarschijnlijk financiële steun gaf omdat het hoopte dat de nieuwe Russische machtshebbers een einde aan het oostelijk front zouden maken (b) Rusland in de jaren 20 een redelijk liberaal economisch beleid voerde en er een toen ook een aanzienlijke tolerantie tegenover auteurs gold.

Tijdens het interbellum ging de kunst twee richtingen uit: ze zette zich ofwel af tegen de bestaande maatschappij (dada, surrealisme) of gaf uiting aan het angstaanjagende van de situatie (de Duitse expressionistische stomme film van de jaren 20).

Op het hoogtepunt van de depressie was 44% procent van de Duitse beroepsbevolking werkloos en dat zorgde voor een ideale groeibodem voor het fascisme. Dat fascisme bleef overigens zeker niet beperkt tot Zuid-Europa: ook in landen als Roemenië, Hongarije en Polen waren er voor de Tweede Wereldoorlog sterke fascistische (en anti-semitische) stromingen.

Voor Mussolini (die zijn carrière als socialist, anti-militarist en anti-nationalist begon) is Alnæs relatief vriendelijk. Hij citeert de Britse Mussolinibiograaf Hibbert die stelt dat het fascisme in Italië geenszins zulke terreur toepaste als de totalitaire regimes in Duitsland en de Sovjet-Unie. Mussolini had oorspronkelijk een afkeer van Hitler; de samenwerking begon na de wereldwijde afkeuring over de Italiaanse invasie van Abessinië (het huidige Ethiopië).

In Spanje verloren 600.000 mensen het leven tijdens de burgeroorlog met enorme wreedheden aan beide kanten. Franco was overigens een overtuigde katholiek: het christendom speelde er een centralere rol dan in andere fascistische regimes in Europa – Hitler bijvoorbeeld beriep zich maar occasioneel op God om zijn misdaden te verantwoorden.

Onvermijdelijk gaat de meeste aandacht in Onbehagen naar de Duitse “variant” van het fascisme. Alnæs ziet drie belangrijke oorzaken die uiteindelijk leidden tot Hitlers machtsovername: de crisis van de jaren ’30 en het organisatorische talent van de nazi’s, maar ook de toegeeflijke houding van vele niet-nationaal-socialisten. In zijn relaas over de wandaden van de nazi’s illustreren een aantal “feiten” de gruwelijkheid van het regime: in maart 1938 woonden er meer dan tweehonderdduizend Joden in Oostenrijk, 5816 van hen overleefden de oorlog; de meeste officieren van de Einsatz-groepen (speciale eenheden voor de uitroeiing van de joden), waren academici…

Interessant is het verband dat Alnæs legt tussen Hitlers visie op de Joden en het primitieve middeleeuwse bijgeloof. Heel terecht legt hij er ook de nadruk op dat Hitlers “project” nooit gerealiseerd had kunnen worden zonder het milde antisemitisme dat in het interbellum in alle landen aanwezig was. Hij vermeldt ook de onrustwekkende conclusies van de Pools-Britse socioloog Bauman die de volkerenmoord verklaart als een logisch gevolg van de Verlichting en de moderne technologie, waarin nut, productie en orde de belangrijkste doelstellingen zijn: geavanceerde technische machines en gereedschappen zorgen ervoor dat de mensen dingen kunnen doen die hun natuur normaliter verhinderd zou hebben.

Karsten Alnæs, De geschiedenis van Europa 1900-heden – Onbehagen, vertaald door Lucy Pijttersen, Kim Snoeijing en Carla Joustra, Amsterdam/Antwerpen (Ambo/Standaard Uitgeverij), 2007, ISBN 978-90022-2322-8



Alnæs interesse voor de geschiedenis komt ook naar voren in een aantal van zijn romans. Havherre og sjøtrell ** (1978) speelt zich af in het eerste decennium van de negentiende eeuw in een niet bij naam genoemd kuststadje tussen Berrgen en Trondheim. Visvangst is de voornaamste bron van inkomsten.

De “havherre” (“heren der zee”) uit de titel zijn de machtige en rijke kooplui, uit wier kringen de “eligerte” (de leden van het stadsbestuur) gekozen worden. Voor hen is het natuurlijk een vereiste dat het status-quo behouden blijft, en hun argument daarvoor is dat ze

werk verschaffen aan honderden zielen […] Wanneer een of andere ridicule visser anderen aanzet tot vernielingen waardoor het werk dreigt stil te vallen, is dan min noch meer ervoor zorgen dat de armen niets meer te eten hebben.
Het economisch liberalisme is voor hen het perfecte systeem:

belemmeringen opwerpen voor de werkgevers die hun kapitaal beheren en zo het beste met de natie voorhebben, is die natie schade toebrengen.

Schijnheiligheid viert bij dit alles natuurlijk hoogtij:

wie een jonge vrouw bedriegt blijft binnen de aanv aarde perken van het fatsoen, wie een onmondige enige macht geeft niet.

De meest karikaturale representant van de bevoorrechte klasse is de farizese parvenu Martin Hoker. Zijn vrouw is zich daar terdege van bewust:

Hij bestal haar vader, hij bestal de winkeliers. Hij bestal de vissers door hun vangst niet correct te wegen; hij onthield ze de pot brandewijn waar ze recht op hadden wanneer ze van de eilanden kwamen met gedroogde vis. Ze kende geen enkele plek van zijn bestaan waar hij geen bedrog pleegde, de neiging tot bedriegen was een onuitroeibaar onderdeel van zijn persoonlijkheid.

De meest prominente vertegenwoordigers van de koopmansstand zijn de rijke Jens Kiel en zijn energieke schoonzoon John Daniel, een telg uit een oud koopmansgeslacht. Zijn familie emigreerde generaties geleden vanuit Schotland naar Noorwegen, maar vanwege zijn vermeende joodse afkomst wordt hij weleens scheef aangekeken in het stadje.

De “sjøtrell” (“slaven der zee”) uit de titel zijn natuurlijk de vissers, die net als de boeren uit de omgeving van het stadje, een armoedig bestaan leiden, en pogingen ondernemen om enige onafhankelijk tegenover de kooplui te verwerven. Siver Baut is een van de opstandigen, maar veel systeem valt er in zijn optreden niet te bespeuren. Zijn dochter Eva, die op jonge leeftijd door Jens Kiel misbruikt werd, gaat veel doordachter te werk. Zij beseft maar al te goed dat

de vrijheid velen van de honger heeft doen sterven en velen rijk gemaakt heeft.


Eva is

de uitverkorene. Om de een of andere reden was haar lichaam sterker en haar gedacchten onverzoenlijker […] De anderen waren al gebroken. Ze waren geketend, de mond gesnoerd en zo bang gemaakt dat ze willoos gehoorzaamden. Ze moesten lijden opdat enekelen van het leven zouden kunnen genieten.

Merkwaardig genoeg worden de meest radicale ideeën uiteindelijk geformuleerd door Susy Møhlen, de dochter van een financieel ten onder gegane koopman en ooit verloofd met John Daniel

Ik vind dat er een eind gemaakt moet worden aan alle ongelijkheid onder de mensen […] Niemand mag zo belangrijk zijn dat hij niet meer ten dienste van de anderen staat […] Niemand zal nog het hoofd ontbloten en knielen voor een ander.

Op de achtergrond speelt na verloop van tijd het conflict tussen Frankrijk en Groot-Brittannië een belangrijke rol. Denemarken-Noorwegen mocht van Napoleon onder het continentaal stelsel geen handel meer drijven met Groot-Brittannië. Als reactie daarop blokkeerden Britse schepen Noorse havens. Als gevolg daarvan verdwijnt ook de opstandigheid van de vissers. Het gewone volk houdt zich volgens John Daniel nu vooral bezig met bedelarij en dagdromerij. De hongersnood wordt steeds nijpender en de boeren komen in opstand.

Voor John Daniel is het gezien zijn Schotse afkomst ook een moeilijke tijd. Wanneer er uiteindelijk licht aan de horizon lijkt te komen, neemt hij een verrassend besluit.

Havherre og Sjøtrell is niet echt gemakkelijke lectuur. De overvloed aan personages (Alnæs trekt geregeld een blik nieuwe namen open) maakt het soms moeilijk om ze allemaal correct te plaatsen. Voor de “couleur temporale” maakt de auteur vaak gebruik van ouderwxetse en literaire woorden: overveier (zn), oppløper, halvmåneblæser, fidibus, værsitter, mjellen, parlementæssflagg, banding, sliul — om er maar een paar te noemen. Dat Lulofs’ woordenboek hier heel vaak niet thuis geeft is niet echt verwonderlijk voor een woordenboek modern Noors, maar ook Aschehougs og Gyldendahls store norske ordbok en het zeer omvangrijke Det Norske Akademis ordbok laten de lezer frequent in de steek. De context helpt soms wel, maar toch…

Literairtechnisch heeft Alnæs voor een alwetende verteller gekozen en diens “Don’t show, tell”-uitgangspunt zorgt voor nogal ééndimensionale personages. Toch staat Øystein Rottem (Etterkrigslitteraturen – Vår egen tid) positief tegenover de roman omdat hij getuigt van een

aanzienlijk inzicht in het leven van zowel de onderlaag als de bovenlaag van de bevolking.

Duitse vertaling

Van Havherre og sjøtrell bestaat een Duitse vertaling van de hand van A. O. Schwede: Herr der Meere und Sklave der See (Rostock, 1990²)


Flyktende kongers følge**½ (1982) is een soort vervolg op Havherre og sjøtrell en dus zijn een aantal personages opnieuw van de partij. John Daniel en zijn vrouw Anna, Syver Braut en zijn kinderen Even, Eva en Ragnild staan centraal in de roman. Verder zijn er o.a. “byfogd Bugge”, “skoleholder” Puring, Robert Williams en een paar andere zakenlui uit het havenstadje. Ook Anna’s vader, Jens Kiel, is er weer bij, maar krijgt slechts een beperkte rol toebedeeld.½Flyktende kongers følge** (1982) is een soort vervolg op Havherre og sjøtrell en dus zijn een aantal personages opnieuw van de partij. John Daniel en zijn vrouw Anna, Syver Braut en zijn kinderen Even, Eva en Ragnild staan centraal in de roman. Verder zijn er o.a. “byfogd Bugge”, “skoleholder” Puring, Robert Williams en een paar andere zakenlui uit het havenstadje. Ook Anna’s vader, Jens Kiel, is er weer bij, maar krijgt slechts een beperkte rol toebedeeld.

De roman begint in 1811. Op het einde van Havherre og sjøtrell is John Daniel naar London vertrokken om daar zijn zaken te behartigen. Ook Syver Baut is in de stad, maar zit daar in de gevangenis nadat het schip waarop hij voer door de Engelsen onderschept werd. Napoleon heeft het “continentaal stelsel” ingevoerd waardoor Engelse goederen uit het Europese handelsvervoer gesloten worden. De Engelsen reageren daarop met een blokkade van de Europese havens.

In oktober 1812 keren John Daniel en de na een gevangenenruil vrijgelaten Syver Baut naar Noorwegen terug. Napoleon is voor de eerste keer verslagen en zijn overwinnaars eisen dat de Deense koning Fredrik, die tijdens het conflict aan de zijde van de Franse keizer stond, als “straf” Noorwegen afstaat aan Zweden.

Noorwegen is zelf niet gelukkig met die eis en wil onafhankelijk worden met de Deense prins Christian-Fredrik als staatshoofd. In 1814 komt in Eidsvoll een congres samen dat als taak heeft een Noorse grondwet op te stellen. John Daniel wordt in het havenstadje verkozen tot “utsending til riksforsamlingen”. Zelf worstelt hij nog altijd met financiële problemen als gevolg van de economische situatie:

De inkomsten kwamen binnen in rotte rijksdaalders, die (net als paddenstoelen wanneer ze opdrogen) onmiddellijk verschrompelden op de bodem van de kist. De uitgaven daarentegen moest de firma voldoen in Engelse ponden, en de waarde van dat pond schoot de hemel in alsof het de aartsengel Gabriël in hoogsteigen persoon was.

Tijdens het congres wordt al vlug duidelijk dat er verschillende facties zijn. Naast voorstanders van de volledige onafhankelijkheid, zijn er ook afgevaardigden die een nauwe band met Denemarken willen behouden én pleitbezorgers voor een personele unie met Zweden.

Op dit moment maken heel wat historische figuren hun opwachting in de roman. Christian Magnus Falsen verdedigt de eerste optie, net als Wilhelm Frimann Koren Christie. De koninklijke macht moest wel beperkt worden. Ook prost Hans Midelfart wil een natie

waar iedereen vrij is om zijn of haar geloof, zijn of haar overtuigingen, zijn of haar opvattingen en zijn of haar gedachten te kiezen

Een natie met andere woorden

waar de keuzes van iedere mens gerespecteerd worden, waar er geen plaats is voor onverzoenlijkheid, kleingeestigheid en vrees, waar afgunst, censuur en dogma’s het niet voor het zeggen hebben.

Grev Herman Weder Jarlsberg en Jacob Aall willen dan weer nauwe banden met Zweden.

En de (niet-historische) John Daniel? Hij is voorstander van een republiek met een eigen parlement, maar beseft dat een oorlog met Zweden onmogelijk gewonnen kan worden, en dat de voorstanders van vrede via een “losse” unie in de minderheid zijn.

Het congres kiest uiteindelijk voor onafhankelijkheid en een koning, en beslist ook om o.a. Jezuïeten en Joden de toegang tot het land te ontzeggen. Dat laatste besluit is helemaal niet naar de zin van John Daniel, over wie er vage aanwijzingen zijn dat hij van joodse afkomst is.

Even Baut sluit zich aan bij het leger van Christian-Fredrik, en ook Syver Baut krijgt er een logistieke functie als “trosskusk”, een taak die hij op de hem eigen wijze vervult. Dat Noorse leger is schamel bewapend en slecht geoutilleerd, en daarbovenop zijn er problemen met de voedselvoorziening. Bovendien is Christian-Fredrik, die ook een reputatie als rokkenjager met zich meesleept, niet echt een militair genie, en dat weet hij zelf maar al te goed:

Als het over oorlog gaat […] ben ik een prutser.

John Daniel omschrijft hem als

geen man van de oorlog, niet vermetel, niet onbezonnen, niet oorlogszuchtig. Hij wil met iedereen vrede sluiten, hij kijkt daar zo sterk naar uit dat hij zich laat misleiden en zich illusies maakt. Hij gelooft dat de andere landen het nieuwe Noorwegen ongemoeid zullen laten.

Maar dat gebeurt natuurlijk niet, en het Noorse leger is geen partij voor het Zweedse van prins Karl Johan, toen al de feitelijke machthebber van het buurland. De wreedheid van een oorlog wordt niet onvermeld gelaten in Flyktende kongers følge:

Han [d.w.z. Syver Baut] zou het gekrijs van Jan Breier, die de Zweden de ogen uitgeschoten hadden, niet vergeten, het hysterisch gelach van Ola Plassen, die geen pik meer had. Hij herinnerde zich het gekreun, het gejammer van de verminkte mensen met wie hij ooit samen gelachen, gevloekt en verlangd had, met wie hij gedobbeld had om een kop haver, vrienden met wie hij honger en kou geleden had.

Christian-Fredrik
Karl Johan

De personele unie met Zweden zorgt niet voor een verbetering van de situatie in Noorwegen. Er heerst hongersnood, en de familie Williams wordt daar tijdens een feestje even onverwachts als brutaal mee geconfronteerd. De maatregelen van minister van financiën Tank die door het congres goedgekeurd waren, maken de toestand alleen maar erger. De schulden in het buitenland nemen ” leviathaanse” proporties aan. In het havenstadje volgend de faillissementen elkaar in snel tempo op.

John Daniëls vertrekt opnieuw naar Londen, en begint aan een strijd die hij onmogelijk kan winnen. Tot overmaat van ramp wordt hij opnieuw geconfronteerd met een bizarre zaak, beschuldigingen als zou hij een buitenechtelijke relatie gehad hebben met de jonge echtgenote van de excentrieke majoor Fredrik Witzow. En hij is niet de enige die in een ronduit beklagenswaardige situatie terechtkomt…

Als “vervolg” op Havherre og sjøtrell vertoont Flyktende kongers følge veel van de karakteristieken van zijn voorganger qua karakterisering en taal. Ook deze roman is door een som archaïsche woordenschat en het gebruik van dialect in de dialogen geen al te gemakkelijke lectuur. Alnæs heeft zijn verteller nu wel een aantal “fantasierijke” uitweidingen toegestaan, zeker als het over Syver Baut gaat: zie bijvoorbeeld het eerste hoofdstuk van de roman en de “verhalen” over Bauts levenseinde. Ook wordt de stijl nu vaker aangepast aan de inhoud:

Carsten Anker wordt mismoedig, maar hij vertwijfelt niet, hij geeft niet op, hij dwaalt langs Whitehall in de lenteregen, de hemel en de Theems gaan in elkaar over, de rivier lijkt een spons, stijgt, zet uit, zelfs de hemel is nat en vult alle deurlijsten en spleten met zijn vochtigheid. Zo is het ook in de havenstad waar de zee alles bespat, omhoog komt, grijs wordt, de regen weet van geen ophouden, is onstopbaar zoals een zondvloed, vervormt wagenpaden, rijt weide- en akkerland open, verplaatst grint en kiezel, kleurt de zee bruin, grijs, voegt hemel en aarde samen, belemmert het zicht, lijkt een grijze wand

Altaposten (05.10.1982) noemde Flyktende kongers følge een

kleurrijke historische roman [over] vrede, de overwinning van de inschikkelijkheid, de droom van vrijheid. Drama, levendigheid en voortreffelijke vertelkunst kenmerken deze roman die niet alleen op historische feiten maar ook op legende en overlevering gebaseerd is.

Van Flyktende kongers følge bestaat een Duitse vertaling van A. O. Schwede: Wenn Könige flüchten (Hinstorff Verlag, Rostock)


Even 1814 ** gaat over dezelfde belangrijke periode in de geschiedenis van Noorwegen.

Hoofdfiguur in deze roman is de elfjarige Even Kårud, wiens vader als stalknecht in dienst staat van de rijke zakenman Carsten Anker, een aanhanger van Christian Frederick. Evens broer Ola is soldaat in het leger dat Christian Frederick op de been gebracht heeft.

In Eidsvoll werd op 17 mei (nog steeds de Noorse nationale feestdag) 1814 in een complex dat eigendom was van Carsten Anker een voor die tijd erg progressieve grondwet aangenomen. Van een “prost” (+/- deken) en een “byfogd” (+/- kantonrechter) die aan de grondwetgevende conferentie deelnemen en in vader Sven Kåruds huis logeren, krijgt de jonge Even te horen wat er op de conferentie allemaal besproken wordt. Wanneer de Noorse onafhankelijkheid in hetzelfde jaar nog ongedaan gemaakt wordt, volgt er voor Even een persoonlijke tragedie.

Even 1814 wordt op Wikipedia als een historische roman omschreven, maar is eerder een historische jeugdroman. Veel diepgang vertonen de personages niet en de toon is nogal didactisch. De prost noemt zichzelf een “razende democraat”, iemand die wil dat iedereen het recht heeft om te zeggen wat hij wil en dat niemand speciale voorrechten krijgt. En ook het patriottisch element ontbreekt niet: in de laatste hoofdstukken wordt de dapperheid van het Noorse leger in zijn strijd met de qua getal veel sterkere Zweden behoorlijk in de verf gezet.

voorpagina

Van Even 14 bestaat een Engelse vertaling: “The Boy from Duck River: A Norwegian Adventure Tale” (ISBN 978-0878391011)



Alnæs’ interesse voor de geschiedenis blijkt ook uit zijn “Osloromans” Kjempesmell og blå dager*** (1981) en Trollbyen*** (1992).

Kjempesmell og blå dager is een roman over de eerste helft van de jaren 50 in de Oslose arbeiderswijk Kampen. Centraal staat het wedervaren van de familie Gundersen. Vader Georg is de eigenaar van een niet al te florissante kortevarehandel (een soort drogisterij). De dood van z’n vrouw Gunhild betekent een enorme klap voor hem. Zoon Gunder is een veelbelovende zestig- en honderdmeterloper: hij zet door om te tonen dat hij geen “softie” is. Dochter Vigdis moet trouwen met haar liefje Kjell, die haar zwanger gemaakt heeft. Kjells vader runt een goedlopende drukkerij, en Vigdis komt zo terecht in de wereld van het (kleine) kapitalisme:

Nu verzetten ze zich ertegen dat hij het aantal arbeiders wou beperken, en dat was geen goede zaak, want het was één van de weinige manieren om meer winst te maken, en dat was noodzakelijk.

Erg gelukkig is Vigdis’ huwelijk niet. Vooral met haar hautaine en bemoeizieke schoonmoeder botert het niet. Ze zet door, slaagt voor haar examen artium en studeert ook daarna nog verder. Uiteindelijk zal ze echter toch door de bourgeoisie gerecupereerd worden.

Op de achtergrond voltrekt zich ondertussen de verdwijning van het oude Kampen – er komt in de roman trouwens een paar keer een andere verteller aan het woord die de auteur vermaant wat minder over de Gundersen en wat meer over het “echte” Kampen te vertellen. Georg komt in opstand tegen wat hij ervaart als de verloedering van “zijn” wijk: het neerhalen van de oude woningen en de teloorgang van het sociale bindweefsel:

Het leven in Oost-Oslo was veranderd. Zij die het voor het zeggen hadden waren bezig met het dichtknijpen van de levensaders. De dood, het gif, het lawaai, de ontvolking en de terughoudendheid deden hun intrede in de oude wijken.

Georg is ook betrokken bij het finale maar volstrekt nutteloze verzet tegen de gevoerde afbraakpolitiek; een verzet dat in het collectieve geheugen spoedig mytische proporties zal aannemen.

Kjempesmell og blå dager is een aantrekkelijke roman met een verteller die voor zowat al zijn personages sympathie koestert. Hij is geschreven in het dialect van Kampen en dat maakt het niet altijd even gemakkelijk voor de lezer.

Karsten ALNÆS, Kjempesmell og blå dager, Oslo (Aschehoug), 1981,  ISBN 82-03-17108-7



In de boeiende roman Trollbyen (1992) gaat Alnæs wat verder terug in de tijd. In 1906 verlaat de zeventienjarige Anna Engen het landelijk Nedenes. Op vraag van haar moeder trekt ze naar Kristiania, op zoek naar haar oudere broer Johan, die daar al een tijdje spoorloos verdwenen is.

Ze werkt er als dienstbode voor de rijke familie Wahlstrøm. En daar ondergaat ze het lot van meer jonge meisjes uit die tijd: ze wordt verleid door de jongste zoon des huizes en geraakt zwanger.

Maar Anna is een vrouw met een sterke persoonlijkheid, die in elk geval probeert om het leven niet zomaar te ondergaan, ook al worstelt ze soms met schuldgevoelens. Religieuze schuldgevoelens zijn trouwens het allesoverheersende kenmerk van haar moeder Kristine, een van de best uit de verf komende nevenpersonages van de roman.

Trollbyen is echter niet alleen een roman over Anna Engen, maar evenzeer over de stad waarin ze woont; een stad van werkelijkheid en schijn zoals al blijkt uit wat er gezegd wordt op het ogenblik dat Anna er arriveert:

Maar ze kon torens noch koepels onderscheiden, ving alleen een glimp op van het donkere en het vochtige, en voelde meer dan ze zag dat de rivieren en beken die van de heuvels naar beneden stroomden, zich vermengden met afval en aasresten en de stad door hun dubbele vochtigheid kleurden terwijl ze klokkend in de zee uitmondden. Het was de stank uit het havenbassin die dit verried. Boven de vuile zeespiegel dreef een geelwitte glanzende rook waarvan de artsen meenden dat hij de longen vergiftigde, de lever aantastte en het gemoed versimpelde []…] In die tijd klonk de naam Kristiania voor veel Noren als trompetgeschal. Het was de hoofdstad van het land, een stad die sneller groeide dan gelijk welke andere Europese hoofdstad, een jonge en dynamische stad met magie uitstralende ateliers, een grote ondernemingslust en een nieuwe, stralende rijkdom.

De lezer maakt in Trollbyen niet alleen kennis met de rijke bovenlaag (vertegenwoordigd door de familie Wahlstrøm) en het arbeidersmilieu (Anna’s latere echtgenoot Sven werkt in een staalfabriek), maar ook met de onderwereld, waar duistere groepen zoals “fillepellere”, ” månsinger” en “drepere” opereren. Ook engeltjesmaaksters behoren tot de realiteit van alle dag:

Mensen uit het stadsgedeelte praatten niet graag over het huizenblok dat in de volksmond “de Duivelsgang” genoemd werd. Het lag daar als een duister en stinkend deel van het menselijk bestaan waaraan ze liever niet herinnerd werden. Er werd niet over gepraat, maar de meesten wisten dat er in de Duivelsgang mensen woonden die bevriend waren met ongure types en moordenaars. Ja, hier woonde zelfs een vrouw die er een bloederige en nooit uitgesproken activiteit op na hield. De meisjes van de zeildoekfabriek en de naaiateliers huiverden wanneer haar naam genoemd werd, en wanneer er een enkele keer een meisje dat niet in de buurt woonde naar haar vroeg, voelde iedereen zich onbehaaglijk.

De beschrijvingen van wat er zich in deze milieus afspeelt (en waar ook Anna mee te maken krijgt) krijgen een bijna Dickensiaans karakter. In de beschrijving van een rattenplaag in 1909 krijgen de ratten dan weer een aantal menselijke eigenschappen toegedicht, maar het zijn niet bepaald de mooiste: haat en ongeremde seksuele drift.

Voor Trollbyen kreeg Karsten Alnæs zowel de Bokhandlerprisen als de prestigieuze Brageprisen. De roman werd in 2010 voor het toneel bewerkt door Arthur Johansen en opgevoerd in Oslo Nye Teater.

toneelbewerking Trollbyen; links Agnes Kittelsen som Anna; foto: Trine Dahl-Johansen (Nettavisen)

Terug naar Home