Kurt Aust

Kurt Aust (1955) is het pseudoniem van Kurt Østergaard – naar eigen zeggen heeft hij het pseudoniem “Aust” gekozen om vooraan in alle catalogi te staan. Hij werd geboren in Denemarken en groeide er ook op, maar woont sinds 1982 in Horten in de Noorse provincie Vestfold. Van opleiding is hij “sosialpedagog”. Aust debuteerde als auteur in 1997 met Slaveskipet Fredensborg, een didactisch stripverhaal over een Deens-Noors schip dat o.a. ivoor, goud en slaven van Afrika naar Noord-Amerika bracht. Aust schreef de tekst, zijn vrouw Kin Wessel de leverde de tekeningen leverde. Aust verwierf echter vooral bekendheid met zijn historische thrillers rond de figuren van professor Thomas av Boueberge en diens Noorse assistent Petter Hortten.

Kurt Aust

Aust trok dus van Denemarken naar Noorwegen, maar in zijn in de zeventiende eeuw gesitueerde debuutroman Dag des oordeels**** (Noorse titel: Vredens dag) (1999) maakt de jonge Petter Hortten de omgekeerde beweging. Hij woont in de buurt van Tønsberg wanneer de Deense rechtsgeleerde Thomas av Boueberge daar voorbijkomt. Thomas wordt getroffen door Petters scherpe inzicht, zorgt ervoor dat de jongeman leert lezen en schrijven, laat hem dan naar Denemarken overkomen en stelt hem daar aan als z’n secretaris.

Op 28 december 1699 zijn Thomas av Boueberge en Petter op weg naar Schackenberg waar de geleerde op oudejaarsavond een voordracht moet geven. Een enorme sneeuwstorm verplicht hen echter in Jylland onderdak te zoeken in een herberg. Kort na hun aankomst wordt er daar een moord. Het rotweer zorgt ervoor dat niemand de volgende dagen de herberg uit kan en Thomas av Boueberges moet al zijn scherpzinnigheid aanwenden om te weten te komen wie de moordena(a)r(es) is en wat er achter de moord zit…

Qua opbouw heeft Dag des oordeels veel weg van een traditionele whodunnit met Petter als “stooge.” Dat heel wat lezers tijdens de lectuur van de roman aan William van Baskerville en Adson uit Eco’s De Naam van de Roos zullen denken ligt voor de hand. Petter schrijft het verhaal overigens pas veel later neer wanneer hij zelf al een lange staat van dienst als privé-leraar van koningskinderen in een klein Duits vorstendom achter de rug heeft.

Zowat iedereen die in de herberg aanwezig is wordt in de loop van het verhaal wel eens de hoofdverdachte. Thomas av Boueberge moet zich een weg banen door een wirwar van tegenstrijdige verklaringen:

Iedereen heeft tegen mij gelogen! En als men niet loog, dan zei men slechts de halve waarheid en hield men belangrijke dingen voor mij achter. Daardoor richtte ik mijn aandacht op de verkeerde dingen.” (vertaling Annemarie Smit)

roept hij verontwaardigd uit vooraleer hij uiteindelijk op Hercule Poirotachtige wijze zal uitleggen hoe de vork in de steel blijkt te zitten. Zelf gebruikt hij daarbij het woord “puslespill” (“legpuzzel”)

Het aantrekkelijke van Vredens dag ligt hem echter in het feit dat Aust een hele historische dimensie aan zijn verhaal toevoegt. Hij maakt van Thomas av Boueberge een laat-renaissancistische homo universalis die evenveel af weet van scheepsbouw als van geneeskunde, filosofie of recht – om maar die vier te noemen, hij is echt

een man die een onmetelijke kennis had en altijd over de laatste onderzoeksresultaten leek te beschikken (vertaling Annemarie Smit)

Als Descartes-adept en echte man van de wetenschap neemt hij niets zomaar at face value aan:

Je moet altijd twijfelen […] ook aan wat ik zeg. Stel overal vragen bij en eis een antwoord, zoek de antwoorden. Neem nooit spoorslags aan wat niet bewezen is.” (vertaling Annemarie Smit, 358)

Ironisch genoeg zal een irrationeel element (een droom) Thomas uiteindelijk mee op de goeie weg zetten.

Tegenover deze man van de ratio juxtaposeert Aust dan zijn andere personages met hun geloof in hekserij en hun vrees dat met de nieuwe eeuw ook het einde van de wereld gekomen is. De herbergier blijkt een aanhanger van Nostradamus te zijn en de dominee interpreteert de Bijbel op een wel erg persoonlijke wijze. Voor hen is de laatste dag van het jaar dan ook “vredens dag” (de Noorse vertaling van “dies irae”, een middeleeuwse Latijnse hymne over de dag des oordeels). Dat geldt ook voor Thomas, maar dan op een andere manier.

Boeiend zonder meer is ook de manier waarop Aust zijn roman aan de toenmalige actualiteit vasthaakt (er wordt gezinspeeld op de slechte relatie tussen Denemarken en het hertogdom Holsten-Gottorp) en historische details in zijn roman verweeft. Koffie is een nieuw genotsmiddel dat door de andere gasten in de herberg met argwaan bekeken wordt. Aan zoetigheden is men niet gewoon. En natuurlijk is de

“clocke” [die] “de tijd kon meten” (vertaling Annemarie Smit)

bijzonder modern in die tijd. Petter kan aan het instrument met zijn twee wijzers geen touw vastknopen.

Dag des oordeels is een absolute aanrader voor wie van historische detectives houdt.

Kurt Aust, Dag des oordeels, vertaald door Annemarie Smit, Baarn (De Fontein), 2001 ISBN 978-90-261-1797-8

Twee jaar na zijn geslaagde en alom geprezen debuut verscheen De derde waarheid **** (Noorse titel: Den tredje sannhet). Dag des oordeels was al niet bepaald kort, en dit boek is pakweg nog zo’n 200 bladzijden langer, maar brengt opnieuw puur leesplezier. Lees best toch eerst Dag des oordeels: een laatste puzzelstukje uit die roman valt in De derde waarheid op zijn plaats.

Opnieuw zijn we op weg met de Deense uomo universalis en rationalist Thomas av Boueberge en zijn Noorse assistent en “tweede geheugen” Petter Hortten. Deze keer trekken ze naar Hadekjær gods in Midt Jylland waar baljuw Hans Halle vermoord is. Er zit al een verdachte, Arne Jensen, in de cel maar een anonieme brief die bij rechter van het hooggerechtshof Worm aangekomen is, suggereert dat hij niet de dader is.

Het verhaal speelt zich af in 1700, maar Petter Hortten schrijft het pas neer in 1747; hij blikt dan niet alleen terug op wat er 47 jaar vroeger gebeurd is maar voegt er zijn eigen overpeinzingen aan toe en plaatst alles in zijn historisch kader. Zo wordt er geregeld aan de Zweedse dreiging tegenover Denemarken gerefereerd. Thomas av Boueberge doet trouwens geregeld aan “Swede-bashing”.

Ook de macht van de grondadel wordt duidelijk in de verf gezet. Petter, van heel eenvoudige afkomst, had het daar toentertijd al moeilijk mee, en dat is op het einde van zijn leven nog altijd zo – het zal hem uiteindelijk trouwens zuur opbreken. Zijn eenvoudige afkomst zorgt soms ook voor een komisch element. Zo maakt Petter tijdens een copieuze maaltijd bij oberst Ehrencron van Hadekjær gods voor het eerst kennis met de vork,

een vreemde, kleine drietand die naast mijn mes lag (173) (vertaling Annemarie Smit)

Aust is overigens ook wel voor een inside joke te vinden. Terje Stemland (Aftenposten 30.09.99) had zijn bespreking van Vredens dag geschreven dat

Voor zover deze lezer kan uitmaken, heeft de auteur zowel dansismen als anarchronismen weten te vermijden, één uitzondering misschien niet te na gesproken. Is het waarschijnlijk dat de boerenjongen Petter op bladzijde 36 zijn tanden poetst?

en Aust knoopt daar nu bij aan:

Ik pakte de twijg van de jeneverstruik uit mijn tas en poetste en wreef mijn tanden aan het rafelige uiteinde, zoals ik van Thomas had geleerd. Hij had voor dit doel met verschillende houtsoorten geëxperimenteerd en was uiteindelijk bij de jeneverstruik uitgekomen, omdat hij dacht dat het sap iets tegen kiespijn bevatte. En daar zat misschien wel iets in, want sinds ik met het wrijven van mijn tanden was begonnen, was de tang van de smid mij bespaard gebleven en had ik eigenlijk nooit meer pijn gehad. (vertaling Annemarie Smit)

In Den tredje sannhet zit er overigens op z’n minst weer een anachronisme wanneer Petter naar een aantal chemische verbinden met hun moderne formule verwijst.

Net zoals zijn voorganger heeft Den tredje sannhet heel wat weg van een “ouderwetse” detectiveroman. Er is de alwetende speurder die, in het gezelschap van alle mogelijke daders, zijn uiteenzetting houdt over hoe hij tot zijn conclusies is gekomen. Er zijn de papieren met mysterieuze boodschappen op. Er is de assistent die z’n uiterste best doet om z’n leermeester te evenaren, maar toch net (zoals dat ook het geval is bij zijn illustere collega’s Watson en Hastings) altijd naast de essentiële informatie kijkt – wij moderne lezers beseffen soms vlugger wat er aan de hand is dan Petter Hortten!

Die “ouderwetsheid” past echter perfect bij de uitstekend gecomponeerde intrige, het archaïserend getinte taalgebruik én de figuur van de in z’n oude dag ook weemoedige verteller Hortten, die zijn uiterste best doet om wat er werkelijk gebeurd is te vertellen maar beseft dat dit eigenlijk een onmogelijke taak is – dat is ook waar de titel naar verwijst.

Aust, Kurt, De derde waarheid, vertaald door Annemarie Smit, Utrecht (Signature), 2003  ISBN 90-5672-096-1

Aust schreef nog andere romans, niet in het Nederlands vertaalde romans over Thomas av Boueberge en Petter Hortten. Voor Hjemsøkt**** (2003) kreeg hij zowel de Noorse Rivertonpris als de Scandinavische Glassnøkkel.

In Hjemsøkt blikt Petter op 66-jarige leeftijd nogmaals terug op een van de vele avonturen die hij op veel jongere leeftijd als secretaris en manusje-van-alles van Thomas av Boueberge beleefde. Zijn huidige situatie is niet bijzonder rooskleurig: vorst Reginald, van wie hij nog huisleraar geweest is, heeft hem ontslagen en Petter is nu op weg naar zijn geboorteland Noorwegen. Een storm heeft ervoor gezorgd dat hij tijdelijk gestrand is op het eiland Læssøe. Daar wacht hij nu in het huis van koopman Burum op een schip dat hem verder zal brengen.

Petters gedachten gaan terug naar het jaar 1703, wanneer hij, na een verblijf van vier jaar in Denemarken, voor het eerst weer naar zijn geboorteland Noorwegen terugkeert, en wel met een speciale opdracht. Als kenner van Noorwegen en met de titel van “undergesantsekretær” moet hij in opdracht van de koning de pauselijke nuntius Michelangelo dei Conti begeleiden. Dei Conti maakt een rondreis door Denemarken en Noorwegen om de lokale gewoonten te leren kennen. Het is een delicate opdracht (de twee landen zijn immers protestants) en officieel is hij in het koninkrijk als zakenman op zoek naar een investering.

Er zijn nogal wat redenen waarom Petter opkijkt tegen de reis. Het is allesbehalve duidelijk wat de nuntius in Noorwegen te zoeken heeft. Heeft hij misschien van Rome een geheime missie meegekregen? Dat hij aan proselitisme zal doen lijkt in ieder geval niet uitgesloten.

Daarnaast is Petter ook niet de enige die over dei Conti’s veiligheid moet waken. Er is ook nog de edelman Junker Stig, en mocht er iets mislopen, dan zal die niet ter verantwoording geroepen worden, maar Petter wel, en dat kan hem letterlijk zijn kop kosten…

Thomas av Boueberge maakt geen deel uit van het groepje dat de nuntius begeleidt, maar bevindt zich in Christiania, en dus zal Petter het een groot deel van de reis alleen moeten rooien. Niet echt een leuk vooruitzicht dat hij wel eens zijn nood klaagt:

Verdorie, waarom is hij hier nooit wanneer je hem nodig hebt?

Er lijkt toch ook een pluspunt aan de reis vast te zitten. Petter kan immers na vier jaar afwezigheid een bezoek brengen aan de boerderij waar hij opgroeide en zo meer te weten komen over wie zijn ouders (en vooral zijn moeder ) waren. Dat gebeurt ook, maar wat hij te weten komt is niet bepaald prettig nieuws:

Ik had nooit terug moeten komen. Ik had daar niets te zoeken. Niets werd zoals ik het gedroomd had. Niets was zoals ik had gedacht.

En later klinkt het nog klaaglijker:

Niet terugkeren. Verdorie nooit weer naar huis terugkeren.

De titel Hjemsøkt heeft dan ook iets dubbelzinnig. Hij verwijst naar Petters bezoek aan de plaats waar hij opgroeide, maar “hjemsøkt” betekent ook zoiets als “door een ongeluk getroffen”. In het eerste hoofdstuk klinkt het al:

Mijn gemoed wordt geteisterd door herinneringen die ik het liefst zou vergeten.

De reis begint in elk geval niet onder een gelukkig gesternte. In Frederikstad wordt de eerste persoon met wie dei Conti contact zoekt, vermoord en Petter verdenkt er niemand minder dan de nuntius zelf van de dader te zijn. En het wordt er niet beter op wanneer wat later in Tønsberg een tweede gifmoord wordt gepleegd en Petter zelf in vieze papieren komt te zitten. Dat geldt ook voor Sara, een jonge, raadselachtige vrouw die Petter een rad voor de ogen heeft gedraaid.

Met Hjemsøkt toont Aust voor de derde keer zijn vakmanschap als auteur van historische detectiveromans. Ook nu gaat hij daarbij een paar keer de anachronistische en/of humoristische toer op. Zo laat hij Thomas een tijdje opereren onder de schuilnaam Franz Beckhambauer en knutselt de professor zijn eigen versie van een microscoop in elkaar:

Verder laat hij een aantal modern aandoende grapjes over de professor de ronde doen.

Thomas toont zich dan weer een vroege voorloper van Freud:

Hoe meer ik de mens beschouw, hoe meer ik de indruk heb dat de menselijke natuur verborgen eigenschappen bezit, goede zowel als slechte, die onbekend blijven voor ze bezit.

En ook al is het verhaal sterk ingebed in de historische realiteit van het begin van de 18de eeuw, toch kom Aust soms ook met een eigen draai. Zo maakt Petter kennis met de jonge Ludvig Holberg en krijgt hij het manuscript van Shakespeares Hamlet in handen. Dat belet niet dat er in Hjemsøkt ook ernstige thema’s aangesneden worden. Zo is er een fragment waarin Petter en dei Conti een geanimeerde discussie houden over inconsequenties in religies. Verder worstelt Petter ook met gewetensproblemen wanneer hij verplicht wordt na te denken over schuld en onschuld:

Wat was ik eigenlijk voor een mens die dit allemaal veroorzaakt had? Een onheilsbrenger en een verloren zoon, die allen rond mij in ellende stortte.

Maar in de eerste plaats blijft Hjemsøkt een uitstekende, sfeervolle historische detective die het niet moet hebben van gewelddadige scènes en nodeloos ingewikkeld en vergezochte plotwendingen. Voor deze roman kreeg Aust zowel de Noorse Rivertonpris als de Scandinavische Glassnøkkel. In de motivering van de Rivertonprisjury heet het o.a. dat:

De auteur is erg goed vertrouwd met de conventies van het genre, en hij gebruikt vertrouwde en klassieke kunstgrepen op een overtuigende en stijlzekere manier. Het detectiveduo vertegenwoordigt de klassieke school en maakt bijgevolg gebruik van deductie en ratio bij het onderzoeken van de moorden.

In Når døde hvisker (2011) **** is Petter Horten 67. Hij bevindt zich in Morup, waar hij logeert bij dominee Askhult en het relaas neerschrijft van alweer een “avontuur” dat hij samen met zijn “werkgever” Thomas av Boueberge beleefde.

Eind februari 1705 beslist de “kommisjon Crimine”, die de bestrijding van de ernstige misdaad als een van haar taken heeft, om Thomas op onderzoek uit te sturen naar Anholt, een klein eilandje in het Kattegat. Daar bevindt zich Moritz Giedde, die er moet controleren of de “anebuere”, zoals de inwoners van het eilandje genoemd worden, hun belastingen aan de Deense koning wel correct betalen.

Giedde heeft echter al een hele tijd niets meer van zich laten horen en Thomas en Petter moeten nu ter plaatse uitzoeken wat er met hem aan de hand is. De opdracht is niet zonder gevaar, want de anebuere hebben een slechte reputatie. Zo doet het gerucht de ronde dat ze wanneer een schip in de nabijheid van het eiland in nood verkeert, ze geen enkele poging doen om de opvarenden te redden. Zodra het schip vergaan is, zijn ze er wel als de kippen bij om alle aangespoelde kostbaarheden te verzamelen.

Thomas en Petters aankomst op Anholt kan bezwaarlijk hartelijk genoemd worden. Laust, die hen oppikt, zegt geen woord en brengt hen naar “fogd” Wolby, die hen in een krot wil onderbrengen. Uiteindelijk krijgen ze logies in het huis van de weduwe Boel, een halfzus van Laust. Haar dochter Maren is een paar maanden daarvoor spoorloos verdwenen.

De levensomstandigheden op Anholt zijn erg primitief, en het is daarom erg moeilijk om mensen ertoe over te halen zich op het eiland te vestigen. Huwelijken tussen bloedverwanten zijn dan ook geen uitzondering. Het geloof in zwarte magie en boze geesten is er nog sterk aanwezig, zelfs bij de lokale dominee Ambrosius Bille. Die boze geesten zouden zich vooral ophouden in het woestijnachtige Hewen. De titel verwijst dan weer naar iets wat de oude en blinde Oline Petter toevertrouwt:

“Ga weg!” vroeg ze me.

Aarzelend liep ik een paar passen van haar vandaan. Toen hoorde ik haar fluisteren: “Wanneer de doden fluisteren…”

“Ja…?”

“verwachten ze bezoek.”

Onnodig te zeggen dat al dat gedoe ervoor zorgt dat de atheïst en rationalist Thomas av Boueberge het soms danig op zijn heupen krijgt…

Lang blijven Thomas en Petter overigens niet op het eiland (van 17 maart tot 21 maart om precies te zijn), maar nog voor de periode afgelopen is, constateert Petter

Vier dagen zijn we hier nu op dit eiland, en elke dag werden we met dode mensen geconfronteerd!

Heel gauw rijst bij Thomas en Petter het vermoeden dat Moritz Giedde niet in de eerste plaats naar Anholt gestuurd werd om de correcte inning der belastingen te controleren. Op de achtergrond is ook voortdurend een mogelijke oorlog met grote broer Zweden aanwezig. Uiteindelijk lijkt het erop dat, hoe bizar het ook moge klinken, Thomas een beroep moet doen op zwarte magie om de schuldigen(n) te ontmaskeren…

Dat die scène enigszins aan de Poirot-ensceneringen van Agatha Christie doet denken is het enige minpunt van Når døde hvisker. Voor de rest haalt Aust hier het niveau van zijn vroeger historische misdaadromans. De setting zorgt ervoor dat de sfeer nogal griezelig en donker aandoet. Zo wordt Petter bijvoorbeeld met een de eetlust benemend lijk geconfronteerd:

Met open mond staarde ik naar de vliegenwolk die de kleine achteruitgang was binnengevallen, gaapte naar het levende, zoemende tapijt dat de vloer voor de deur van de wasruimte bedekte. Een wemeling van insecten bevond zich onder de deur, sommige op weg naar het lijk, andere ervan weg, alsof ze verzadigd waren en daarom vertrokken […] Dat stank was zo erg dat je er met een mes in kon snijden. Ik trok mijn halsdoek voor mijn mond en neus en rispte op alsof ik een overmatige hik had. Ik stormde naar de deur van de wasruimte en zonder met te bekommeren om het lawaai dat ik maakte en alle voorzichtigheid overboord gooiend duwde ik ze open. […] Het scheef hangende lijk was niet langer in de greep van de vorst en had zich veranderd in een knokige klomp, die door al de vliegen en wormen die op zijn huid rondkrioelden, toch nog iets van een levend wezen had. .[…] de donkere oogkassen in de glimmende schedel van het lijk staarden schuin omhoog naar een paar voeten die twee ellen boven de vloer hingen […] Toen hield ik de lantaarn boven het hoofd, joeg de vliegen weg en keek met grote ogen naar de paarsrode tong die uit de mond stak.

De Noorse recensenten waren erg te spreken over Når døde hvisker. Voor Sindre Hovdenakk (VG 16.10.2011) toont de roman opnieuw aan dat

de auteur het vak tot in de puntjes beheerst. Het resultaat is zonder meer een goed en – in de letterlijke zin van het woord – ouderwets misdaadverhaal

meeslepende historische lectuur

vond Ole Jacob Hoel (Adresseavisen 03.10.2011):

een hoogtepunt in de Noorse misdaadliteratuur van dit jaar. Kurt Austs nieuwe boek is uiterst geschikt voor donkere herfstavonden

schreef Torbjørn Ekelund (Dagbladet 17.11.2011). Når døde hvisker is

een spannend, goed geschreven en onderhoudend verhaal dat zich de hele tijd beweegt in het spanningsveld tussen het rationele en het irrationele.

Pål Gerhard Olsen (Aftenposten 12.12.2011) vond Når døde hvisker niet alleen

een detectiveroman pur sang

maar ook

een ideeënroman, waarin elkaar beconcurrerende gedachtestromingen het onderliggende vuurwerk voor de intrige leveren

Ten slotte vermeld ik hier een paar extraatjes die van het boek nog leukere lectuur maken. Zo zijn er weer de moedwillige anachronismen: Thomas heeft een citaat van Einstein in petto:

God dobbelt niet

en er is ook een verwijzing naar de chaostheorie:

Thomas zei ooit dat wanneer de koning een scheet laat in Kopenhagen, dat gevolgen kan hebben voor een boer in Jylland

Ook grappig zijn de verwijzingen naar Holberg met wie Petter in zijn jeugd bevriend zou zijn geweest (zie Hjemsøkt hierboven). En Hamlet komt om het hoekje kijken met een variant op zijn beroemde uitspraak

There are more things in heaven and earth, Horatio, Than are dreamt of in your philosophy.

Misschien zijn er wel een paar dingen tussen hemel en aarde die zelfs de wetenschap niet kan verklaren.

klinkt het in Austs versie.

En helemaal op het einde ontdekt Petter nog een onvermoede link tussen hemzelf en Anholt…

Når døde hvisker is niet in het Nederlands vertaald, en ook niet in het Duits, Engels of Frans. De Noorse pocketuitgave heeft als ISBN 978-82-03-35135-8  (Aschehoug)

Austs (voorlopig?) laatste boek over het detectiveduo is Stumme skrik **** (2013). In september 1705 wordt in Kopenhagen tonnenmaker Andreas Bødker aan een boom opgehangen teruggevonden – ik bespaar u de (gruwelijke) details over de wijze waarop hij stierf. Lang duurt het niet voor er een verdachte voor de moord gearresteerd wordt. Hans Kiær is een boerenzoon die in de stad was om een koe te verkopen en die daarna de hele avond samen met Bødker in de herberg Tre Hiorter heeft doorgebracht.

Maar is hij wel de dader? Professor Thomas av Boueberge heeft zo zijn twijfels en samen met de nu 24-jarige Petter Horten, bijt hij zich in de zaak vast. Daardoor komt hij in conflict met de meedogenloze Vidkun Görluch, de leider van de Inkvisisjonskommisjon, die de zaak naar zich toegetrokken heeft en er barbaarse ondervragingsmethoden op nahoudt.

Het is trouwens erg onrustig in Kopenhagen, en Thomas (in zijn functie van lid van de “Kommisjon Crimine”) en Petter worden ook ingeschakeld in het onderzoek naar de schijnbaar motiefloze moord op student Nicolai Worre. Nog later worden relatief kort na elkaar twee vooraanstaande inwoners van de hoofdstad vermoord en op een lugubere wijze aan het volk tentoongesteld. Diegenen die de moorden (ogenschijnlijk?) gepleegd hebben worden op een even afschuwelijke als efficiënte manier letterlijk het zwijgen opgelegd.

En dan is er nog de zaak Skåne die de gemoederen beroert. Zweden heeft dit vroeger Deense gebied al een tijdje ingepalmd en er gaan in de Deense hoofdstad steeds meer stemmen op om Skåne manu militari opnieuw onder het oorspronkelijke gezag te plaatsen.

En of dat allemaal nog niet genoeg is komt Thomas av Boueberge ook nog te weten dat viceadmiraal Adelstadt (die ook lid is van de “Kommisjon Crimine”) ervan verdacht wordt een spion van de Franse koning te zijn.

Petter heeft verder nog een ander probleem. Zijn vrouw Sara (die hij ontmoet heeft in Hjemsøkt) heeft zich een reputatie opgebouwd als maakster van feestelijke jurken en komt daardoor in conflict met de gilde van de kleermakers, waar ze geen lid van is.

Een roman met heel wat vertellijnen dus (hij is dan ook bijna 600 bladzijden lang) maar Kurt Aust past ze probleem- en naadloos in elkaar en bevestigt met Stumme skrik nog maar eens zijn reputatie als belangrijkste Noorse auteur van historische misdaadromans. De intrige zit knap in elkaar. De historische achtergrond wordt perfect in het verhaal geïntegreerd. De personages hebben “body”, en het wat ouderwetse taalgebruik en enigszins trage verteltempo (dat in een zich in de 21ste eeuw afspelende misdaadroman als onrealistisch zouden overkomen) stoort hier helemaal niet.

Het enige wat je eventueel zou kunnen aanmerken is dat Aust in Stumme skrik voor een “story within a story”-constructie gekozen heeft. Petter vertelt het hele verhaal in 1749, het jaar waarin hij voor het eerst sinds heel lang (en samen met zijn vriend Bark) vanuit Noorwegen een reis naar Kopenhagen onderneemt. Voor ze hun bestemming bereiken vallen ze in handen van Zweedse struikrovers, en net zoals Sheherazade in Duizend-en-een-nacht weet Petter te voorkomen dat hij en zijn vriend omgebracht worden door telkens wanneer de avond valt, een nieuw stuk van de gebeurtenissen uit 1705 en 1706 te vertellen:

Hij grijpt me bij het weinige dunne haar dat ik nog bezit, trekt mijn hoofd naar achteren zodat mijn keel zichtbaar wordt, en trekt zijn mes.

“Nee!”

De kreet komt uit zo’n onverwachte hoek dat hij stopt en zijn zoon aankijkt.

“Nee,” herhaalt de rover die ons de avond ervoor overviel: “Ik wil horen…” Hij wijst naar m’n tas. Er zit daar een verhaal in, in die tas. En ik wil de rest horen.

Als statement over de rol van “het verhaal” kan het tellen, maar toch komt deze constructie nogal ongeloofwaardig over. Dat geldt ook nog voor een andere passage in roman, waar het tot een nijdige woordenwisseling komt tussen Sara en gravin Adelheid Elisabeth (de dochter van viceadmiraal Adelstadt), maar hier kun je argumenteren dat Petter in dit specifieke geval geen objectieve waarnemer was. Een goed verteller is hij in elk geval wel.

Niet vertaald. Het ISBN-nummer van de Noorse uitgave is ISBN 978-82-03-35486-1

Wel vertaald is als De onzichtbare broeders is De usynlige brødrene **½ (2006), waarmee Kurt Aust voor het eerst een thriller geschreven heeft die zich in het heden afspeelt. Toch duiken de jaren 1700 ook hier geregeld op. Het begint al met een “citaat” van professor Thomas Boueberge helemaal vooraan in het boek. In de roman zelf staan een paar inside jokes zoals

Ze las het een en ander over de achttiende eeuw omdat ze [d.w.z. de uitgeverij] een manuscript hadden gekregen, een historische thriller over moord en bedrog die in die tijd speelde (vertaling Annelies de Vroom)

en

‘Das Jüngste Gericht’, heette het boek, en het was geschreven door een vent met de naam Aust (vertaling Annelies de Vroom)

Das Jüngste Gericht is de titel van de Duitse vertaling van Vredens dag.

Maar de belangrijkste link met het verleden is natuurlijk Sir Isaac Newton (1643 – 1727).

De usynlige brødre begint met de zelfmoord van de Noorse historica Mai-Britt Fossen op een terras in Parijs. Ogenschijnlijk had ze geen enkele reden om zich van het leven te benemen. Mai-Britt Fossen heeft wel een mysterieuze afscheidsbrief nagelaten. Merkwaardig is ook dat die niet enkel gericht is aan haar huidige echtgenoot Finn-Erik, met wie ze twee kinderen heeft, maar ook aan haar ex, de wiskundeprofessor Even Vik. Hij is gespecialiseerd in het kraken van codes.

Het wordt al vlug duidelijk dat Mai-Britt voor een verschrikkelijke keuze gesteld werd. Ofwel pleegde ze zelfmoord, ofwel werden haar kinderen vermoord. Maar door wie werd ze tot zelfmoord gedreven? Even Viks enige aanknopingspunt is het boek over Newton waar Mai-Britt aan werkte, een boek waarin ze het niet alleen zou hebben over Newton als man van de reguliere wetenschap, maar tevens aandacht zou besteden aan diens belangstelling voor activiteiten en methodes die we nu niet langer als “wetenschappelijk” beschouwen:

Zoals jullie allemaal gegarandeerd op school hebben geleerd, heeft hij de zwaartekracht ontdekt en berekende hij de elliptische baan van de aarde rond de zon […] Maar (ze stak twee vingers op om het punt te onderstrepen waar ze nu mee kwam) dezelfde man, hetzelfde genie gebruikte heel serieus de Bijbel om de leeftijd van de aarde te berekenen. En hij gebruikte de profetieën van Daniel om te berekenen hoelang de katholieke kerk en de paus over de wereld zouden heersen.” (vertaling Annelies de Vroom)

Zo had o.a. Newtons interesse voor de alchemie Mai-Britts belangstelling gewekt. Tussen haakjes: in “De Standaard” van 18.10.2007, “Newton bijna als ketter uit de kast” wordt dieper op de occulte kant van Newtons activiteiten ingegaan.

Even Vik ontrafelt een aantal gecodeerde berichten die zijn ex-vrouw hem de maanden voor haar zelfmoord heft gestuurd en komt zo in het bezit van een aantal fragmenten van haar manuscript. Op de achtergrond doemt steeds duidelijker een of andere mysterieuze broederschap op. Maar wat had Newton dan ontdekt en voor iedereen geheimgehouden? En wordt Even Vik zelf ook niet gemanipuleerd?

Wie dit allemaal leest gaat natuurlijk een licht op: de The Da Vinci Code! Aust zei er op zijn website het volgende over:

Ik was volop bezig met het schrijven [van De usynlige brødre] en was ongeveer tot in de helft geraakt toen ik een schot voor de boeg kreeg. Men vertelde me over De Da Vinci Code en ik las het boek. Dat was een opdoffer. Het speelde zich ook af in Parijs en Londen. Het ging ook over een heleboel codes. Er kwam ook een geheime orde in voor. Ik besprak het probleem met mijn redactrice en zij was van oordeel dat ik gewoon verder moest gaan zoals ik van plan was, deels omdat mijn stijl en taal verschilden van die van Dan Brown, deels omdat hij en ik een andere invalshoek hanteerden tegenover datgene waarover we schreven, en, ook erg belangrijk, omdat we uiteindelijk over heel verschillende onderwerpen schreven. Ze was van oordeel dat mijn angst om van plagiaat beschuldigd te worden, overdreven was.

Eén verschil met The Da Vinci Code is in elk geval dat Aust een serieuze poging heeft ondernomen om van de hoofdfiguren Even, Mai-Britt en Newton meer dan kartonnen figuren te maken. Vooral Even Vik is een complex personage: een aantal flashbacks geven de lezer gaandeweg meer inzicht in een aantal aspecten van zijn karakter. Daarnaast is De onzichtbare broeders ook ingewikkelder van opbouw. Aust geeft niet om een uitweiding minder of meer. Het verhaal wordt er misschien wat minder “flitsend” door, maar wint door de combinatie van verschillende vertelperspectieven wel aan diepgang.

Aust heeft natuurlijk wel bijzonder hoog ingezet: wie grote verwachtingen creëert moet die ook bevestigen, anders wordt de ontgoocheling bij de lezer finaal des te groter. Het criterium daarbij is niet de waarschijnlijkheid van de ontknoping, maar of die ontknoping tijdens het lezen ervan geloofwaardig overkomt. Misschien beantwoordt het einde niet helemaal aan de verwachtingen, ook al maakt de ironische epiloog van de epiloog weer veel goed. Ik schat Austs historische detectives nog wat hoger in, maar zoals May Grethe Lerum (VG 01.10.2006) zegt, bezorgt De onzichtbare broeders liefhebbers van mysteries

intelligent en levendig leesplezier  

en is de roman

voortreffelijk schrijversvakmanschap

Kurt Aust, De onzichtbare broeders, vertaald door Annelies de Vroom, Utrecht (Signature), 2007   ISBN 978-90-5672-235-7

Terug naar Home