
Merete Morten Andersen
MERETE MORKEN ANDERSEN (1965) was verschillende jaren hoofdredacteur van het literaire tijdschrift “Vinduet” voor ze zelf begon te publiceren. Veel succes had ze met het als Een zee van tijd*** vertaalde Hav av tid. (2002).
Hav av tid begint met de zelfmoord van de zestienjarige Ebba. Het eerste hoofdstuk van de roman (“Ebba og Erlend”) suggereert een mogelijke reden voor de wanhoopsdaad.
Het boek gaat echter vooral over de reacties van Ebba’s ouders. Violiniste Judith en ingenieur Johan zijn al een twaalftal jaar gescheiden en hebben sindsdien nog maar sporadisch contact met elkaar gehad (wat niet betekent dat – zeker bij Judith – de wonde die de scheiding veroorzaakt heeft al volledig geheeld is).
Op de avond voor de begrafenis rijdt Johan naar Judiths huis om een aantal praktische zaken te regelen. Hij voelt zich erg onzeker en blijft nog een hele tijd in z’n auto zitten. Daar praat hij in gedachten tegen zijn dochter: zijn monoloog wordt een min of meer chronologisch (maar onvolledig) overzicht van zijn leven vanaf het ogenblik dat hij besefte dat Judith op hem verliefd was.
Johan komt naar voren als iemand die aan stemmingsstoornissen onderhevig is:
Lezen en studeren is voor mij een manier om mijn gedachten af te leiden als ze te duister worden. (vertaling Lucy Pijttersen)
Hij voelde zich door zijn vrouw gemanipuleerd en zegt dat hij in een situatie terechtgekomen was waarin zijn relatie evolueerde
vanuit een extatische verliefdheid in een ijsfront [in slechts een paar korte, ellendige jaren (vertaling Lucy Pijttersen)
Terzelfder tijd houdt Judith Johan van in haar huis in het oog en begint ook zij aan een tot Ebba gerichte monoloog over de mislukking van haar huwelijk:
Ik wist precies wat hij dacht: het was hem langzamerhand duidelijk geworden dat het leven met mij anders was dan hij zich had voorgesteld. En voor mezelf werd het steeds duidelijker dat hij in bepaalde opzichten nooit aan mijn normen zou kunnen voldoen. (vertaling Lucy Pijttersen)
Deze tweede (meer impressionistische) monoloog stelt een aantal elementen uit Johans relaas in een ander daglicht (de grote hoeveelheid sterke drank die Judith na een concertreis in het buitenland bij zich heeft, de vele privéleerlingen die Judith op zeker ogenblik had, …) en creëert zoals te verwachten was ook een ander beeld van haar. Haar opvatting over “toevallige” relaties is opvallend rationalistisch:
Verliefdheid is alleen maar een kwestie van hormonen, ze behersen je lichaam een tijdje, ze hebben een naam, het is louter chemie, en na een poosje neemt hun kracht af en verdwijnen ze. Op basis van een paar chemische stoffen in je lichaam mag je geen keuze maken die de rest van je leven beïnvloedt (vertaling Lucy Pijttersen)
Ook een gevoel van bitterheid over Johans nieuwe relatie, komt een paar keer aan de oppervlakte:
Ze had vast weer zo’n angora-achtige nylontrui aan waarin ze sprekend op een paaskuiken lijkt, je weet wel welke ik bedoel.” (vertaling Lucy Pijttersen)
Gemeenschappelijk voor beide monologen is dat Johan en Judith het in de eerste plaats over zichzelf hebben; niet over Ebba of wat haar tot de wanhoopsdaad gedreven kan hebben – het lijkt wel alsof ze die zelfmoord (on)bewust verdringen en er schijnbaar nog vanuit gaan dat hun dochter nog leeft. Johans begeesterde uiteenzetting over de oud-Griekse Eleusiscultus die een goed leven na de dood garandeerde kan ook in dit licht gelezen worden.
Uiteindelijk belt Johan dan toch aan. De hoofdstukken waarin hun ontmoeting beschreven wordt (“Historien” en “Det hvite rommet (largo)”) doen erg filmisch aan: ze bestaan voor het grootste deel uit dialogen en de rest van de tekst fungeert dan als een soort regieaanwijzingen.
Hun gesprek begint met hysterie en non-communicatie. Later neemt hun gesprek een andere wending en creëren ze samen een sprookje waarin ze beide als vermomde hoofdpersonen aanwezig zijn en dit mondt uit in een derdepersoonsanalyse van waar het tussen hen verkeerd ging. Het besef dat Ebba wel degelijk dood is komt nu ook sterker op de voorgrond en dat leidt tot een dialoog waarin enigszins zoals in een bezwering Johans antwoorden echo’s zijn van Judiths vragen en omgekeerd.
Een tussengevoegde brief die Ebba kort voor haar zelfmoord aan haar halfzusje Jennifer schreef (en die Judith en Johan niet lezen) geeft geen eenduidig antwoord op de vraag “waarom?” maar verwoordt wel een sterk gevoel van buitengeslotenheid. En ook al is er op het einde van de avond en op de morgen van de begrafenis zelf een soort begrip gegroeid tussen Judith en Johan, toch blijven ze voor een groot stuk langs elkaar heen praten.
Merete Morken Andersen kreeg voor Hav av tid de Kritikerpris 2002. De motivering van de jury was dat
De roman die dit jaar de prijs gewonnen heeft is boeiend, gevoelig, soms bescheiden, en nooit vervelend. Het is een belangrijke roman die stof tot nadenken geeft iets zegt over samen met de anderen mens zijn, en over anderen verliezen. De roman moet de lezer wel ontroeren. Het ernstige onderwerp is er een waar men een standpunt moet innemen.
Ook de critici lieten zich erg lovend uit over Hav av tid. Drie van de twaalf recensenten van Aftenposten zetten in de krant van 07.12.02 het boek bij de drie beste die ze het afgelopen jaar gelezen hadden – geen enkele Noorse schrijver deed beter.
Øystein Rottem ( Dagbladet, 24.06.02) noemt de roman
Het werk van een volwassen mens en moedig auteur. / Het verhaal wordt verteld met bravoure en met een scherpe blik voor de negatieve dynamiek waar zo triest vele relaties onder lijden.
en zegt dat
het verhaal met bravoure en met een scherpe blik voor de negatieve dynamiek waaronder zo vele relaties gebukt gaan, verteld wordt
Kjell Olaf Jensen heeft het over een
Een zinvolle roman over de dood, met muziek als referentiekader […] de auteur slaagt er wonderwel in om de complexe structuur als een vanzelfsprekendheid te doen overkomen.
Anne Cathrine Straume ( Kulturnytt, NRK P2, 11.06.02;) vindt het
een moedig boek […] een poging om iets wezenlijks te onderzoeken, om de eigenlijke waarden in het leven te ontdekken
maar zegt ook dat de tekst soms “te wijdlopig” wordt – en daar valt ook wel iets voor te zeggen.
Merete Morken Andersen, Een zee van tijd, vertaald door Lucy Pijttersen , Utrecht (Signature) , 2004 978-90-5672-093-3
Mandel
Ook Merethe Morken Andersens roman Mandel (2005) werd in het Nederlands vertaald met als titel Het zomerhuis**. Net als Hav av tid is Mandel een intimistische roman. Twee vrouwen, die sinds hun jeugd met elkaar bevriend zijn, staan centraal: Agnes en Molly. Ze komen allebei aan het woord: eerst Agnes, daarna Molly. De 36-jarige Agnes lijdt al een twintigtal jaren aan een spierziekte en is daardoor aan een rolstoel gekluisterd. In haar appartement brengt ze haar dagen door met werken aan een nogal vaag project over het “lot” en het “lijden” en met fantaseren over hoe en waarom bepaalde gebeurtenissen zich hebben voorgedaan. Ze heeft ook een maquette gemaakt van het zomerhuis dat Molly niet zolang geleden geërfd heeft van haar grootmoeder, een merkwaardige vrouw die voor zichzelf een rol als psychotherapeute weggelegd zag. Zelf is Agnes nooit in het zomerhuis geweest.
Molly is Agnes’ jeugdvriendin en de enige met wie ze nog tamelijk veel (hoewel onregelmatig) contact heeft. Molly is een succesvolle scenografe, een “doener”, die al heel wat beleefd heeft, iets wat bij Agnes een zekere afgunst opwekt. Het verschil tussen beide vrouwen blikt ook uit de stijl die ze in hun relaas hanteren: bij Agnes is die bijwijlen wollig, Molly is zakelijker en directer.
In haar appartementje wordt Agnes “gecoacht” door de verpleger Aksel. Molly ontmoet hem daar voor het eerst en begint een relatie met hem. Ook Agnes is best geïnteresseerd in Aksel, maar gezien de omstandigheden is ze geen “partij” voor Molly.
Het verhaal neemt een plotse wending wanneer Aksels ex-vrouw een spoedoperatie moet ondergaan. Aksel, die nog steeds een goede relatie met haar heeft, is erg bezorgd en vraagt Molly of hij zijn kinderen een tijdje bij haar in het zomerhuis mag onderbrengen. Agnes is ervan overtuigd dat haar aanwezigheid daar nuttig en vereist is en laat zich ernaartoe brengen (haar maquette blijkt niet met de realiteit overeen te stemmen). En dan komen de latente spanningen die al een hele tijd tussen de twee vriendinnen bestaan spoedig aan de oppervlakte, vooral wanneer ze allebei proberen om Aksels kinderen aan hun kant te krijgen. De Noorse titel van de roman verwijst naar een verhaal dat Molly aan de kinderen om te illustreren dat een moeder nooit echt verdwijnt maar in haar kinderen verder leeft.
Het einde van de roman is minder geslaagd; het lijkt alsof Agnes en Molly allebei een zekere vorm van gemoedsrust gevonden hebben. Als lezer krijg je de indruk dat de auteur niet meer wist hoe het verder moest en dan maar een einde aan het verhaal gebreid heeft. Anne Marie Gilis (De Standaard 07.09.07) rekent haar dat nogal zwaar aan:
Andersen […] slaagt erin aan ieder woord de wanhoop te laten kleven, waarmee ze bewijst een bijzonder getalenteerde schrijfster te zijn […] Het einde is weinig spectaculair en je vraagt je af wat de auteur met dit werk duidelijk heeft willen maken.
Merete Morken Andersen, Het zomerhuis, vertaald door Kim Snoeijing en Lucy Pijttersen, Utrecht (Signature), 2007 ISBN 978-90-5672-224-1
Broren min løper
Voor Hav av tid had Merethe Morken Andersen al drie romans gepubliceerd. De roman Broren min løper (1991) is geen echt gemakkelijke lectuur. Een jonge vrouw woont op een eilandje dat door een brug met de nabijgelegen stad verbonden is – haar enige buren zijn een oud echtpaar; het zijn de enigen met wie ze contact heeft; de stad gaat ze niet in. Op een dag trekt haar elfjarige halfbroer bij haar in. De rest van de roman construeert een soort beeld van haar achtergrond/verleden aan de hand van informatie die ze zelf verstrekt en van brieven die de man met wie ze vroeger een verhouding heeft gehad haar schrijft. Inzicht in haar karakter krijgt de lezer via een vertelling over haar buren waarin ze haar fantasie de vrije loop laat – verrassend voor iemand die een sterke tendens vertoont om alles logisch te ordenen en uitsluitend dingen fotografeert. Stilistisch valt vooral de volledige afwezigheid van dialogen op.
Andersen, Merete Morken, Broren min løper, Oslo (Gyldendal) 1991, ISBN 85-05-20460-8


Ibsenhåndbok
Geen literair werk maar zeker het vermelden waard is Merete Morken Andersens Ibsenhåndbok (1995), over het toneelwerk van de grote Noor. Alweer een boek over Ibsen kun je natuurlijk denken maar Merete Morken Andersen verantwoordt dat als volgt:
Zijn strak gecomponeerde intriges en compakte dramatische structuren blijken bestand te zijn tegen veranderende tijden en stromingen. Er zit iets in zijn toneelstukken dat ze rijk en polyinterpretabel genoeg maakt zodat ze telkens weer op nieuwe manieren geduid kunnen worden. Verschillende generaties worden aangetrokken door verschillende periodes van zijn schrijverschap, en één manier om te weten te komen wat er zich in onze tijd onder de oppervlakte roert is te kijken welke stukken van Ibsen opgevoerd worden en over welke stukken er in academische kringen geschreven wordt – en hoe ze geïnterpreteerd worden.
Het boek begint met een biografisch overzicht, waarin ook de belangrijke gebeurtenissen in Noorwegen en de wereld die tijdens Ibsens leven plaatsvonden vermeld worden.
Daarna worden de toneelstukken in chronologische volgorde behandeld (Ibsen zelf wees er in het voorwoord bij de uitgave van zijn verzameld werk in 1898 op dat zijn toneelwerk
als een samenhangend, ononderbroken geheel
bekeken moest worden.)
De werken tot en met Kongs-emnerne worden minder gespeeld en gelezen en in een eerste hoofdstuk behandeld.
Vanaf Brand krijgt ieder toneelstuk zijn eigen hoofdstuk, met daarin “De som er med” (de personages), “Stykkets bakgrunn” (wanneer geschreven, waar en wanneer voor het eerst opgevoerd, de reactie van het toenmalige publiek en de critici, de oplage van de gedrukte uitgave), “handlingen” (een samenvatting van het stuk), foto’s van recente opvoeringen, relevante citaten (in aparte blokjes los van de tekst), en het belangrijkste: een analyse die vrij is van “wetenschappelijk” jargon. Andersen wijst er in de inleiding op dat haar boek geschreven is
voor een breed publiek, het is helemaal niet bedoeld als een bijdrage tot het Ibsen-onderzoek
Het laatste hoofdstuk, “Dramatikerens verden – dramatikerens blikk” gaat dieper in op de hierboven al vermelde eenheid in Ibsens werk. Daarna volgen nog een bibliografie en (heel handig) een alfabetische lijst van alle personages die in Ibsens dramatisch werk voorkomen met een verwijzing die het mogelijk maakt te weten te komen in welk stuk ze voorkomen.
Andersen, Merete Morken, Ibsenhåndboken, Oslo (Gyldendal), 19982 ISBN 82-05-23050-1
Terug naar Auteurs
