Per Petterson

foto Wikipedia

Petterson groeide op in de Oslose woonbuurt Veitvet. Hij volgde een opleiding tot bibliothecaris en was in de jaren 1970 lid van de marxistisch-leninistische beweging. Hij heeft vele jaren in de Tronsmoboekhandel in Oslo gewerkt.

Hij wordt als een van de belangrijkste schrijvers van de hedendaagse Noordse literatuur beschouwd, niet het minst omdat al zijn boeken zowel qua stijl, vertelwijze en thematiek consequent een hoog niveau halen. De auteur is een aantal keer bekroond en vooral Ut og stjæle hester (2003) kreeg veel lof en werd in ongeveer 50 talen vertaald. Voor Jeg forbanner tidens elv kreeg hij de Literatuurprijs van de Noordse Raad.

Pettersons boeken worden gekenmerkt door een nuchter, ingehouden realisme met poëtische ondertonen, en familierelaties en –conflicten zijn hoofdthema’s in zijn schrijverschap. Toen Petterson de Literatuurprijs van de Noordse Raad kreeg was dat met een motivering die verwijst naar een van de sterke kanten van de auteur: “In een poëtische en ingetogen taal drukt Petterson uit hoe moeilijk het is om elkaar te vertellen wat het noodzakelijkst is.” Vaak realiseren Pettersons romanfiguren met ongeloof en vertwijfeling dat het te laat is of dat niets nog goedgemaakt kan worden. Ze beseffen dat “vanaf nu niets meer is zoals het was”, maar moeten toch proberen verder te leven.

De stijl is direct en redelijk ruig, heel wat van Pettersons romans bevatten sociaalrealistische elementen en verwoorden duidelijke maatschappelijke standpunten. Maar agitatie en slagzinnen zijn afwezig, de ideologie is alleen via de manier van doen en de houdingen merkbaar. De romanfiguren, die in enkele werken sterk “herschreven” autobiografische trekken vertonen, behouden hun waardigheid ook wanneer ze geconfronteerd worden met ontgoocheling waar geen einde aan lijkt te komen (Hans H. Skei, snl.no – CC)

Zelf zei Petterson (Indre Akershus Blad, 28.12.1993)

De kunst is om eenvoudig te schrijven. Over moeilijke dingen. Alles waarvan mensen vinden dat het “gemakkelijk om lezen” is, heeft verdomd veel moeite gekost. Hoe eenvoudiger het lijkt, hoe moeilijker het is.


Petterson debuteerde met Aske i munnen, sand i skoa **** (1987), een bundel novellen die onderling sterk met elkaar verbonden zijn door dezelfde hoofdpersoon en qua thematiek. Later zei hij daarover

Wanneer ik erop terugkijk, zie ik wel dat het eigenlijk een vermomde roman is. Ook al ben ik van mening dat de verhalen ook op zichzelf gelezen kunnen worden. (Dagsavisen 17.04.2004)

De centrale figuur is de jonge Arvid Jansen en het centrale thema is zijn confrontatie met de maar half begrepen wereld van de volwassenen. Arvid is inderdaad nog erg jong: in “Den svarte bilen” en “Kongen er død” kan hij nog niet lezen, in “Som en tiger i bur” is hij zesenhalf, in “Jeg er vel ikke spedalsk heller” en “Kall meg Ali Baba” acht, en in “I dag må dere be til Gud” nog iets ouder.

Zijn kennissenkring is dan ook beperkt: fattern Frank (na Arvid het belangrijkste personage), muttern, oudere zus Gry, tante Kari, de betweterige, dikke oom Rolf, dichtste buurman Bomann alias Tjukken (maar gebruik die bijnaam nooit in zijn bijzijn!) en Arvids vriend Jon.

De beschreven gebeurtenissen zijn uit het “dagelijkse leven” gegrepen: vader die zijn werk (en een deel van zijn zelfrespect) verliest (“En mann uten sko”), confrontaties met de dood (“Den svarte bilen”, “Kongen er død”), Arvids dromen (“Aske i munnen” ), familieruzies (“Som en tiger i bur”, “Før krigen”), een bijna verkeerd afgelopen “avontuur” (“Kall meg Ali Baba”), seks (“Folk æ’kke dyr”), de verborgen kwetsbaarheid van volwassenen (“Jeg er vel ikke spedalsk heller”), maar de compacte manier van vertellen en vooral de manier waarop Petterson de impact ervan op de kindergeest bijna stilzwijgend verwoordt (bijna alles wat er gebeurt wordt door Arvids ogen gezien) maken van Aske i munn, sand i skoa een erg overtuigend debuut.

Øystein Rottem had het in zijn bespreking over

levende en geloofwaardige figuren […] en zelfs al is de personengalerij beperkt, toch slaagt Petterson erin om een levendige indruk te creëren van een sociaal milieu, een tijdsbeeld, een maatschappij […] De kwetsbaarheid en de weerloosheid van een kind worden door Petterson verwoord met een intensiteit die geen grote woorden nodig heeft […] Op een paar uitzonderingen na zijn het allemaal parels van novellekunst […] Dit is een boek dat mijn hart verwarmt. (Fantasiens tiår, 1990)

Iver Tore Svenning schrijft in zijn recensie “Ekte om … Oschlo” dat de novellen

gekenmerkt worden door voorbeeldige concentratie en door nauwkeurig omschrijvend realisme […] helemaal strokend met de Oslose ogenschijnlijke terughoudendheid tegenover alles wat gevoeligheid kan doen omslaan in sentimentaliteit. [Zijn] taalgebruik is artistiek verantwoord, en heeft een natuurlijkheid die zowel concreet als abstract is.] (geciteerd in: Kristine Eriksen, Ekkolandet. Mellommenneskelige relasjoner i Per Pettersons forfatterskap)

Per Petterson, Aske i munnen, sand i skoa, Oslo (Forlaget Oktover), 1987   ISBN 82-7094-451-3

Het boek werd in het Engels vertaald:

Per Petterson, Ashes in my mouth, sand in my shoes, vertaald door Don Bartlett, London (Harvill Secker) 2013         ISBN 978-1-84655-370-7


In Pettersons eerste roman, Ekkoland **** (1989), ontmoeten we Arvid opnieuw. Als 12-jarige brengt hij ergens in het begin van de jaren 60 samen met zijn ouders en zijn twee jaar oudere zus Gry een vakantie door in een stadje in Noord-Denemarken, waar de ouders van zijn moeder wonen.

Arvid sluit vriendschap met de wat oudere Mogens, vergezelt zijn grootvader naar diens atelier en verhuist na verloop van tijd (het huisje van zijn grootouders is piepklein) met de rest van het gezin naar een vakantiehuisje niet zo ver uit de buurt.

Op dat ogenblik heeft Arvid al door dat er een onderhuidse spanning heerst tussen zijn ouders en zijn grootouders. Waarom huilt zijn (streng religieuze) grootmoeder zo vaak? Waarom zegt haar zus over haar:

Ze heeft zo lang geprobeerd om het weer goed te maken. Het is alleen niet zo gemakkelijk. Ze ziet er nu immers zacht en breekbaar uit, maar ze was ooit zo hard als vuursteen.

Waarom kijkt Arvids moeder boos en waar was Arvids vader toen Arvid geboren werd? En wat is de relevantie van Arvids Italiaanse afkomst van moederskant?

Na verloop van tijd blijkt ook nog dat Arvids moeder erg gehecht was aan een oudere broer die omkwam bij een ongeval. En dan is er nog dat merkwaardige oude telegram dat Arvid in een boek vindt, en waarvan hij de betekenis niet kan inschatten.

Petterson houdt het bij suggesties maar zit dicht op de huid van zijn hoofdpersonage en schetst een voortreffelijk beeld van de impact die al die mysterieuze elementen op Arvid hebben.

Er zitten geen grote, dramatische scènes in het beeld dat hij schetst van kinderjaren […] maar de roman bezit opvallende literaire kwaliteiten

schreef Stein Arve Myrbakk (Rana Blad, 24.01.1990)

Dit boek is donkerder van toon [dan Aske i munnen] de volwassenen zijn vijanden die op afstand gehouden moeten worden. “Raak me niet aan” is zijn antwoord op wie te dicht in zijn buurt komt.

(Grete Dahl, Veien til det tapte land, 1991)

Adrian Turpin (Financial Times, 11.11.2016) loofde de

the economy with which the author conjures the toxic family atmosphere, a beautiful example of writing between the lines that conveys Arvid’s limited perspective

Per Petterson, Ekkoland, Oslo (Oktober), 2008   ISBN 978-82-495-0585-2

De roman werd in het Engels vertaald:

Engelstalige uitgave

Per Petterson, Echoland, vertaald door Don Bartlett, London (Harvill Secker), 2016  

ISBN 978-1-84655-449-0


Det er greit for meg ***½ verscheen in 1992, de Nederlandse vertaling Ik vind het best in 2014.

Doodsbang. Hij is de enige voor wie ik echt bang ben. Al het andere is kinderspel.  (vertaling Marin Mars)

De “eneste” uit het citaat is Audun Slettens vader, een dronkenlap en een bruut die soms wekenlang zijn gezin in de steek laat:

In het dorp zag ik een keer een man zich naar haar omdraaien, maar misschien had ze zitten knoeien met haar lippenstift of had ze die dag een blauw oog. Soms had ze dat. En ik ook. Als mijn vader maar lang genoeg thuis was, hadden we dat allemaal. (vertaling Marin Mars)

Onwillekeurig roept de situatie herinneringen op aan Min kamp, maar er zijn duidelijke verschillen. Het in Knausgårds cyclus zo sterk benadrukte autobiografische element is hier afwezig, ook al heeft Petterson in interviews aangegeven dat zijn jeugd wel degelijk een inspiratiebron geweest is. En ook het milieu is anders: vader noch moeder hebben in Det er greit for meg een “degelijke” opleiding “genoten”.

Maar de impact op de jonge Audun is er natuurlijk niet minder om. Illustratief daarvoor is de scene waarmee de roman aanvangt. Auduns moeder is samen met haar drie kinderen na een zoveelste “incident” weggevlucht uit haar woning op het platteland en “ondergedoken” in de Oslose wijk Veitvet. Wanneer de dan 13-jarige Audun daar voor het eerst naar school gaat en de leraar hem vraagt iets over zichzelf te vertellen, weigert hij categorisch:

“Er valt niets te vertellen”, zei ik luid. (vertaling Marin Mars)

en maakt hij, wanneer de leraar aandringt, aanstalten om dadelijk het klaslokaal te verlaten.

Audun leidt een eenzaam bestaan, en wanneer hij “det er greit for meg” zegt, drukt hij daarmee geen instemming uit, maar afzijdigheid:

Ik ben wel zo’n beetje de stoerste van de klas, de sterkste, het best in gym en verder heb ik altijd een pesthumeur. Dat is nu eenmaal zo, ik weet niet waarom. Ik staar terug, ze vinden me maar raar, ik vind het best (vertaling Marin Mars)

Eén vriend heeft hij: Arvid Jansen, die we al kennen uit Aske in Munne, sand i skoa en Ekkoland.

Het grootste deel van Det er greit for meg speelt zich af in 1970. Audun is dan achttien, en via flashbacks komt de lezer meer te weten over zijn verleden. Dan ontmoet hij heel toevallig zijn vader: zwerft die misschien nu in Oslo rond? Zijn reactie is bijzonder heftig:

“GEEN STAP VERDER!” roep ik. WAT MOET JE HIER, ROT OP!” (vertaling Marin Mars)

Hij neemt zijn zus Kari in vertrouwen, maar tegen zijn moeder zegt hij niets over de ontmoeting…

Sofie Messeman noemt in haar recensie (Trouw 03.01.2015) Det er greit for meg een

meeslepende coming-of-ageroman

en Petterson

een meester in het doseren.

Ook de Engelse vertaling It’s Fine By Me kreeg veel lof. Kristen Treen (The Guardian, 02.12.2012) had het over een

moving novel [that] explores emotional trauma and its aftermath in spare, beautiful prose

Neel Mukherjee (Financial Times, 16.10.2011) las de roman als

a restrained tale of rebellion, fortitude and survival […] What rings out with the clarity of a perfectly cast bell is the dammed rage of an adolescent […] On the last page the healing thaw begins as the veneer of perfect control breaks; Audun at last becomes an adult.

en zegt dat Pettersons beschrijvingen van het werk in de drukkerij waar Audun een job heeft nadat hij de middelbare school gelaten heeft voor wat ze is,

are executed with not only a magical attention to detail but also with heart-swelling affection.

Voor Mary Crockett (The Scotsman, 12.11.2011) was de roman

many things – an engaging coming-of-age tale, a writer’s halting journey and a story of family drama and the inevitable stages of grief. With Audun Sletten Petterson has created a hero with gutsy resilience and a nose for the truth of things.

De roman werd ook in het Duits vertaald. Voor Wolfgang Schneider (Deutschlandfunk Kultur, 29.07.2011) was dit vroege werk

ein unverkennbarer Petterson, in der präzisen, an Hemingway geschulten Sprache sowie der Konzentration auf konflikt- und katastrophenträchtige Familienszenarien.

Per Petterson, Ik vind het best, vertaald door Martin Mars, Breda (De Geus), 2014  

ISBN 978-90-445-3428-3


Is een mensenleven meer dan een min of meer toevallige opeenvolging van gebeurtenissen? Wie op latere leeftijd terugkijkt, legt wel verbanden die er oorspronkelijk niet waren. In Til Sibir **** (1996) (Nederlandse vertaling Heimwee naar Siberië, 2003) is een 60-jarige vrouw aan het woord die min of meer chronologisch terugblikt op de eerste 23 jaar van haar leven. Ze werd in 1926 geboren en woonde bijna haar hele jeugd in Denemarken,

hoog in het noorden van het land, bijna aan het einde van de wereld (vertaling Marianne Molenaar)

Haar vader, Magnus Mogensen, was een meubelmaker die zijn vrouw en kinderen nooit veel sociale welstand kon bieden; haar moeder was erg religieus geïnspireerd. Het gezin woonde eerst in de Asylgade en verhuisde daarna naar de Lodsgade waar haar moeder een melkwinkel begon.

Het verhaal begint rond 1933 met een van haar vroegste herinneringen: ze rijdt samen met haar grootvader voorbij een grote poort waar twee leeuwen “de wacht houden.” De daaropvolgende jaren wordt ze zich bewust van het heersende standenverschil in de Deense maatschappij. Eerst komt ze in conflict met Lone, de dochter van de “overlærer”, later gaat ze een alliantie met haar aan en maakt op die manier kennis met de “literatuur”. Ze haalt de beste cijfers van haar klas op school, maar de moeilijke financiële situatie belet haar om haar studies verder te zetten. De titel Til Sibir verwijst naar een jeugddroom: een lange reis maken, weg van waar ze is opgegroeid.

De Duitse invasie wordt een keerpunt. Ze heeft altijd een erg nauwe band met haar wat oudere broer Jesper gehad en die moet na een aantal sabotagedaden naar Zweden vluchten, het begin van een lange scheiding.

Na de Duitse capitulatie leidt de vertelster een omzwervend bestaan. Ze trekt eerst naar Kopenhagen, waar ze in de telefooncentrale werkt maar na een bizar/humoristisch incident zonder pardon ontslagen wordt. Ze verhuist naar Stockholm en komt ten slotte in Oslo terecht. Uiteindelijk krijgt ze een brief van Jesper.

De dood is nooit veraf in Til Sibir: zelfmoord, een bijna verdrinking. Na een bezoek thuis en een onverwacht sterfgeval belandt ze op een eiland in de buurt van waar ze geboren is en eindigt haar relaas met de onvergetelijke zin:

Ik ben drieëntwintig jaar, mijn leven is voorbij. Nu alleen de rest nog. (218) (vertaling Marianne Molenaar)

De toon in Til Sibir is afstandelijk, de gevoelens zitten meestal onderhuids en de vertelster is een enigszins enigmatische figuur, die niet altijd een verantwoording geeft voor wat ze doet en het leven soms gewoon lijkt te leven. Grote woorden gebruikt Petterson niet, maar in al zijn beknoptheid en met zijn ogenschijnlijk eenvoudige vertelstijl toont hij wel veel zin voor nuance.

Onder de titel “Schitterend over liefde” schreef Linn Ullmann (Dagbladet, 20.07.1988)

Til Sibir bevat een aantal van de mooist geformuleerde passages die ik sinds lang gelezen heb.

De roman werd genomineerd voor de Literatuurprijs 1997 van de Noordse Raad en voor The International IMPAC Dublin Literary Award 2000.

In een interview met Bokklubben gaf Petterson nadere toelichting bij de roman:

Per Petterson, Heimwee naar Siberië, vertaald door Marianne Molenaar, Breda (De Geus), 2003   ISBN 978-90-445-0072-4


I kjølvannet ****(2000); Nederlandse vertaling: Kielzog (2002)

Arvid Jansen

is niet mijn alter ego, hij is mijn stuntman. Er overkomen hem dingen die mij hadden kunnen overkomen, maar niet overkomen zijn

zei Petterson over zijn belangrijkste personage in een interview met The Guardian. (geciteerd in Alexander van Caeneghems recensie in De Standaard, 09.04.2010)

Voor mij is hij in al zijn zieligheid ook op een bepaalde manier een beetje een held.  Helden zijn immers niet alleen zij die alles weer in orde brengen en sterk zijn en met een mantel door de lucht vliegen. Hij is als het ware mijn held, ik noem hem de stuntman omdat hij de harde klappen opvangt en dat binnen een heel korte periode. Ik vang ze op in een periode van twintig jaar, hij doet hetzelfde in twee dagen.

zei hij in een uitgebreid interview in Dagsavisen (29.09.2018)

43 jaar is Arvid Jansen wanneer hij op een dag in 1996 ’s morgens voor de deur staat van de boekhandel waar hij ooit heeft gewerkt en totaal niet meer weet hoe hij daar geraakt is – het gevolg van tomeloos drinken de avond ervoor.

Dat Arvid zich in een crisis bevindt lijdt geen twijfel:

Ik was al een poosje op weg hiernaartoe, en nu heb ik het bereikt. Het absolute dieptepunt. (vertaling Paula Stevens)

zegt hij zelf. Hij is al een paar jaar gescheiden. Zijn ex-vrouw omschrijft hij als

iemand van wie ik vergeten ben hoe ze eruitziet.

en zijn twee dochters heeft hij de laatste jaren nauwelijks gezien. Hij heeft geen job, en zijn schrijverscarrière zit op een dood punt. En net nu onderneemt zijn oudere broer een zelfmoordpoging.

Via zijn herinneringen wordt het voor de lezer langzamerhand duidelijk waar het allemaal mee begon: zes jaar eerder kwamen zijn ouders en zijn twee jongere broers om in een scheepsramp. Aan dit gegeven ligt een autobiografisch gegeven ten grondslag:

On April 7, 1990, the ferryboat Scandinavian Star sailed from Oslo toward Frederikshavn, in the northern part of Denmark, carrying nearly five hundred passengers. The ship caught fire, and more than a hundred and fifty people perished. Four of the dead belonged to the family of the Norwegian novelist Per Petterson: his mother and father, a younger brother, and the niece of another brother. (Jeffrey Frank, “Fire and Ice”, The New Yorker, 20.10.2008)

Het wrak van de Scandinavian Star in de Zweedse haven Lysekil (foto: Wikipedia Commons)

Arvid worstelt met de herinneringen aan zijn vader, die

anders [was] dan alle andere mannen uit de buurt. Hij was een atleet. Serieus […] een allrounder. Overal goed in, maar nergens de beste …] “Ik geef nooit op, zei hij […] dat ligt niet in mijn aard” (vertaling Paula Stevens)

Maar een goede relatie met zijn vader had hij niet:

Hij en ik konden niet met elkaar praten. (vertaling Paula Stevens)

Twee hoger in het appartementsgebouw woont een Koerdische familie, maar belangrijker nog is dat Arvid nu kennismaakt met “Fru Grinde”: zorgt zij voor een keerpunt in zijn leven?

I kjølvannet (de titel verwijst naar de impact die de scheepsramp op Arvid had) betekende voor Per Petterson de internationale doorbraak. Voor Alexander van Caeneghem toonde de roman

Per Petterson op de top van zijn kunnen

Ook de Angelsaksische pers was erg lovend:

At times almost unbearably moving, In the wake is nonetheless suffused with unexpected blessings: humour, wisdom, human compassion, and a sense of the perpetual beauty of the natural world.

staat op de achterzijde van de Engelse pocketuitgave en dat is gezien de achterliggende bedoeling van de tekst, geen echt onpartijdige evaluatie, maar “objectievere” recensenten klonken ook erg lovend

Kate Kellaway (The Guardian 09.02.03) omschreef de roman als

prose you can almost inhale – the atmosphere is clear and overwhelming.

Voor Rachel Cusk (The Telegraph, 25.01.2003) was In the Wake

a novel of the highest calibre  […] a delicately structured piece of writing

In the Wake is a book about loss − loss of family members, loss of dreams, loss of self − and how we handle it. But it’s also a book about family relationships, in particular between fathers and sons, and how these bonds, good and bad alike, do not break, even in death. […]a highly recommended read and one I won’t forget in a hurry. (Kim Forrester, Reading Matters, 30.03.2008)

Voor I kjølevannet kreeg Petterson in 2000 de Bragepris.

Per Petterson, Kielzog, vertaald door Paula Stevens, Breda (De Geus), 2002   ISBN 978-90-445-0073-8


Ut og stjæle hester **** (2003) (Nederlandse vertaling: Paarden stelen (2006))

Terwijl ik hier nu zit – in de keuken van het oude huis waar ik naartoe verhuisd ben om het op te knappen en er een plekje van te maken waar het goed toeven is de jaren die ik nog heb .(vertaling Marianne Molenaar)

Achteraan in de zestig is Trond Sander wanneer hij zich in 1999, een paar jaar na de dood van zijn vrouw in een verkeersongeval, terugtrekt op het platteland en zijn tijd doorbrengt met het in orde brengen van de oude “hytte” waarin hij nu woont.

Een van zijn buren blijkt Lars Haug te zijn, en die kent hij nog van heel vroeger, van in 1948 om precies te zijn, toen hij de zomer van dat jaar samen met zijn vader doorbracht op een “seter” (“zomerboerderij”) niet ver van de Zweedse grens.

Het was in meer dan één opzicht een dramatisch jaar voor Trond Sander. Zijn vriend Jon (een oudere broer van Lars) lag ongewild aan de basis van een dramatisch ongeluk. Van een buurman vernam Trond welke rol zijn – tijdens de Tweede Wereldoorlog vaak afwezige vader – gespeeld had in die periode. Verder viel hem ook op dat zijn vader een erg nauwe band leek te hebben met Jons moeder – zonder dat hij als 15-jarige volledig besefte wat er aan de hand was:

ik wist dat er om mij heen dingen gebeurden die ik niet begreep en die de volwassenen wel begrepen. (vertaling Marianne Molenaar)

En, misschien nog het belangrijkste van allemaal, van de belofte die Trond van zijn vader meekreeg toen hij op het einde van die zomer alleen naar Oslo terugkwam, kwam helemaal niets in huis, en dat veranderde zijn leven helemaal:

Het was alsof je aan een nieuw leven begon. De kleuren waren anders, de geuren waren anders, het gevoel dat de dingen mij diep vanbinnen gaven was anders. Niet alleen het verschil tussen warm en koud, licht en donker, lila en grijs, maar een verschil in de manier waarop ik bang was en in de manier waarop ik blij was. (vertaling Marianne Molenaar)

Verleden en heden wisselen elkaar voortdurend af in Ut og stjæle hester. De titel heeft een dubbele betekenis. Hij verwijst naar een soort “joy ride” van Trond en Jon op de paarden van een boer uit de omgeving:

We wilden ze niet echt stelen. We wilden er alleen op rijden. We noemden het “stelen”, zodat het spannender klinkt. (vertaling Marianne Molenaar)

maar het is ook een codewoord dat het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog gebruikte.

Trond Sonder is een wat melancholische, bedachtzame en low key verteller, die in de vaak lange zinnen met veel nevenschikking goed tot zijn recht komt. Zijn beschrijvingen van het landschap en het plattelandsleven zijn perfect in het verhaal geïntegreerd. Sonder beseft maar al te goed dat het toeval een grote rol in een mensenleven speelt, iets wat ook perfect geïllustreerd wordt in het aangrijpende laatste deel van de roman: een beschrijving van de reis die hij als 15-jarige samen met zijn moeder maakte naar buurland Zweden:

de keuze was gemaakt. Had ik die man in Karlstad geslagen, dan zou mijn leven een ander leven zijn geworden en ik een andere man. (vertaling Marianne Molenaar)

Ut og stjæle hester werd in 2007 door de New York Times (09.12.2007) verkozen tot een van de vijf belangrijkste romans van dat jaar. Recensent Thomas McGuane noemt het boek “a superb novel”:

Among the agreeable surprises of Per Petterson’s novel is the misleading suggestion that the modesty of his narrator’s voice foretells a tale of minor events, an account of the sort of photorealism that prevents anything from ever happening. In fact, the book contains some bold, convincingly stated coincidences well outside the range of our highbrow realists.

De uitgebreide recensie van McGuane vind je hier.

Nog meer lof op de achterflap van de Engelse vertaling en een krantenartikel over Pettersons fenomenale succes:

Per Petterson kan een mooi getal op papier zetten wanneer zijn roman Ut og stjele hester in het Litouws verschijnt. Het Litouws is de twintigste taal waarin de roman vertaald wordt. Het boek betekende zijn grote doorbraak. Verleden jaar kreeg hij de Independent Foreign Fictionprijs in Groot-Brittannië, en twee Franse literatuurprijzen: Le Prix Littéraire Européen Madeleine Zepter en Le Prix Mille Pages. De roman oogstte met elf drukken en 30.000 verkochte exemplaren ook veel bijval in Duitsland, waar hij op de bestsellerlijst van Der Spiegel stond. In Noorwegen kreeg hij in 2003 de Bokhandlerpris én de Kritikerpris voor Ut og stjæle hester.  

In 2009 concludeerde Ingunn Økland (Aftenposten, 03. 04.2009) dat

Het boek (…) Noorse literatuurgeschiedenis geschreven [heeft], en (…) een van onze belangrijkste naoorlogse romans [zal] blijven.

Per Petterson, Paarden stelen, vertaald door Marianne Molenaar, Breda (De Geus), 2006      ISBN 978-90-445-0657-0

filmposter

De verfilming van het boek in een regie van Hans Petter Moland ging op 08.03.2019 in première in Noorwegen met Jon Ranes (de jonge Trond) en Tobias Santelmann (Tronds vader) in de belangrijkste rollen.

Dit is een trage film die veel tijd besteedt aan expressie en het innerlijke, en zich afspeelt in de majestueuze natuur. De lotsbestemming die langzaam maar zeker duidelijk wordt, is monumentaal, donker en schokkend. Een groot deel van wat de film zeggen wil, ligt in wat niet gezegd wordt en wat nagelaten werd. (…) Ut og stjæle hester is geen film voor een publiek met een korte aandachtsspanne. Dat zal zich misschien vervelen, want het is een film van meer dan twee uur. De kijker moet zich het meditatieve tempo waarin het verhaal verteld wordt eigen maken.

Het spreekwoord “stille waters hebben diepe gronden” is helemaal van toepassing, want wanneer de omvang van het verhaal geleidelijk duidelijk wordt, maakt het een blijvende indruk.

schreef Birger Vestmo (p3.no, 09.02.19)

Out Stealing Horses (Ut og stjæle hester) is op momenten een stille, ingetogen film, maar kan ook uitgesproken lyrisch zijn. Zo vol met natuurschoon en mooi geobserveerde details, dat je hem misschien wel twee keer zou moeten zien om die rijkheid op waarde te schatten.

vond Guus Schulting (Filmkrant, 427).

De jonge Trond en zijn vader (foto: rogerebert.com

Een trailer van de film vind je hier.


Månen over porten (2004) is een verzameling teksten (geschreven tussen 1987 en 2004) waarin Petterson schrijft over zijn lang gekoesterde droom om schrijver te worden en over de auteurs die hem daarbij gestimuleerd en beïnvloed hebben.

Alles wat Petterson schrijft is voor een stukje autobiografisch

schreef Knut Hoem (Kulturnytt, NRK P2, 04.10.2004).

Pettersons dubbele invalshoek blijkt ook uit de ondertitel “litterært og personlig” en uit het voorwoord:

het verraste me enigszins, en het choqueerde me ook wat toen ik zag hoe sterk het subjectieve, of misschien eerder de biografische impact geweest is, zelfs wanneer ik teksten over andere auteurs geschreven heb, bijna alsof ze niet bestaan konden hebben zonder net mij als lezer, direct verbonden met mijn leven, daar en dan.

Een voorbeeld van een tekst waar beide aspecten van de bundel duidelijk naar voren komen is “Hvor hunden er begravet”, het verslag van een reis door Noord-Schotland en de Hebriden, op zoek naar een grafsteen die de overgrootvader van zijn schoonmoeder, een walvisvaarder (de overgrootvader, niet de schoonmoeder) daar ooit optrok ter ere van zijn gestorven hond. Robert L. Stevenson en John Berger zijn de auteurs die daarbij aan bod komen, en voor Torben Brostrøm (information.dk, 16.12.2009) illustreert deze tekst Pettersons

aanleg om samenhangende verhalen te construeren uit toevallige ontmoetingen en situaties, waar de wereld en de kunst elkaar dan ontmoeten

Wat Petterson Berger laat zeggen over verhalen vertellen lijkt erg goed aan te sluiten bij zijn eigen visie:

de taak van de schrijver is om alle verspreide stukjes te vinden en ze samen te brengen, wat versplinterd werd weer volledig te maken, maar dan komen er iedere keer misschien nieuwe elementen bij, en daarom slagen we niet helemaal en schrijven we voortdurend nieuwe verhalen die de wereld rijker maken.

Petterson brengt dus geen “technische”, literatuur-wetenschappelijk analyses:

Pettersons gereedschap is een subjectieve aanpak zonder academische beschouwingen. (Mille Klemmensen, litteraturnu.dk, 29.04.2010)

Hij gaat, naast observaties over het werk van de besproken schrijvers, ook dieper in op hun persoonlijkheid. Die schrijvers vormen een bont gezelschap. Een aantal onder hen zijn genoegzaam bekend: Celine, Hemingway, John Fante, Raymond Carver en de nu alweer minder in de belangstelling staande Frank McCourt, en verder de Noorse auteurs Aksel Sandemose, Kjell Askildsen, Gunnar Larsen en Ola Bauer. Over die laatste laat Petterson zich erg lovend uit:

Ola Bauer (1943-1999) (foto: Åsgeir Valldal)

De gedachte alleen dat er in dit land iemand is die vijfentwintig wordt en nog geen boek van Ola Bauer gelezen heeft, is ondraaglijk.

Maar er zitten ook schrijvers tussen die bij het grote publiek nauwelijks een belletje doen rinkelen: Grace Paley, Paul Bowles (ook in zijn functie als “opschrijver” en vertaler van de ongeletterde Larbi Layachi) en Isabelle Eberhardt.

Aspecten van Pettersons eigen schrijverschap komen aan bod in het erg contemplatieve “Månen over porten” en in “Stil og språk i klassereisenes tid”. In die laatste tekst gaat het over de manier waarop een auteur tot zijn eigen “skriftspråk” komt, een taal die zowel afwijkt van de op school aangeleerde schrijftaal als van de door hemzelf gebruikte “talespråk”:

Zich op de taal baseren die je je eigen hebt gemaakt, betekent niet schrijven zoals je praat, het is geen uitgeschreven bandopname, het is uitvinden wat de sterke kant van die taal is, ze cultiveren, al de onnodige wendingen weglaten die typisch zijn voor alle gesproken taal, en die de kern van de taal verzwakken wanneer je ze van een vorm naar een andere overbrengt.

Per Petterson, Månen over porten, Oslo (Oktober), 2010  ISBN 978-82-495-0320-9


Jeg forbanner tidens elv **** (2008) (Nederlandse vertaling: Ik vervloek de rivier des tijds (2010) is een roman waarin de beschreven situaties en observaties belangrijker zijn dan de intrige, voor Adam Gallari (The Quarterly Conversation, winter 2011) hét kenmerk van wat hij “the existential novel” noemt:

plot becomes secondary to introspection

Centraal staat een zoon-moeder relatie. 1989 is het jaar waarin de Berlijnse Muur valt, maar voor de verteller, de dan 37-jarige Arvid, is het vooral het jaar waarin zijn vrouw op het punt staat van hem te scheiden en waarin hij te horen krijgt dat zijn moeder maagkanker heeft.

Die moeder is plots helemaal alleen naar haar oorspronkelijke vaderland Denemarken vertrokken. De familie bezit daar nog altijd een vakantiehuisje, maar wat het doel van haar reis is, wordt pas op het einde van de roman duidelijk. Arvid, die qua uiterlijk erg op zijn vader lijkt, maar altijd een nauwere band met zijn moeder gezocht heeft, reist haar twee dagen na haar vertrek achterna. Algauw blijkt dat het zeker onvermogen tot communicatie dat altijd tussen hen bestaan heeft nog altijd intact is:

Hij is zevenendertig, maar ik zou hem niet volwassen willen noemen. Dat is te veel gezegd. Hij gaat scheiden. Ik weet niet wat ik met hem aan moet (vertaling Paula Stevens)

zegt zijn moeder over hem.

Jeg forbanner tidens elv bevat ook een groot aantal retrospectieve passages waarin Arvid vooral terugblikt op het begin van de jaren 70. Toen studeerde hij (tot grote ontgoocheling van zijn boekenverslindende moeder) niet verder, maar kreeg hij marxistisch-leninistische sympathieën en ging hij als arbeider in een fabriek werken. Een van zijn twee jongere broers overleed en Arvid werd voor de eerste keer verliefd.

Arvids terugblik is op het eerste gezicht vrij objectief, maar bevat toch ook heel wat meer gesuggereerde dan uitvoerig beschreven emotie. De roman is dan ook een boek over wel en niet gemaakte keuzes en over menselijk onvermogen. Petterson zelf beschrijft in een interview met Cathrine Hellesøy (Aftenposten, 04.04.2009) het overheersende gevoel in Jeg forbanner tidens elv als

het gevoel dat het allemaal te laat is

Zo zegt Arvids moeder in de roman:

Ik dacht dat ik geen keus had. Maar dat had ik wel. (vertaling Paula Stevens)

en Arvild zelf vraagt zich af

waarom zeg je altijd ja, alleen omdat je denkt dat dat moet  (vertaling Paula Stevens)

De titel zelf is een citaat uit een gedicht van Mao:

Broze beelden van het vertrek en het dorpje toen / Ik vervloek de rivier des tijds: tweeëndertig jaar is het geleden (vertaling Paula Stevens)

De Noorse recensenten waren erg lovend, ook al vonden de meesten dat Ute og stjæle hester een nog beter boek was:

Misschien zullen zij die enkel die roman gelezen hebben ontgoocheld zijn na het lezen van Jeg forbanner tidens elv. Die is ook niet van hetzelfde literaire niveau. Maar het is een goede Petterson. Zeker een goede Petterson.

schreef Ole Jacob Hoel (Adresseavisen, 24.09.2008).

Voor Alex van Caeneghem (De Standaard, 09.04.2010) was de roman

Een sobere, krachtige en nazinderende beschouwing over afscheid, verlies en herinnering van een gelouterd auteur op de top van zijn kunnen

en ook Johanna Spaey (De Standaard, 23.12.2010) was behoorlijk onder de indruk:

De roman blies me meteen van mijn sokken […] Petterson moet je behoedzaam en zuinig lezen. Zijn hoofdpersonages zijn heel kwetsbaar […] Pettersons autobiografie ligt in al zijn romans op de loer, maar springt nooit ijskoud in je gezicht.

Voor Jeg forbanner tidens elv kreeg Petterson de prestigieuze Nordisk Råds Litteraturpris – voor Ute og stjæle hester werd hij destijds niet eens genomineerd. In haar motivering schreef de jury o.a.

In de roman beschrijft de hoofdpersoon zijn belevenissen en roept hij gefragmenteerde herinneringen op met vele levenscrisissen binnen de eigen familie. In een poëtische en ingetogen taal verwoordt Petterson hoe moeilijk het is om elkaar datgene te zeggen wat als het meest noodzakelijk aangevoeld wordt.

En dat Petterson misschien vooral “a writers’ and critics’ author” zou zijn, wordt in elk geval tegengesproken door de verkoopscijfers.

Per Petterson, Ik vervloek de rivier des tijds, vertaald door Paula Stevens, Breda (De Geus), 2010  ISBN 978-90-445-1461-2


Jeg nekter ***** (2012) (Nederlandse vertaling: Twee wegen, 2014)

Ongeveer dertig jaar nadat ze elkaar voor het laatst zagen ontmoeten Tommy en Jim elkaar heel toevallig opnieuw – een erg vluchtig weerzien. Tot hun achttiende waren ze nochtans boezemvrienden:

Jim en ik waren vrienden door dik en dun, dat was altijd zo geweest, je zag ons zelden alleen buiten staan, zonder de ander, zonder Jims schouder tegen die van Tommy, of omgekeerd. (vertaling Marin Mars)

Op het ogenblik van de toevallige ontmoeting zit Jim al een jaar thuis met mentale problemen; een ziekteverlof waarvan hij weet dat het niet verlengd zal worden. Tommy daarentegen staat er zakelijk goed voor, ook al stelt ook hij zich vragen bij de situatie waarin hij zich bevindt:

feitelijk had heel wat van wat ik bezat een paar centen gekost, en wel wat meer dan een paar, zo stonden de zaken er nu voor, en aan de meeste dingen die ik kocht, beleefde ik geen plezier (vertaling Marin Mars)

Het “heden” neemt in Jeg nekter minder dan twee etmalen uit 2006 in beslag, een erg korte periode waarin Tommy door één grote vraag gekweld wordt: hoe had hij zo lang zonder Jim kunnen leven?

Dat is de vraag waarop de rest van de roman een antwoord probeert te geven, zonder dat je van Petterson een uiteindelijk, definitief antwoord mag verwachten. Via een ingenieuze opbouw (en geen ” puzzel zonder spanning ” zoals Ingunn Økland (Aftenposten, 03.11.2012) in een van de weinige negatieve recensies van de roman, beweert) waarin de auteur afwisselend een aantal personages (naast Jim en Tommy o.a. ook nog Tommy’s zus Siri) en verder ook nog een verteller aan het woord laat, wordt (vooral) wat er in de jaren 60 van de vorige eeuw gebeurd is, gereconstrueerd.

Jim en Tommy groeiden beiden op in Mørk, aan

een ongeasfalteerde weg waar de huizen dicht bij elkaar lagen in een klein gehucht. (vertaling Marin Mars)

Probleemloos was hun jeugd zeker niet. Jim heeft zijn vader nooit gekend. Tommy’s moeder liet haar gezin (naast Tommy nog drie jongere zussen) aan zijn lot over en verdween zonder ooit nog een teken van leven te geven. De kinderen bleven achter met een bijzonder gewelddadige vader.

Maar de vriendschap tussen de twee jongens maakt veel goed tot iets (een “incident” op een bevroren meer?) de oorzaak zou kunnen zijn van de verkoeling in de relatie.

Het is erg gemakkelijk om je romanfiguren voor de geest te halen die een grotere aantrekkingskracht hebben voor het lezerspubliek dan twee midvijftigers, voor wie het grootste deel van het leven al voorbij is. Het zegt veel over Petterson dat hij dat idee helemaal onderuit haalt.

Het zijn de woorden van Leif Ekle (Kulturnytt, nrk.no, 21.09.2011), en hij heeft gelijk. Jeg nekter is een bijzonder knappe roman waarin weemoed om wat (niet) gebeurd is, overheerst:

Hoewel de personages zich zelden tegen elkaar uitspreken, krijg je een schrijnend inzicht in hun lot. Hun levens zijn met elkaar vervlochten, toch ontkomt geen van hen aan een diepe eenzaamheid. Het noodlot kiest willekeurige wegen, zo lijkt het. (Jannah Loontjens, De Volkskrant, 19.04.2014)

Petterson houdt het allemaal low-key:

Petterson gaat zuinig om met de middelen die hij ter beschikking heeft, maar onder de oppervlakte beweegt er erg veel, zowel qua personen als qua milieu en qua nuchter taalgebruik 

schreef de jury die het bok nomineerde voor de Ungdommens kritikerpris 2012/13.

Realistisch ook – enkel de Berit-episode valt wat uit de toon, net wegens te romantisch.

Het relaas over Jim en Tommy wordt afgesloten met een open-eindeachtig voorlaatste hoofdstuk, dat toch weinig twijfel laat bestaan over wat er staat te gebeuren.

En de Noorse titel? Er wordt een paar keer “geweigerd” in Jeg nekter, zonder dat het veel uithaalt, wat men ook beweert:

Hij keek me opnieuw aan. “Je kunt niet weigeren te sterven, jongen.”

“Ja maar, jezus, natuurlijk kun je weigeren,” zei ik. (vertaling Marin Mars)

En in het allerlaatste hoofdstuk, “weigert” Tommy’s zus Siri om nog verder met het verleden geconfronteerd te worden: het is gewoon wat het is.

Per Petterson lezen betekent hoe dan ook dat je herinnerd wordt aan het verschil tussen meesterschap en middelmatigheid.

schreef Trygve Riiser Gundersen in zijn recensie in Dagbladet (01.10.2012).

Pikzwart, poëtisch, rauw en mooi. Pettersons “Jeg nekter” is een must read.

was het oordeel van Ole Jacob Hoel (Adresseavisen, 21.09.2012), en voor Fleur Speet (De Morgen, 26.03 2014) was het duidelijk: Petterson

geeft de nu zo gelauwerde Karl Ove Knausgård het nakijken: Petterson schrijft pas literatuur.

Heel interessant is ook de heldere bespreking van Neel Mukherjee in The Guardian van 29.11.2014.

Per Petterson, Twee wegen, vertaald door Marin Mars, Breda (De Geus), 2014 ISBN 978-90-445-2643-1


In Menn i min situasjon *** (2018) (Nederlandse vertaling: Mannen in mijn situatie, 2019) blikt auteur Arvid Jansen terug op het jaar 1992. Hij is dan 38 en ongeveer een jaar gescheiden van zijn vrouw Turid na een huwelijk dat vijftien jaar geduurd heeft. Ze heeft hem blijkbaar verlaten omdat ze hem te “kleurloos” vond. Zelf omschrijft hij degenen met wie ze nu omgaat als de “fargerike” (“de kleurrijken”).

Het leven dat Arvid leidt wordt gekenmerkt door een aanhoudende doelloosheid: hij dwaalt door de stad (Oslo is geografisch erg aanwezig), slaapt in zijn auto, heeft een aantal erg korte relaties, zoals met een vrouw die hij heel toevallig op een “feest voor Afrikanen” ontmoet. Ze probeert met hem in contact te blijven maar hij ziet na die ene ontmoeting van verder contact af:

Maar vervolgens werd het niets. Ik vond haar leuk, Ik vond haar mooi in alle opzichten, werkelijk waar, ze was ook sympathiek, en aardig, dat zag je zo, en ik had er wel behoefte aan dat iemand aardig tegen me was, dat iemand me bij elkaar raapte en zich over me ontfermde, dat iemand me in een tas stopte en me meenam, op bezoek of op uitstapjes, naar plekken bij de zee, de wind daar, want het was al een tijd geleden dat iemand aardig tegen me was geweest, behalve mevrouw Jondal dan misschien, dat was niet gezond. (…) En toen hield ze op (met verder contact te zoeken). Dat voelde als een enorme opluchting. Niet alleen voor mij, maar ook voor haar, hield ik mezelf voor, dan hoefde ze niet te smeken, het is niet goed voor iemand om te moeten smeken om liefde en het niet te krijgen. (vertaling Marin Mars)Mevrouw Jondal woont in hetzelfde huizenblok als Arvid.

Arvids dwaaltochten door de stad brengen hem soms in absurde situaties, zoals wanneer hij op kerstavond in een bar een paar ontmoet van wie de vrouw er zich tegenover hem over beklaagt dat haar echtgenoot geen kinderen wil. Uiteindelijk belandt hij in een volkomen zinloos dronkenmansgevecht met de man.

Ook de herinneringen aan de scheepsbrand waarin vier van zijn naaste verwanten omkwamen komen steeds weer – het thema kwam vroeger al een keert uitvoerig aan bod in I kjølvannet (2000). Centraal staat ook het gaandeweg verwaterende contact met zijn drie dochters, die nu bij hun moeder wonen.

De kracht van Menn i min situasjon zit hem niet in de strak uitgewerkte plot, want die is er, net zoals een chronologisch handelingsverloop, niet. Cathrine Kroger (Dagbladet, 28.09.2018) omschreef de roman als

een solide roman over de hopeloze menselijke eenzaamheid.

Voor Bjørn Gabrielsen (Dagens Næringsliv, 28.09.2018) ervaart Arvid

een chronisch gevoel van erbuiten staan

De romans die Jansen zelf schrijft vertonen nogal wat gelijkenissen met de situatie waarin hij zich zelf bevindt. Een van de vrouwen die hij ontmoet heeft zijn boeken gelezen en zegt

Ik heb je boeken gelezen (…). Ik vind ze mooi. Maar waarom zijn ze zo droevig. Dat weet ik niet, zei ik, ze worden gewoon zo, dat doe ik niet bewust, eigenlijk. (vertaling Marin Mars).

Arvids brengt zijn meditatieve kijk op zijn situatie onder woorden in omstandige zinnen en nauwkeurige formuleringen en die sluiten perfect bij zijn eigen gemoedstoestand aan.

Maar toch is het niet allemaal kommer en kwel. Er zit ook een soort onderkoelde humor in het boek, en nu en dan is er ook wat hoop. In het afsluitende hoofdstuk (zo’n vier jaar later) brengt hij zijn oudste dochter Vigdis naar een psychiatrische kliniek. Ze wordt doorverwezen naar Oslo Hospital, maar wanneer ze daar voor de deur staan nemen ze een ander besluit:

ik zei, Vigdis, wat denk je ervan, zullen we er voor vandaag een punt achter zetten […] Oké, pappa, zei Vigdis opeens, en ik schrok een beetje, dat was het eerste wat ze had gezegd sinds station Hanaborg […] We staken hand in hand, zo deden we dat die dag, de weg over en liepen over de stoep naar de taxi, en de chauffeur liet zijn raampje zakken, leunde met zijn elleboog op het portier, hij groette met de hand, glimlachte en zei, waarheen voert de rit, op een leuke ouderwetse manier […] Skjetten, zei ik. En neem de tijd. Er is geen enkele haast bij. (vertaling Marin Mars)(“Skjetten” is de wijk in groot-Oslo waar Vigdis woont).

Per Petterson, Mannen in mijn situatie, vertaald door Marin Mars, Amsterdam (De Geus), 2019   ISBN 978-90-445-4155-7


Terug naar Home