Rolf Jacobsen

Rolf Jacobsen werd op 8 maart 1907 geboren in Kristiania (nu: Oslo) als zoon van tandarts Martin Jacobsen en verpleegster Marie Nilsen. Hij bracht zijn eerste levensjaren in de hoofdstad door, maar vanaf 1913 woonde het gezin op verschillende adressen in Flisa in Solør. Zijn vader was er een van de eerste Noorse schooltandartsen.

Rolf en zijn twee jaar jongere broer Anton kregen thuisonderwijs van hun moeder. Het gezin had voortdurend financiële problemen en dat had een nefaste invloed op de relatie tussen Jacobsens ouders. Hij zou later zeggen:

Het was nooit rustig bij mij thuis, mijn vader en moeder waren als kat en hond (…) Ik kan me niet herinneren dat ze ooit een lief woord tegen elkaar gezegd hebben (Samtiden, 1986/3)

Uiteindelijk gingen beide ouders hun eigen weg, maar het huwelijk werd nooit formeel ontbonden. Toch voelden Rolf en zijn broer zich als kind niet verwaarloosd:

Ze waren erg op ons gesteld, weet je. Ze probeerden om het hardst bij ons in de gunst te staan (Samtiden, 1968/3)

De kinderen kwamen al vroeg in contact met literatuur. Bovendien was hun vader “nieuwsverslaafd”: hij kocht elke dag verschillende kranten.

In 1920 werd Rolf voor verder onderwijs naar Kristiania gestuurd. Hij kwam ongeveer een keer per maand naar huis. Toen hij in het laatste jaar middelbaar onderwijs zat was hij redacteur van de schoolkrant “Norges Gymnasiaster”. In 1926 legde hij het “examen artium” af, dat toegang verleende tot het universitaire onderwijs. Daarna studeerde hij eerst theologie en daarna filologie aan de universiteit, maar nam – tot grote ontgoocheling van zijn moeder – nooit deel aan een universitair examen.

Hij was wel erg actief in het studentenmilieu als decorschilder, koorzanger (zelf zei hij later dat hij alleen maar playbackte) en tekstschrijver. Hij schreef gedichten, krantenartikelen, novellen (waaronder een sciencefictionverhaal) en zelfs (onder het pseudoniem Rolf Høvre) schlagerteksten.

In de progressieve kringen rond de vereniging Clarté en het tijdschrift Mot Dag leerde hij Elisabeth Wiborg kennen. Zij was de dochter van de toentertijd bekend meisjesboekenschrijfster Julli Wiborg, die overigens niet al te enthousiast reageerden toen de twee zich verloofden.

In 1932 verbleef Jacobsen drie maanden in Berlijn, waar hij veel tijd doorbracht in de leeszaal van de universiteit. Zijn eerste gedichten publiceerde hij in 1928 in een anthologie, ,maar zijn echte debuut als dichter vond in 1933 plaats met de publicatie van Jord og jern, een bundel die zeker qua thematiek vernieuwend was. Sigurd Hoel, die als consulent voor uitgeverij Gyldendal werkte, schreef in zijn positieve beoordeling:

Het komt vreemd over om een grote verzameling gedichten van een jonge man te lezen, waarin geen enkel vers rechtstreeks over een vrouw, verliefdheid of erotiek gaat.

Jacobsen zelf zei later over zijn debuut:

Het boek is een verzameling landschapsbeelden, waarin ik natuur en techniek met elkaar vergelijk. Het zijn niet de contrasten die ik benadruk, maar wel de overeenkomsten

Lillebo (Ord må en omvei, 1998) bespeurde wel een soort dubbele houding in de bundel:

De houding (…) tegenover technologie – de auto, het vliegtuig, de hoogspanningslijn – en de moderne grootstad komt dubbelzinnig over. Hoewel ze een typische fascinatie voor snelheid en ritme uitdrukt, is er ook iets dat wijst in de richting van een ambivalente houding die kan worden geïnterpreteerd als wantrouwen.

De reacties in de pers waren overwegend positief. De krant Vestmar (10.10.1933) noemde Jacobsen

iemand van wie men dadelijk ziet dat hij wat in zijn mars heeft. Hij is verbluffend vormzeker en volwassen qua visie (…) Hij is een typische man van het heden, overweldigd door de natuur en de techniek, en haalt zijn inspiratie zowel uit het woeste, wilde gebergte van de oertijd, als uit de grootstad, de industriële hel, het nieuwe landschap, dat door mensen gemaakt is. Hij schrijft over regen en gletsjers en løypes en de lente, en over elektrische kabels en kazernes en vliegtuigen en kranten.

S. Ev. schreef in Fremtiden (19.12.1933)

Wie gelooft dat romantiek in poëzie alleen maar draait rond muurbloemen [een verwijzing naar de dichter Henrik Wergeland] en maneschijnerotiek moet de gedichten van debutant Rolf Jacobsen lezen. Want hier vinden we eigentijdse romantiek, die telefoonkabels en riolen “de met ijzer beklede ingewanden van de stad” noemt en locomotieven “opgezwollen ijzeren dieren”.

(…)

Rolf Jacobsens dichtbundel bestaat uit twee delen: een met natuurgedichten en een met gedichten over de grootstad. Gemeenschappelijk voor beide is de aanbidding van de macht van de natuur, de scheppingskracht, de kosmos. Uit vele ervan spreekt een echte, hevige pathos, het zijn liederen in majeur. Ook een aantal van de grootstadschetsen zijn uitstekend, hier vinden we een aantal rustige stemmingen die ook op een groot talent wijzen.

Nadat Arbeiderbladet hem geïnterviewd had schreed de krant op 06.10.1933 dat de dichter niet erg spraakzaam was maar wel zei

dat hij veel geleerd had van de oudere Edda.

Op de vraag of hij nog gedichten zou schrijven kon hij niet echt antwoorden:

Ik weet het niet. Ik heb stof genoeg maar voorlopig weet ik het niet

Een van de bekendste gedichten uit Jord og jern is “Signaler”:

Det er ikke

bilhjulets smatt over regnvåt asfalt

som er byens signaler.

Det er ikke

melkevognens gniss mot fortauskanten

i overskyede morgener. Pilende tog.

Det er ikke

lysreklamenes stille flam-flam

over de levende elver

eller buelampenes glitrende

perlebånd.

Ikke glassets klirr

i store larmende restauranter.

Dampskibenes rå tut på havnen,

to korte og et langt, to korte og et langt.

Det er ikke natt-trikkenes

døvende sang mot gater du ikke kjenner.

Saksofonen i femte etasje.

Nei –

Byens signaler,

byens jagende pulsslag

vil du fornemme en natt: –

den natt

du første gang

går ensom og uten håp, –

stige som gjaldende hån bak dig

fra gatenes sten:

– Dine egne klaprende fottrinn.

Hier leest Rolf Jacobsen zelf op latere leeftijd “Signaler” voor. In het inleidende interview heeft hij het over zijn eerste kennismaking met de natuur:

Vanaf m’n zesde groeide ik op op het platteland. Toen verlieten we Oslo en trokken naar het Kongsvingerdistrict, naar Åsnes. Ik herinner me nog mijn ontmoeting met bloemen en vogels die ik daarvoor nooit gekend had. Het was een soort roes. Ik was zes-zeven jaar oud. Ik herinner het me nog. Toen ik een paar jaar later naar Oslo gezonden werd, merkte ik dat er twee soorten mensen waren: zij die in de stad woonden en zij die op het platteland woonden. Op het platteland dacht men na voor men antwoordde of praatte. In Oslo, onze enige grote stad, antwoordden of praatten ze vaak voor ze nadachten. Het viel me vroeg op dat het twee verschillende mensentypes waren. Toen ik nog naar de middenschool ging zag ik al dat er een verschil was tussen wie in de stad woonde en wie in contact stond met de natuur.

In het afsluitende gedeelte gaat hij dieper in op wat hij met het gedicht wou zeggen:

Toen u in 1933 “Signaler” schreef en het daarin had over de angst in de stad, kan men dan zeggen dat het gedicht gaat over de angst voor de technologie of drukte het ook een soort fascinatie voor diezelfde technologie uit?

Beide. Ik heb me altijd geïnteresseerd voor techniek: auto’s, treinen, bruggen, werven: ik heb ze altijd interessant gevonden. Aan de andere kant joegen ze me wel een soort angst aan. Het woord “evenwicht” staat bij mij centraal. We hebben de techniek én de natuur nodig, maar er moet een evenwicht tussen die twee zijn. Ik begon misschien te vermoeden dat het evenwicht zoek was, dat de techniek te veel de overhand kreeg. Misschien kijken we te veel de ene kant op en eindigen we als technologie-aapjes.

In Noorwegen stond u tamelijk alleen met uw waarschuwingen voor de risico’s van de technologische ontwikkeling. En u was ook zowat de enige die gedichten zonder rijm schreef.

Wat dat laatste betreft: ik kreeg die ingeving al toen ik nog op het gymnasium zat, toen ik de oud-Noorse Voluspå en Tymskvida uit de Oude Edda las en Kongespeilet e.d. Dat moest een manier van schrijven zijn die bij onze tijd kon passen – indien we de oude beeldspraak vervingen door nieuwe, met metaforen ontleend aan onze tijd. Daar ben ik in het klein mee begonnen. Voorgangers had ik niet. Er was wel Obstfelder, de eerste die “open” schreef.

John Brumo schreef een uitgebreide analyse van het gedicht in Persepsjon og materialitet i Rolf Jacobsens Jord og jern (1933). Enkele fragmenten:

In dit gedicht probeert de dichter “de signalen van de stad” te beschrijven. Zijn poging neemt de vorm aan van een terugkerende ontkenning: “Het is niet…” Toch krijgen we uiteindelijk een antwoord in één lange zin – de signalen van de stad zijn onze eigen klepperende voetstappen. Het tempusgebruik in het gedicht is typisch voor Jacobsens vroege poëzie: de geluiden en gebeurtenissen worden “‘algemeen” beschreven: “zoals ze altijd zijn”. Er wordt dan ook geen specifieke, individuele beleving van de stad beschreven: het is een poging om een collectieve ervaring onder woorden te brengen.(…) Het gedicht begint met een zakelijke weergave van de grootstedelijke indrukken, maar wendt zich in de voorlaatste en de laatste strofe tot de lezer: “straten die je niet kent”, “je zult de jagende polsslag van de stad voelen”. De ‘jij’ aan het eind van het gedicht zal zo haar/zijn eigen voetstappen waarnemen als de echte signalen van de stad wanneer hij of zij zich in een kritieke en hulpeloze situatie bevindt. Het is met andere woorden niet de eenzaamheid in de stad die het stedelijke kenmerkt, maar de signalen die men opvangt in een situatie waarin men speciaal vatbaar is voor indrukken. We kunnen misschien zeggen dat het concept “eenzaam in de menigte” in dit gedicht een nieuwe inhoud krijgt. Alleen in de stedelijke ruimte kunnen we de geluiden horen van de werkzaamheden die anderen verrichten, en dat zorgt ervoor dat het eenzaamheidsgevoel nog intenser wordt. Het gedicht drukt daardoor uit hoe het individu kan verdrinken in het anonimiseringsproces. De stad wordt beschreven aan de hand van een reeks contrasten. Bijzonder duidelijk is de afwisseling tussen auditieve indrukken en korte beelden. (…). Er zit ook een tegenstelling tussen stilstand en beweging in de tekst. Zo worden vele transportmiddelen genoemd terwijl het subject stil staat. (…) De stad vertoont in de literatuur vaak een merkwaardige dubbelhartigheid: het is aan de ene kant een plek die overvloed en menselijke verbondenheid belooft, maar aan de andere kant is de stad vaak ontoegankelijk en niet-verbindend. Dit is misschien wel het meest typisch in proza, maar we kunnen het ook waarnemen in lyrische teksten. In Signaler is het weliswaar de perceptie die wordt benadrukt, maar we kunnen ook de relatie tussen het subject en het waargenomene achterhalen. Hoewel de stad hem omhult met haar moderne schoonheid, wordt hij buiten de menselijke gemeenschap gehouden.


.

In 1934 verhuisde Jacobsen opnieuw naar Flisa om voor zijn vader te zorgen. Elisabeth Wiborg had op dat ogenblik de verloving al verbroken. Twee jaar na zijn debuut publiceerde hij Vrimmel (1935). Hier heeft de ambivalentie van zijn debuut plaatsgemaakt voor pessimisme over de te verwachte ontwikkelingen en wordt het sociale engagement duidelijker verwoord.

Myrstrå  foto: Espen Bratlie CC- BY-NC
 

Myrstrå vipper,

bøier sig mot øst og vest

og hvisker.

Vinden

toer deres fingre.

Myggen synger,

danser gjennom luften,

blanke, kåte.

Mellem byene

hvor menneskene stimer på fortauene og ser hvad de andre har på sig

idag og husmødrene vasker kopper i varmt vann og setter dem på plass

i skapene efter hvert måltid,

og hvor vi kan kjøpe tannpasta og snipper og grammofonplater

 i morsomme butikker,

ligger ødemarkene.

hvor myrstrå vipper,

bøyer seg mot øst og vest

og hvisker,

knikser blidt mot vinden,

bleker seg i solen.

Myggen summer.

– Femti år og andre bor i husene,

sporvognene har nye skilt og nytt

skinn på setene.

– Hundre år og bilene er stanset i lange

rekker, side om side står de i evige

karavaner, dynger seg op i store hauger,

ligger med hjulene i været som døde insekter.

– Tusen år og jernbjelken er en rød

stripe i sanden.

Myrstrå vipper,

bøier sig mot øst og vest

og hvisker.

Vinden toer deres fingre.

Myggen synger,

danser rundt i luften,

blanke, kåte

De korte analyse:

(Renate Aga, Prezi)

En de uitgebreide analyse:

“Myrstrå vipper” bestaat uit vijf strofen. Strofen 1, 3 en 5 verschillen nauwelijks van elkaar, ze vormen een soort refrein. Het gedicht heeft geen eindrijm, maar strofen 1, 3 en 5 hebben een vast metrum: ze bestaan uit korte trocheïsche verzen. (…)

De verzen van strofen 1, 3 en 5 zijn korter dan die van strofen 2 en 4. Dat typografische verschil zorgt voor een andere manier van lezen. Strofen 2 en 4 hebben een episch karakter; strofen 1,3 en 5 zijn meer traditioneel lyrisch.

De vorm van de strofen houdt verband met de inhoud ervan. Qua motieven valt het gedicht uiteen in twee delen. Het refrein heeft de natuur als motief, terwijl strofen 2 en 4 gaan over het moderne stadsleven en over de technologie.

In tegenstelling tot andere vroege gedichten van Jacobsen is er in “Myrstrå vipper” geen sprake van fascinatie voor de technologie: ze wordt in elk geval noch in negatieve, noch in positieve zin beschreven als een geweldige dynamiek.

Het dagelijkse leven van de moderne mens wordt in strofe 2 beschreven als hectisch en routineus. Het is een banaal leven dat bepaald wordt door mode, hygiëne en orde, amusement en consumptie.

In strofe 2 zorgt het enjambement van vers 2 en 3 ervoor dat “idag” aan het begin van het vers staat. Dat is geen toeval: het woord heeft een centrale functie. Het mensenleven wordt bepaald door de heersende mode en door wat men elke dag doet. Men kijkt niet voor- of achteruit. Eten, shoppen en plezier maken worden gezien als de primaire menselijke doelen. En ze zijn niet alleen het eerste, maar ook het enige waar de mensen zich in de moderne maatschappij om bekommeren. We hebben hier te maken met bittere maatschappelijke satire: het beschaafde, gecultiveerde leven is het meest primitieve.

In het expressionisme wordt de stad vaak voorgesteld als dreigend, gevaarlijk en onbegrijpelijk, als een plaats waar het Ik zich niet thuis voelt, de weg kwijt raakt, geen antwoorden vindt op zijn existentiële vragen en door zijn angst gedreven ronddwaalt. In “Myrstrå vipper” bestaat er geen angst, zijn er geen vragen. Er is zelfs geen Ik aanwezig om vragen te stellen. Iedereen doet hetzelfde. Individualiseren is niet nodig, misschien zelfs niet mogelijk wanneer men ervan uitgaat dat het nivellerende effect van de moderne maatschappij de persoonlijke ontwikkeling van het individu tegenwerkt.

Strofen 1 tot 3 zijn een soort beschrijving van wat men ziet als men naar steden en barre landschappen kijkt. Het gaat hier niet om een specifieke stad of een specifiek onherbergzaam landschap, maar om “de steden” en “de barre landschappen.”, niet interpretatief maar descriptief.

Strofe 4 gaat over de toekomst, is niet speculatief maar descriptief met drie schetsen over de tijd en de dood. De vierde strofe wordt soms omschreven als een dystopie, maar dat is niet noodzakelijkerwijze het geval: ze heeft niets apocalyptisch. Er gebeurt niets gruwelijks of spectaculairs: het gaat over hoe de tijd op natuurlijke wijze inwerkt op al wat bestaat. In de wereld van de mensen en de dingen verlopen de tijd en alle vooruitgang lineair op de dood uit.

De natuur wordt vermenselijkt: het wollegras “fluistert” en “knikt vriendelijk naar de wind”. De mug “zingt” en “danst”. De harmonische stemming wordt versterkt door de ritmische structurering en staat tegenover de menselijke wereld. De natuur wordt vermenselijkt, de mens wordt ontmenselijkt: de mens is niet meer dan een consument en verdwijnt ten slotte helemaal achter zijn eigen technologische creaties.

Het gedicht heeft geen “terug naar de natuur”-ideologie. De natuur is eeuwig, maar die eeuwigheid heeft niets bovenaards, ze is iets constants (dat wordt geïllustreerd door de sterke gelijkenissen tusse strofen 1, 3 en 5) en wordt niet beïnvloed door de tijd. Vooruitgang en verandering zijn niet mogelijk in de menselijke wereld. Natuur noch technologie hebben verandering in de aanbieding. (Katharina Schieferstein, “Hvor ligger ødemarkene? Om Rolf Jacobsens dikt ‘Myrstrå vipper'”, Nordlit 10(2))  


Hoe keek de literatuurwetenschap (veel) later terug op Jacobsens eerste twee bundels?

Wie vandaag de gedichten uit de eerste bundels van Rolf Jacobsen leest, blijft verbaasd achter. Ze zijn heel modern gebleven – qua vorm, motief en levensgevoel. Bovendien is het aantal nieuwe motieven dat Rolf Jacobsen in zijn werk geïntroduceerd heeft zo groot dat alleen de toekomstige kernenergietechnologie en het interplanetair onderzoek nog voor uitbreiding kunnen zorgen. (…) Ook de manier waarop hij in de gedichten met die nieuwe motieven omgaat was nieuw, met soms een aan de gesproken taal ontleende schalkse toon, een soort “zakelijke” humor:

(“Mennesker og dyr” uit Jord og jern; niet opgenomen in de verzamelde gedichten)

Hoewel een bewuste of onbewuste invloed uit de Whitman-traditie het talent van Rolf Jacobsen kan hebben aangewakkerd, zijn de verschillen niettemin talrijk en opvallend. Rolf Jacobsen preekt helemaal niet, en hij heeft ook niets van Whitmans zelfverering. (Carl Frederik Prytz, “Lyrikeren Rolf Jacobsen”, Vinduet, 1956/1)


In 1937 kreeg Rolf Jacobsen een baan als journalist en werd hij verantwoordelijk voor het kantoor van het Kongsvinger Arbeiderblad in Flisa. Ondertussen was hij ook erg actief geworden in de lokale socialistische verenigingen. Zo organiseerde hij als voorzitter van de lokale jeugdafdeling van de Arbeiderspartij avonden met poëzie van Brecht, Øverland, Rudolf Nilsen en andere socialistische dichters en was hij betrokken bij zogenaamde “tramgjenger”, die een vorm van agitprop brachten.

Maar dat veranderde plots kort voor de aanvang van de Tweede Wereldoorlog. Jacobsen was teleurgesteld in de houding van de Arbeiderspartij, die een mobilisatie niet nodig vond, en trok zich terug als lokaal partijvoorman. Als klap op de vuurpijl werd hij kort na de Duitse invasie van Noorwegen lid van Nasjonal Samling, de fascistische politieke partij van Vidkun Quisling. Hoe valt deze verrassende overstap te verklaren?

Hierboven is al vermeld dat hij teleurgesteld was in de Arbeiderspartij. Op 21.12.1940 trouwde hij met Petra Tendø:

We waren getrouwd zonder dat mijn moeder het wist. Ik was onder mijn stand getrouwd. Weet je, mensen uit de tijd van koningin Victoria, ze hadden op dat gebied rare opvattingen. Ze kon Petra niet verdragen.

en moest hij al spoedig een gezin onderhouden. Daarnaast kan het opnemen van een leidinggevende functie bij een krant die door de Duitsers gecontroleerd werd ook gezien worden als een poging om het Kongsvinger Arbeiderblad voor een “echte” nazificatie te behoeden. Jacobsen zorgde er in elk geval voor dat Kongsvinger Arbeiderblad zijn positie als grootste krant van het district versterkte. Op 06.02.1943 veranderde de krant zijn naam in “Glåmdalen”.

Rolf Jacobsens jongere broer Anton had een heel andere richting gekozen en werd uiteindelijk samen met een aantal studenten van Norges tekniske høgskule in Trondheim gearresteerd, gevangengezet en uiteindelijk naar een Duits concentratiekamp gebracht waar hij in 1945 overleed.

Op 1 mei 1945 werd Rolf Jacobsen gearresteerd. Op zijn proces getuigden een aantal van zijn vroegere collega’s in zijn voordeel. Ze verklaarden dat hij nooit actief nazipropaganda had gevoerd en nooit collega’s die betrokken waren bij illegale activiteiten had aangegeven. Hij werd uiteindelijk veroordeeld tot drieënhalf jaar dwangarbeid met aftrek van de tijd die hij in voorarrest had doorgebracht.

Kop in Glamdålen, 07.08.1946

Voormalig redacteur Rolf Jacobsen veroordeeld.

Drieënhalf jaar gevangenisstraf en 10 jaar verlies van burgerrechten

Hij nam deel aan de coup van Nasjonal Samling toen hij de redacteurspositie overnam, maar was een gematigd en degelijk man

Wat Jacobsen gedaan had is dan ook in geen enkel opzicht te vergelijken met wat zijn collega schrijver en Nobelprijswinnaar Knut Hamsun tijden de jaren 30 en de eerst helft van de jaren 40 uitgevreten had. Terugkijkend op zijn activiteit als redacteur tijdens de Tweede Wereldoorlog, zei Jacobsen later:

Het enige bewijs dat ze hadden, waren een paar hoofdartikelen die ik zogezegd had geschreven en die ze te pro-nazi vonden. De waarheid is dat ik nooit een redactioneel artikel heb geschreven, ik kreeg die artikelen van het NS-kantoor in Oslo en corrigeerde sommige ervan. Je zou kunnen zeggen dat ik hoofdartikels geschreven heb met een rood potlood. Maar zij die mij veroordeelden, hadden er geen idee van hoe een krant werkt. Zij behoorden tot degenen die geloven dat een redacteur een krant van begin tot eind schrijft. (Nils Kåre Jacobsen & Ove Røsbak, Rolf Jacobsen, Oslo (Gyldendal), 1993)

Hanne Lillebo was wel wat strenger in haar oordeel:

Als redacteur was Rolf Jacobsen als enige verantwoordelijk voor wat er tijdens de bezetting gedrukt werd in Kongsvinger Arbeiderblad/Glåmdalen. De andere medewerkers en bestuursleden van de krant droegen geen verantwoordelijkheid. Hoewel Jacobsen op veel gebieden een gematigde lijn volgde en goede beoordelingen kon voorleggen, zijn er voorbeelden die aantonen dat hij te ver gegaan was en een duidelijk politiek standpunt ingenomen had. In eerste instantie was dat het geval voor sommige van de hoofdartikels, sommige van de maandelijkse aankondigingenberichten die hij schreef als pers- en propagandaleider en het gedicht “Tideverv”. Hij gaf ook zelf toe dat een deel van wat hij had geschreven “minder goed doordacht” was.

De eerste jaren na zijn vrijlating in de herfst van 1947 waren erg moeilijk: het gezin leefde hoofdzakelijk van Petra’s inkomsten als naaister. In 1949 vond Jacobsen uiteindelijk een job als boekhandelassistent in Hamar, maar het loon dat hij kreeg was erg karig. Hij huurde een kamer in Hamer; zijn gezin zou nog geruime tijd in Kongsvinger blijven wonen.

In 1951 ging Jacobsen over tot het katholicisme:

De leer van de katholieke kerk was “veel rijker en mooier”, de protestantse kerk was bleek en flets in vergelijking. Hij wilde een kerk die meer nadruk legde op ‘de goede werken’. (Lillebo)

In hetzelfde jaar publiceerde hij (bij zijn “oude” uitgeverij Gyldendal) 16 jaar na Vrimmel een nieuwe bundel, Fjerntog. Waarom had hij zo lang gezwegen? In een interview uit 1975 zegt hij daarover:

Na Vrimmel werd het me duidelijk dat ik niet de richting opging die ik als dichter voor me zag. Ik zag dat ik een heleboel dingen miste die ik alleen maar kan omschrijven als “verbondenheid met de werkelijkheid”, en ik besloot niet meer te schrijven totdat ik voelde dat ik die leegte had opgevuld. Ik wist wel dat ik terug zou komen, maar nog niet helemaal hoe.

De bundel kreeg een nogal “gemengde” ontvangst:

Een ongelijke bundel, maar er staat genoeg in om zich over te verheugen

vond Solveig Tunold in Vårt Land (10.12.1951).

Jacobsens “oude” Glåmdalen (28.11.1951) schreef o.a. het volgende over de nieuwe bundel:

Ik ga ervan uit dat Jacobsens Fjerntog een bijzondere plaats zal innemen onder de dit jaar verschenen dichtbundels, net zoals de dichter zelf een unieke positie bekleedt onder de jongere Noorse dichters. Toen hij in 1933 debuteerde met Jord og jern en in 1935 zijn succes voortzette met Vrimmel, verwierf hij een mooie plaats onder de jonge talenten die in die jaren op het toneel veschenen. Zijn grondtoon deed wat aan Obstfelder denken, althans wat de vorm betreft, en hij is zeker sterk verwant aan deze delicate en fijne, zich verwonderende, halfdromerige en visionaire dichter van schoonheid. Maar Rolf Jacobsen had toen wel het ritme van zijn tijd overgenomen, de nieuwe zakelijkheid zoals die genoemd werd (…) Sindsdien heeft hij zijn lyrisch talent laten rusten, maar ik heb nooit gedacht dat hij niet zou terugkeren.(…) Nu is hij er weer met een dichtbundel die vele nieuwe kanten van zijn bijzonder talent toont. Het is wel correct om hem een impressionist te noemen, in de mate dat het mogelijk is om een parallel te trekken tussen de schilderkunst en de strenge, visionaire eisen van de lyriek. Hij registreert zintuiglijke indrukken, maar zijn gevoel schakelt hij daarbij niet uit. Integendeel: in deze gedichtenbundel horen we zijn hart kalm en vredig kloppen. (…) Als Jacobsen schrijft, lijkt het alsof hij zijn indrukken, stemmingen en overpeinzingen neerschildert. (…) Rolf Jacobsen gebruikt zelden rijm en ritme in de gebruikelijke gebonden vorm. Zijn gedichten deinen zoals de zee wisselt tussen eb en vloed, en ze zijn door en door selectief qua vorm, beeldgebruik en expressie. Formeel gezien benadert hij de perfectie. Hij heeft zich beziggehouden met uiteenlopende thema’s als de geboorte van de zee, de bergwereld en Vestland, de grote stad, de dynamo, de Noordelijke Oceaan, sneltreinen en overwegingen over het universum en andere planeten. Achter dit alles merk je af en toe onbewuste verwijzingen naar Hamsuns wonderlijke jeugdpoëzie, maar hoe nieuw is die geworden bij Jacobsen.

In Bergens Arbeiderblad (10.12.1951) had JAD. wel enkele bedenkingen:

Ook in deze bundel gaat het over land, gebergte en blauwe rivieren, maar vooral over de zee, de grijze, echte, doorvoelde zee, soms tijdens een storm. Zoals in zijn eerste dichtbundel wisselt hij af tussen techniek en natuur. Je kunt het er best mee eens zijn dat hij onze tijd met zijn onrust en zwerfzucht goed aanvoelt, maar toch vind ik dat de gedichten wat verouderd aandoen.

Tijdens de lectuur krijg ik het gevoel dat ik ook heb als ik naar een huis in de functionalistische stijl uit de jaren 30 kijk. De gedichten hebben iets geconstrueerds over zich, een zeker gebrek aan spontaneïteit, in de versvorm, de woordkeuze maar vooral toch in het ritme.

Over techniek wordt er niet veel gezegd in Fjerntog, over natuur des te meer:

Mitt tre

Eneren, lyngens mor, er mitt tre.

Den trenger ingen sommer, bare regn og sne.

Fillet krone den løfter, ingen har hørt dens sus.

Den har en lang, seig rot som kan gro av grus.

Den bærer vind over skuldrene, skyene i sitt hår.

Den kan stå i stormen. Knelende. Men den står.

Kanskje den har en drøm i sindet: Det hvite ranunkel-bed

der verden slutter og breene kommer ned.

Av alle trær på jorden nærmest den store sne,

breenes blinde sol. Å, var jeg som det.

Het gaat hier niet over een specifieke boom, maar over een boomsoort, een schrale boomsoort, die onder barre omstandigheden overleeft, geen zomer nodig heeft, alleen regen en sneeuw. De boom krijgt menselijke trekken: hij heeft schouders, hij knielt, droomt misschien, en de dichter bewondert zijn standvastigheid en eenzaamheid:

We vinden christelijke allegorieën […] in “Mitt tre”, met woorden als “kroon” en “knielen” en met de altijd groene ceder die men associeert met het eeuwige leven. (Knut Ødegård, St. Olav, 2022/4)


Met Hemmelig liv (1954) trad Jacobsen weer helemaal op de voorgrond. De bundel wordt algemeen beschouwd als een van zijn beste:

Hemmelig liv betekent een volledige vernieuwing en een doorbraak voor de dichter. Deze bundel is een geschenk aan die liefhebbers van poëzie die de verwonderende openheid van hun kinderlijke geest hebben behouden.

schreef Carl Frederik Prytz in Aftenposten (03.01.1955). H.S. (Glåmsdalen, 11.11.1954) noemde Jacobsen

zo origineel dat hij met geen enkele van onze andere dichters vergeleken kan worden. Zijn meest uitgesproken kenmerken zijn z’n beeldend vermogen en zijn verbeeldingskracht. Als je de gedichten in zijn jongste bundel Hemmelig liv leest, lijken het snelle impressionistische schetsen in inkt, pastel of aquarel, waarin gedachten, ingevingen en illusies tot een eenheid versmolten worden, een fantasiebeeld dat voor hem stond toen het gedicht in zijn bewustzijn groeide. Nu zijn veel van de motieven eenvoudig en ontleend aan onze moderne machinale wereld, maar getransformeerd door zijn impressionistische uitdrukkingswijze krijgen ze een kenmerkende en merkwaardige inhoud van de ziel achter de dingen, het geheime leven. En hij schrijft over alles, van het koude zielloze machinetijdperk tot de ziel achter dingen, en diep van binnen is hij ondanks alles een romanticus. (…) De meeste gedichten moeten verschillende keren gelezen worden vooraleer men ongeveer doorheeft wat de dichter bedoeld heeft. Door de bank kan men het alleen vermoeden, en het is een kenmerk van een echt bevlogen gedicht dat wat zich niet woorden uitdrukken laat, aanbiedt.

Er zit vaak iets zuiders in Jacobsens stemmingen, zachte en fijne kleuren in clair-obscur. Hij doet soms denken aan de Franse symbolisten en decadenten door zijn onmiddellijke en diepe blijdschap over de wereld van de dingen, hij aanbidt lantaarnpalen en kasseien, fonteinen en huizen, metrolijnen en oud porselein, paraplu’s en standbeelden met dezelfde stille vreugde over de wonderlijke creativiteit van de mens (…) Grappig en schrander zijn zijn ontwikkelingsfantasieën en zijn overpeinzingen over vrouwen, kinderen en de ouderdom. Er valt, alles in aanmerking genomen, veel te genieten in Rolf Jacobsen’s Hemmelig liv – deze vormzekere romanticus is een eersteklas dichter.

schreef Niels Chr. Brøgger in Nationen (15.11.1954)

Odd Solumsmoen (Arbeiderbladet, 11. 11.1954) constateerde onder de titel “En kresen dikter” (“Een kieskeurige dichter”) dat

Rolf Jacobsen een modernist is

maar

dat weerhoudt hem er niet van om ook traditionele vormkenmerken te gebruiken. Hij gebruikt vaak een vrij ritme en weinig eindrijm. Belangrijker dan dat hij de meeste uiterlijke kenmerken van “gewone” poëzie achterwege laat, is dat zijn blik op de onderwerpen modern is. Sceptisch, zonder grote gebaren, weemoedig-ironisch constateert hij dat alles relativiteitstheorie is.

Asbjørn Aarnes (Morgenbladet, 11.11.1954) was van mening dat er

wel gedichten [zijn] waarin Jacobsen nog stoeit met ideeën, meningen, meer dan met visioenen, maar ik vind dat hij er verrassend goed mee weg komt, ook waar hij heel openlijk ten strijde trekt tegen dingen van de tijd, zoals techniek en wetenschap. Het punt is dat niets volledig abstract en gewoon kan worden voor zijn blik.

Paal Brekke (Verdens Gang, 19.09.1954) ten slotte vond dat Jacobsen

soms wat te vlug tevreden was met wat onmiddellijk impact had,

maar noemde hemtoch

een van de weinige Noorse dichters die de vrije versvorm en de techniek van het beeld beheerst, ze doelbewust gebruikt.

Hij was vooral erg te spreken over de laatste gedichten van de bundel waarin de dichter blijk gaf van

een weids overzicht en een diepere menselijke rijpheid.

Dit is een van de bekendste gedichten uit de bundel:

DEN ENSOMME VERANDA

Langt inne høyt oppe i en stor by hang en ensom veranda,

oppe under skyene hos vinden og som aldri noe menneske hadde satt sin fot på

fordi det var så dypt ned og så kaldt derute.

Den syntes den var den ensomste veranda i hele verden

og den hørte på klokkespillet hver søndag fra den hellige Bartholomeus’ kirke,

og den tenkte hvorfor kan ikke den gode Gud hjelpe mig,

han er jo også høyt oppe

og han kunde bruke mig som en liten hylle til å legge sine små ting på.

Vestenvinden kjente den best, så bad den vinden spørre.

Da kom et veldig stålstillas og klatrende menn en dag

og de hugget den ned med acetylenflamme på mindre enn 8 minutter

og hengte opp en sprakende lysreklame i rødt og blått

for Skotsk Whisky.

Langt inne høyt oppe i en stor by1 hang en ensom veranda,

oppe under skyene2 hos vinden og som aldri3 noe menneske4 hadde satt sin fot på

fordi det var så dypt ned og så kaldt derute5.

Den syntes6 den var den ensomste veranda i hele verden7

og den hørte på klokkespillet8 hver9 søndag fra den hellige Bartholomeus’ kirke,

og den tenkte hvorfor10 kan ikke den gode Gud hjelpe mig,

han er jo11 også høyt oppe

og han kunde bruke mig som en liten hylle12 til å legge sine små13 ting på.

Vestenvinden kjente den best, så bad14 den vinden spørre15.

Da16 kom et veldig stålstillas17 og klatrende18 menn en dag19

og de hugget den ned20 med acetylenflamme på mindre enn 8 minutter

og hengte opp en sprakende21 lysreklame22 i rødt og blått

for Skotsk Whisky.

1 stad; 2 de wolken; 3 nooit; 4 mens; 5 daarginds; 6 vond; 7 wereld; 8 carillon; 9 iedere 10 waarom; 11 immers; 12 rek; 13 kleine; 14 smeekte; 15 vragen; 16 toen; 17 stalen stijger; 18 omhoog klauterende; 19 op een dag; 20 geweldige; 21 lichtreclame

Dit was Jan Inge Sørbø’s commentaar op “Den ensomme veranda”:

Jacobsens dichtbundels uit de jaren vijftig (…) zijn origineel en vernieuwend, vol nieuwe poëtische beelden, en met een opmerkelijke combinatie van humor en diepe ernst. Dit gedicht is daarvan de perfecte illustratie. Het heeft iets ontroerend kinderlijk en naïef; de regels waarin “de eenzaamste veranda van de hele wereld” wenst dat God haar zou gebruiken “om kleine dingen in op te bergen” zijn onweerstaanbaar. En net omdat de kinderlijke stem van de veranda zo aanspreekt, komen de laatste regels van het gedicht zo brutaal over: je krijgt de indruk dat er hier een kind vermoord wordt. De vraag of God nu antwoordt of afwezig is, is het grondthema van dit kleine verhaal, en het bizarre einde verandert het oorspronkelijk tragische gedicht in iets komisch. Het gedicht gaat over God en de moderne tijd, maar bevat ook ironische beschouwingen over de plaats van de reclame in de openbare ruimte. Het is triest én grappig. (rolf-jacobsen.no)

Ook de religieuze thematiek is aanwezig in deze bundel:

STAVKIRKER

Jeg tror på de mørke kirkene,

de som ennu står som tjærebål i skogene

og bærer duft med sig om de dyprøde rosene

fra tider som kanskje eide mer kjærlighet.

De sotsvarte tårnene tror jeg på, de som lukter av solbrannen

og gammel røkelse brent inn av seklene.

Laudate pueri Dominum, laudate nomen Domini.

Øksene teljet dem til og sølvklokker klang i dem.

Noen skar drømmer inn og ga dem vinger til å vandre med

ut gjennem tider og fjell. De velter som brottsjø omkring dem.

Nu er de skip, med utkikkstønnene vendt mot Ostindia,

Santa Maria, Pinta og Nina da dagene mørknet

mot verdens ende, årelangt fra Andalusia.

Laudate pueri Dominum, laudate nomen Domini.

Angst overalt, selv Columbus er redd nu

der hildringer lokker dem frem og vinden har slangetunger.

Stjernene stirrer urørlige ned med avsindige jernøyne,

alle dager er onde, det er ingen redning mer, men vi

seiler, seiler, seiler.

Laudate pueri Dominum, laudate nomen Domini.

Synnøve Skjong (rolf-Jacobsen.no) over “Stavkirker”

“Stavkirker” (…) is een meerduidig gedicht, mooi, pijnlijk en donker, vol muziek. De sterke, concrete beelden die zo typisch zijn voor Jacobsen, en het langzame, aanmanende ritme brengen de vele betekenislagen samen tot één geheel, een geloofsbevestiging.

Rolf Jacobsen creëert door de drie delen van het gedicht heen een groot beeld waarin verleden en heden elkaar ontmoeten in de staafkerken. We kunnen het gedicht lezen als een illustratie van onze kwetsbare positie als mens, maar het gaat ook over het zoeken naar houvast in onze onbestendige wereld. De laatste versregels zeggen aan de ene kant dat troost vinden onmogelijk is, maar benadrukken tegelijkertijd dat juist deze erkenning de levensvoorwaarde is: “elke dag is slecht, er is geen redding meer, maar we zeilen, zeilen, zeilen.” (…) Voor mij drukt dit gedicht een geloof uit in de scheppende kracht van de mens en presenteert het die als een religieuze dimensie. Ze zorgt uiteindelijk voor “vleugels om mee te zwerven”, en geeft gewicht en betekenis aan wat volgt op de laatste “maar” van het gedicht, aan het zeilen in slechte dagen.

Alderdommen

Jeg holder mere av de gamle.

De sitter og ser på oss og ser oss ikke

og har nok med sitt eget,

som fiskere langs store elver,

stille som sten

i sommernatten.

Jeg holder meget av fiskere langs elven

og gammelt folk og de som kommer ut efter lang sykdom

De har noe i øynene

som verden ikke ser lenger

de gamle, lik rekonvasenter

som føttene ikke er sterke nok under ennå

og med bleke panner som efter feber.

De gamle

som blir sig selv igjen langsomt,

som en røk, umerkelig går de over

i søvn

og lys

“Alderdommen” (“Ouderdom”) is een van de gedichten die Ellen Deckwitz analyseert in haar “cursus genieten van poëzie” Olijven moet je leren lezen (Atlas/Contact, 2016):

In dit gedicht is de bejaarde niet langer het hulpvretende type dat we er in onze samenleving zo graag van maken (…) De bejaarde is niet meer iemand in een afgetakeld lijf. Hij is herstellende. Door deze vergelijking wordt het leven juist een lang ziekbed, en kan je de dood zien als een genezing (…) Ouder worden, opbranden, is langzaam maar zeker weer jezelf worden. Wat een troostende manier om naar de zaken te kijken

Een jaar na de publicatie van Hemmelig liv ontving Jacobsen “Statens treårige arbeidsstipend”. De driemaal 3000 kronen zorgden ervoor dat de financiële toestand van zijn gezin minder precair werd en stelden hem ook in staat om reizen te ondernemen. De neerslag daarvan is een aantal keren in latere gedichten terug te vinden.


Sommeren i gresset (1956) werd minder goed ontvangen:

Sommeren i gresset (…) ontroert niet, maar imponeert wel. De bundel is esthetisch geslaagd, maar mist passie (…) Sommeren i gresset bezit, in tegenstelling tot de vorige dichtbundels van Rolf Jacobsen, een formele exclusiviteit, een koele kalmte, een voorname esprit. Zijn zwakke punt is dat de gedichten soms een soort kleinodiën worden, dat ze er zich mee vergenoegen een soort kunststukjes op een tafelkleed te zijn. (Odd Solumsmoen, Vinduet 1956/4)

Opnieuw neemt de natuur een belangrijke plaats in, maar de toon lijkt lichter dan in de vorige bundel:

Rolf Jacobsen toont ons nieuwe aspecten van zijn poëzie. In Sommeren i gresset heeft hij, zoals de titel het belooft, de zomer in zijn poëzie gevangen. Er zit een lichte en speelse elegantie in deze gedichten, waarin levensvreugde en schoonheid vrij spel krijgen. Ze contrasteren met de gedichten waarin motieven van de werkplaats centraal staan, waar reusachtige machines het terrein domineren. Rolf Jacobsen bezit een heel eigen talent om de kanten van het leven die we gewoonlijk als alledaags beschouwen, van een poëtische invalshoek te voorzien. (Østlendingen, 29.10.1956)

In Rolf Jacobsens bundel Sommeren i gresset vinden we gedichten die de overtuiging uitdrukken dat al de gevaren die de nieuwe tijd met zich meebrengt alleen maar een overgang vormen naar iets beters. (Bjørn Nilsen, Rolf Jacobsen og den moderne sivilisasjonen, Profil, 1960), iets wat duidelijk wordt in

Mai måne

går omkring som en inspektør i hvit jakke.

Nu er snart gjestene her.

Er alt på plass? Dette gobelin

må børstes, grønne tepper overalt

og lys på bordene.

Litt musikk, bare dempet,

– en trost, litt lerke, det er bedre

– og fioliner. Ta opp noen bekker til!

De meimaand wordt hier gepersonifieerd, loopt rond in een wit jasje en geeft aanwijzingen voor een feest. Odd Solumsmoen (zie hierboven) noemt in zijn bespreking (in Arbeiderbladet van 08.03.1967) van Dikt i utvalg (Gyldendal, 1967), een door Asbjørn Aarnes en Emil Boyson gemaakte keuze uit de gedichten van Rolf Jacobsen, “Mai måne” een van de gedichten die voor hem best geschrapt hadden mogen worden:

Ik vind dat het gedicht de voorliefde van de dichter voor het wat slim uitgedachte beeld demonstreert. Het is een prima gedicht, daar gaat het niet om. Maar het is te literair, het is puur decoratief, afgemeten.

Maar het gedicht had en heeft ook heel wat fans:

De grondtoon is (…) een dankbare vreugde over het bestaan, die zich aan het geopende oog openbaart met een veelheid aan wonderlijke, lichtflitsende facetten. Bruisend van vrolijke, speelse natuurverliefdheid is bijvoorbeeld een miniatuur met de titel “Mai måne”. Ik geef grif toe dat ik meer voel voor dit bescheiden gedicht dan voor het opgesmuktere “Månen og apalen”. (Carl Keilhau, Dagbladet, 23.10.1956)

Opgewektheid is een van de hoofdingrediënten in “Mai måne”, waar de maan als ceremoniemeester opduikt en een lijster en een leeuwerik ten tonele voert. (Bjørn Tysdahl, Dagbladet, 07.03.2007)

In het gedicht “Mai måne” is Rolf Jacobsen erin geslaagd om de sprookjesachtige toespelingen te versplinteren en een echte bezieling van de dingen te creëren. Aan de hand van beelden uit een moderne samenleving – niet iets “er was eens” – heeft hij de dingen weer de raadselachtige kracht gegeven die ze ooit in sprookjes hadden. (Olaf Øyslebø, Stil- og språkbruksanalyse, 1978)


In 1958 kreeg Rolf Jacobsen “Gyldendals jubuleumstipend” van 10.000 kronen. Een deel van dat bedrag gebruikte hij voor de aankoop van een schrijfmachine, een ander deel voor een reis naar de Provence. De neerslag daarvan is te vinden in

Landskap, Provence

Horisonter av lesket kalk, kritthvite fjell

som bøyer dine øyne langsomt ned, alt lys

slår ut som sverd

Ve oss

at ingen kan tyde

fuglenes skrift, fjellsidenes rop.

Havet kommer inn med marmor

og laster det av på stranden.

Gamle murer som grå røk

efter kriger som forlengst er glemt.

Himlen er full av store elver

som strømmer íngensteds hen

som pâ lerreter av van Gogh.

Merker efter hender i alle skyer

– fingre som har rørt lyset

og blitt lys selv.

“Landskap, Provence” komt uit de in 1960 gepubliceerde bundel Brev til lyset, die goed ontvangen werd.

Brev til lyset is Rolf Jacobsens beste dichtbundel tot nu toe. Het is de menselijke getuigenis van een volwassen dichter. Hij is waarschijnlijk een van onze meest uitgesproken modernisten, maar ook degene die misschien wel het meest direct de specifieke poëzie van deze tijd overbrengt. (Torleiv Kvalvik, Samtiden, 1961)

Brev til lyset zijn brieven aan ieder van ons in het automatiseringstijdperk, waarin we armer zijn geworden te midden van overvloed en zo veel onbehagen voelen waartegen al het comfort dat we hebben niet op kan. Want we zien niet meer hoe alles met elkaar verbonden is, we zijn op zoek maar coherentie maar vinden die niet. We slaan het verkeerde pad in. (…) Is de dichter dan een romanticus die de oude kreet “Terug naar de natuur” slaat? Zo eenvoudig is het niet. Er is geen weg terug. Maar we kunnen ons misschien bezinnen op de weg vooruit. (…) Rolf Jacobsen probeert het kind in ons wakker te maken. Hij wil dat we de wereld tegemoet gaan met de wakkere zintuigen van een kind. Daarom personifieert hij, net zoals een kind dat vaak doet, abstracte fenomenen én de dingen zelf. (…) Het lijkt soms net alsof hij op kniehoogte naar de wereld kijkt. (…) Net als in de vorige bundels zijn ook nu weer Jacobsens verzen niet gebonden aan een systeem, en een extern instrument als het eindrijm wordt in de meeste gedichten geschrapt. Maar in de manier waarop van beeld naar beeld gesprongen wordt, ontmoeten we opnieuw de dichter en het kind. Dingen worden nieuw omdat de woorden in onverwachte contexten worden gebruikt. Plots zien we iets.  Het is alsof gordijnen opzij schuiven of de bliksem inslaat in de taal zelf. (…) Brev til lyset bevat verheven poëzie, poëzie die rijk is aan perspectief en veelzeggend is in haar stilte (….) Brev til lyset zijn brieven aan lezers, vertrouwelijke brieven aan ieder van ons, woorden langs het pad dat vaak donkerder en smaller lijkt te worden naarmate we verder gaan. (Odd Solumsmoen, Arbeiderbladet, 28.10.1960)

Jacobsen is al een man van een zekere leeftijd. Zijn sturm-und-drang periode is al geruime tijd voorbij en nu speelt hij con sordino. Het natuurgevoel is inniger geworden, de taal heeft iets helder rustigs over zich. Zijn fabuleringsvermogen is gelukkig nog intact: met een paar streken creëert hij een schilderij in woorden, maar de afstand tussen hem en zijn motieven is groter geworden (…) De beelden hebben niet langer de charmante en choquerende frisheid die er vroeger voor zorgde dat zelfs het eenvoudigste kleine gedicht in het geheugen bleef hangen. Daartegenover staat dat de gedachte-inhoud achter de beelden veelomvattender is geworden, en dat de gedempte taal voor veel leesplezier zorgt.

Het zijn

gedichten die de geest binnensluipen zonder enige vorm van trucage of schokeffect. (B.N. in Profil, 1960, 18/5)

Nils Brantzeg (Vinduet, 1960) werd er welhaast lyrisch van:

Naar elke nieuwe dichtbundel van Rolf Jacobsen kijk je met dezelfde verwachting uit als naar een verrassingspakket dat niet gevuld is met klatergoud, maar met voortreffelijke, onverwoestbare dingen.

En je pakt het pakket voorzichtig uit, zodat geen van de voortreffelijke voorwerpen breekt, want ze zijn zo helder dat ze in het licht gehouden moeten worden om ze echt goed te doorzien, en ze zijn zo breekbaar dat ze stuk gaan bij een te hardhandige aanraking.

Brev til lyset is opnieuw zo’n verrassingspakket, gevuld met geheimen en grote en kleine verrukkingen die als een schok door je heen gaan. Het is en blijft verbazingwekkend hoe Rolf Jacobsen zelfs de meest hardnekkige traagheid voortdurend kan doorgronden en ons toont hoe hij levende en dode dingen  bezielt en ons verandert in zowel het wijze kind dat we ooit waren als in de wijze oudere heer die we ooit van plan zijn te worden. (…) De ogenschijnlijk ongezochte maar altijd verrassende beelden prikkelen je nieuwsgierigheid en zorgen ervoor dat je bereid bent om hem ernstig te nemen. Want ernst en visie bezit hij in hoge mate; er is nooit iets lichts of oppervlakkigs aan wat hij schrijft.

Voor Brev til lyset kreeg Jacobsen de Kritikerpris. Hij was datzelfde jaar de enige Noorse dichter die vertegenwoordigd was in Museum der Modernen Poesie van Hans Magnus Enzenberger.

Ook uit Brev til lyset:

GAMLE UR.

Gamle ur har ofte vennlige ansikter

og kan minne om bønder fra skogbygder og fjell

med en rolig likesælhet i sitt vesen

som om de hørte til en annen slekt enn vår

som kanskje har stridd ut sin tid hernede

og sett sin uro visne ned som gresset

i sine store skar og stille myrstrøk

forrige gang Jorden var til.

Nå er de gjester her og nikker til vår kummer

med lavmælt visdom ved vår seng: Det går,

ja, ja, det går, det går.

In “Gamle ur” zijn de gepersonifieerde klokken niet meer van deze tijd:

ze geven een “ongeveer” tijd aan: het is twaalf, het is middag (Erling Aadland, Forundring Trofasthet)

Ze zijn anders, kalm, hebben de Aarde in een vroegere fase meegemaakt en dat heeft ze in zekere zin immuun gemaakt voor onrust: ze hebben geleerd te relativeren. Hun houding tegenover de wereld van nu is er een van berusting: ze sussen. Aadland citeert in dit verband Heidegger:

We kunnen niet zonder al de apparaten en machines van de technische wereld […] Het zou dwaas zijn om blindelings tekeer te gaan tegen de technologie […] Onverwacht zijn we wel zo vastgeklonken aan wat technisch is dat we er de slaven van geworden zijn. Maar we kunnen ook een andere weg kiezen […] We kunnen “ja” zeggen tegen het onontkoombare technische, en we kunnen tegelijkertijd “nee” zeggen om te verhinderen dat ze ons volledig opeisen en ons op die manier vervormen, verwarren en uiteindelijk vernietigen. Maar wordt onze verhouding tot de wereld van de techniek op die manier niet gespleten en onzeker? Het tegendeel is waar. Onze relatie met de technologische wereld wordt op een merkwaardige manier eenvoudig en rustig. We laten wat technisch is de wereld van alledag binnensluipen en houden het toch buitengesloten. d.w.z. we beschouwen ze als dingen die niet absoluut zijn, maar zelf verwijzen naar iets hogers. Ik zou deze hedendaagse ja-en-nee-houding ten opzichte van de technische wereld willen benoemen met een oud woord: onbetrokkenheid ten opzichte van de dingen.

Soortgelijke motieven vinden we ook terug in “Tett bak din fot”:

Wat belangrijk is, komt tot ons via andere kanalen dan het woord (Jan Inge Sørbø, Signaler 2020/2)

Tett bak din fot

“Tett bak din fot

er all stillhet størst

og en underlig ømhet lagt,

anderledes enn alt.

Anderledes enn alt

som du kan høre, du kan se

– sangen efter dine sko,

lyset efter dine hender.

Tett bak din skulder,

nærere enn alt du tror, en fred

du ikke selv har kjent,

det verden tier

et dypt, et bratt sekund

som efter et uhørt løfte

gjennem en lukket munn”

Dit gedicht werd op muziek gezet.


Jacobsens leven viel in een beslissende plooi toen hij in 1961 de slecht betaalde job in de boekhandel achter zich kon laten en zijn werkzaamheid als journalist weer kon opnemen, deze keer bij de lokale krant Hamar Stiftstidende (populaire naam: “Stikka”):

Hij zou er later nachtredacteur worden en die functie behouden tor de krant in 1971 failliet ging. Toen trad hij, zoals hij zelf zei, toe tot “de gelederen der gepensioneerden”.


Over zijn volgende bundel, Stillheten efterpå (1965) zei Jacobsen in een interview (Hamar Stiftstidende nr. 214, 1965):

Het is de spanning tussen de technische werkelijkheid en onze eigen persoonlijke werkelijkheid waar ik over schrijf. Er is een conflict tussen de last die de realiteit van vandaag op ons legt en wat we nodig hebben. Het is niet mijn taak om met een oplossing te komen, ik registreer alleen het conflict.

Dit was de korte recensie van de bundel in Romerikes Blad (18.10.1960):

Er zijn vijf jaar voorbijgegaan sinds Rolf Jacobsen zijn bekroonde dichtbundel Brev til lyset publiceerde, en daarom open je zijn nieuwe bundel Stillheten etterpå met hooggespannen verwachtingen. En laten we maar direct zeggen dat we niet teleurgesteld worden. Hier vind je een rijkdom aan beelden en overwegingen, vaak recht uit het leven van alledag dat zo rijk is aan merkwaardigheden. Zoals in dit korte gedicht “Morgenavisen”

Morgenavisen brettes ut på forstadstoget 7,35

og forsyner plutselig alle mennene med hvite vinger.

De flyr avgårde inne i et rom inne i en vogn

med besynderlige stive ansikter

– en prosesjon bak glass

som til en lukket og privat begravelse på en stjerne.

De ochtendkrant wordt opengeplooid op de lokale trein van 7.25

en voorziet iedereen plots van witte vleugels.

Ze vliegen weg in een kamer binnenin een wagon

met eigenaardige stijve gezichten

– een processie achter glas

als voor een gesloten en private begrafenis op een ster.

maar geeft de recensie een goed resumé van wat deze nieuwe bundel betekent in het werk van Rolf Jacobsen?

Eigenlijk niet. Dat bleek duidelijk uit de beginregels van Jens Wollebæks essay over de dichtbundel (in: Et festskrift til professor Daniel Haakonsen, 1967):

Rolf Jacobsens dichtenbundel lezen heeft veel weg van een reis maken door een nachtmerrie van bloed en slijm, dood en verdorvenheid begeleid door een oorverdovende waanzinnige schreeuw. Of het nu dag of nacht is, je krijgt bijna nooit rust. Zelfs wanneer de titel van het gedicht rust en harmonie lijkt te suggereren, is dat meestal slechts een illusie.

Als voorbeeld gaf Wollebæk het gedicht “Langfredagregnet”:

“Langfredagsregnet” onthult groteske details van het dagelijks leven, van worstpapier tot dode ratten.

Langfredagsregnet

Regn, regn siden aftenen

som en skjelving gjennom luften,

regn, frem til den tredje time

isgrått over takene

mellom murene og den døde

sletten av sten

der grå og brunaktig sne

langsomt blir til levret vann

så den døde rotten kommer frem

og sigarettstumpene og den brukne kammen kommer frem

og de tre fyrstikkene ved muren kommer frem

og pølsepapirene og den grønne

kinobilletten kommer frem

og danner en magisk figur, som et stjernebilde på vannet

og forsvinner i avløpsrøret med et langsomt tut

og blander seg med pipet fra en lerke

som ungene fant i krattet

og stakk øynene ut på med pinner

for det er vår.

Voor Odd Solumsmoen (Arbeiderbladet 28.10.1965) ging het hier om

een onmogelijke keuze (…) Leven in harmonie met de natuur zou ons misschien een inzicht verschaffen dat verschilt van wat de TV-schermen (…) ons te bieden hebben (…) Maar in harmonie met de natuur leven, betekent dat ook niet onze instincten vrij spel laten en krijgen we dan geen situaties zoals in “Langfredagsregnet”, (…), waar het geluid van het water in de afvoerbuis

blander seg med pipet fra en lerke

som ungene fant i krattet

og stakk øynene ut på med pinner

for det er vår. 

Achter het schijnbaar frivole onderwerp van “Striptease” zit iets veel minder aangenaams verscholen: een wereld zonder wijn, mannen of danspasjes, een toestand van lichamelijke aftakeling die uiteindelijk resulteert in wat de hele tijd achter donkere sluiers verborgen zit.

Striptease

HEI, det er mer.

Du er ikke ferdig ennu.

Det er mer

Lili

og uten vin, Lili

og uten menn.

For brystene

og munnen din

skal falle

og din hvite kinn,

Lili

Ja, kom igjen

Lili

og uten glans

for det er mer.

Ja, uten høy musikk

Lili

og uten dansetrinn, Lili

– ditt øyenbryn,

din tynne hånd,

din smale fot

for en som venter

dag og natt

Lili

bak mørke slør.

De naam Lily staat voor licht amusement en prostitutie, die ook vormen van zelfbegoocheling zijn. Maar er valt een stilte nadat alle ontsnappingsmogelijkheden zijn uitgeprobeerd en alle plagen beproefd: de angst die de deur van de dood opent (…) Niet alle sluiers zijn van textiel of bestaan uit letters. Sterfelijkheid is een “kledingstuk” en een “masker” dat niet kan worden verwijderd: de grens van de illusie is bereikt. (Erling Aadland: Forundring. Trofasthet” : poetisk tenkning i Rolf Jacobsens lyrikk, 1996).

Toch, gaf Wollebæk toe, moet het pessimisme soms het onderspit delven. Dat blijkt o.a. in:

Stillheten efterpå

Prøv å bli ferdige nu

med provokasjonene og salgsstatistikkene,

søndagsfrokostene og forbrenningsovnene,

militærparadene, arkitektkonkurransene

og de tredobbelte rekkene med trafikklys.

Kom igjennom det og bli ferdige

med festforberedelser og markedsføringsanalyser

for det er sent,

det er alt for sent,

bli ferdige og kom hjem

til stillheten efterpå

som møter deg som et varmt blodsprøyt mot pannen

og som tordenen underveis

og som slag av mektige klokker

som får trommehinnene til å dirre

for ordene er ikke mere til,

det er ikke flere ord,

fra nu av skal alt tale

med stemmene til sten og trær.

Stillheten som bor i gresset

på undersiden av hvert strå

og i det blå mellemrommet mellom stenene.

Stillheten

som følger efter skuddene og efter fuglesangen.

Stillheten

som legger teppet over den døde

og som venter i trappene til alle er gått.

Stillheten

som legger seg som en fugleunge mellem dine hender,

din eneste venn.

Hier leest Jacobsen zelf het gedicht voor.

Over dit gedicht schreef Wollebæk:

Hiermee komen we bij het deel van Rolf Jacobsens dichtbundel waar het pessimisme weggedrongen wordt. Het zijn niet veel gedichten, 4 of 5 maar, en je bent  zo beïnvloed door de toon in de andere, dat je niet echt kan geloven in de lichtere toon hier.

Het titelgedicht “Stillheten efterpå” staat centraal. De term “programmagedicht” kan hier terecht gebruikt worden. Hier staan de enige imperatieven van de bundel,

“Prøv å bli ferdige nu/med provokasjonene og salgstatistikkene” “Kom igjennem det og bli ferdige” en “bli ferdige og kom hjem” en hier leidt het gevecht tussen een verpletterend pessimisme en een ontluikend ja tegen het leven tot een soort beslissing. In het eerste deel vinden we opnieuw de brutaal abrupte afratelingsmethode van andere “pessimistische gedichten”, de veellettergrepige woorden die onophoudelijk op de lezer afstormen, centrale en associatieve begrippen in de hedendaagse maatschappij. En dan wordt het plots bijna stil (…)

for det er sent,

det er altfor sent,

bli ferdige og kom hjem

til stillheten efterpå . .

Net door deze ommekeer, de kortere woorden en het rustigere tempo komen de woorden die daarna volgen: ” varmt blodsprøyt mot panden “, “tordenen”, ” slag av mektige klokker “, helemaal niet angstig over maar vol kracht en vitaliteit.

Het gedicht leidt ons steeds verder weg van de vloek van de beschaving

(…)

En, dan maakt de stilte

som bor i gresset på undersiden av hvert strå

haar intrede en volgt het mooie beeld van

Stillheten

som legger seg som en fugleunge mellem dine hender,

din eneste venn.

De gevolgen van het tijdperk van de techniek waarover hij zich meer dan dertig eerder lovend uitliet, worden in deze bundel onderzocht en bekritiseerd, wat op zichzelf niet onmiddellijk leidt tot een oplossing voor het probleem. Maar hij heeft een nieuwe klaarheid gevonden, een ongedwongen vreugde, vrij van enig gepieker.  (…) De opsomming die begint met “Til denne verden hører også” heeft niet veel gemeen met “provokasjonene og salgsstatistikkene” en terwijl Henrik Wergeland schreef dat men het grote in het kleine moest zien, schrijft Jacobsen over het kleine geluk.

In een gesprek met de dichter (Samtiden, 1980/3) noemde interviewer Jan Erik Vold Stillheten efterpå Jacobsens

donkerste, sterkste bundel

waarop Jacobsen antwoordde dat het de bundel was

waarin ik voor de eerste echt de taal gebruikte waarin ik me wou uitdrukken.

Voor Bjørn Nilsen (Dagbladet, 28.10.1965) was Stillheten efterpå

geschreven door een dichter die niet langer volledig gefocust is op het aanboren van nieuwe motieven en het verwerven van vastgeklonken erkenning, maar die dat achter zich gelaten heeft en nu ernstig nadenkt over wat van waarde is en wat ertoe doet in een menselijke context.

Voor deze bundel kreeg Jacobsen in 1965 de Riksmålsforbundets Litteraturpris:

Jacobsens nieuwste dichtbundel (…) bevestigt iets wat al lang duidelijk is: Jacobsen is een van de belangrijkste dichters van deze tijd. Hij is ook iemand die snel interesse wekt bij jonge lezers, zodra ze in contact komen met zijn gedichten.


In 1967 verscheen Dikt i utvalg, een keuze uit Jacobsens gedichten onder redactie van Emil Boyson en Asbjørn Aarnes. Over deze uitgave (die geen inleiding bevat) schreef Eilif Armand in Friheten (08.03.1967) o.a.

In Jacobsens wereld hebben de dingen geen vastgestelde grenzen. De natuur wordt getransformeerd, maar niet vernietigd. (…) Er wordt gezegd dat Jacobsen onze eerste modernist was. Dat is correct in zoverre dat het feitelijke, het concrete element van zijn poëzie veel betekend heeft voor de jonge dichters van onze tijd. Maar in andere opzichten denk ik dat zijn poëzie heel anders is dan wat we gewoonlijk onder “modernistisch” verstaan. Ik zou hem eerder een vernieuwer van de traditie noemen.

Ter gelegenheid van zijn 60ste verjaardag heeft Gyldendal dezer dagen een uitgebreide selectie van Jacobsens gedichten gepubliceerd. Ze bevat gedichten uit zijn zeven bundels en illustreert op voortreffelijke wijze de diepte en breedte van zijn poëzie. Dikt i utvalg toont aan dat Rolf Jacobsen een bijzondere plaats inneemt onder onze dichtershij is een fenomeen, een unicum.


In Headlines (1969) stelde Jacobsen zich kritisch op tegen het steeds toenemende consumentisme:

De titel Headlines verwijst naar kranten, in de eerste plaats kranten die los verkocht worden en afhankelijk zijn van opvallende koppen – headlines – op de voorpagina om te verkopen. Deze koppen die je toeschreeuwen vanaf straathoeken, zijn niet altijd in overeenstemming met wat ze zouden moeten vertegenwoordigen, maar de lezers laten zich toch vangen, in elk geval zij die het te druk hebben om te zoeken wat essentieel is: de inhoud. Drukte is een terugkerend thema in Headlines. De gedichten drukken onrust en onbehagen uit, zowel door de woordkeuze als door de structuur. Sommige gedichten houden er, door een gebrek aan leestekens en door het voortdurend opdreunen van bijvoorbeeld zelfstandige naamwoorden, een ijzingwekkend tempo op na (Hanne Lillebo, Ord må en omvei, 1998)

De onrust klinkt o.a. sterk door in “Det banker”, waar de afwezigheid van leestekens voor een staccato en snel ritme zorgt tot het vraagteken helemaal aan het slot er een abrupt einde aan maakt:

Det banker

Bank bank de vil inn hos deg det banker

hårdhent på alle dører vinduer det banker

fryktsomt redselsslagent det banker

helt inn i knoklene på deg, din brystkasse

pulsslagene ditt hjerte det banker

ute på gatene over himlen jorden

stempelslagene skipsskruene tog-

skinnene i strupen på deg

rundt murene de vil inn

gjennom vinduene dørene panikk-

slagent det banker

ensomhet det banker

frykt banker tørst og hunger

banker dag og natt ustanselig

i trommehinder puls din pande

banker banker

– kan du puste?

In zijn latere bundels, vanaf de jaren ’60, imiteert [Rolf Jacobsen] in gedicht na gedicht het hectische ritme van het moderne leven. Headlines is de eerste bundel waarin dit een terugkerend motief is, en “Det banker” is een bijzonder duidelijk voorbeeld. Het rommelige ritme van de afrateling wordt voortdurend onderbroken door de vaste ritmestukjes “det banker” en “banker”, en dit zorgt voor onrust door het gedicht heen. De onrust wordt nog versterkt door de regelverdelingen, die tegelijkertijd het vers stoppen en versnellen (…) Op deze manier brengt RJ de nervositeit naar boven die onder het leven in de grote stad schuilgaat, de niet-aflatende onrust die door mensen wordt gecreëerd en tegelijkertijd onmenselijk is – en stelt hij de laatste fundamentele (en dubbelzinnige) vraag “kun je ademen?”. (Per Olav Kaldestad, “Rolf Jacobsen som språklærar” in Frøkorn av ild: om Rolf Jacobsens forfatterskap (1993))

Met al dat lawaai gaat de mens tegen de natuur in:

HYSS

Hyss sier havet

Hyss sier den lille bølgen ved stranden, hyss

ikke så voldsomme, ikke

så stolte ikke

så bemerkelsesverdige.

Hyss

sier bølgekammene som

flokker seg om forbergene

strandbrenningene. Hyss

sier de til menneskene

det er vår jord

Vår evighet.

Nog over Headlines:

Moss Avis (30.10.1969) schreef o.a.

Rolf Jacobsen neemt zo’n prominente plaats in binnen de hedendaagse Noorse poëzie dat een nieuwe dichtbundel van zijn hand gewoonweg als een gebeurtenis kan worden opgevat. Headlines (Gyldendal) heeft alle kenmerken van Rolf Jacobsen in zich: openheid voor de tijd waarin we leven, het vermogen om een verrassend nieuw licht te werpen op de meest alledaagse gebeurtenissen en voorwerpen en om die in een universele context te plaatsen.

Het is geen dik boek, maar wel een grote gedichtenbundel – van de hand van een meester.

Eilif Straume (Aftenposten 21.10.1969) stelde vast

dat de donkere, pessimistische tendens in zekere zin nog dominanter is geworden. Maar tegelijkertijd is de vorm nog strakker geworden en omgevormd tot een instrument voor een duidelijk geformuleerde strekking, een ontladend en bevrijdend appel aan de lezer dat we nog niet eerder hebben opgemerkt in de poëzie van Rolf Jacobsen. Bovendien wordt het gevoel voor grove en groteske, maar tegelijkertijd bevrijdende humor dat we vaak bij Jacobsen aantreffen, op de spits gedreven in enkele kostelijke formuleringen. (…) In zijn nieuwste dichtbundel (…) wordt hij ook geconfronteerd met het verlies van de natuur, die steeds verder teruggedrongen wordt. (…) Rolf Jacobsen weet de polsslag van de tijd meer dan ooit te vatten, hij is gehard maar niet verkrampt. Het laatste gedicht heet “Maar we leven – –”.


De titel van de bundel die in 1972 verscheen, Pass for dørene – dørene lukkes (“Let op voor de deuren – de deuren worden gesloten”) verwijst naar de nog steeds toenemende mechanisering. Arvig Torgeir Lie (Vinduet, 1973) schreef over deze bundel:

In de loop der jaren is wat Jacobsen schrijft donkerder geworden, meer gekenmerkt door culturele en sociale kritiek en door moedeloosheid. Het lijkt er vaak op dat hij niet veel vertrouwen heeft in deze wereld, die oude man, zoals hij zegt. De moderne economische en industriële staat is zelfvernietigend en oefent tegelijkertijd een destructief effect uit op de samenleving in het arme deel van de wereld (economische uitbuiting en oorlog)

Ook Paal Brekke (Dagbladet, 04.11.1972) sprak zich in dezelfde zin uit:

Rolf Jacobsen is veel “politieker” geworden dan voorheen; vooral wanneer het gaat over vervuiling, consumentisme en de problematische situatie in de derdewereldlanden. Je zou kunnen zeggen: daarmee sluit hij aan bij heel veel hedendaagse dichters. Je zou ook kunnen zeggen: hij verwoordt de materie mooier, met een grotere verbeeldingskracht en beeldenrijkdom dan de anderen, en dus op een manier die meer indruk maakt? Of is misschien net het tegenovergestelde het geval?

Een van de gedichten heeft als onheilspellende titel “Gå og heng deg” (“Hang jezelf maar op”) en is een apocalyptisch beeld van de teloorgang van de natuur:

Gå og heng deg

kom en liten vinter

og så kom det en stor vinter

og så kom det en vår med askegrått regn

og så kom det en sommer som ikke var noen sommer

men en slags uttynnet vår

uten fugl og med bare tynne blomster

og så kom høst

en endeløs kjølig høst med iskald sno

og så kom den store vinteren

og aldri noen liten vinter

eller noen vår kom.

“Grønn mann” heeft de gejaagdheid die het moderne leven typeert als thema.

Grønn mann

sier den grønne mannen i trakklyset

til alle bukseben bag’er barnevogner

brilleglass og brystholdere, få med deg

bena for nå haster det

med verden med vesten med østen med

varehuskjeder vinimport vekselfrister vel-

standsutvikling vannforurensning og voff-

voff. Få med deg bena, kom over for nå …

STOPP

sier den røde mannen

som er den samme som den grønne

mannen men i rødt, stille nå

og se hvor langsomt det går

med verden og vreden og vold-

somheten og vantrivselen

når de andre skal prøve seg. Stille

nå, helt stille, med solreiser og

sommerhusplaner. Hold kjeft nå men

bare i førti sek. _ .

sier den grønne

gå bare gå

med deres verden voldtekt

Valium og vacuumpakninger. 

– dere har

i nøyaktig astronomisk tid

bare førti sekunder.

De “groene man” en zijn tegenhanger de “rode man” zijn de figuurtjes op de verkeerslichten voor voetgangers: 40 seconden duurt het voor het licht van rood op groen slaat of omgekeerd. Die figuurtjes zijn zelf aan het woord en spreken de voetgangers toe. Jacobsen maakt uitgebreid gebruik van alliteraties, die volgens Helge Nordahl (“Vandring i et sproglig landskap” in: Frøkorn av ild: om Rolf Jacobsens forfatteskap, 1993)

een humoristisch effect

creëren. Als dat het geval is dan bevat die humor een duidelijk spottende ondertoon:

Het gedicht lijkt te zeggen dat we de rode man moeten gehoorzamen en moeten stoppen, maar het conflict tussen de twee is een schijnconflict. Strofe 3 herhaalt de v-alliteraties uit strofe 2, en de timing (40 seconden) benadrukt dat het dezelfde man is die zich op twee manieren uitdrukt. Uit wat ze zeggen blijkt de noodzaak en de drang om snel te handelen. De mens verschijnt slechts kort en metonymisch. Het enige blijvende element is de de afwisseling tussen “gå” en “stopp”. Het motief (de rol van de voetgangersoversteekplaats) wordt zo nadrukkelijk beklemtoond dat het verkeerslicht een metafoor voor de stad wordt, en een register van de belangrijkste kenmerken van de beschaving: tijdsdruk en tijd die met een chronometer gemeten wordt. (Erling Aadland: “Forundring. Trofasthet” : poetisk tenkning i Rolf Jacobsens lyrikk, 1996)


Over de in 1975 verschenen bundel Pusteøvelse schreef Hanne Lillebo:

Pusteøvelse is een groene bundel; groen aan de buitenkant en met wat je een grotendeels groene boodschap zou kunnen noemen.(…) Terwijl de jonge dichter een harmonieus wereldbeeld schetst, is de oudere duidelijk pessimistisch over de (huidige) ontwikkeling.

Zelf zei Jacobsen:

Ik probeer een globaal bewustzijn te creëren – de hele aarde – ruimte en tijd naar voren te brengen, het besef dat we leven op een rond ding in een onbegrijpelijk universum. Het zou ons een saamhorigheidsgevoel moeten geven. Ik probeer een fysiek gevoel van de planeet zelf op te roepen, van wat is geweest, van wat mensen hebben gecreëerd en van wat is, een fysiek gevoel bij de lezers dat we met al onze zintuigen en ons hele bewustzijn de aardbol toebehoren. (Dagbladet, 12.01.1976)

Typerend voor de bundel is het in de vorm van een brief geschreven “Til jorden (med vennlig hilsen)”, waarin de Aarde direct aangesproken wordt. Het hele betoog heeft veel weg van een wanhoopskreet. Een fragment:

Hør her, Jorden, vi har noe å si til deg

– ikke fordi vi misliker oss her, det er et fint sted dette,

nok av vann og høyt og luftig under taket,

vi legger korn i jorden og snart suser det gyllent over markene,

for nesten alt har vi fått fra deg,

olje og friske hav og varm ull om vinteren

men vi har ingen ro her lenger.

Noe har slått oss ut av kurs

og vi går rundt og er redde hver dag

for alt som kan komme.

Derfor spør vi deg nå: Hva gjør du med fjellsidene

og med havet?

Hvordan greier du alltid å være i balanse med deg selv,

alltid i likevekt. Du går i din bane i rommet

uten en feil, ikke en tomme avvik,

lydløs, ensom bak alle lysår i evigheten,

bare med et sakte sus fra havet

og fra vinden gjennom skogene nå og da.

Du skifter sol og vind og våren kommer som bestemt.

Alle regnestykker går opp, dine mønstre og figurer

er klare som glasskrystaller.

Derfor er det vi kommer til deg og spør

hvordan får du det til.

(…)

Ja, du ser selv hvordan det er fatt med oss,

hvordan vi gjør livet om til død overalt vi ferdes

– fabrikkene som arbeider dag og natt med utslettelsesvåpnene.

Luften som forpestes, havet og skogene som dør,

mens millioner av oss lever som dyr, i sult og nød.

Slumstrøkene i øst og vest vokser som en sykdom

og har alt lagt seg som en skorpe rundt de store byene,

du ser det selv og vi kan jo ikke stanse det

uten gjennom strømmer av mord, helveter av blod.

Du som leder isfjellene ut i mildere hav

og lar sommer veksle lydløst med høst, hver til sin tid,

og som lar våren springe frem som grønne fontener efter sneen

– lån oss litt av din balanse, din ro,

Als tekst is “Til jorden (med vennlig hilsen)” vrij complex. De titel geeft o.a. aan dat het briefgenre aan de basis ligt van de vormgeving van het gedicht. Er is iets triviaals en alledaags aan deze verwijzing, vooral door het tussen haakjes toegevoegde “med vennlig hilsen” [“de hartelijke groeten”]. De brief als poëtisch uitgangspunt is ook elders in Jacobsens werk terug te vinden, bijvoorbeeld in “Brev til lyset” [“Brief aan het licht”]. (…) De combinatie van briefgenre en Bijbelse allusies creëert een zeker spanningsveld. Naar mijn mening bevat het gedicht concrete verwijzingen naar zowel het Bijbelse scheppingsverhaal als naar het boek Prediker. Maar de religieuze referenties dienen ook een genrespecifiek doel. Het gedicht richt zich tot de aarde als een wezen van een hogere categorie en vraagt om hulp, en op die manier fungeert het gebed als een onderliggend genre in “Til jorden”. (Per Thomas Andersen, “De har noe i øynene som verden ikke ser lenger, de gamle” in Frøkorn av ild. Om Rolf Jacobsens forfatterskap¸1993)

Harald Lykke vond ook positieve elementen in het gedicht:

Het gedicht roept niet op tot berusting, wel integendeel: het drukt liefde voor het leven uit, de wens om met en op de aarde te leven. Maar dat moet dan wel op een andere manier gebeuren dan nu het geval is. Het gedicht ziet in de wijze waarop het er in de natuur aan toe gaat een voorbeeld voor de mensen: daar is er een balans, een evenwicht waar wij rekening moeten mee houden en naar streven. Dat het gedicht tegelijkertijd angst uitdrukt voor de teloorgang; is wel niet zo vreemd voor iemand die bijna zeventig is. (Profil, 1976/3; het fragment is een deel van een discussie tussen Ola Sletten en Harald Lykke over vermeende reactionaire tendensen in Jacobsens poëzie)

In “Rulle rundt (og rundt)” krijgt de autoverslaving en alles wat daarmee samenhangt ervan langs:

Rulle rundt – (og rundt)

I den tekniske byen

hvor alle ruller rundt på hjul

så de kan bli glade fort

og få penger så de kan kjøpe alt

der kjenner ingen hverandre mer

for de har ikke tid

for de skal rulle rundt på hjul

å kjøpe morsomme ting

så de kan bli glade fort

så alle barn må passe på seg selv

og alle gamle må legge seg og dø

for ingen har tid og ingen vet levende råd

for det gjelder å glemme og det gjelder å bli glad fort

mens lysene blinker rødt og blinker grønt

ruller alle rundt på hjul

ruller rundt

og rundt og rundt –

osv, osv –


In de jaren ’70 werd Jacobsen steeds bekender in binnen- en buitenland. Zo verscheen in 1977 Twenty poems, een keuze uit zijn gedichten in het Engels vertaald door Louis Bly. Jacobsen las nu ook steeds vaker zijn gedichten zelf voor op literaire congressen en bijeenkomsten. In de jaren ’70 werd hij ook drie keer genomineerd voor de Nordisk råds litteraturpris

.

In 1973 verscheen de eerste uitgave van zijn Samlede dikt, in 1977 volgde een nieuwe uitgave. In datzelfde jaar publiceerde Den norske bokklubben Den ensomme veranda og andre dikt, met daarin 59 door Jacobsen zelf uitgekozen gedichten.  In de korte inleiding die hij daarvoor schreef, spreekt hij over zichzelf in de derde persoon:

De gedichten die hij heeft gekozen zijn niet noodzakelijk de beste. Hoewel: wat verstaan we onder “de beste”? Wat is een goed gedicht? (…) Opgenomen zijn gedichten die proberen te tonen waar hij voor staat (…), dingen waarvan de auteur hoopt dat ze een soort totaalbeeld kunnen geven – observaties, vastgelegd door zijn eigen ietwat zwakke en verwarde netvliezen in de hem toegewezen periode. Hij probeert (…) zijn lezers de dingen in een iets ander licht te laten zien, zoals ze misschien echt zijn, achter de trivialiteiten van het dagelijks leven. (…) Hij vindt het nodig dat iemand af en toe probeert dingen op een enigszins ongewone manier te zeggen, de woorden te verdraaien en om te keren, ze misschien met het hoofd naar beneden en de benen omhoog te draaien, zodat we uiteindelijk in staat zijn om terug te keren naar waar ze voor staan, en naar de realiteit, zoals die is.

Over de afbeelding op het boekomslag was hij niet te spreken:

IJzingwekkend!

Ook na zijn zeventigste maakte Jacobsen nog grote reizen. Zo bezocht hij o.a. de Verenigde Staten:

Misschien is hij de enige die ooit een gedicht geschreven heeft dat zo duidelijk door een vliegreis geïnspireerd was: “Fasten your seatbelts” uit de bundel Tenk på noe annet. (Randi Langen Moen: Italia i Rolf Jacobsens diktning” in (Eva Maagerø, Elise Seip Tønnessen og Randi Langen Moen (red.) : Italiablikk)

is toch een nogal gewaagde bewering. Jacobsens geprefereerde vervoermiddel was trouwens zijn hele leven lang de trein.

Maar de opvallendste nieuwigheid in Tenk p֚å noe annet (1979) zijn de liefdesgedichten voor zijn vrouw Petra.

Til deg

Tiden går (hva skal den ellers ta seg til).

En dag hører du den banker på døren din.

Den har banket på hos oss,

men jeg lukket ikke opp.

Ikke denne gang.

Vet du,

jeg har ofte stått og sett litt på deg,

sånn om morgenen foran speilet der

når du kjemmer håret ditt, det

knitrer i det, som i sne i påskefjellet

og du bøyer deg litt frem (jeg ser det godt)

– er det kommet en rynke til?

– Det er det ikke. For meg

er du ung.

Det er sevje i deg, skog. Et tre

og med fugler i. De synger enda.

Kanskje litt lavt i høst, men likevel.

– Ikke en dag uten en latter i strupen,

eller det sakte streifet av en hånd.

En gang

må jeg holde den enda fastere,

for du vet, vi skal ut å reise snart,

og ikke med samme båt.

Noen har banket på døren vår, men gått igjen.

Dette

er visst det eneste vi aldri

har villet snakke om.

Vanuit het raam kijkt men uit op de Skappels gate. Het kwam bij me op dat dit misschien precies was waar de dichter stond toen hij de vrouw van wie hij hield de seringentak voorzichtig van de straat zag oprapen en naar binnen dragen. Ja, ineens was het bijna alsof ik haar stappen op de stoep kon horen. Ik geloof dat ze snel liep, Petra. En ik geloof dat ze zon op haar gezicht had toen ze binnenkwam. Ik geloof dat ze een zomerjurk met kleine bloemen droeg en dat ze snel even in de spiegel in de gang keek, zoals iedereen doet die een spiegel in de gang heeft, voor ze verder ging. Zag ze haar man bij het raam staan? Heeft ze misschien naar hem geknikt voor ze verder de keuken in liep met de seringen? Je hoorde haar de kraan opendraaien en water in een vaas gieten. Weer terug in de woonkamer zette ze de vaas op tafel. Misschien zei ze iets over hoe verlept de seringentak was voor ze zich vooroverboog om eraan te ruiken, want seringen ruiken heerlijk en kondigen de zomer aan. En misschien keek ze op hetzelfde ogenblik op en zag ze hem. En misschien glimlachte ze plots zo mooi als alleen een vrouw die een leven lang met een man heeft samengewoond plots kan glimlachen. Ja, misschien is dat gewoon de manier waarop ze hem een gedicht gaf?

In hetzelfde jaar werd Jacobsen geïnterviewd door Egil Elseth voor diens boek Ord i dikt … og vice versa (1979). Als antwoord op Elseths vraag

Du har vel en budskap du gjerne vil forkynne¸(“Je hebt wel een boodschap die je graag wilt uitdragen”)

antwoordde de dichter:

Ik ben een eenzame luisteraar – ik zit op een uitkijkpost. Een waarnemer. Misschien heb ik een iets langere antenne op mijn ontvanger dan de meeste mensen. Misschien kan ik andere stations ontvangen dan de gebruikelijke. Ik weet het niet. Wat ik ontvang, probeer ik om te zetten in begrijpelijke taal, en door te geven aan de mensen. Ik ben geen profeet – ik heb een hekel aan dat woord. Ik observeer en noteer dat in mijn groene notitieboekje. Daar kan het jaren staan tot de tijd rijp is en het een gedicht wordt. […] Ik heb iets gezien of gehoord. Dat probeer ik loyaal door te geven. Mensen mogen hun eigen conclusies trekken. Ik heb de oplossingen niet. In al mijn gedichten stel ik vragen. Iemand moet dat ook doen. Wat zegt Ibsen ook weer: “Ik vraag het gewoon, antwoorden geven maakt geen deel uit van mijn opdracht.”


Op 02.12.1983 overleed Jacobsens vrouw Petra na een hartinfarct. In het tweede deel van zijn laatste bundel, Nattåpent (1985) wijdde hij een aantal ontroerende gedichten aan haar, het zijn

enkele van de mooiste liefdesgedichten en tegelijkertijd sterkste gedichten over verdriet en afscheid die we hebben. (Hanne Lillebo)

Piggtrådvinter

-Ho.

Da vi giftet oss da var det kaldt, da.

Minst femogtjue harde,

solvervsdag, nittenførr,

krig og kvegpest.

Veien til kjerka var stengt med piggtråd.

Husker vi klatret over skigarden til prestegarden.

– Hei, kjolen din henger fast.

– nei ikke der men der.

Vi tråtte plogfurer over en is-klaka

potetåker opp til presten i serk

som sto klar med skriften.

– Jag efter kjærligheten, sa’n. Ja, sa vi.

Men du verden hvor møkkete vi var på bena.

Da vi hadde lagt oss om kvelden

grein vi en skvett, begge to. Gud

vet hvorfor.

Og så begynte det lange livet.

“O.K. – O.K.” uit een ander deel van de bundel werd later ook gepubliceerd in het Lesebok 1994, dat door het NEE-kamp uitgegeven werd naar aanleiding van het referendum over het EU-lidmaatschap, ook al is het zeker geen uitgesproken tendensgedicht:

O.K. – O.K.

Da vi kom ned fra steinrøysa og røsslyngen

og ble til et gatefolk

og satte gampene på stallen

og fikk syvmilskalosjene på og satte farten opp

ble det lettere for alle trøtte rygger,

selv om vi mistet alle luktene

av kløvereng og hestemøkk og kvae.

O.K. – O.K.

Og da vi kledte gatene med stein og speilglass

fikk våre bein og muskler hvile litt

og alle trøtte tanker

drev vi på dør med trommer og basuner

og farvet lys.

O.K. – O.K.

Men neste sving av veien vår

har gjort meg mer betenkt.

Fra himmelrommet sett blir allting smått

og litt foraktelig. En vei

blir til en sytråd, hus til fyrstikkesker,

til dukkelek for barn. En by om natten

ligner på en skogbrann sett fra store høyder.

Og blir det slik når vi får reist en tid

på vindens landeveier, kan én som snart

har sett det hele bli litt nummen.

Men O.K. – O.K.

Voor Nattåpent werd Jacobsen voor de vierde(!) keer genomineerd voor de Nordisk råds litteraturpris:

Hamar Dagblad, 15.11.1985

Eindelijk aan de beurt?

Voor de vierde keer werd Rolf Jacobsen voorgedragen voor de Nordisk Råds litteraturpris. Is de toonaangevende dichter uit Hamar eindelijk aan de beurt?

Ik ben blij met de voordracht, maar koester geen grote verwachtingen, zegt de genomineerde zelf. Hij wordt voorgedragen voor zijn dichtbundel Nattåpent (1985), die voor de eerste keer ook liefdesgedichten bevat. Ze zijn opgedragen aan zijn twee jaar geleden overleden vrouw.

Het is zeven jaar geleden dat de Nordisk råds litteraturpris nog naar een Noorse auteur ging. Of hij hem nu krijgt of de andere Noorse kandidaat maakt voor hem niet zo veel uit. Maar Noorwegen mag nog wel een keer aan de beurt zijn, vindt hij.

Jacobsen geeft ook aan dat Nattåpent wel de afsluiter van zijn literaire carrière zou kunnen zijn.

De andere Noorse genomineerde was Kolbjørn Brekstad voor zijn roman Stank av mennesker. De prijs ging uiteindelijk naar de Finse auteur Antii Tuuri.

Rolf Jacobsens nieuwe dichtbundel Nattåpent heeft vele harten geraakt en vele geesten veroverd: de oplagecijfers zijn gewoonweg verbazingwekkend hoog voor een poëzie-uitgave. De Nordisk råds litteraturpris waarvoor hij een van de geselecteerden was, heeft hij – helaas – niet gekregen, maar bij ons is het een zegetocht geworden. Hij is de jongste maanden veelvuldig geïnterviewd, deze subtiele observator van heel verschillende onderwerpen zoals “de metafysica van de stad”, “een landschap met graafmachines”, “regen op Goede Vrijdag” en “de stilte erna”. Een stem die het waard is om naar te luisteren. (St Olav 1986/3)

Nattåpent was ook commercieel een groot succes. De bundel bereikte de eerste plaats in Bokhandlerforeningens bestselgerliste for skjønnlitteratur, een unicum, tot Trygve Skaut hem dat in 2019 nadeed met Følg meg nå.


Hamar Dagblad, 20.01.1986

Rolf Jacobsen in het Amerikaans

Met de publicatie van The Silence afterwards krijgen poëzieliefhebbers in de Verenigde Staten echt de kans om met Rolf Jacobsens literaire productie kennis te maken. Een groot aantal gedichten uit de 12 bundels van de dichter uit Hamar zijn erin opgenomen. De enige bundel waaruit geen gedichten gekozen werden, is zijn laatste, Nattåpent.

In 1985 publiceerde de Amerikaanse dichter Roger Greenwald The Silence Afterwards, een uitgebreide en tweetalige selectie uit het werk van Jacobsen. Hij werkte daarvoor nauw samen met de dichter zelf:

Greenwald heeft de gedichten heel zorgvuldig vertaald, [hij is] een vermoeiende vertaler. Hij heeft er heel lang over gedaan en niets aan het toeval overgelaten. Hij komt de hele tijd met vragen en wil horen wat ik ervan denk.

zei Jacobsen in het krantenartikel hierboven.

Het voorwoord was van de hand van Poul Borum, volgens het artikel in Hamar Dagblad

een Deense dichter en een bekende en gevreesde criticus. Een tijd geleden kraakte hij zowat alle Noorse dichters af, maar enkelen vonden genade. Een van hen was Rolf Jacobsen. Borum heeft zich overigens altijd erg positief uitgelaten over Jacobsen. In zijn boek Poetisk Modernisme schrijft hij o.a. “Voor mij is hij überhaupt een van de boeiendste hedendaagse Europese auteurs.”

In dat voorwoord plaatste Borum Jacobsen in een internationale context:

In an international context, Jacobsen belongs to a generation of poets, most of them born in the first decade of the century, who published their first books in the thirties (…) most of these poets are less spectacular than the great generation of modernists born in the 1880s and nineties. They are marked by the economic and political detour of the thirties, and the general reticence of their style can be seen as a reaction to the literary boom of Isms in the twenties: they did not want to be spectacular.

Like many novelists of the thirties, these poets tend toward greater “realism”, including a direct “social consciousness” for which there was no room in the metaphorical orgies of the surrealists.

Over Jacobsens houding tegenover techniek en technologie schreef Greenwald in zijn introductie:

In treating technology, Jacobsen always focuses on the relation they have to what is human, or on the light that their use as metaphors can cast on what is human. That is why air travel, subways, television, and advertising earn harsh treatment, newspapers and radio get better than even breaks, and railroads inspire lifelong admiration.

Over de poëzie die Jacobsen schrijft klonk het zo:

the way he writes evinces his humility at every turn. In the first place, he has tried to create poems that will be accessible, though not oversimplified. Second, he concentrates on subjects other than the self, treating himself mainly as an instrument for their elucidation.

Greenwald citeerde ook uit James Larsons bespreking van Jacobsens Samlede dikt:

Jacobsens ambition as a poet has always been to present his subjects naively and distinctively, without addition or subtraction. His poetry is clear but not familiar, and simple but never facile; its justice lies almost entirely in the choice and propriety of terms.

In 2002 publiceerde Greenwald North of the world, waarin ook gedichten uit Jacobsens laatste bundel Nattåpent opgenomen zijn.


Ook tijdens zijn laatste levensjaren bleef Rolf Jacobsen zich actief inzetten voor milieukwesties die de lokale gemeenschap beroerden. In 1989 werd hij erelid van Hamar Natur og Ungdom en in 1991 stond hij samen met enkele andere lokale cultuurprominenten zoals Knut Faldbakken op de By- en Bygdelista voor de gemeenteraadsverkiezingen:

De BBL omschrijft zichzelf als

een niet-ideologische partij die vindt dat politieke beslissingen over de toekomst van Hamar moeten gebaseerd zijn op gezond verstand, correct gedrag en onderbouwde kennis van wat het beste is voor Hamar.

Een van Jacobsens laatste publieke optredens was zijn deelname aan een seminarie over de poëzie van Olav H. Hauge in Flisa in maart 1993. Datzelfde jaar bracht zijn uitgever Gyldendal een kerstboek uit dat volledig aan hem gewijd was.

Op 15 februari 1994 zou hij samen met zijn stadsgenote Hanne Lystad een bezoek brengen aan het Hedmarksmuseum, maar hij voelde zich niet goed en bleef thuis. Drie dagen later werd hij in het ziekenhuis opgenomen en overleed daar op 20 februari 1991.

foto Trond Nygård CC-BY-SA

Rolf Jacobsen ligt begraven op het kerkhof van Hamar samen met zijn vrouw Petra en zijn moeder Marie, hoewel die laatste nooit echt geaccepteerd had dat haar zoon (maar) met een kleermakersdochter getrouwd was…


Kort voor haar dood publiceerde emeritus hoogleraar en Hamsun-kenner Amy van Marken een bloemlezing uit het werk van Jacobsen met als titel De stilte achter mijn voet (Holmsterland/SKF, 1994). De bloemlezing bevat een veertigtal gedichten. Alle bundels zijn erin vertegenwoordigd, Hemmelig liv en Stillheten efterpå het best. De titel van de bloemlezing verwijst naar het gedicht “Tett bak din fot” uit Brev til lyset:

Tett bak din fot

er all stillhet størst

Dat Jacobsen erg populair blijft bewees ook de rubriek “Del et dikt” in Aftenposten een aantal jaar geleden. Iedere week presenteerde een min of meer bekende Noor daarin zijn lievelingsgedicht en gaf daar wat commentaar bij. Rolf Jacobsen was de meest gekozen dichter, Haldis Moren Vesaas was een mooie tweede.

de verzamelde gedichten als Gyldendal pocket

In een bijdrage in Frøkorn av ild: om Rolf Jacobsens forfatterskap (1993) onderzoekt Asbjørn Aarnes de relatie tussen Rolf Jacobsen en het modernisme. Hij beantwoordt eerst de vraag wat men onder “modernisme” verstaat.

Het begrip “modernisme” dook voor het  eerst op in het eerste decennium van de twintigste eeuw als naam voor een kunstrichting die brak met het symbolisme en de nieuwe romantiek die de jaren 1880 – 1890 domineerden. Het modernisme stond vanaf 1912 voor een conglomeraat van tendensen in de dichtkunst en de beeldende kunst met een inslag van het futurisme en het surrealisme. Het begrip vond eerst ingang in het Engels- en Zweedstalige gebied. In Frankrijk werd de term nauwelijks gebruikt, ook al waren veel van de uitgangspunten Frans.

Het modernisme stond erg kritisch tegenover de sfeer, het suggestieve en de muzikaliteit die het symbolisme typeerden. Terwijl men vroeger had beweerd dat een goede stijl er een was die onopgemerkt bleef, poneerde het modernisme net het omgekeerde: de beste stijl is de stijl die opvalt. Het concrete, als synoniem voor het feitelijke, het beleefde, werd een verzamelingspunt.

De beweging was anti-intellectualistisch qua strekking en zocht inspiratie in de zogenaamde “primitieve kunst” en in de periode in de Westerse cultuurgeschiedenis die aan de doorbraak van het rationalisme voorafging: de barok. Daar waren de grenzen tussen “ding” en “voorstelling”, tussen “gevoel” en “lichamelijkheid” nog niet scherp getrokken. De barok was de periode van de metafoor, de tijd waarin het nog mogelijk was iets via iets anders te zien, omdat de gedachte dat alle dingen met elkaar verwant waren, nog levend was.

In het modernisme was niets te “ruw” of te “rot” om als kunst te figureren. Het ging erom het culturele achter zich te laten of nieuw en verrassend gebruik te maken van kennis en cultuur, zoals dat bijvoorbeeld het geval is in T.S. Eliots The Waste Land.

Het poëtisch vocabularium werd uitgebreid met dagelijks taalgebruik, technische termen en “harde” feiten.

Het modernisme stond zowel voor kritiek op de beschaving als voor kritiek op de artistieke methodes en praktijk. Tegenover een periode waarin kunst en cultuur als het hoogste goed beschouwd werden, stond nu een periode van kras realisme dat een inventaris van de moderne wereld wou tonen. In de plaats van een “zacht” impressionisme, dat zich in stemmingen en toestanden inleefde, kwam er nu een robuust expressionisme dat zich uitleefde in beeldtaal en een zogenaamd “ademend ritme”.

Het is binnen dit kader dat Rolf Jacobsen in Noorwegen gezien wordt vals een vroege modernist, sommigen hebben hem zelfs de eerste Noorse modernist genoemd. Het modernistische aspect is qua woordkeuze en qua ritme duidelijk aanwezig in Jacobsens eerste twee bundels, Jord og jern (1933) en Vrimmel (1935). De techniek (machines en het leven in de grootstad) maakt zijn intrede in de poëzie; een van de vroege gedichten heet “De metafysiek van de stad”. Het is ook een bekend thema in de vroege Franse en Belgische aanzetten tot het modernisme.

Jacobsens houding tegenover de techniek is dubbelzinnig. De techniek heeft iets onmenselijks, maar zorgt terzelfder tijd voor verwondering. Die visie herinnert aan Heideggers woorden in Vragen over de techniek: we mogen ons niet alleen bezighouden met de humanistische visie op de techniek, die zegt dat hij iets is dat we moeten leren beheersen en aanwenden voor menselijke doeleinden. Dan bestaat de mogelijkheid dat we net dat missen wat de techniek ons wil zeggen, namelijk dat niet alles beheersbaar is, dat er iets is wat de subjectiviteit overschrijdt, iets waar we ons luisterend tegenover moeten stellen.

Zit er niets analoogs in Jacobsens eerste gedichten? Het lied van de wereld komt van de elektriciteitsleidingen, de graafmachines, de bussen en vooral van de treinen. Al wat lawaai maakt op aarde en in de machines is groter en sterker dan bewustzijn en subjectiviteit. Het is daar, tussen de machines, dat er iets gebeurt, dat dingen ontstaan en verdwijnen, het is daar en niet in het denkende ik dat we kunnen leren over de creatie en het mysterie van het zijn. De techniek maakt de van het ik onafhankelijke wereld der dingen zichtbaar: een terrein waaruit het bewustzijn verdwenen is. In enkele van Jacobsens gedichten blijft de menselijke aanwezigheid beperkt tot voetstappen of het roken van een sigaret.

In Jacobsens latere bundels komt er een ommekeer, we kunnen misschien zeggen een ommekeer in de richting van het humanisme. De techniek verliest zijn dubbelzinnig karakter en wordt een monster dat de mens en de aarde kan vernietigen.

In het hedendaagse debat over het postmodernisme wordt het begrip “modernisme” verbonden met het mensbeeld en de filosofie van die tijd: het idee dat het onafhankelijke subject zich losgemaakt heeft van gelijk welk juk van verleden en heden en vertrouwen heeft in de toekomst. Het modernisme reageert op wat de tijd zegt, het doet een beroep op de kunstenaar en toont hem de taak die hij moet uitvoeren.

Bij Jacobsen is er weinig sprake van nationalisme of van een optimistische toekomstvisie. Hij ziet de tijd als een voortschrijdend proces: brengt hij niets goeds, dan brengt hij in elk geval iets nieuws, en daar is Jacobsen nooit ongevoelig voor. Er is wel beweerd dat het de journalist Jacobsen is die zich hier laat gelden.

In het laatste deel van zijn betoog gaat Aarnes dieper in op het nut van literair-historische classificatiebegrippen zoals romantiek, realisme, symbolisme en modernisme. Ze kunnen heel nuttig zijn om schrijvers en kunstenaars te karakteriseren die nog maar net gedebuteerd hebben. Moeilijker wordt het om ze te gebruiken voor schrijvers en kunstenaars die al langere tijd actief zijn en na hun debuut een andere richting ingeslagen zijn: bepaalde kenmerken zijn dan niet langer aanwezig, andere kwamen ervoor in de plaats. Helemaal hopeloos wordt het bij kunstenaars die zich zo hebben ontwikkeld dat hun eigenheid een categorie op zichzelf geworden is.

Een essentieel en zich in latere bundels steeds sterker manifesterend kenmerk van Jacobsens poëzie, waardoor die fundamenteel verschilt van het symbolisme en het modernisme, is dat het vertellend element centraal staat, een sprookjesachtig, aan Chagall herinnerend element dat impressionisme en expressionisme in zich verenigt. Voor Emil Boyson is de sprookjesachtige fantasie het typerende kenmerk van Jacobsens poëzie: zonder fantasie is de waarneming blind en op gewoonte gebaseerd. “Pavane”, dat ook door Jacobsen zelf als zijn beste gedicht beschouwd werd, heeft een regelmatig metrum en haalt zijn sterkte precies uit de combinatie van waarneming en fantasie.

Het vertellende element heeft bij Jacobsen een zekere onevenwichtigheid: hij lijkt niet helemaal bij de tijd te zijn met wat er gebeurt, past zich wat traag aan. We zouden geneigd zijn te zeggen dat hij een wat achterblijvende visie heeft die tastend en fabulerend met wat verouderde interpretaties komt die het vergevorderde, “verlichte”” standpunt nog niet bereikt hebben.

Hoe zit het dan met deze verhalen? Na naar ze geluisterd te hebben in alle dichtbundels van Jacobsen, zijn vele lezers tot de conclusie gekomen dat ze gewoonweg de waarheid vertellen. Wie achteroploopt heeft het bij het rechte eind; het is met andere woorden bij ons dat de onevenwichtigheid zit. De verhalen zeggen dat we te lang of te ver gereisd hebben en onderweg iets over het hoofd gezien hebben. De verteller van Jacobsen past in het mythische beeld van Askeladden, die nooit de snelste weg koos, maar alle zij- en omwegen nam en daarom uitgelachen werd door zijn oudere broers Per en Pål. En toen bleek dat hij alles wat hij later kon gebruiken opgeraapt had.


Heel veel informatie over Rolf Jacobsen is te vinden

► in Hanne Lillebo’s biografie Ord må en omvei (Aschehoug, 1998)

en

► op de website van de Rolf Jacobsens Venner

rolf-jacobsen.no

Rolf Jacobsen werd in meer dan twintig talen vertaald. Enkele vindplaatsen op het internet (klik op de nummers):

Engels:

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10


Frans

1


Nederlands

1

2

3

4

Duits

1

2

3

Noors

1

en vele andere websites (probeer Google) – zo zijn al de hierboven aangehaalde gedichten op het internet te vinden.

Terug naar startpagina