Roy Jacobsen

foto Wikipedia

Roy Jacobsen (1954) groeide op in het Groruddal in een “traditioneel” arbeidersgezin. Op jonge leeftijd was hij o.a. visser, schrijnwerker en hulpverpleger.

Hij maakt deel uit van een groep vertellers die rond 1980 op de voorgrond traden en afstand namen van de sterk links georiënteerde en eerder experimentele schrijvers die elkaar oorspronkelijk rond het tijdschrift Profil uit de jaren 70 gevonden hadden.

In verschillende interviews heeft hij zijn aversie uitgesproken tegen moralistische en pedagogische literatuur van welke soort ook, zeker als die van politieke aard is. (…) Hij is de auteur van realistische werken die zich op het snijpunt van de sociale en de psychologische roman bevinden. (…) Zijn klare en aan de spreektaal verwante stijl wordt gekenmerkt door vertelplezier en inzicht in milieus en mensen. (Øystein Rottem, Etterkrigslitteraturen, Vår egen tid 1980-1998)).

In Dagbladet (28.10.1999) formuleerde hij het zo: Roy Jacobsen is

een van onze competentste pennen, veelzijdig in zijn onderwerpkeuze, diepgravend in zijn portretten van mensen, scherp in zijn analyse van sociale relaties, een man met verbeeldingskracht, maar ook een speurhond, gulzig in zijn zoektocht naar actuele gebeurtenissen waaruit hij verhalen kan creëren.

Jacobsen noemt de bekende IJslandse Njåls saga zijn lievelingsboek. Andere favoriete auteurs zijn Grass, Garcia Márquez en Saramango.

Jacobsen wordt wel eens “de verteller van de sociaaldemocratie” genoemd. Over de Noorse versie van die sociaaldemocratie zei hij in een interview in NA Newsletter (07.10.2020):

After the War we made the Nordic welfare system, built on trust. And it has stayed with us. When I try to explain Norwegian politics to Americans, they think I’m insane. The temperature of political debate is very high here, but the differences are small. Viewed from the outside you can hardly see any, if you are honest. Elsewhere, polarisation has become the new religion.

Over Jacobsens stijl schreef zijn Nederlandse vertaalster Paula Stevens (letterenfonds.nl, 04.2021) o.a. het volgende:

Waarom is het zo moeilijk om Jacobsen te vertalen? Mijn Engelse collega Don Bartlett beschrijft Jacobsens stijl als volgt: onsentimenteel, gestript tot op het bot, gebeeldhouwd, beknopt, secuur, gekalibreerd, geen woord te veel, geen woord te weinig, lange zinnen die hun eigen regels en ritme volgen, poëtisch. En dat klopt. Sommige schrijvers hebben een pagina nodig om een scène, een sfeer te beschrijven, Jacobsen doet dat vaak in één enkele zin. Dat is fijn voor de lezer. Maar niet voor de vertaler.

Roy Jacobsen overleed op 18 oktober 2025. Naar aanleiding van zijn dood schreef de Noorse premier Jonas Gahr Støre:

Norsk litteratur har mistet en av våre aller største. — De Noorse literatuur heeft een van onze allergrootsten verloren.

Elf van Jacobsens romans werden in het Nederlands vertaald.


Det nye vannet (1987) (Het nieuwe water, 2001)

een “coole” manier van schrijven zorgt voor een heleboel “gaten” in de tekst die door de lezer gevuld dienen te worden. (Norsk biografisk leksikon)

Het gevaar is dan dat het gevoel van het niet helemaal doorhebben bij de lezer de kop opsteekt. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren tijdens de lectuur van Det nye vannet***. Deze roman uit 1987 speelt zich af in een kleine eilandgemeenschap in Noord-Noorwegen. Het meisje Lisa wordt er al een paar jaar vermist. De lokale bevolking begint haar verdwijning te accepteren, maar dan komt dorpszonderling Jon met allerlei hints en halfslachtige tekens. Het onderzoek naar de verdwijning wordt hervat, en nogal wat duistere kanten van het leven in de eilandgemeenschap komen aan de oppervlakte na de komst van rechercheur Hermansen uit Oslo.

Det nye vannet is en een combinatie van diverse romantypes. Het boek heeft kenmerken van

► de detectiveroman: er is iemand verdwenen, misschien wel vermoord.

► de liefdesroman: hoofdfiguur Jon is verliefd op de verdwenen Lisa.

► de psychologische roman: Jon is

Een sul en een halvegare, maar gehaaid als de bliksem (vertaling Paula Stevens)

zoals rechercheur Hermansen het formuleert.

► de streekroman: steeds meer mensen verlaten het kleine eiland voor de Noord-Noorse kust. Een nieuwe waterleiding (“det nye vannet” van de titel) is een poging om dat tij te keren.

en

►de filosofische roman: nogal wat personages worstelen met “onzekerheid”: Jon, die het liefst heeft dat alles bij het oude blijft, wordt geconfronteerd met het plan van zijn met hem samenwonende zus Elisabeth om weg te trekken; Elisabeth zelf weet niet welke kant haar verhouding met haar getrouwde collega-onderwijzer Hans uit zal gaan.

Verteltechnisch loop je als lezer dus het gevaar om op het verkeerde pad gezet te worden. Wat er gebeurt volg je via het centrale karakter Jon, maar je kunt je onmogelijk van de indruk ontdoen dat er informatie achtergehouden wordt. En wat te denken van details die niet kloppen? Zo steekt Jon

een spuitbus rode verf in zijn zak (vertaling Paula Stevens)

en dat levert een paar bladzijde verder

groene spuitbusletters (vertaling Paula Stevens)

op. En er is ook de occasionele verwarring van Elisabeth en Lisa, iets waar ook Hermansen zich aan bezondigt.

Jacobsen gaf zelf in een interview met Live Løveid op de website van uitgeverij Cappelen grif toe dat

het boek vol raadsels zit. Het grootste raadsel is vanzelfsprekend wat Jon met Lisa’s verdwijning te maken heeft. Merkwaardig genoeg is hij het die anderen attent maakt op wat een door hem gepleegde moord kan zijn. De vraag is of hij dat zelf wel beseft. […] De tekst gebruikt een onbetrouwbare verteller, en de verteller geeft Jons leugens en verdraaiingen door en doet alsof hij “vergeet” de lezer te vertellen wat Jon “vergeet”.

Hilde Proot (De Standaard, 29.11.01) sprak van een “ongekende Kafkaeske leeservaring”:

De roman kun je het best bekijken als een film die in onbewerkte vorm, zonder de montagekamer gepasseerd te zijn, aan het publiek wordt vertoond. Je ziet een aantal lukrake scènes op het doek en moet noodgedwongen zelf het verhaal in elkaar puzzelen zonder het scenario te kennen. Een echte breinbreker dus, vooral omdat de filmbeelden heel veel informatie bevatten.

En zo kan Det nye vannet dan ook nog begrepen worden als

een postmodern vertoog over de legitimiteit van de literatuur. Verhalen, zo lijkt de boodschap, zijn slechts krampachtige pogingen om de logische samenhang te ontdekken van een reeks reële of fictieve gebeurtenissen.

Det nye vannet kreeg erg goede kritieken.

Pieter Van Den Blink (Trouw, 03.11.2001) noemde Jacobsen

een groot verteller

en vergeleek hem met Gabriel Garcia Márquez:

De overeenkomsten zitten in het vermogen om de lezer te tonen hoe de seizoenen over een klein dorpje trekken, en in het spel van de schrijver met de grenzen tussen waanzin en gezond verstand […] En er is het element van spanning en sensatie, met direct aan het begin een lijk dat opduikt, of liever gezegd opgedoken wordt.

Noorse recensenten wezen (als het over de hoofdfiguur gaat) vooral op gelijkenissen tussen Jon en Mattis uit Tarjei Vesaas’ roman Fuglane (1957).

Ragnar Arntzen (Vinduet 1987/4) noemde Det nye vannet

een echt goede roman

en wees erop dat

het uiteindelijk het misdaadelement van de intrige is dat de handeling voortstuwt en de nerveuze en gespannen onrust creëert die al vanaf de eerste bladzijden aanwezig is. Het misdaadgenre blijkt een bijzonder geschikt vehikel te zijn voor Jacobsens project, dat niet zozeer wil beschrijven wat is, maar veeleer wil onthullen wat niet zichtbaar is […] Er is niet één enkele waarheid, en de waarheden die onthuld worden, blijken later halve waarheden, geruchten en illusies te zijn. Wanneer één laag verwijderd wordt, wordt gewoon een nieuwe laag zichtbaar […] Det nye vannet is een spannende clash tussen traditie en afreis, tussen het normale en het afwijkende, tussen dorp en stad.

Leif Asbjørnsen (Moss Avis, 03.12.1987) vond Jon

een fictiefiguur die verder zal leven in het bewustzijn van de lezer lang nadat de laatste bladzijde gelezen is – angstaanjagend en fascinerend zoals het leven zelf.

Erik Arentz (Kragerø Blad, 19.12.1987) was vooral te spreken over de manier waarop

het milieu van een kleine, geïsoleerde eilandgemeenschap

beschreven wordt en over de

grondige en begripsvolle beschrijving van de reacties van een dorpszonderling.

Øystein Rottem (Arbeiderbladet, 09.09.1987) noemde Det nye vannet

een geniale roman […] Het is jaar en dag geleden dat ik nog een nieuwe Noorse roman heb gelezen die zo veel indruk op me maakte […] Met onovertroffen inzicht en een zelden gezien inlevingsvermogen brengt hij het psychische landschap van een eenvoudige dorpszonderling in kaart.

Als psychologische studie én als taalesthetische creatie is het boek geniaal. Jacobsen beheerst de tweeledige presentatievorm van meevoelen en analyseren tot in de puntjes, het kenmerk van de grote auteur van psychologische romans […] Een psychologische en een sociale roman. Een misdaadverhaal en een liefdesverhaal. Een tekst die de dialoog aangaat met andere teksten. Maar ook een commentaar op een maatschappelijke ontwikkeling die de waarden en het bestaan van kleine dorpsgemeenschappen bedreigt. Alles samengevlochten zonder dat er een dorpsmuseumsgeurtje aan kleeft.

De recensent van Kirkus Review (01.05.1997) omschreef de romans als

A claustrophobic and riveting psychological novel […] A superbly constructed thriller, and a memorable characterization of a man who scarcely knows himself whether he’s hero, villain, or victim.

Roy Jacobsen, Het nieuwe water, vertaald door Paula Stevens, Baarn (De Prom), 1987   ISBN 978-90-6801-701-2


In Grenser (1999) (Nederlandse vertaling: Grenzen *** (2000)) maakt de verteller op een bepaald ogenblik een onderscheid tussen een brug en een “brug”, waarbij de tweede wel de functie vervult van een brug maar er niet echt zo uitziet. Als je dit principe doortrekt naar Grenser dan heb je hier niet te maken met een roman maar met een “roman”, alleen al omdat je m.i. dit boek bij wijze van experiment van achteren naar voren (d.w.z. beginnen bij het laatste hoofdstuk, dan het voorlaatste hoofdstuk en zo verder tot je bij hoofdstuk 1 aangeland bent) kunt lezen.

Ook dit boek laat zich inhoudelijk niet gemakkelijk definiëren. Een oorlogsroman, maar soms heeft het boek ook iets van een literaire heimatroman. Grenser gaat in ieder geval over de oorlog (en dan vooral de Tweede Wereldoorlog). Een aantal min of meer los van elkaar staande verhalen met wel vaak dezelfde personages illustreren hoe die hun oorlogservaringen beleven en later (proberen te) verwerken.

Met Noorwegen heeft het niets te maken. Het is het ministaatje Luxemburg dat de achtergrond levert. Waarom Luxemburg? Geïnterviewd door David van Reybrouck zei Jacobsen in 2000 daarover in De Morgen:

Ik ben al vijfentwintig jaar getrouwd met deze contreien. Mijn vrouw komt uit Sankt-Vith (…) Al vanaf mijn eerste bezoek dacht ik na over dit curieuze hoekje van Europa met zijn gemengde, ironische geschiedenis die niet gemakkelijk te begrijpen is voor een Noor. Wij waren ook bezet, maar zaten aan de goede kant. We wonnen, vierden met de geallieerden, konden de Duitsers opsluiten, ons geweten zuiver houden. Ons nationalisme was zeer clean! Mijn schoonvader daarentegen was Duitstalig en werd een pion in het Derde Rijk. Hij moest een Duits uniform dragen en werd naar het Oostfront getuurd.

Over dat Oostfront gaat het lange, centrale hoofdstuk “Marsjallens samvittighet”. Dat is helemaal gewijd aan de faliekant afgelopen, halfslachtige pogingen van het Duitse invasieleger om het door de Russen omsingelde zesde leger van Paulus uit Stalingrad te ontzetten. Jacobsen heeft hier voor een apart standpunt gekozen: geen uit de eerste hand relaas van de gevechtshandelingen; alles wordt geobserveerd vanuit de commandopost van veldmaarschalk Erich von Manstein in Novotjerkask, een dertigtal kilometer achter (en buiten) het strijdtoneel. Daar bevindt zich de Luxemburger van Belgische afkomst Markus Hebel, die als “Neudeutscher” in het Duitse leger ingelijfd werd en nu als verbindingsofficier fungeert. Markus is ook persoonlijk betrokken bij de kritieke toestand in Stalingrad. Zijn zoon Peter bevindt zich in de “kjele” en diens onduidelijke lot zal Markus ook na de oorlog blijven bezighouden.

In dit centrale hoofdstuk, maar ook op andere plaatsen in de roman, blijkt Jacobsens gedegen historische bagage. Wist u bijvoorbeeld dat de Amerikanen Luxemburgers die voor Hitler-Duitsland gevochten hadden naar een soort heropvoedingskamp in Schotland stuurden voor

misdaden begaan tegen het eigen vaderland?

Als lezer weet je natuurlijk wat het uiteindelijke lot van Paulus en zijn manschappen zal zijn, maar toch blijf je (en hier blijkt Jacobsens vakmanschap) uitermate geboeid de evolutie op het slagveld volgen.

De auteur confronteert de lezer ook met een probleem waar de geschiedschrijving voortdurend mee te maken heeft: hoe betrouwbaar is een individuele bron? Markus (die na de oorlog een originele manier gevonden heeft om zich van de buitenwereld af te zonderen) vertelt zijn verhaal immers pas jaren na het einde van de Tweede Wereldoorlog – aan zijn petekind Robert, de zoon van een Luxemburgse lerares en een Amerikaanse (?) soldaat (?) die na een kort liefdesavontuur spoorloos verdween. Markus’ verhaal wordt via een verteller gepresenteerd en die is er niet altijd van overtuigd dat Markus echt objectief is wanneer hij het heeft over de rol die hij zelf heeft gespeeld. Toch hoort de lezer achter die verteller ook vaak Markus’ stem en zeker dan heeft Jacobsen een voorkeur voor lange zinnen vol nevenschikkingen en uitweidingen – een soort gestileerde versie van gesproken taalgebruik:

“Bedankt,” zei de officier die hem weer aan zijn zoon deed denken, hem eraan herinnerde dat hij die een paar uur vergeten was, en hij vroeg zich af waarom hij hem had opgegeven, of zijn lot aan competentere krachten had overgelaten, aan Von Manstein en God, want hij had geen ideeën meer, geen oplossing, en hij dacht aan wat de jongen had gezegd over zijn grootvader – “opa”—die de geest van Moltke de rug had toegekeerd, de grote Pruisische krijgsheer die wist dat een veldheer slechts één vrije keus heeft, of hij de oorlog in zal gaan of niet, alles wat daarna komt zijn noodoplossingen, maar hij bleef niet aan Moltke denken, maar aan zijn vader, die niet stil kon zitten in de idyllische Ardennen, maar die vrijwillig de wortels van zijn familie en daarmee zijn dood opzocht, en dan aan het bijzondere gegeven dat hij, Markus, maar één foto van hem heeft, genomen toen de man nog een kind was; zijn vader hing aan de muur van de woonkamer in Clervaux en was niet ouder dan Markus’ zoon, Peter, die in het lijstje naast hem glimlachte, terwijl Markus zelf als een toren van ouderdom tussen hen in hing, een berg van ervaring, wijzer en vermoeider, misschien ook wel de enige overlevende, hij ging zich verkleden. (vertaling Paula Stevens)

Grenzen

zijn er niet alleen om vriend van vijand te scheiden, één taal van een andere, mij van jou en buren van degenen die dat niet noodzakelijkerwijs zijn, of om te verhinderen dat men zo zonder meer van één verhaal overstapt op een ander, ze zijn er ook om overschreden te worden, op het juiste ogenblik.. (vertaling Paula Stevens)

De grenzen waarover het in de roman gaat zijn dus niet alleen grenzen van geografische (en militaire) aard, het zijn ook emotionele, ethische en symbolische scheidingslijnen. Voorbeelden zijn o.a. het mooie en op zichzelf staande hoofdstuk “Wilhelm Tells formel” (over een circusartiest die buiten de maatschappij komt te staan) en “Hai”, waarin Willem van Oranje te weten komt wat er in Leiden tijdens de bezetting door de Spanjaarden gebeurde.

Jacobsen zei in een interview met de krant Aftenposten (28.10.1999) dat

Alle figuren in het boek (…) verschillende strategieën [hebben] die ze in staat stellen met de wonden van de oorlog te leven.

De roman zou dan ook “Broer” (“Bruggen”) kunnen heten want die spelen zowel figuurlijk als letterlijk een grote rol in de roman:

Grenzen zijn littekens, zegt men in de Ardennen, laat ze niet tot wonden worden, of laat de wonden dichtgroeien, bouw bruggen en deel de kosten broederlijk (vertaling Paula Stevens)

Of het Roy Jacobsens beste roman is, is voor discussie vatbaar, maar het is ongetwijfeld een roman die door zoveel mogelijk mensen gelezen zou moeten worden.

schreef Øystein Rottem (Dagbladet, 28.10.1999). Het is inderdaad een merkwaardige roman, ook omdat je je als lezer moeilijk van de indruk kunt ontdoen dat er je ergens toch iets ontglipt: “een raar boek” vond David van Reybrouck en Steinar Lillehaug (Dag og Tid, 16.12.1999) schreef:

Ik vind het een minpunt van de roman dat de lezer pen en papier moet tevoorschijn halen om bij te blijven.

indringende en soms bijna magische roman (met een prachtig begin) over de moeilijke vraag of je een keuze die mensen op een bepaald ogenblik in de geschiedenis hebben gemaakt, kunt beoordelen met de morele inzichten van nu.

vond Paul Verhuyck (De Standaard, 17.12.2001).

Roy Jacobsen, Grenzen, vertaald door Paula Stevens, Baarn (De Prom), 2000   ISBN 90-6801-705-5


De omvangrijke roman Frost ***½ (2003) (Nederlandse vertaling: Vorst (2005) speelt zich af in achtereenvolgens IJsland, Noorwegen en Engeland aan het einde van de tiende en het begin van de elfde eeuw. Erewraak speelt een belangrijke rol in de toenmalige maatschappij, en dus ook in het leven van de in 993 op IJsland geboren hoofdfiguur Torgest Torhallason. Wanneer zijn vader gedood wordt door de machtige Viga-Styr,

de ergste misdadiger van IJsland (vertaling Paula Stevens)

past hij op nog jonge leeftijd het “oog om oog, tand om tand-principe” toe dat hij later in het boek zo omschrijft:

Ik heb hem vermoord omdat ik niet anders kon volgens de wet die onze harten stuurt en die ons beveelt nooit een broer en een vriend in de steek te laten, maar hem te wreken, al is dat het laatste wat we doen. (vertaling Paula Stevens)

Fysiek is Torgest niet erg sterk: klein en dus

geen krijger […] om over naar huis te schrijven (vertaling Paula Stevens)

zoals hij ook nog in de roman beschreven wordt – misschien wordt zijn voornaam daarom wel afgekort tot Gest?

Het gevolg van Gests wraakneming is dat hij IJsland moet ontvluchten met Onund, Viga-Styrs jongste zoon, op de hielen. Gest belandt in Trondheim, maar Onunds aankomst daar dwingt hem ertoe om op andere plaatsen in het land zijn toevlucht te zoeken. Uiteindelijk komt hij via Hov (in Zuid-Noorwegen) in Engeland terecht, en vecht daar aan de zijde van de jonge koning Knut tegen de Engelsen. Op dat ogenblik is het allang niet meer bij die ene, “gerechtvaardigde” moord gebleven.

Gests maatschappij is een mannenmaatschappij. Een belangrijke rol in zijn leven spelen o.a. Teitr, een wildeman die hem (tegen de wil van zijn opdrachtgevers in?) helpt om IJsland te ontvluchten, Jarl Erik Håkonsson, de heerser over het deel van Noorwegen dat Trondheim als hoofdstad heeft, de niet al te dappere priester Knut en Runolv, een indirect slachtoffer van Gests wraaknemingen.

Een mannenmaatschappij, maar één met sterke vrouwen. Daartoe behoren o.a. de rijke weduwe Ingebjørg, een vrouw

die niet mooi of lelijk was, niet jong of oud, en die ook op niemand anders leek (vertaling Paula Stevens)

en de jongste dochter van de machtige Ingolv Ørnolvsson uit Hov. Allebei hebben ze een kind van Gest, geen van beiden zal hij nog terugzien nadat hij ze verlaten heeft.

En wat doet het leven met Gest zelf? Heeft hij uiteindelijk

genoeg van alles wat met hoofdmannen en macht te maken had, ook met die kanten van de zaak die de zegen van de kerk hadden  (vertaling Paula Stevens)

Die kerk (of beter: het zich langzaam verspreidende christendom) is voortdurend aanwezig op de achtergrond (en soms ook op de voorgrond), zonder daarom veel impact op de heersende wraakcultuur te hebben:

De wraak lijkt overal te gedijen […] hoe je het ook wendt of keert, welke god je ook vereert.(vertaling Paula Stevens)

zegt de hierboven al vermelde jarl. Het christelijke geloof is overigens vaak niet meer dan een wat vaag begrip voor

iemand die […] tegenstribbelend geloofde (vertaling Paula Stevens)

en die er dan nog vaak om opportunistische redenen zijn toevlucht toe neemt, en dat leidt soms tot in onze ogen bizarre situaties: op een bepaald ogenblik worden Gest en Knut door drie mannen met de dood bedreigd maar weten ze hun leven te redden door de drie in het ijskoude water van een meertje te dopen en er daarna voor te zorgen dat ze letterlijk sterven van de kou.

Net zoals bij de saga’s, waar de roman duidelijk naar verwijst, is Frost uitgesproken episch van karakter: alles (en er gebeurt heel veel) wordt zuiver chronologisch verteld, beschrijvingen van personen en landschappen nemen een bescheiden plaats in, de verteller onthoudt zich meestal van persoonlijk commentaar op wat er gebeurt. Gest staat centraal: hij is zo goed als altijd lijfelijke aanwezig. De stijl (met veel nevenschikkende zinsbouw) sluit nauw aan bij de vertelwijze. Dat de roman echter terzelfder tijd toch hedendaags aandoet qua karakter en probleemstelling is een van Jacobsens grote verdiensten.

Wat Arne Aspaas (Moss Avis, 02.11.2003) opviel was

de rijkdom qua taal- en beeldgebruik. Vele mooie natuurbeschrijvingen, en typeringen die getuigen van psychologisch inzicht. Frost is niet alleen een grootse en boeiende historische roman, het is ook een ontwikkelingsroman. Jacobsen is een eersteklas verteller en stilist.

Frost werd genomineerd voor de belangrijke Bragepris.

Roy Jacobsen, Vorst, vertaald door Paula Stevens, Utrecht (Signature), 2005, ISBN  978-90-5672-136-4


De korte roman Hoggerne***½ (2005) (Nederlandse vertaling: De schlemiel van Suomussalmi (2007)) speelt tijdens de Winteroorlog die Finland en de Sovjet-Unie eind 1939 en begin 1940 uitvochten. Tijdens het Sovjetoffensief passen de Finnen in het dorp Suomussalmi de techniek van de verschroeide aarde toe: het dorp wordt eerst ontruimd en daarna in brand gestoken.

Eén inwoner weigert echter pertinent om te vertrekken: Timmo Vatanen. Hij voorziet de rest van het dorp van het hout dat ze nodig hebben voor de verwarming van hun huizen. Timmo gaat door voor de dorpsgek; hij is de schlemiel uit de Nederlandse titel:

de meeste mensen hier hebben medelijden met me, als ze zich niet aan mijn uiterlijk ergeren of om andere redenen de spot met me drijven, maar dat heeft me nooit iets kunnen schelen, want het zijn vaak dezelfde mensen die me het ene moment zielig vinden en die het volgende ogenblik bedenken dat ze de draak met me willen steken, alsof ze moe worden van hun eigen medelijden; de ene dag noemen ze me de idioot en de volgende geven ze me melk of spek, ik krijg zelden allebei tegelijk  (vertaling Paula Stevens)

Tegen de voorspellingen van de anderen in overleeft Timmo de Sovjetinname van het dorp. Hij wordt samen met een aantal om verschillende redenen “nutteloos” geworden Russische soldaten ingezet als “hogger” (“hakker”) om de houtvoorraad van de troepen op peil te houden.

Allengs ontstaat er een merkwaardige band tussen Timmo en zijn Russische lotgenoten en besluit hij ze te helpen. Samen ontvluchten ze uiteindelijk het dorp en begeven zich naar Timmo’s boerderij die daar een eind vandaan ligt. Wanneer de streek door de Finse troepen heroverd wordt zitten de Russische houthakkers met een probleem: terugkeren naar de Sovjet-Unie of niet? Uiteindelijk gaan ze ieder hun eigen weg.

In de jaren na de Tweede Wereldoorlog ervaart Timmo dat het niet zo gemakkelijk is

deze zielige stumpers die hij op aanhoren van een onhoorbare stem had gered  (vertaling Paula Stevens)

te vergeten:

het was zo lang geleden, en toch was het pas gisteren (vertaling Paula Stevens)

In de vroege jaren zestig doen een paar krantenberichten die op “zijn” Russen betrekking zouden kunnen hebben hem inzien dat zijn inbreng in hun leven als het ware “verpulverd” is…

Hoggerne is een mooie kleine roman over kameraadschap met een intrigerende Timmo Vatanen (het grootste deel van het verhaal wordt door hemzelf verteld): is hij wel een idioot of een schlemiel? Dan is hij er in elk geval één die door de omstandigheden boven zichzelf uitgegroeid is.

Roy Jacobsen heeft gezegd dat hij een mens wou beschrijven die alleen goede intenties heeft en anderen met zijn goede daden wil helpen. En ik moet zeggen dat het een genoegen was over hem te lezen! (Torill H. Lauritsen, Finnmarken, 09.02.2006)

Het boek is absoluut geen feelgoodverhaal over de Tweede Wereldoorlog à la La vita è bella, maar heeft toch iets escapistisch. (…) Veel toegankelijker dan Grenser, het boek over de Tweede Wereldoorlog dat Jacobsen een paar jaar geleden schreef.  (Åsmund Ådnøy, solvberget.no, 25.05.2020)

een meesterwerkje (Anne Hoff Backe, Oppland Arbeiderblad, 14.11.07)

Roy Jacobsen, De schlemiel van Suomussalmi, vertaald door Paula Stevens, Utrecht (Signature), 2007   ISBN 978-90-5672-225-8


Een aantal van Jacobsens vroegere romans bevatten al elementen van de detectiveroman, maar Marions slør**½ (2007) (Nederlandse vertaling: Marions sluier (2009)) dient zich op het eerste gezicht aan als een “echte” vertegenwoordiger van het genre.

Binnen de politie van Oslo bestaat er een geheim team dat zich bezighoudt met zogenaamde “etnisch gerelateerde criminaliteit”. In deze kleine groep gelden dezelfde geheimhoudingscriteria als in de binnenlandse veiligheidsdienst, en de bevoegdheden ervan gaan verder dan bij “gewone” opsporingsteams. De leiding van het team is in handen van John McNaughton, de andere leden zijn Marion, William en Reza – de laatste twee van allochtone afkomst.

Ze krijgen een nieuwe zaak wanneer de 20-jarige Nasreen Madris, een tweedegeneratiemigrante van Pakistaanse afkomst, vermoord teruggevonden wordt. Het moordwapen is niet alledaags: een stompe ijzeren bout. Een gruwelijke detail is dat Nasreens linkerhand ontbreekt.

Het blijft niet bij deze ene moord; het team probeert via profilering dichter bij de oplossing te komen, maar de dader lijkt wel onzichtbaar. Na verloop van tijd rijst ook de vraag of er geen lek is, zo niet binnen de groep dan toch ergens in het politieapparaat.

Auteurs van detectiveromans en thrillers beweren vaak dat een aantal meesterwerken uit de wereldliteratuur in feite misdaadverhalen en/of thrillers zijn: De Gebroeders Karamazov, Hamlet, Oedipus Rex, of om in de twintigste eeuw te blijven: De naam van de roos. Eigenlijk klopt die bewering niet: werken zoals de hierboven genoemde zijn geen detectives of thrillers, maar romans/toneelstukken waarin het element suspense een belangrijke rol speelt.

Marions slør daarentegen vertrekt van het politieromangenre en voegt daar een aantal elementen aan toe. Zo kaart Jacobsen bijvoorbeeld het probleem van de “politieke correctheid” aan: mag je op grond van een paar aanwijzingen de hypothese formuleren dat er racistische motieven achter een moord zitten, of omgekeerd suggereren dat de dader een moslim is die zich tegen afvallige generatiegenoten gekeerd heeft of die de relatie tussen autochtonen  en allochtonen probeert te destabiliseren? Ook andere maatschappelijke problemen zoals de uitbuiting van illegale gastarbeiders of de vraag in hoeverre het doel de middelen mag heiligen (het recht op privacy versus de noodzaak om de moordenaar te vinden) komen aan bod.

Verder schetst Jacobsen in Marions slør ook een psychologisch portret van zijn centrale figuur Marion: zij sleept een jeugdtrauma (een afwezige vader) met zich mee. Ook Jacobsens stijl met veel “doorwrochte” zinnen verschilt duidelijk van de rechttoe rechtaan formuleringen van de doorsnee misdaadroman. Marions slør kan dus wel degelijk een “literaire thriller” (een vaak misbruikte term) genoemd worden, maar wordt het boek daardoor een eersteklas thriller? Niet echt, want de echte thrillerfan blijft in dit boek toch op haar/zijn honger zitten. De literaire aspecten halen het ritme uit de roman: er zitten heel wat fragmenten in waarin er nauwelijks wat gebeurt en er dus weinig vooruitgang in het onderzoek geboekt wordt. En daarenboven blijven de motivatie, de karaktertekening en de werkwijze van de dader uiteindelijk erg vaag en daardoor weinig overtuigend.

Ook de lezers op Bokelskere.no waren niet euforisch:

zes is het maximum

Maar vele recensenten lieten zich wel lovend uit over de roman. Finn Stenstad (Tønsbergs Blad, 20.10.2007) had het over

een ongewoon elegante, geraffineerde en tot nadenken stemmende roman (…) een fijnproeversmaaltijd voor wie meer wil dan een doordeweekse misdaadroman.

Leif Ekle (nrk.no, 27.09.2007) beklemtoonde ook de politieke kant van de roman:

Dit is ook een roman over het Noorwegen dat we aan het creëren zijn – of beter nog: dat we binnen de kortste keren zullen toelaten. Een Noorwegen waar politieke correctheid ons allemaal de zekerheid ontneemt dat we met elkaar kunnen praten, zolang we uitgaan van wederzijds respect. (…) Dit is een ongebruikelijke misdaadroman, tot op zekere hoogte vernieuwend en erg goed geschreven. Jacobsen reist door tijd en chronologie op een manier die zowel respect als interesse wekt bij de lezer – en het verhaal is in alle opzichten spannend genoeg.

Voor Terje Stemland (Aftenposten, 26.09.2007) was Marions slør, naast een misdaadroman ook

een zeer actuele criminologische studie van intercultureel Noorwegen (…) een nieuwe, grote roman van de hand van Roy Jacobsen.

Anne Hoff Backe (Oppland Arbeiderblad, 14.11.07) zag het misdaadromankader echter eerder als een belemmering:

Roy Jacobsen is een groot schrijver en de klauw van de meesterhand is de hele tijd aanwezig. Maar het kader van de misdaadroman lijkt wel wat te eng voor een verteller van zijn formaat (…) Voor deze lezer is het misdaaddebuut van Roy Jacobsen meer een eerste begin en een voornemen om het nieuwe Noorwegen met al zijn met elkaar botsende multinationale, multi-etnische en multiculturele levensopvattingen in kaart te brengen.

Anne Schäffer (Bergens Tidende, 08. 10.2007) beschreef Marions slør als

een commentaar op het Noorwegen van vandaag en morgen, een zelfgenoegzame samenleving die blind is voor haar eigen vooroordelen, ongeacht waar die opduiken. De auteur beschrijft een nieuwe realiteit, een nieuwe generatie, met codes, omgangsvormen en percepties die erg verschillend zijn van die waarmee wij opgroeiden in de jaren 50 en 60.

Voor Norunn Ottersen Seip (Dagsavisen, 26.09.2007)

gaat het bij Jacobsen niet alleen over het beschrijven van vooroordelen. Hij zet in de roman ook slimme valstrikken uit, die ervoor zorgen dat ik opschrik wanneer ik ontdek dat mijn eigen vooroordelen de tekst verdoezeld hebben.

Ze merkte op dat de roman

gekruid is met scherpzinnige beschouwingen over belangrijke vragen, maar is hij grote literatuur? (…) Het gevaar met het schrijven van hybride literatuur is dat het resultaat soms alle kanten opgaat en onduidelijk is.

Roy Jacobsen, Marions sluier, vertaald door Paula Stevens, Utrecht (Signatuur), 2009, ISBN 978-90-5672-282-1


In Vidunderbarn **** (2009) neemt Jacobsen de lezer mee naar het begin van de jaren ’60, de tijd van Joeri Gagarin en de bouw van de Berlijnse Muur. Hoofdpersoon Finn isdan ongeveer 10 . Hij woont met zijn alleenstaande (en tobberige) moeder in de Oslose arbeiderswijk Ǻrvoll, en hun beider leven wordt grondig overhoop gehaald door de plotse komst van Finns halfzusje, de zesjarige Linda.

Vidunderbarn is een ik-roman. Finn is zelf aan het woord – als volwassene, daar laat zijn taalgebruik geen enkele twijfel over bestaan, maar hij kijkt terug op dit deel van zijn jeugd met de blik van het kind dat hij toen was. Het besef van een op til zijnde ingrijpende verandering (en de daarbij horende afgunst tegenover de nieuwkomer) hebben aanvankelijk de bovenhand:

Linda […] stopte [..] haar hand in die van mijn moeder en greep twee van mijn moeders vingers zo stevig vast dat haar knokkels wit werden. […] Ik kon het niet meer aanzien, deze greep die, zoals ik instinctief besefte, een greep voor het leven was en die alles zou veranderen, niet alleen in Linda’s bestaan, maar ook in dat van mij en mijn moeder, zo’n greep die zich vastklauwt om je hart en je in de tang houdt tot je doodgaat en die er ook nog is als je in je graf ligt te rotten (vertaling Paula Stevens)

Een verwijdering tussen Finn en zijn moeder lijkt onvermijdelijk, maar geleidelijk verandert zijn houding en groeit het besef dat ze

een team [waren] met als taak te zorgen voor een mensenkind op wie we nog niet helemaal vat konden krijgen (vertaling Paula Stevens)

Met Linda lijkt er overigens wel een en ander aan de hand, maar veel blijft door het vertelstandpunt ongezegd zodat de lezer zijn eigen interpretatie moet geven aan wat er aan de hand is; de toenmalige tienjarige had dat vaak niet echt door. Wat is de verklaring voor Linda’s apathische gedrag? Wat is de verhouding tussen Finns moeder en hun onderhuurder, de 38-jarige Kristian, die in de bouw zit maar geen werkmanshanden heeft? En welk geheim sleept Finns moeder sinds haar jeugd met zich mee?

Finn stelt zich veel vragen, maar vindt niet altijd de antwoorden. Scherpe observaties levert hij dan weer wel van leeftijdsgenoten zoals Freddy 1, die het best met het Engelse woord “awkward” omschreven kan worden, Boris, die hij ontmoet op het eiland Håøya in de Oslofjord, en Tanja, een mysterieuze klasgenote. Verder zijn er nog de optimistische en actieve Marlene, die een tijd als kindermeisje fungeert en Finns drie ooms, die blijkbaar een nogal moeilijke relatie met elkaar hebben.

Jacobsen kreeg voor Vidunderbarn de Bokhandlerprisen 2009 en (helemaal terecht) veel wat men in het Engels “critical acclaim” noemt. Terje Stemland (Aftenposten, 17.08.2009) had het over

een nieuwe aanwinst voor een ongewoon rijk schrijverschap

Ook bij buitenlandse recensenten viel de roman in de smaak. Hij werd genomineerd voor de Dublin Literary Award.

Child Wonder is a powerful and unsentimental portrait of childhood (…) A book about the wonders of being a child – and the dangerous experience of growing up. From Oslo. Quiet and lovely.

staat op de website van de prijs te lezen.

Paul Binding (The Independent, 10.06.2011) noemde Child Wonder een

intricately worked novel, as rich in detail and implication as it is classical in construction and stylistic restraint

Voor Angelika Steinhäuser (norwegenportal.de) was het boek

ein wunderbar formulierter Roman um einen aufgeweckten Jungen

Brigitte Lannaud Levy (onlalu.com) had het over een

roman d’initiation sur une enfance perdue […] particulièrement émouvant. On entend la voix plus que vive de Finn et l’on ressent la souffrance de son combat intime pour passer sur les rives de l’âge adulte.

En Sofie Messeman (Trouw, 16.11.2013) vond Wonderkinderen

Een schitterende roman, die ondanks de zware thematiek iets lichts houdt.

Een van de weinige negatieve besprekingen is die op de website van Kirkus Review.

Roy Jacobsen, Wonderkinderen, vertaald door Paula Stevens, Haarlem (de Rode Kamer), 2013, ISBN 978-9491259890


In De usynlige **** (2013) maakt de lezer kennis met Barrøy, een onherbergzaam eilandje voor de Noorse Helgelandkust. Dat Jacobsen dit deel van Noorwegen uitgekozen heeft, is geen toeval: zijn moeder groeide daar op in dezelfde omstandigheden als hoofdpersoon Ingrid. Jacobsen was als kind ook vaak op vakantie aan de Helgelandkust:

Vakantie noemden ze het als we vroeger naar mijn opa en oma gingen, maar het was meer een werkkamp. We moesten helpen op het land, met de dieren, met hooien en met vissen. Er was daar een oude buurvrouw die ons kinderen alles leerde. Hoe we een færing moesten roeien, hoe we vis moesten doden en schoonmaken. (een færing = een boot met vier roeispanen)

zei hij daarover in een interview in Het Parool (25.06.2022). Ook als volwassene heeft hij er tien jaar gewoond.

Barrøy is de woonplaats van één enkel gezin, dat bestaat uit Hans Barrøy, zijn vrouw Maria, hun dochter Ingrid, Hans’ zus Barbro, Barbro’s zoon Lars en Hans’ vader Martin. Na verloop van tijd komen daar nog twee “pleegkinderen” bij: Suzanne en haar broer Felix. Niet iedereen haalt de eindmeet in deze roman die zich afspeelt in de jaren 10 en 20 van de vorige eeuw.

Hans Barrøy,

de rechtmatige eigenaar van het eiland en hoofd van de enige familie daar (vertaling Paula Stevens)

is een “fiskarbonde”: hij bewerkt het land en heeft schapen en koeien (en soms een paard), maar ’s winters trekt hij (samen met zijn broer Erling, die op een andere eiland woont) naar de Lofoten om er te vissen:

De tegenstelling tussen zee en land is er altijd geweest, in de vorm van een onrust, een verlangen dat hij altijd voelt: als hij op zee is, verlangt hij naar huis, en wroet hij met zijn handen in de aarde, dan betrapt hij zichzelf erop dat hij voortdurend naar de vissersboten en de zee staart. (vertaling Paula Stevens)

En de lokale “prest” Johannes Malmberget mag dan in zijn meest bevlogen preken wel beweren dat

dit geen kale, onvruchtbare kust [is] maar een parelsnoer en een gouden ketting (vertaling Paula Stevens),

de bewoners van Barrøy leiden in elk geval een hard leven vol zware arbeid in een guur klimaat waarin hevige sneeuwval en regen afwisselen met periodes van droogte. Ook de vrouwen op Barrøy verrichten zware arbeid:

het [is] een bezoeking  […] om turf te halen en naar de stal en de aardappelkelder te gaan en met Barbro netten op te halen en vis schoon te maken  (vertaling Paula Stevens)

en dat is allemaal een heel eind verwijderd van een “normaal” leven:

vrouwen staan voor de spiegel en zingen in een koor en wachten op brieven die ook inderdaad komen, ze lachen met hun vriendinnen, wandelen samen met hen onder een azuurblauwe hemel (vertaling Paula Stevens)

De schoolgang beperkt zich tot een korte periode in de “omgangsskole” op het vasteland:

de kinderen

zullen twee weken op de zolder van de hoeve slapen en zijn daarna weer twee weken thuis, wanneer meester Olai Christoffer Christoffersen lesgeeft op een ander eiland. (vertaling Paula Stevens)

Doorzettingsvermogen (vooral dan in tijden van tegenspoed), saamhorigheid en zin voor initiatief zorgen toch voor stappen vooruit: er komt een (beperkte) bootverbinding met het vasteland en Barrøy krijgt een soort vuurtoren.

De centrale figuur in De usynlige is ongetwijfeld Hans’ dochter Ingrid. Ze is ongeveer drie bij de aanvang van de roman, en negen jaar later

is er geen twaalfjarige te vinden die meer kan dan Ingrid, ze is een dochter van de zee, die de deinende golven niet als gevaar of dreiging ziet, maar als een mogelijkheid en een oplossing, voor vrijwel alles (vertaling Paula Stevens).

Als jongvolwassene heeft ze het heft op het eiland in handen. Dat ze ervoor zorgt dat het huis op Barrøy voor het eerst (wit) geschilderd wordt, heeft een grote symbolische waarde: de onzichtbaren worden er voor een stukje zichtbaar door.

Voor niet-Noren is De usynlige niet altijd gemakkelijke lectuur. Er wordt dialect gesproken, maar vooral het aantal “technische” termen in verband met de activiteiten op het eiland kunnen wel eens voor problemen zorgen. Voor vertalers mocht dat volgens Jacobsen zelf geen probleem zijn

Het boek staat vol met Noord-Noorse woorden over de visserij, het weer en de zee die onmogelijk te vertalen lijken. Jacobsen is er echter van overtuigd dat de vele bijna vergeten woorden een mogelijk buitenlands succes niet in de weg zullen staan.

– Ik heb een woordenlijst gemaakt voor de vertaler met daarin bijna driehonderd woorden. Een probleem zie ik niet: er bestaan voldoende en geschikte woorden in het Engels, het Duits en het Frans. Dat heb ik al nagekeken. (Aftenposten, 15.08.2013)

De Noorse recesenten waren unaniem erg lovend (en soms gewoonweg lyrisch):

Met een speelse en subtiel wisselende alwetende vertellersstem zweeft Jacobsen in en uit de verschillende gezinsleden en geeft elk van hen een zinderend sterke aanwezigheid in de tekst. […] Jacobsen maakt niets mooier dan het is, en stippelt een kompaskoers uit die ons lijfelijk laat voelen hoe meedogenloos de strijd om het bestaan was.[…] Zonder meer literatuur van heel hoog niveau. (Pål Gerhard Olsen, Aftenposten, 15.08.2013)

een leeservaring zoals je die maar zelden meemaakt […] Een roman met milieu- en natuurbeschrijvingen en personages die zo levendig zijn dat je bijna automatisch aan Hamsun moet denken […] Het kleine wordt groots wanneer Roy Jacobsen het heeft over kleine intermenselijke gebeurtenissen. Lees en word ontroerd. Lees en begrijp. Lees ieder hoofdstuk zo langzaam als je kunt, en lees het nog een keer. (total-kommunikasjon.no)

meeslepende fictie die onder verschillende genres gecatalogiseerd kan worden: historische roman, familieroman, ontwikkelingsroman, sociale roman […] Je merkt de tederheid, de boosheid en ernst achter de woorden. […] De mineurakkoorden die trillen onder de nuchtere alledaagse woorden. Want het leven op het eiland bestaat niet alleen uit kleine en grote genoegens en keihard werken op een schrale bodem en met een onrustige zee, het is “een langzame en fundamentele opleiding in eenzaamheid”, een voortdurende droom over iets anders. (Steinar Sivertsen, Stavanger Aftenblad, 08.10.2013)

Voor Aslak Torsen (Varden, 21.08.2013) riep de roman niet alleen herinneringen op aan Hamsun, maar ook aan Johan Bojers Den siste viking en Olav Duuns Mennesket og maktene:

De kaalgehakte taal schetst de werkelijkheid in een gedrongen sagastijl, die echter geen detail over het hoofd ziet. Hij vertelt bondig, compact en beeldrijk.

Roy Jacobsens roman wordt al lang de wolken in geprezen door een bijna voltallig korps literaire critici. Ik weet dat ik open deuren intrap wanneer ik me bij het leger van enthousiaste lezers aansluit. Ik doe het toch. In de eerste plaats omdat het een belangrijke roman is, die een verhaal, een volk en een leven beschrijft dat nauwelijks een plaats heeft gekregen in de geschiedenisboeken. (Birgit Røe Mathisen, Helgelands Blad, 01.08.2014)

Met grote autoriteit en taalkundige elegantie geeft hij een vorige generatie waardigheid, inzicht en kennis die wij moderne mensen ontberen. […] In de roman […] portretteert de auteur een kustproletariaat wiens harmonisch leven respect en bewondering afdwingt. […] Met precisie en lichtheid schrijft Roy Jacobsen over het dagelijkse leven en de zware arbeid op het eiland, zonder daarbij in miserabilisme te vervallen.[…] Dit is geen roman die gebruik maakt van dramatische wendingen of heftige situatiebeschrijvingen […] De uitdagingen van het dagelijks leven vormen de motor van het verhaal. Roy Jacobsen toont een indrukwekkende kennis van gereedschappen en visuitrusting, van landbouw en veeverzorging, van weer en wind, van vogels en planten. En het wordt allemaal beschreven en besproken met een nauwkeurig observerende blik. (Turid Larsen, Dagsavisen, 17.08.2013)

Voor Ingunn Økland (Aftenposten, 15.09.2017) was

arbeid (…) beschrijven in een tastbare en verrukkelijke taal.

een hele prestatie.

Ook internationaal bleef de roman allesbehalve onopgemerkt:

(Aftenposten, 17.03.2017)

Genomineerd voor een heel belangrijke internationale prijs

Roy Jacobsen is met De usynlige genomineerd voor de gerenommeerde Man Booker Prize.

De internationale Man Booker Prize is een van de meest prestigieuze literaire prijzen ter wereld, en de internationale tegenhanger van de Britse Booker Prize. Aan de prijs is een bedrag van 50.000 pond (zo’n 524.500 NOK) verbonden, dat gedeeld wordt tussen auteur en vertaler.

Jacobsens verhaal over Ingrid Barrøy en het leven op een eiland voor de kust van Helgeland, kreeg staande ovaties van de recensenten toen het in 2013 werd gepubliceerd. “Roy Jacobsen is weer in topvorm”, meldde VG en gaf de roman tien op tien.

Het verhaal, dat een gezin volgt in de jaren 1913-1928, heeft hier in Noorwegen ook een vervolg gekregen, de roman Hvitt hav (2015).

“Als kind werd ik naar Helgeland en een eiland voor de Sandnessjø gesleept om de familie van mijn moeders kant te leren kennen. Hier leerden we het grootste mysterie op aarde kennen: de zee”, zei de auteur over zijn terugkeer naar het milieu dat hij in Seierherrene beschrijft.

– Het gaat over stilte en over een plek zonder klok. Het was de omgeving die voorschreef en zei wat men moest doen. Er bestond een vorm van kennis die nu verdwenen is, gaat hij verder.

13 auteurs hebben de weg naar de longlist van de Man Booker Prize gevonden en de boeken komen uit Europa, Azië, Zuid-Amerika en het Midden-Oosten, aldus het persbericht.

De winnaar van de allereerste Man Booker International Prize in 2005, Ismail Kadare is er weer bij. Jacobsens roman werd door Don Bartlett in het Engels vertaald met als titel The Unseen.

Johanna Spaey (De Standaard, 25.07.2020) ervoer De usynlige als

een grootse literaire reis vol beeldschone zinnen […] Wat er gebeurt, is niet zo tragisch en overweldigend dat je het amper kunt vatten, maar dit boek overweldigt je wel […] Proef geduldig van Roy Jacobsens woorden […] en leer een eiland kennen dat zelfs in de zwaarste stormen niet ondergaat.

Het boek werd ook voor het theater bewerkt en tijdens het seizoen 2018-2019 opgevoerd in een regie van Anders T. Andersen.

Kristine Cornelie Margarete Hartger als Ingrid.(iTromsø, 20.11.2018 – foto Ronald Johansen)

Een interview met Roy Jacobsen over De usynlige vind je hier.

Roy Jacobsen, De onzichtbaren, vertaald door Paula Stevens, Amsterdam (De Bezige Bij), 2020    ISBN 978-94-031-9660-2


Hvitt hav **** (2015) (Nederlandse vertaling: Witte Zee, 2021)

In de herfst van 1944 bezetten de Duitsers nog altijd Noorwegen, maar de krijgskans is aan het keren: ze trekken zich terug uit Noord-Noorwegen en passen daar de techniek van de verschroeide aarde toe.

Ingrid Barrøy, 35 ondertussen, werkt in de visversnijderij op het vasteland maar besluit naar haar eiland terug te keren. Ze wordt er de enige bewoner: haar ouders zijn overleden, haar tante Barbro ligt in het ziekenhuis en haar broer Lars verblijft al een aantal jaren op de Lofoten waar hij een gezin gesticht heeft.

Ingrid blijft niet lang alleen op het eiland. Er gebeurt een scheepsramp in de buurt, een verwijzing naar een echt gebeurde, maar zo goed als vergeten incident. MS Rigel was een Noors schip dat in 1940 door de Duitse bezetter in beslag was genomen om er geallieerde krijgsgevangenen mee te vervoeren. Op 27 november 1944 werd het schip aangevallen door Britse bommenwerpers, die het schip naar eigen zeggen aanzagen voor een Duits troepentransportvaartuig. Meer dan 2.500 mensen overleefden de aanval niet; de meesten onder hen waren Poolse, Russische en Servische krijgsgevangenen.

Een aantal zwaar verminkte lijken spoelen op Barrøy aan, maar Ingrid vindt in een kamer van haar huis ook een zwaargewonde man. Het is voor haar niet duidelijk welke nationaliteit hij heeft, maar voor de lezer wijst de naam Alexander duidelijk in een bepaalde richting.

Ze spreken elkaars taal niet, maar worden wel verliefd op elkaar. Lang duurt die relatie niet, want de plaatselijke Duitse commandant Hargel en zijn collaborerende Noorse rechterhand Henriksen hebben ook weet van de scheepramp en komen op inspectie.

En dan gebeurt er iets wat lang onduidelijk blijft en nooit helemaal verklaard wordt. Het blijven

twee of drie dagen die verdwenen zijn (vertaling Paula Stevens)

Ingrid wordt wakker in een psychiatrisch ziekenhuis verder noordwaarts met een black-out:

Ingrid deed haar ogen open en herinnerde zich (…) dat ze uitgehongerd en bont en blauw was geweest en iets meegemaakt had wat ze zou moeten vergeten, maar wat misschien toch weer bij haar boven zou komen, dus ze moest ermee leren omgaan (vertaling Paula Stevens)

Genezen verklaard maakt ze later met de omgebouwde walvisvaarder Salthammer samen met vele vluchtelingen uit Finnmark een woelige reis in de omgekeerde richting. Terug op Barrøy blijft het onduidelijke lot van Alexander haar achtervolgen. Ze wordt heen en weer geslingerd tussen hoop en vrees:

Ze (…) blijft onder haar dekbed liggen en weet weer dat hij dood is, ze kan het in haar eigen lichaam voelen (…) een stalen snaar die door haar hele bestaan vibreert  (vertaling Paula Stevens)

Ook nu blijft Ingrid niet lang alleen: ze is namelijk zwanger…

In Hvitt hav toont Jacobsen zich een meester in het oproepen van historische gebeurtenissen en het creëren van geloofwaardige personages. Het gebeurt niet vaak dat hij Ingrids gevoelens expliciet beschrijft; hij laat haar persoonlijkheid vooral tot haar recht komen via wat ze doet en waarvoor ze zich inzet. Het is een stijl die gelijkenissen vertoont met de levenshouding van de eilandbewoners:

Barrøy is een eiland van zwijgen, de volwassenen leggen de kinderen niet uit wat ze moeten doen, ze doen het voor en de kinderen doen hen na (vertaling Paula Stevens)

Net zoals de inwoners van Finnmark zijn ze

een volk van weinig woorden en een grote wijsheid in hun handen en voeten (vertaling Paula Stevens)

Hvitt hav is boeiend, een tikkeltje mysterieus en heeft een aansprekend hoofdpersonage.

Steinar Sivertsen(Stavanger Aftenblad, 24.10.2017) had het over

de tederheid en de pijn achter de woorden, de geur van het verlangen, de duistere kracht van het verdriet, de passages over plots geluk, de trillende molakkoorden onder nuchtere alledaagse woorden, de blijdschap in de welige, door de zintuigen gestuurde beeldspraak. (…) Ingrids gevoelens en gedachten, een algemenere invalshoek, couleur locale, historisch perspectief en het nu – alles wordt op een meesterlijke manier ineengeweven.

Maar wat voor De usynlige gold, geldt ook voor deze roman: echt gemakkelijk Noors is dit door het gebruik van vele technische woorden en het weliswaar occasioneel aanwenden van dialect, niet echt.

Hvitt hav kreeg ook in zijn Duitse vertaling lovende kritieken:

Wolfgang Tischer (literaturcafe.de, 25.11.2016) vond dat de roman

zählt zu den stärksten Büchern des Jahres 2016 (…)die karge und dennoch gewaltige Art des Erzählens passt zum beschriebenen Land, zur beschriebenen Zeit und macht Weißes Meer zu einem bewegenden Buch und zu großer Literatur.

Voor Mareike Fallwickl (buecherwurmloch.at, 26.07.2016) was het boek

wie seine Protagonistin: schweigsam, stark und ungezähmt (…). Weißes Meer ist kraftvoll, hochinteressant, intensiv und klug. Ein sehr, sehr gutes Buch, das viele Leser und viel Aufmerksamkeit verdient hat.

Hauke Harder (leseschatz.com, 06.05.2016) beschreef de roman als

Ein Roman, der Stimmungen und Geschichte aufleben lässt und mit jeder Zeile den Leser in die karge Landschaft einlädt. Es ist kein Satz zu viel oder zu wenig und die Handlung kippt niemals ins Kitschige. Die Figuren sind tiefgründig und die Sprache des Romans ist knapp, dicht und gehaltvoll.

En ten slotte nog drie Nederlandstalige opinies:

Wat is Roy Jacobsen een fabuleuze schrijver! Het lijkt wel alsof hij van elke emotie, elk gebaar, maar ook van de veel grootsere strijd tegen de bezetter of het ruige leven op het eiland een miniatuur maakt. (Johanna Spaey, De Standaard, 03.07.2021)

zijn oog voor ambachtelijk detail het harde leven op het eiland tastbaar (…) Puur Scandinavisch vakwerk dat laat zien hoe een dappere vrouw kan overleven in grimmige tijden. (R.S., Focus Knack, 16.06.2021)

Id (Gazet van Antwerpen, 26.06.2021) plaatste de roman in een breder kader:

Jacobsen schetst personages die, afgesneden van de wereld, alleen op zichzelf menen aangewezen te zijn. “Om er niet aan onderdoor te gaan, praten eilanders voortdurend in zichzelf.” Hoe utopisch zo’n leven in de weidse natuur ook lijkt, toch roept de eenzaamheid echo’s op. Van een maatschappij waar men, ondanks sociale media, ook vaak maar wat rondzwalpt in zijn eentje. Eilanders vind je niet alleen aan de kust.

Roy Jacobsen, Witte zee, vertaald door Paula Stevens, Amsterdam (De Bezige Bij), 2021     ISBN 978-94-03-13141-2


Rigels øyne **** (2017) (Nederlandse vertaling: Ogen van de Rigel (2022)

In de zomer van 1946 wonen er meer mensen dan ooit tevoren op Barrøy. Met de walvisvangst werd er ook een nieuwe bron van inkomsten aangeboord.

Het eiland [heeft] nog nooit een betere toekomst […] gekend […] en het is niet meer van haar (vertaling Paula Stevens)

“Haar” in dit citaat is Ingrid Barrøy. Ze kan Alexander niet vergeten en wil weten wat er met hem gebeurd is. Samen met haar nu tien maanden oude dochter Kaja verlaat ze het eiland en begint ze aan een lange tocht door Noorwegen en Zweden:

de reis had een eigen energie gekregen, was een zelfstandig wezen geworden, ze was op jacht naar de liefde (vertaling Paula Stevens)

Haar zoektocht brengt haar o.a. naar Rørvik en Kongsmoen. Ze volgt het tracé voor een kabelbaan naar het stadje Skorovas, steekt de Tunnsjø over en belandt in het Zweedse stadje Gäddede. Van daaruit gaat het weer naar Nordli in Noorwegen. Ze neemt de trein naar Trondheim en daarna naar Rørøs, bezoekt Belteren gård en gården Brynet.

De aanwijzingen en inlichtingen die ze tijdens haar zwerftocht krijgt zijn vaag en vaak tegenstrijdig en daar zijn verschillende redenen voor. Het is nu wel vrede, maar de impact van de voorbije oorlog is nog altijd erg groot. De mensen verrouwen elkaar niet, willen vergeten wat er gebeurd is, hebben dingen te verbergen:

hij (…) haalde diep adem en keek alsof hij van plan was om alle woorden die in een taal bestaan eruit te gooien, maar er kwam geen geluid over zijn lippen  (….)zelfs mensen die echt wel hun mannetje hadden gestaan, weten dat ze meer hadden kunnen doen, en daar willen ze liever niet aan herinnerd worden. (vertaling Paula Stevens)

Wat niet gezegd wordt, betekent misschien meer dan wat wel gezegd wordt.

schreefMagnus Erikson (Svenska Dagbladet, 23.01.2019)

Zelf zei Jacobsen hierover in een interview (Dagbladet, 28.07.2017):

Er wordt beweerd dat de waarheid het eerste slachtoffer van een oorlog is. In mijn boek staat dat het eerste slachtoffer van de vrede de waarheid is. Toen de oorlog in ons land voorbij was, begonnen mensen hun eigen verleden, hun eigen inspanningen en wat ze erover wilden vertellen te bewerken.

Ook belangrijk: de Russische bevrijders zijn niet langer bondgenoten, en Kaja heeft onmiskenbaar zwarte, “Russische” ogen. (“Очи чёрные” is overigens een bekend 19de eeuws Russisch volksliedje; voor een vertaling zie hier)

Niet verwonderlijk dat Ingrid niet altijd begrijpt waarover de anderen het hebben:

Tegen middernacht hoorde ze de schipper en de matroos luidkeels ruziën op het dek (…) Ze begreep dat ze het over haar hadden. Rimala riep in zijn Finnmark-dialect (…) dat ze geen keus hadden, ze moesten haar laten gaan, terwijl Alf iets zachter maar even fel riep dat ze dan een grote zonde begingen, tegen de vrouw en tegen God (vertaling Paula Stevens)

En zelf wordt Ingrid ook door twijfels overvallen, bijvoorbeeld wanneer Mariana, een van de vele vrouwen die ze onderweg ontmoet, met een bekentenis komt. Ze is al meer dan een maand onderweg wanneer ze uiteindelijk het in de buurt van Oslo gelegen Mysen bereikt: een voormalig concentratiekamp dat nu als “filtratiekamp” gebruikt wordt. Mysen wordt het

beslissende keerpunt (vertaling Paula Stevens)

Rigels øyne **** geeft in Jacobsens suggestieve stijl een indringend portret van een jonge vrouw op zoek naar een waarheid die onvermijdelijk ontgoochelingen inhoudt.

Vakwerk van een Scandinavisch topauteur (Gazet van Antwerpen, 25.06.2022)

Jacobsen levert altijd topklasse af. (Focus Knack, 26.06.2022)

[an] expressive story of a woman’s search for her lover in post-WW II (…) [A] delicate account of yearning (Publishers Weekly, 02.14.2022)

Alongside the directness and calm observation of Jacobsen’s language, another characteristic of Scandinavian writers is the stoicism of their characters. Ingrid accepts all that happens to her, and stays silent no matter what she learns of Alexander’s journey, because there is nothing to be done about the past and decisions made in that past will dictate her future […] Like Halldor Laxness or Knut Hamsun, Jacobsen powerfully describes the meaninglessness of human lives when the immensity of mountains and fjords witness its brevity. Jacobsen’s understatement, the gentle pace of his writing, keeps all attention on Ingrid’s journey: “her enduring hope was due to the walking, there is life in movement.” (James Doyle, Bookmunch, 13.06.2022)

Twee uitgebreide Engelse recensies vind je hier en hier.

Ook een aantal Noorse recensenten waren (erg) positief:

aangrijpende roadmovie (…) Maar wie een roadmovie verwacht geschreven in een zwierige spijkerbroekstijl, zal teleurgesteld worden. Het ritme is vaak langzaam, de dramatiek gewoonlijk gedempt, de neiging tot reflectie opvallend.(…) Weinigen kunnen zoals Roy Jacobsen het lokale, het nationale en het globale met elkaar verweven. (Steinar Sivertsen, Stavanger Aftenblad, 24.10.2017)

een strakke en mooi gecomponeerde roman (…) De lange, slopende reis (…) wordt beschreven in Roy Jacobsens bijzonder mooie en bondige proza. Mensen worden hier gekarakteriseerd op een manier die aan de saga’s doet denken (…) Het beschrijven van stilte en gebrek aan woorden, of aan de wil om ze te gebruiken, is iets waar Roy Jacobsen een meester in is. (Turid Larsen, Dagsavisen, 15.09.2017)

Maar er waren twee opvallende uitzonderingen:

Silje S. Noreviks kop (Bergens Tidende; 22.09.2017) voorspelde al niet te veel goeds:

Zit er valium in de pap van het kindje?

In de recensie klonk het zo:

Het probleem is (…) dat wanneer Jacobsen probeert om een realistisch verhaal te schrijven, het compleet onrealistisch overkomt dat een tien maanden oud kindje (…) mee op pad gaat, de klok rond lijkt te slapen (…) en zich nauwelijks laat horen tijdens deze gevaarlijke odyssee.

En dat was niet haar enige bezwaar:

Jacobsen laat ons maar oppervlakkig kennismaken met zijn personages en daarom voelen we weinig herkenbaarheid, empathie en inzicht tijdens de melodramatische, bondige scènes (…) De clichés lijken eerder uit populaire weekbladen te komen dan uit het brein van een bejubelde auteur (…) Bovendien is er een disproportie tussen het Noord-Noorse, bij de gesproken taal aansluitende dialect in de replieken en de hoogdravendere toon van de verteller.

Ook Ingunn Økland (Aftenposten, 15.09.2017) vond Rigels øyne

een niet erg geslaagde roman (…) vele mensen die Ingrid tijdens haar tocht ontmoet, zijn eendimensionale prototypes die vooral dienen om een toestand of een conflict te illustreren.

Verder zag ze een discrepantie tussen enerzijds de

documentaire hints (…) om de lezer te herinneren aan de realiteit van de Noorse naoorlogse geschiedenis (…) Het is duidelijk de bedoeling van Jacobsen om in de geschiedenis van de oorlog te prikken en op enkele belangrijke tekortkomingen te wijzen in de manier waarop we onszelf zien

en anderzijds wat zij

de idyllische effecten en hang naar literaire verwoording

noemde.

Roy Jacobsen, Ogen van de Rigel, vertaald door Paula Stevens, Amsterdam (De Bezige Bij), 2022   ISBN 978-94-031-3681-3


Met Bare en Mor **** (2020) (Nederlandse vertaling: De kinderen van Barrøy (2023)) sloot Roy Jacobsen zijn reeks over het eiland en zijn bewoners (voorlopig?) af.

Centraal staat ook nu weer Ingrid Barrøy, die na haar zwerftocht door delen van Zweden en Noorwegen weer thuis is. Ze heeft zich na al die jaren een zekere reputatie opgebouwd: de voorzitter van de gemeenteraad noemt haar

een harde tante (vertaling Paula Stevens)

Felix, de zoon van haar geadopteerde dochter Suzanne, vindt haar

een sluwe heks (vertaling Paula Stevens))

In 1948 is de “echte” oorlog natuurlijk al een paar jaar voorbij, maar zeker niet vergeten. Het besef dat nogal wat mensen stappen genomen hebben

die [ze] onder geen enkele andere omstandigheid zouden hebben genomen (vertaling Paula Stevens)

is nog sterk aanwezig:

de oorlog heft ons laten zien wie we zijn, naakt, wat niet altijd een fraaie aanblik is (vertaling Paula Stevens)

Zo is er het huwelijk van de eenvoudige visser Johannes Hartvigsen,

naar wie tot dan toe geen enkele vrouw ooit had omgekeken (vertaling Paula Stevens))

en Olavia, een dochter uit de relatief rijke familie Storm. Samen hebben ze een zoontje Mathias (“Mattis”). Maar is Mathias wel echt Hartvigsens zoon? De geruchten worden nog sterker wanneer Olavia spoorloos verdwijnt als Mattis vier is. Ingrid adopteert hem en hij wordt beste vriendjes met haar ongeveer even oude dochter Kaja, maar wat zal er gebeuren wanneer Olavia later eventueel weer opduikt?

Ondertussen gaan de jaren voorbij en elk jaar trekt de mannelijke bevolking van Barrøy nog steeds een aantal maanden op visvangst naar de Lofoten. Verder heeft Ingrid haar pleegdochter Suzanne “verplicht” om het eiland te verlaten. Suzanne, vindt ze, oefent een slechte invloed uit

met haar verlangens en haar eeuwige gemekker (vertaling Paula Stevens)

Suzanne belandt in Oslo, trouwt er met Bjørnar en krijgt een dochtertje Hege. Via de brieven die ze naar Barrøy stuurt komt Ingrid te weten dat er elders in Noorwegen ingrijpende veranderingen op til zijn. En dan is er nog de nieuwe dominee Samuel, die geregeld een bezoek brengt aan Ingrids eiland.

Wanneer de jaren 50 op hun einde lopen, wordt Barrøy door een verschrikkelijke catastrofe getroffen: Ingrid

weet dat ze hier al sinds haar geboorte op heeft gewacht, dat dit haar boven het hoofd heeft gehangen vanaf het moment dat ze ter wereld kwam, ze heeft er alleen nooit aan gedacht, niemand heeft er ooit over gesproken, maar iedereen wist het, altijd. (vertaling Paula Stevens)

De ramp zorgt ervoor dat een aantal mensen naar Barrøy terugkeren, maar aan het eind van de roman blijven alleen Barbro, Hanne en Ingrid op het eiland achter. Enige troost vindt Ingrid in

het gevoel dat haar al zo vaak op de been had gehouden, het gevoel iets bereikt te hebben (vertaling Paula Stevens)

Net zoals de vorige delen van de reeks kreeg ook Bare en mor terecht lovende kritieken. Guri Hjeltnes (VG, 30.09.2020) noemde het boek

een mooie en intense roman (…) Maar weinigen weten de littekens die na de oorlog achterbleven zo treffend te beschrijven als Roy Jacobsen. Weinigen zijn zo trefzeker in het weergeven van de contacten tussen mensen met bescheiden middelen en de overheid, tussen de stad en het platteland in het naoorlogse Noorwegen

Voor Elise Alexandra Gulbrandsen (VG, 20.06.2020) gaat de roman over

verantwoordelijkheid, ouderschap en over onderbelichte aspecten van ons recente verleden

Anne Cathrine Straume (nrk.no, 02.10.2020) zag parallellen tussen de Barrøyromans en Hamsuns August-trilogie:

en dat is bedoeld als een eerbetoon. Net als Hamsun heeft Jacobsen personages en een leefwereld gecreëerd die zullen blijven voortleven in de Noorse literatuur.

Turid Larsen schreef in Dagsavisen (30.09.2020) dat Bare en mor, net zoals de eraan voorafgaande romans getuigt van geserreerde schrijfkunst:

De boeken kunnen gezien worden als onthullende verslagen van de lichte en donkere kanten van de Noorse samenleving in oorlogs- en vredestijd, met duidelijke aanknopingspunten met en verwijzingen naar conflicten in onze eigen tijd. Daarnaast zijn er lyrische maar sobere beschrijvingen van de natuur, en dialogen waarin de stilte even welsprekend is als de woorden.

Steinar Sivertsen (Stavanger Aftenblad, 19.10.2020) schuwde de grote woorden niet:

Er zijn veel redenen waarom de tekst me heeft gegrepen, en zelfs ontroerd. Hier vind je beknopte, op feiten gebaseerde beschrijvingen van het dagelijkse leven van de vissers op een zee die soms gul en soms genadeloos is. Gevoelige schetsen van het gezwoeg op schrale grond. Poëtische beelden van de prachtige natuur. Levendige scènes met kinderen in de hoofdrollen. Een erg dramatisch, intens verslag van een succesvolle jacht op een grote haai gevolgd door een beschrijving van enorme dansende vinvissen. Contrasterende montages om de kloof tussen arm en rijk, tussen stad en platteland duidelijk te maken. Relevante en onverwachte invalshoeken als het over de impact van de oorlog gaat. (…) Maar misschien wel het belangrijkste is het genuanceerde portret van Ingrid, die met al haar verlangens, zorgbereidheid en vermogen tot liefde, in elk geval geen geïdealiseerde Madonna is. Ze liegt en maakt zich zorgen, maar is hoe dan ook een aangrijpende, sterke, verstandige en ontroerende persoonlijkheid die je altijd bij zal blijven. (…) Deze genereuze roman voldoet aan de twee belangrijkste artistieke geboden: gij zult uw lezers onderhouden en gij zult kleine woorden vinden voor grote emoties.

Voor Marius Wulfsberg (Dagbladet, 30.09.2020) waren het niet alleen

Jacobsens concrete realisme en zijn poëtisch beeldgebruik die het lezen tot een genoegen maken. Zijn meesterschap ligt in de eerste plaats in de manier waarop hij zijn scènes moeiteloos van verontrustende dubbele betekenissen voorziet.

En ook Ingunn Økland (Aftenposten, 03.10.2020), die nogal wat bedenkingen had bij Rigels øyne, klonk deze keer veel positiever. Over de Barrøyreeks schreef ze:

De reeks geeft een fascinerend beeld van harde arbeid en oude ambachtelijke tradities op de kusteilanden.

En over Bare en mor klonk het zo:

In Bare en mor heeft de auteur de juiste stijl gevonden, met beelden die nauwer aansluiten bij het gezwoeg, het verdriet en de vreugde van de mensen.(…) een stralend portret van een betrouwbare, liefdevolle en hardwerkende vrouw (…) Bare en mor is een boek dat je aanzet tot langzaam en nauwkeurig lezen omdat er zich in het halfduister zo veel geheimen schuilhouden. De stijl van de roman sluit direct aan bij de heersende mentaliteit van de historische periode die hij beschrijft: men praatte er niet graag over grote gevoelens maar beschikte wel over een geavanceerd signalensysteem.

Roy Jacobsen, De kinderen van Barrøy, vertaald door Paula Stevens, Amsterdam (De Bezige Bij), 2023   ISBN 978-94-031-1622-8


De uverdige**** (2022) (Nederlandse vertaling: De onwaardigen (2025) speelt in het tijdens de Tweede Wereldoorlog door de Duitsers bezette Oslo. Centraal staat een groepje jongeren uit de stad die van de nood een deugd proberen te maken en in leegstaande huizen inbreken en wat ze daar buitmaken (met de hulp van schaakclubvoorzitter Wolfgang Prytz) ten gelde maken.

De belangrijkste leden van het groepje zijn

► Carl (roepnaam: Kalle) heeft een vader met wie hij niet al te goed over de baan kan; zijn moeder wordt “Mammen” genoemd (in de Nederlandse vertaling is dat “Mamme” geworden. Carl heeft een jongere (Agnes) en een oudere zus (Mona).

►Olav: Carls beste vriend; zijn vader Arne heeft een merkwaardige bijnaam: “Ikke-jøden” (“de niet-jood”), vroeger werd hij ook “Aron” genoemd. Arne is een soort manusje van alles. Hij is getrouwd met Lilian en ze hebben samen ook nog een tweeling: Lasse en Minna. Olav zelf is nooit bang, maakt nooit huiswerk en rept met geen woord over school.

► Roar is de enige van het groepje met “gezonde” interesses: hij maakt zijn huiswerk en speelt schaak. Zijn vader heeft als bijnaam “Menneske” (“Mens”)

► Vidar ziet er eerder sukkelachtig uit en is dus iemand met wie je graag medelijden hebt.

► Jan is ongeveer even oud als Vidar. Hij lijkt bescheiden en meegaand, maar onder de oppervlakte zit er iets irritant en verontrustend.

Andere figuren zijn o.a.

► Dagny Salangen: zij baat de lokale kruidenierszaak uit en heeft als bijnaam “Rettferdigheten” (“de Rechtvaardigheid”).

► Sofie Hartvigsen: Carls vroegere lerares.

en

►Grethe Konradsen, die niet alleen in antiek geïnteresseerd is…

Gestolen spullen verkopen is een lucratief handeltje, maar dat het oorlog is wordt algauw duidelijk wanneer Carls vader eerst verdwijnt en daarna dood en mishandeld teruggevonden wordt. Hij is trouwens niet de enige.

Sabotagedaden en represailles verstoren het dagelijkse leven en families worden uit elkaar gerukt. Carl en Olav (die onder de deknaam Frank Pedersen voor een Duitse materiaalverzender werkt) worden zijdelings bij het verzet betrokken – Olav belandt zelfs een tijd in de gevangenis nadat iemand hem verraden heeft.

De uverdige loopt nog een tijd door na de Duitse capitulatie. Er dient afgerekend te worden met de collaborateurs. De jurist geworden Carl krijgt een landverrader die ongestraft is gebleven, in het vizier:

Hier was de ene na de andere verrader ongestraft ontsnapt aan het rechtssysteem (…) of met een minimaal verlies van het burgerlijke ererecht en hooguit een paar maanden achter de tralies (…) Ik kan je vertellen dat de smeerlap die je vader destijds heeft aangegeven, nog steeds vrij rondloopt, niet alleen heeft hij zijn oude baan bij de politie behouden, maar hij is ook bevorderd (vertaling Maud Jenje)

Roar heeft ondertussen iets gedaan wat je nooit van hem zou verwachten…

In de epiloog schrijft de ondertussen bejaarde Carl een brief aan zijn zoon waarin hij mijmert over de houding van de grote meerderheid van de Noren tijdens de Tweede Wereldoorlog.

In De uverdige belicht Roy Jacobsen een aspect van de Tweede Wereldoorlog dat tot dan toe maar weinig aandacht had gekregen in Noorwegen:

In de Noorse oorlogsliteratuur wordt gewoonlijk gefocust op de helden – de verzetslieden, de saboteurs en zij die met hun leven als inzet tegen de bezetter vochten. Maar Jacobsen doet net het omgekeerde: bij hem gaat het over wie geen held was, in de schaduw van de oorlog leefde en om te overleven misschien creatiever moest zijn. (Rose-M. Christiansen, rosemariechr.com, 27.07.2024)

Met dit groepje jongeren neemt Jacobsen ons mee naar een milieu, een tijd en een dagelijks leven die tot hier toe zo goed als afwezig gebleven zijn in de oorlogsgeschiedenis. (boktips.no, 06.10.2022):

De meeste recensenten waren enthousiast:

► Jacobsen schrijft met inlevingsvermogen en intensiteit over de wereld van jongeren en schetst met een brede pen een  arbeidersmilieu in Åsen, een woonbuurt ten noorden van Torshovdalen. (…) Moraliseren over wat de jongeren uitrichten doet Jacobsen niet. (…) een goed geschreven, solide roman, met humor, een onverwachte invalshoek en warme portretten van jongeren die opgroeien in een chaotische tijd. (Guri Hjeltnes, VG, 06.10.2022)

Het tijdscoloriet is voortreffelijk. Het lijkt alsof je de lucht van donkere straten ruikt, het geknars van de leegstaande herenhuizen hoort en de adrenaline voelt die door de aderen stroomt wanneer de jongeren aan het inbreken slaan. De taal is strak, effectief en toch poëtisch. (Rose-Marie Christiansen)

[De uverdige is] spannend als een thriller: dood, moord en drama zijn in hoge mate aanwezig in Roy Jacobsens verhaal over de overlevingsstrategieën van jongeren uit Oost-Oslo tijdens de Duitse bezetting van Noorwegen (…) Roy Jacobsen is een ontzettend goede verteller. (Inger Bentzrud, Dagbladet, 09.10.2022)

dramatisch, interessant en spannend (…) een sterk verhaal dat een geweldig goed boek geworden is (…) Natuurlijk heerste er armoede en was er oorlog, maar toch zat er een energie en een samenhorigheid in de jonge bende die ervoor zorgt dat het boek een bijzondere leservaring wordt.

schreef Jan Øyvind Helgesen (nettavisen.no, 06.10.22). Hij had wel een bedenking:

De titel van de roman klopt niet met de manier waarop Jacobsen de jongeren en hun ouders beschrijft. Ja, ze stelen, zowel van Noren als van de Duitse bezettingsmacht. Het eerste is waarschijnlijk ernstiger dan het tweede. Maar onwaardig?

Met De uverdige heeft Roy Jacobsen een in Oost-Oslo gesitueerd donker heldenepos geschreven over een jongensbende waarvan we niet wisten dat we ze misten. (…) De lotgevallen die Roy Jacobsen hier vertelt tonen het oorlogsleven en de jaren veertig in Noorwegen op een manier die zowel ongemakkelijk als pijnlijk aanvoelt. (…) Het is een verbazingwekkend gevarieerd, onderhoudend, spannend en dramatisch stuk Noors oorlogsleven dat Roy Jacobsen schetst in deze nieuwe, qua vorm klassieke roman. (…) die soms doet denken aan een misdaadroman, maar toch een relevantie en ernst bezit die hem in een heel andere categorie onderbrengen. (Turid Larsen, Dagsavisen, 07.10.2022)

We zien wat er gebeurt vooral door de ogen van Carl, en de taal die hij en zijn vrienden – Olav, Roar, Vidar en Jan – gebruiken is mondeling, ongedwongen, grof, jeugdig en dialectisch gekleurd, met ondertonen van de asfaltjungle en Oost-Oslo (…) Dat De uverdige verschilt van andere oorlogsliteratuur komt in de eerste plaats door de invalshoek: de wereld wordt beleefd door de ogen van een stel nuchtere straatjongens uit Oost-Oslo, en dat zorgt voor een nieuwe benadering van een historisch onderwerp dat vaak geassocieerd wordt met politiek gemotiveerde, volwassen helden in conflict met Duitse bezetters en nazistische landverraders. (…) Jacobsens verhaal gaat op een realistisch relevante manier over familieaangelegenheden, vriendschappen, arbeidsprocessen, diverse activiteiten en klassenverschillen en maakt indruk. (…) Dit is ongetwijfeld een nieuwe toproman van de hand van Roy Jacobsen. (Steinar Sivertsen, Stavanger Aftenblad, 25.10.2022)

Het gaat hier in de eerste plaats over een groepje jongeren die grotendeels op zichzelf aangewezen zijn – en slagen in wat ze ondernemen. Terwijl ze leren verantwoordelijkheid te nemen voor hun jongere broers en zussen, ervaren ze gaandeweg ook dat hun vaders misschien meer kanten hadden dan ze vroeger gemerkt hadden. De uverdige is een gemakkelijk toegankelijke roman. Hij heeft een prettig ritme, een niet al te uitgebreid aantal personages en fijne karakterbeschrijvingen. (Susanne Hilligsø Sørensen, bogrummet.dk, 02.02.2024)

Roy Jacobsen slaagt erin zich volledig in te leven in de wereld van de jongens. Hij is zelf ooit lid geweest van een jongensbende en beschrijft levendig de groepsdynamiek, de toenemende criminaliteit, maar ook hun ontroerende zorg voor elkaar, voor hun familie en niet in de laatste plaats voor hun broertjes en zusjes.

We krijgen een diepgaand inzicht in de arme arbeidersomgeving met kleine appartementen, geldgebrek en goederenschaarste. (Jytte Kjær Schou, Historie-online.dk, 04.10.2023)

De uverdige is een indrukwekkend stuk werk van een auteur die uitblinkt als verteller van verhalen en als mensenkenner. (Simen Ingemundsen, randaberg24.no, 13.11.2022

Die Unwürdigen ist ein Roman, den man wohl mehrfach lesen sollte. (Kristi Wesemann, Literaturkritik.de, 04.2024)

Still und fesselnd erzählt Roy Jacobsen in Die Unwürdigen von den Jungen und ihren Familien, vom Überleben und von Moral, Widerstand und Wegducken. Und wieder einmal fügt er seiner Chronik der norwegischen Geschichte ein weiteres, sehr gelungenes Kapitel hinzu.  (Petra Reich, literaturreich.de, 27.10.2023)

► Der norwegische Schriftsteller Roy Jacobsen wendet sich in seinem neuesten Roman „Die Unwürdigen“ einer nahezu vergessenen Generation zu – den Kindern und Jugendlichen, die allzu schnell erwachsen werden mussten. (…) Die Welt der Erwachsenen ist für die Jugendlichen voller Rätsel, viele Ereignisse sind für sie nicht erklärbar. (…) Im Epilog (…) wird der Gewerkschafter und Politiker Konrad Nordahl (1897 – 1975) erwähnt, der in seinen Memoiren schrieb, dass zehn Prozent der norwegischen Bevölkerung Widerstand geleistet, zehn Prozent mit den Deutschen kollaboriert und 80 Prozent den Geschehnissen gleichgültig gegenübergestanden haben. (Constanze Matthes, zeichenundzeiten, 22.09.2023)

► De meest kritische stem was die van Ingunn Økland (Aftenposten, 08.10.2022):

Jacobsen kiest ervoor om het gat in het verhaal te vullen met een groot aantal personages. Hij introduceert voortdurend nieuwe karakters die zij-intriges beginnen waar weinig uit voortkomt (…) Roy Jacobsen wordt vaak gewaardeerd om zijn vertelplezier. In De uverdige lijkt het alsof hij schrijft volgens het intuïtieve principe tot het te laat is om het verhaal stevig in de hand te houden. — met “het gat in het verhaal” (“hullet i fortellingen”) bedoelde Økland het ambigue portret van Carls vader als slechte ouder/goede verzetsman)

De uverdige werd genomineerd voor de Bokhandlerpris.

Roy Jacobsen, De onwaardigen, vertaald door Maud Jenje, Amsterdam (De Bezige Bij), 2025    ISBN 978-94-031-3268-6


Ander literair werk van Roy Jacobsen:

Jacobsens eerste roman Hjertetrøbbel *** (1984) is een portret van Peder Lemberg, een op sociaal (vrouw en twee kinderen) en professioneel (een succesvolle loopbaan als informaticus) gebied geslaagde dertiger die plots met een midlifecrisis geconfronteerd wordt. Zijn “hjertetrøbbel” (“hartgeruis”) is de psychosomatische uiting daarvan.

Lembergs situatie verergert nog wanneer hij er een huwelijkscrisis bovenop krijgt: zijn vrouw Anita wil van hem scheiden:

Je bent zo egocentrisch dat ik er misselijk van word.

Het is een beslissing waar hij het erg moeilijk mee heeft. Hij gaat in een soort vrijwillig isolement in hun zomerhuisje. Uiteindelijk lijkt alles toch weer op zijn pootjes terecht te komen – of toch niet?

Daarna begon ik na te denken over wat Anita en ik het afgelopen jaar hadden meegemaakt. Het was oorlog tussen ons, we hadden een rottijd, maar we kregen er ook iets voor terug, dacht ik, tot vorige week; toen realiseerde ik me dat we weer op dezelfde oude voorwaarden begonnen te leven, misschien niet precies dezelfde, maar toch bijna. En wat doen we dan in godsnaam? Opnieuw aan een scheiding beginnen, aan een nieuwe oorlog?

T. N. Heldahl (Nordlandsposten, 01.11.1984) schreef onder de kop “een nieuwe meesterverteller” een erg positieve recensie:

Peder Lemberg is iemand die ons interesseert en samen met hem zoeken we een weg uit de chaos (…) Roy Jacobsen schrijft vlot en levend, hij is onderhoudend en betrokken.

Finn Stenstad (Fremover, 12.09.1984) was minder enthousiast:

De hele opzet heeft iets sjabloonachtigs en is soms eerder vervelend. Het onderwerp is gewoonweg afgezaagd. Ook stilistisch biedt de roman weinig nieuws.

Met die laatste opmerking was Knut Faldbakken (Samtidslitteratur 84) het in elk geval niet eens:

De stijl is strak als een trommelvel, de taal vindingrijk, veerkrachtig en beknopt (…) Vele scènes, vooral diegene waarin de spanning tussen de twee betrokkenen hoog oploopt, bezitten een moordende intensiteit.

Roy Jacobsen, Hjertetrøbbel, Oslo (Cappelen), 1984      ISBN 82-02-09850-5


Tommy**½ (1985)

Tommy’s firma (gespecialiseerd in de import van speelautomaten) is failliet en hij overleeft min of meer bij de gratie van zijn Boliviaanse vriend Eduardo, die succesvoller is als het op zaken aankomt: hij importeert tropische vissen.

Tommy bevindt zich in Zurich wanneer hij in Aftenposten leest dat zijn oude klasgenoot en vriend Roger Haraldsen overleden is. Samen waren ze vroeger o.a. bij drugshandel betrokken. De officiële versie is dat Haraldsen aan een overdosis overleden is, maar aan die bewering hecht Tommy maar weinig geloof. Hij besluit naar Noorwegen te reizen (hij is al meer dan tien jaar niet meer in zijn vaderland geweest) om Haraldsens begrafenis bij te wonen.

In Oslo komt hij in zijn vroegere milieu terecht. Haraldsens jongere broer Johnny zit in de cel. Tommy gaat op zoek naar Haraldsens zus Siv, die als prostitituee aan de kost komt. Hij ontmoet ook zijn oude kompaan Erik, die niets meer te maken wil hebben met wat ze vroeger samen “beleefd” hebben. En dan is er nog Fredo, de vierde man van het groepje dat samen op een oude foto, genomen voor de allereerste schooldag, staat. Hij is doodsbang en overlijdt wat later ook aan een “overdosis”.

Tommy komt terecht in een web van intriges en wordt ook zelf in de gaten gehouden. Een fotorolletje brengt hem uiteindelijk op het spoor van wat de dood van Roger en Fredo “veroorzaakt” heeft, maar daarmee is het probleem niet opgelost: Tommy belandt zelf in het ziekenhuis en in de gevangenis.

Steinar Sivertsen (Rogaland Avis, 20.12.1985) omschreef hoofdfiguur en verteller Tommy als een

eigentijdse illustratie van kwetsbare mannelijkheid (…) een menselijke en sociale loser die een grote mond heeft en zijn mannetje staat in crisissituaties, maar uiteindelijk niets klaarspeelt als het over financieel gewin, liefde en geluk gaat.

Over de stijl schreef Kjell Chr. Johanssen (Arbeiderbladet, 08.10.1985)

Een boek waarin de replieken elkaar snel opvolgen, geen bladzijde zonder woord en weerwoord, het kan gemakkelijk nietszeggend gebabbel worden, of zoals in deze roman: energiek en levendig. De handeling ligt in wat er gezegd wordt, het zijn de dialogen die de personages body geven, kleine alledaagse woorden zorgen voor spanning, diezelfde woorden wekken een milieu tot leven.

Voor Øystein Rottem (Etterkrigslitteraturen Bind 3, Vår egen tid)

moet de roman nog steeds beschouwd worden als een van Jacobsens beste romans

Roy Jacobsen, Tommy, Oslo (Cappelen), 1985   ISBN 82-02-09381-3


Twee figuren staan centraal in Virgo *** (1988). Hans Larsen is een 68-jarige man die na een jarenlang verblijf in de gevangenis (een cipier suggereert op de eerste bladzijde van de roman waarvoor Larsen veroordeeld werd) vrijkomt, werk vindt en bevriend geraakt met een ouder echtpaar. Wanneer de man van het echtpaar overlijdt, trekt hij in het huis van de weduwe in en fungeert o.a. als een soort tuinman.

Van een seksuele relatie is helemaal geen sprake. Typisch voor Larsen is dat hij zich als het ware afsluit van de wereld, weigert zich ergens voor in te zetten, een oppervlakkig leven leidt, en daar heeft zijn verleden alles mee te maken:

Hij was een roofdier dat zijn omgeving vernietigde, een roofdier met een geweten, wat hij deed zou voortaan gereduceerd worden tot onbeduidende handelingen.

Marianne is een vrouw van rond de dertig die met faalangst kampt, geen stabiele relatie aankan en zelfdestructieve neigingen heeft. Haar verhouding met de jongere, halfcriminele Tommy illustreert dat allemaal:

Ze waren een vreemd stel. Een ontwrichte hysterica en een wel van masculien uithoudingsvermogen. Misschien pasten ze bij elkaar, omdat ze geen van beiden kregen wat ze wilden, omdat ze geen van beiden tevreden waren.

Anne Berit, Mariannes beste maar flapuitachtige vriendin, beschrijft haar zo:

Je bent de chagrijnigste en misnoegdste persoon die ik ken. Je hebt medelijden met jezelf. Je denkt dat je een stuk stront bent en dat je daarom mag doen wat je wilt.

Wat vanaf het begin gesuggereerd wordt, wordt bewaarheid: Marianne is Larsens dochter. De twee hebben al een eeuwigheid geen contact meer met elkaar:

Hij had het recht niet om haar op te zoeken, hij wist dat ze niet zou komen, hij wist dat hij haar nooit meer zou zien

Marianne koestert een intense, diepgewortelde haat-liefdeverhouding met haar vader.

een stuk ongedierte

noemt ze hem:

hij weigerde bemind of begrepen te worden. Hij had geen diepere lagen van twijfel en zwakte. Hij was een hautain en hard stuk rots waarop ze altijd resultaatloos kon inhakken. […] Het kwam niet door kracht, maar door een gebrek eraan. Ze had gedroomd dat indien het haar ooit zou lukken een bres in hem te slaan, dat zou resulteren in een stortvloed die haar zou verdrinken […] Hij was de enige man die haar echt interesseerde.

Wat er juist tussen hen gebeurd is, blijft in nevelen gehuld. En wanneer ze min of meer ongewild elkaar toch ontmoeten, is er van beide kanten geen echte bereidheid tot contact.

Zowat twintig jaar na de publicatie van Virgo, liet Jacobsen zich op forfatterforeningen.no (30.05.2011) eerder negatief uit over de roman:

Op zichzelf is er niets mis met Virgo, behalve wat er mis is met welk boek dan ook: het had beter gekund. Maar het was niet […] af toen het uitkwam, ik had nog de zes maanden nodig die ik bij elk boek nodig heb, om het steeds weer te herschrijven en over iedere zin na te denken. Dat is nooit gebeurd met Virgo omdat ik een aanbod kreeg (mijn eerste) van de boekenclub en ik niet stoer genoeg was om “nee” te zeggen.

en dat is op zijn minst merkwaardig, want Virgo is ongetwijfeld een goede roman, met overtuigende, psychologisch verantwoorde portretten van door het levengetekende figuren en een beklemmend einde.

Dat vonden ook de recensenten, die de nadruk legden op Jacobsons stilistische kwaliteiten en zijn psychologisch inzicht:

Ik was erg onder de indruk van de manier waarop Roy Jacobsen erin slaagt om de irrationele kanten van de mens te belichten (…) Zijn personages hebben een zo veelzijdig innerlijk leven dat ze nooit voorspelbaar (en dus vervelend) worden (…) De roman is (…) een magistrale studie over door angst gereduceerde en door schuldgevoel overmande mensen (Sverre Asmervik, Harstad Tidende, 13.12.1988)

Steinar Sivertsen (Rogalands Avis, 03.11.1988) schreef

dat de tekst erg suggestief is, dat hij iets raadselachtigs heeft, iets waar men min of meer het raden naar heeft, iets waar men nooit helemaal mee klaar is (…) Roy Jacobsen heeft een uitstekende hedendaagse roman geschreven: mysterieus, akelig en aangrijpend. De twee hoofdpersonen zijn buitenstaanders met een leven dat geslotener en neurotischer is dan dat van de meesten onder ons. Door hun spoor te volgen in een onbevredigend heden en een donker verleden leren we iets belangrijks over de sociale en psychologische wetten die de handelingen van een individu mee bepalen. Bovendien is het boek spannend, met een ingebouwde dramatiek die verwijst naar de misdaadliteratuur en de noodlotsroman.

Tom Klemetzen (Romerikes Blad, 11.10.1988) las in de roman

een choquerende machteloosheid die plots angstaanjagend gewoon wordt.(…) Een minder getalenteerde auteur zou ze [d.w.z. de twee hoofdfiguren]met een moraliserende wijsvinger en een benadrukkende duim overeind helpen. Maar Roy Jacobsen laat ze liggen (…) Roy Jacobsen bezit een echtheid die hem een aparte plaats bezorgt binnen de hedendaagse literatuur.

Hij zag toen al in Jacobsen een potentiële winnaar van de Nordisk Råds Litteraturpris.

Voor Per Are Løkke (Vinduet, 1988/3) zorgden

dubbelzinnigheid en suggestiviteit (…) ervoor dat de lezer altijd vol spanning de volgende bladzijde omdraait. Jacobsens boek is moeilijk weg te leggen. (…) Met veel begrip en een ongewoon groot inlevingsvermogen in de krachten die in mensen aanwezig zijn, slaagt Jacobsen erin om mensen die zich aan de buitenkant van de maatschappij bevinden, een plaats en een naam te geven.

Øystein Rottem (Arbeiderbladet, 15.10.1988) omschreef de roman zo

In de roman gaat het over afleidingsmanoeuvres, niet over bekentenissen. Het gaat over het gebruiken van de triviale rituelen van het dagelijks leven om de gewelddadigheid in bedwang te houden, over het negeren van de wonden omdat het gevaarlijk is om ze aan te raken. Ze genezen nooit.(…) Het angstaanjagende inzicht dat Jacobsen blootlegt, is dat er een nauwe verwantschap bestaat tussen de “zieke”, degene die op gespannen voet leeft met de geordende samenleving, en de gewone, zogezegd gezonde en morele burger.

Roy Jacobsen, Virgo, Oslo (Cappelen), 1988    ISBN 82-02-11874-3


Seierherrene **** (1991) bestaat uit twee delen. Ze hebben dezelfde verteller, Rogern, die in 1991 terugkijkt op de voorafgaande zes decennia, maar een verschillend vertelperspectief. Het boek is

een kroniek van de twintigste eeuw, een overzicht van wat er op materieel gebied veranderde voor drie opeenvolgende generaties van dezelfde familie. (Jørgen Lorentzen, Kritikkjournalen, 1991/4)

Het eerste deel, “Martas sang”, wordt in de derde persoon verteld en gaat over de periode voor Rogerns geboorte.

Het verhaal begint aan de kust van Helgeland in Noord-Noorwegen in 1927. Johan Strand en zijn uitgebreide gezin leiden er, gebukt onder schulden, een armoedig bestaan:

Armoede is een vlakgom. Ze vernietigt het zelfrespect en de trots van een mens en kromt zijn rug; ze zorgt ook voor een lege maag en knaagt zijn paardentuig kapot, zoals zeker wel ergens geschreven staat. Ze bezorgt hem ook mysterieuze ziekten, ontneemt hem zijn vrouw en kinderen voortijdig, en plaatst tot slot als nagedachtenis aan hem een armzalig houten kruis met een naam en een herinnering die weer en wind in een paar decennia wegknagen […] De sporen die de armen nalaten zijn te vinden in paleizen en banken, ze zijn er vermomd als het resultaat van de verfijnde smaak van de rijkaard, zijn manier van leven en de wijn die hij aan tafel drinkt, zijn aanpak in bestuurslokalen en op de beursvloer.

Johan kampt met vele tegenslagen (zo verliest hij bij een ontploffing een oog) maar geeft nooit op en probeert door een combinatie van jobs (visser, bouwvakker, landbouwer…) overeind te blijven. Toch is hij verplicht om een aantal van zijn kinderen bij familieleden onder te brengen.

Een van hen, Marta, wordt op 14-jarige leeftijd naar Oslo gestuurd om er te gaan dienen bij een welgestelde familie in Grefsen, een chique wijk van Oslo. Later werkt ze in een bakkerij en in de Tandbergfabriek. Ze ontmoet er industriearbeider Frank Nærland en trouwt na de Tweede Wereldoorlog met hem. Ze heeft dan een aantal onaangename ervaringen achter de rug:

De mensen lachen met haar dialect, de vrouw des huizes behandelt haar uit de hoogte. Alles is nieuw en anders. Maar geleidelijk past ze zich aan, ze trouwt en besluit [in Oslo] te blijven (Øystein Rottem, Etterkrigslitteraturen 3)

Marta is fundamenteel veranderd:

Marta is opengebloeid – waar is het slungelachtige, bange meisje gebleven? Ze ligt verdorie ergens begraven in oude herinneringen, op een keuterboerderijtje in het noorden van het land, en misschien ook wel in een advocatenkantoor in Grefsen – twee plaatsen die twee kanten tonen van iets wat nu geschiedenis is.

Het Noors dat in “Martas sang”‘ wordt gebruikt is niet altijd even gemakkelijk. Er zitten nogal wat technische termen in de tekst:

  • skårunge (een jonge zeevisser (letterlijk: een eenjarige grote mantelmeeuw)
  • ranværing (een traditioneel Noord-Noors boottype)
  • færing (een boot met vier roeispanen)
  • snurpenot (een soort groot visnet)
  • gangjern (een ijzeren of stalen scharnier)
  • tollegang (een plankje waarop de roeiriem rust)
  • kjøpeåre (een soort peddel)

Deze woorden staan allemaal op een en dezelfde bladzijde. Daarnaast wordt er in de dialogen dialect gesproken.

Het tweede deel, “Gutt”, is het relaas van een land dat na de Tweede Wereldoorlog een grote evolutie doormaakt die een grote impact heeft op het arbeidersdeel van de bevolking. Door de toenemende sociale maatregelen worden zij de “seierherrer” (“overwinnaars”) uit de titel.

Wat er gebeurt wordt door de ogen van verteller Rogern gezien. Hij is het jongste kind van Marta en Frank. Zijn oudere broers heten Harald en Jannik. De setting is een arbeiderswijk in de buurt van de Tonsenkirke in het Oslose stadsdeel Årvoll.

Rogerns terugblik bevat een aantal “klassiekers” en is niet gespeend van enige humor. Zo is er de lagere school met de boosaardiger leraars zoals “Rødspetta” (“de Schol”):

Ik vermoed dat die oude trol erin geslaagd is om in de loop van haar academische loopbaan meer heidenen voort te brengen dan alle door het christendom ingestelde vervolgingen samen, ook al heeft die Torquemada’s, Luthers, Calvijnen en Hallesbyen in de aanbieding.

(Torquemada was een Spaanse grootinquisiteur, Hallesby een Noorse conservatieve theoloog die zich voor de Tweede Wereldoorlog positief uitliet over Mussolini en Hitler)

Rødspetta zorgt ervoor dat Rogern een leerachterstand oploopt en begint te stotteren. Ook de tandarts, het

zwaard van Damocles nummer één in de zevenjarige Noorse basisschool

maakt zijn opwachting. In de basisschool zijn er overigens ook onder de leerlingen ongeleide projectielen zoals Raymonn Wackernagel.

Het einde van de jaren 60 en de jaren 70 worden zoals bijna overal in Europa gekenmerkt door revolterende jongeren en protesten die soms in vernielingen ontaarden:

Ik begreep snel dat het niet ging om wat we ermee buitmaakten, maar om het zalige gevoel dat men iets vernielt, de esthetiek van het vernielen.

En dan zijn er natuurlijk de drugs en de verliefdheden…

Dan volgt in de jaren 80 de “jappetid”met een grote groep jonge, ambitieuze en carrièrebewuste personen die werkzaam zijn in de zakenwereld en op zoek gaan naar statussymbolen en materiële vooruitgang.

Jannik en Rogern worden dataexperten. Harald keert een tijdje terug naar zijn (of eigenlijk zijn moeders) roots en ziet een grote toekomst voor de zalmkwekerij.

En zo is Rogern in 1991 iemand die zich perfect aangepast heeft aan de “nieuwe tijd”, hij is een overwinnaar:

Hoe dan ook zijn Marta’s kinderen de overwinnaars van de eeuw geworden. Spaarzaamheid en voorzichtigheid zijn de deugden die uiteindelijk voor de overwinning gezorgd hebben. Onderweg hebben weliswaar een aantal vrienden het loodje gelegd door alcoholverslaving, waanzin of een overdosis, zonder dat dit voor de verteller voldoende reden is om meer dan een paar minuten halt te houden om een briefje van 100 kronen te geven aan een oude klasgenoot die aan de rand van de maatschappij leeft? (Jørgen Lorentzen, Kritikkjournalen, 1991/4)

In Seierherrene klinkt het zo:

het ondeelbare koninkrijk Noorwegen

is een land

waar er pas 20 jaar geleden elektriciteit kwam in afgelegen plaatsen in de districten, waar niet meer dan 40 jaar geleden de moeder van ondergetekende en ontelbare andere moeders en vaders een aarzelende stap weg uit de middeleeuwen zetten, waar de lonen het laatste decennium verdrievoudigd zijn.

Voor Øystein Rottem (Etterkrigslitteraturen Bind 3) zit er wel een ironisch kantje aan de titel:

Misschien ging er onderweg toch wel een en ander verloren? De gemeenschappelijke waarden, de ouderwetse solidariteit, de arbeidsvreugde, de specifieke arbeidscultuur? Misschien behaalden de arbeidersklasse en de arbeidersbeweging een pyrrusoverwinning? Dat zijn enkele vragen die de roman indirect stelt.

In dat verband zei Jacobsen in een interview (Aftenposten, 16.11.1991):

Over het algemeen geloof ik in de sociaaldemocratie. Ik denk dat het goed is dat de gemeenschap zorgt voor wie niet aan de bak komt, wie mislukt. De droom van een rechtvaardige samenleving is even oud als de plicht tot naastenliefde. Zien dat anderen het niet zo goed hebben als ikzelf betekent voor mij dat ik de morele verantwoordelijkheid heb om ze te helpen. […] Toch ben ik er niet zeker van dat de sociaaldemocratie noodzakelijkerwijs georganiseerd moet worden op de manier waarop wij dat hier gedaan hebben. Moet de staat de banken redden? Moet de staat een groothandelaar in zalm worden? Dit zijn dingen die erop wijzen dat we de verkeerde kant opgaan; we doen net het omgekeerde! Het zijn de sterken die de steun krijgen – viskwekerijen, banken en ondernemers, zij die hun zaken zelf in orde moeten brengen! Er is iets verkeerd gelopen onderweg..

Voor Seierherrene kreeg Jacobsen de Bokhandlerpris, de Zweedse Ivar-Lopris en Scheiblers legat, en stond hij op de shortlist voor Nordisk Råds Litteraturpris. Bij de uitreiking van de Bokhandlerpris zei de toenmalige cultuurminister Åse Kleveland dat ze van oordeel was dat

deze roman ertoe kan bijdragen dat de lezer een totaalbeeld krijgt van het nabije verleden en daardoor de steeds groter wordende onwetendheid over het verleden tegengewerkt wordt.

Seierherrene was een enorm succes (het gerucht gaat dat Jacobsen met de royalities voor het boek zijn huis gekocht heeft) en kreeg erg goede kritieken. Stein-Arve Myrbakk (Rana Blad, 20.12.1991) constateerde dat de roman

geen heroïserend of idealiserend beeld ophangt van de arbeidersbeweging. We bevinden ons gelukkig mijlenver van het politiserende socialistisch realisme en van de romantisering van de arbeidersklasse en het afgelegen platteland.

Finn Stenstad (Fremover, 23.11.1991) noemde het eerste deel van Seierherrene

een gewoonweg onvergetelijke realistische schets van het leven van alledag

en vond het boek

verplichte lectuur voor iedereen die zich bezighoudt met geschiedenis, of met maatschappijwetenschap, sociale geografie en sociologie.

De sterkte van het boek ligt in het gebruik van de taal als middel om een milieu en een groep mensen te typeren, of het nu het aan Bojer herinnerende, armoedige, gezin uit het noorden van Noorwegen is, of de niet op hun mond gevallen tienjarigen uit Ålevoll in Oslo. Opnieuw demonstreert Jacobsen zijn ongeëvenaard vermogen om een milieu op te roepen. Dit keer is het canvas dat hij beschildert zo groot dat heel veel lezers iets konden herkennen dat een belangrijk deel uitmaakte van henzelf en hun wereld. Jacobsen experimenteert niet; zijn boek is een kroniek: een rechttoe rechtaan weergave van de wereld zoals die was en zoals die is. Daarmee loopt hij het risico het verwijt te krijgen dat hij niet origineel is, maar zoals altijd moet men toegeven dat wat hij doet, hij perfect doet. (Kjell Olaf Jensen, Roy Jacobsen: et forfatterportrett, 1994)(Johan Bojer (1872-1959) was een Noorse auteur van o.a. sociale romans met een moraliserende ondertoon)

De kritiek waarover Kjell Olaf Jensen het heeft, kwam er ook. Jørgen Lorentzen sloot zijn bespreking af met te schrijven dat Jacobsen als schrijver geëvolueerd was van

een intense verwoorder van een unieke blik op de eenzaten, de uitgestotenen en de weggemoffelden van onze maatschappij

naar

een ongecompliceerdere verteller over de winnaars van onze tijd […] Noorwegen heeft er een uitstekende verteller bij, maar verliest een schrijver met een eigen geluid.

Je kunt het natuurlijk ook op een andere manier bekijken:

geen stoer gejongleer met de structuur, de tijdsniveaus of alternerende points of view om het intellect van de lezer op de proef te stellen. Alles is rechttoe rechtaan en wordt op een duidelijke manier geformuleerd. Toch vind ik dat de roman authenticiteit en literaire kwaliteit bezit. (Stein-Arve Myrbakk (Rana Blad, 20.12.1991)

Seierherrene: stamboom

Roy Jacobsen, Seierherrene, Oslo (Cappelen), 1991   ISBN 82-02-13267-3

Seierherrene werd in het Frans vertaald:

Roy Jacobsen, Les vainqueurs, vertaald door Alain Gnaedig, Paris (Gallimard), 2022    ISBN 978-2-07-294364-5


Den høyre armen *** (1994)

Moeten kiezen, zelfs in een situatie waar dat onmogelijk is, is het thema van Roy Jacobsens (…) novellebundel: terechtkomen in een situatie waarin men als het ware geen keuze heeft, waarin een probleem moet opgelost worden dat eigenlijk niet opgelost kan worden. Het gaat hier telkens over het moeten kiezen tussen de pest en de cholera

Zo omschreef Nøste Kendzior (Nordlys, 29.09.1994) het centrale thema in Den høyre armen (1994). De titelnovelle illustreert dat perfect. In “Dobryn” stelt de wrede grootvizier, nog voor er onlusten uitbreken, de lokale christelijk hoofdman voor een verscheurende keuze: ofwel wordt zijn rechterarm afgehakt ofwel die van zijn oudste zoon. Het thema wordt vier keer uitgewerkt zonder dat er een “bevredigende” oplossing gevonden wordt; daarna mag de lezer zelf het een vijfde keer proberen…

De titelnovelle neemt door zijn plaats en tijd een wat aparte plaats in in de bundel. Meestal situeert Jacobsen zijn novellen in het heden en in Noorwegen, hoewel “Far og sønn” tijdens de nazitijd speelt en “Oversettelsen” in een land waar hoogstwaarschijnlijk Spaans gesproken wordt. Jacobsens bedient zich vaak van de “antydningskunst”, laat de interpretatie dus grotendeels aan de lezer over, en beperkt beschrijvingen tot het minimum.

Sterke novellen zijn o.a. “Signalene”, over een arts die een moeilijke thuisbevalling tot een zo goed mogelijk einde moet brengen, het nogal ironische “Irrasjonelle følelser”, over wel of niet kinderen hebben en zeker “Mannen som sluttet”, waarin een driejarige kind door een tiener doodgereden wordt en zijn vader met het (on)nut van wraak geconfronteerd wordt:

Nu denkt hij dat cultuur en menselijkheid slechts een aangeleerd maatschappelijk spel is dat mogelijk gemaakt wordt door de afwezigheid van tegenspoed en leed, dat het allemaal zal verdwijnen, als dauw voor de zon, op de dag dat men het nodig heeft.

Roy Jacobsen, Den høyre armen, Oslo (J.W. Cappelens Forlag), 1994  ISBN 82-02-14787-5


Ismael *** (1998)

De 56-jarige Tor (niet zijn echte naam) heef, onder de codenaam Ismael, een lange en succesvolle staat van dienst achter de rug in de (contra)spionage. Foutloos is hij ongetwijfeld niet: vroeg in de roman omschrijft hij zichzelf als

geen voorbeeld voor anderen, maar een godslasteraar en een stuk gepeupel

Zijn codenaam is dan ook niet zonder symboliek. Hij verwijst, zoals het citaat vooraan in het boek aangeeft, naar het oude testament. Ismael was de zoon die Abraham had met zijn bijvrouw Hagar. God zei tegen haar:

Zie, u bent zwanger;

u zult een zoon baren

en u moet hem de naam Ismael geven,

omdat de Here uw verdrukking gehoord heeft.

En hij zal zijn

een wilde ezel van een mens;

zijn hand zal tegen allen zijn,

en de hand van allen tegen hem;

en hij zal wonen tegenover al zijn broeders.

Zelf zei Jacobsen in een interview (Agder, 20.02.1998):

Ismael is een verstoteling, en verstotelingen, mensen die hun eigen leven moeten opbouwen aan de buitenkant van de samenleving, hebben me altijd gefascineerd. De koude oorlog creëerde een sfeer van wantrouwen waarin niemand iets voor vanzelfsprekend aannam. In Ismael resulteert dat in paranoia bij veel van de betrokkenen.

Tor heeft zich nu in volslagen anonimiteit en samen met de wat jongere ex-prostituee Susi, teruggetrokken op een boerderijtje niet ver van de Zweedse grens.

Maar op een dag gebeurt er iets onverwachts en vreemds. Tor krijgt bezoek van een ambtenaar van het ministerie van justitie die betrokken is bij een subsidieschandaal en hem om “hulp” vraagt. Tor weigert, maar zijn argwaan is gewekt: hoe is die ambtenaar bij hem uitgekomen?

Wat me allesbehalve bevalt, is dat hij me heeft gevonden. Er is niemand die weet wie ik ben, hoe ik heet of waar ik woon.

Hij trekt op onderzoek uit en een paar “toevallige” ontmoetingen met een agent van de POT, de dienst die toezicht op de politie houdt, stellen hem allesbehalve gerust. Wat wel snel duidelijk wordt is dat het werk van de Lundcommissie een rol op de achtergrond speelt.

Over die commissie schrijft Wikipedia

The report reveals extensive surveillance of Norwegian communists, socialists and individuals and groups which the Norwegian Police Security Agency regarded to represent a threat to national security. It also criticizes several issues in relation to the secret services.

Misschien beschikt Tor wel over informatie die belangrijke personen in diskrediet kan brengen? En welke rol speelt Tors voormalige overste? En wat met een dochter met wie Tor tot nu toe geen contact gehad heeft?

Een “spenningsroman”, zo noemde Jacobsen zelf Ismael. Maar wie een spionageverhaal à la Ian Fleming verwacht, is eraan voor de moeite. Wel is er, zoals Finn Stenstad (Fremover, 21.02.1998) terecht opmerkt, een duidelijk verband met John le Carré door de

psychologische benadering die van manipulatie en menselijke zwakheden als achterdocht, wantrouwen en geïntrigeer de belangrijkste elementen maakt

Daarnaast is er ook verwantschap met de complex gecomponeerde spionageromans van Helen MacInnes, want van de lezer wordt in elk geval een niet verslappende aandacht geëist.

Nogal wat recensenten zagen in de suggestieve plotelementen een minpunt:

Dit moeras van invalshoeken maakt de roman voor een deel onoverzichtelijk en springerig (…) Het kost nogal wat moeite om mee te zijn, en veel van de personen die we in de loop van de roman ontmoeten, werken eerder versluierend dan richtinggevend. (Jon Terje Grønli, Gjengangeren, 07.04.1998)

De vele spannende en knap beschreven episodes verdwijnen als het ware in een soort mist. (Arne Moen Nesheim, Fredriksstad Blad, 19.02.1998)

Øystein Rottem (Norges litteraturhistorie : etterkrigslitteraturen: Vår egen tid: 1980-1998) schreef dat

Ismael (…) niet [kan] ontsnappen aan zijn verleden, maar wat er eigenlijk op het spel staat blijft lang onduidelijk, komt misschien nooit helemaal aan de oppervlakte

Hij loofde wel de

verteltechnische kwaliteiten

van een boek dat

veel geraffineerder is dan veel wat er in dit genre uitgegeven wordt. Daar dragen de vele Bijbelreferenties, de perspectief creërende naamsymboliek en de consequente jager/slachtoffer beeldspraak toe bij.

cover pocketuitgave

Roy Jacobsen, Ismael, Oslo (Cappelen), 1998   ISBN 82-02-17499-6

Ismael werd in het Duits vertaald:

Roy Jacobsen, Haus ohne Namen, vertaald door Gabriele Haefs, München (Goldmann), 1999      ISBN 978-3-442-72467-3


Dat Jacobsen een uitstekend novellist is bewijst ook Fugler og soldater **** (2001), ook al kreeg het boek in Noorwegen een nogal “blandet mottakelse” (“gemengde ontvangst”)

Uitgangspunten en inhoud variëren. Dat kan ook gezegd worden over de standpunten van de lezers. Daarom denk ik dat velen “Fugler og soldater” ongelijk qua kwaliteit zullen vinden.

vond Odd Erik Hagen (Oppland Arbeiderblad, 17.10.2001)

Nu Jacobsen zijn vierde novellebundel publiceert, zou je verwachten dat hij zich op bekend terrein begeeft. Daarom komt het verrassend over dat de 14 novellen van de nieuwe bundel zo verschillend zijn qua kwaliteit.

schreef Rune Fjellvang (Romerikes Blad, 11.10.2001)

Maar er waren ook vele (erg) positieve reacties

Elegant, vormperfect, sterk, compact – en tegelijkertijd spannend, levendig, belangrijk en boeiend (…) Je kunt je moeilijk voorstellen dat iemand betere novellen zou kunnen schrijven.

was Kjell Olaf Jensens oordeel (Dagsavisen, 26.09.2001)

Jacobsens novellen zijn schoolvoorbeelden van hoe novellen er zouden moeten uitzien. Ze zijn strak gecomponeerd en raken de lezer.

vond Hildegun Haukenæs (Vårt Land, 27.09.2001)

Tinic Talén, (VG, 27.09.2001) loofde de

vlijmscherpe pen

waarmee Jacobsen de novellen schreef (ook al vond ze de bundel Den høyre armen nóg beter.)

Voor de stijl had Steinar Sivertsen (Stavanger Aftenblad, 09.10.2001) heel wat lof over:

het mooie aan Roy Jacobsen is dat hij zijn taalgebruik weet aan te passen aan de omgeving waarin alles zich afspeelt

Opvallend in de bundel zijn de grote variatie qua thematiek en personages enerzijds, en het verrassende einde van een aantal novellen anderzijds. Roy Jacobsen heeft zelf in een interview aangegeven dat het bindende element tussen de novellen is dat

alle novellen […] op de een of andere manier [gaan] over winnen

Lennart J. Johansen voegde daar nog een tweede element aan toe wanneer hij schreef dat de novellen het allemaal hebben over

communicatie, of die nu is tussen man en vrouw, tussen vader en zoon, tussen de leden van een groepje vrienden, tussen broers of tussen generaties

Voor Rune Fjellvang was

toeval een motief dat telkens weer opdook, een kleine beslissing die grote betekenis heeft voor wat er verder gebeurt.

We ontmoeten in elk geval heel verschillende personages in Fugler og soldater: een paar zonderlingen die een lijk vinden en daar op hun heel eigen wijze komaf mee maken (“Oksen”), een prostituee uit de Amsterdamse hoerenbuurt (“Fugler og soldater”), een groepje jongens uit een Oslose arbeiderswijk die zich de finesses van het schaakspel eigen maken (“Gambit”), een filoloog die zich op aanraden van zijn jeugd”vriend” Erik op de beurs waagt (“Pearl Harbor”), vissers die in een woeste zee in de problemen geraken (“Etter alt sannsynlighet”), een oude man die amok maakt wanneer hij hoort dat het alarmsysteem dat hij zich na lang weigeren nu toch wil aanschaffen niet dadelijk voor hem beschikbaar blijkt (“Alarm”) en ga zo maar door…

Verrassende ontknopingen vinden we o.a. in “Tilståelser” (waar een man met een minnares het gedrag van zijn vrouw foutief interpreteert), en in “Etter all sannsynlighet”, waar de betekenis van de titel pas helemaal op het einde duidelijk wordt. In een paar novellen gaar Jacobsen de surrealistische (wat hij zelf “realisme med fabelaktig innslag” noemt) of de absurde toer op: het alarm doet heel wat meer dan het verondersteld wordt te doen, de klanten van de prostituee komen er niet onbeschadigd vanaf en in “Sigøynerne” blijken de zigeuners die het hoofdpersonage vroeger op de dag al ontmoet heeft bij hun nachtelijk bezoek iets heel onverwachts bij zich te hebben. Het genre van de novelle wordt vaak omschreven als een voorbeeld van “antydningens kunst” en een paar keer wordt in Fugler og soldater de betekenis ondergeschikt gemaakt aan de atmosfeer (“Påske”, “Reise til Orknøyene”). “Brønnen” komt dan weer over als een experimentele novelle.

Een aantal van de novellen hebben een humoristische inslag. “Gambit” klinkt uitgesproken optimistisch. “Når man tenker over det” is een verhaal met een knipoog: aan het woord is de man die

zich verzekerd heeft van de enige arbeidsplaats in de stad

maar hij vervult zijn taak in elk geval met veel beroepsernst. In “Pearl Harbour” heel wat ironie, en dat geldt ook voor “Nasjonenes ære” waarin de eerste minister van een klein Scandinavisch land het uiteindelijk moet afleggen tegen de receptioniste van het Duitse hotel waar hij verblijft.

Roy Jacobsen, Fugler og soldater, Oslo (Cappelen), 2001   ISBN 82-02-21956-6


Terug naar hoofdpagina.