Tore Renberg

Tore Renberg (1972) groeide op in Stavanger en studeerde literatuurwetenschap en filosofie in Bergen. Voor zijn literaire debuut Sovende floke (1995) kreeg hij de Tarjei Vesaas’ debutantpris. Renbergs eerste romans zijn eerder experimenteel van aard, maar met Mannen som elsket Yngve (2003) brak hij door bij het grote publiek. Over zijn nieuwe literaire “inzichten” die tot dit succes leidden, heeft hij het uitvoerig in På fest hos literaturen (2012), de tekst van drie lezingen die hij in de lente van 2009 gaf in het Literaturhus in Oslo. Zelf komt hij ook met een alternatieve titel: “Tore Con Amore”.

In de eerste lezing komt Renberg met een bekentenis: hij heeft het niet langer zo voor “modernistische” auteurs:

dat betekent niet dat men Alain Robbe-Grillet of Claude Simon moet afschrijven. Maar […] ik ben van  mening dat het modernisme een miskleun was, en dat het in de literatuurgeschiedenis over een paar honderd jaar bekeken zal worden als een piepklein, fanatiek randverschijnsel.

Renberg is geen fan meer van auteurs die zich in de eerste plaats op de vorm concentreren:

al die “originele” en “speelse” Amerikaanse romans met voetnoten en wat nog allemaal: het ziet er mooi en nieuw uit, maar wat moet je met een fiets die niet rijdt?

Hij heeft een uitgesproken voorkeur voor romans die lezen tot een feest maken,

meeslepende

literatuur dus, romans die ervoor zorgen dat je geboeid verder wilt lezen. Illustratief daarvoor is zijn oordeel over icoon Knut Hamsun:

Hij lijkt technisch onbekwaam te zijn om een verhaal te schrijven dat leest als een pageturner

Een roman mag voor Renberg niet tot een studieobject verworden, iets wat bij sommige auteurs het geval is. Hij heeft het dus voor romans die er als romans “uitzien”:

De roman is niet dood. Dat wordt alleen beweerd.

Dat blijkt ook uit de drie auteurs die het onderwerp vormen van zijn lezingen. Balzac, Lagerlöf en Laxness zijn er alle drie van overtuigd

dat het mogelijk is om grote literatuur te combineren met een grote lezersschare, dat men zijn ideeën kan formuleren zonder hermetisch of duister te worden.

Balzac is voor Renberg

de vader van de moderne roman

Zijn enorme romanproductie is

een enorm feest waar alle mogelijke soorten stervelingen, voorvallen, lotsbestemmingen en onthullingen aanwezig zijn

en hij

wil de lezer het gevoel geven dat wat hij leest daadwerkelijk is gebeurd.

Selma Lagerlöf, geeft Renberg toe, lijkt op het eerste gezicht een merkwaardige keuze. Ze. heeft haar reputatie tegen:

Er wordt met een zeker respect over haar gesproken, iemand die politiek correct was, want ze toonde zich al snel een feministisch auteur, maar gelezen wordt ze niet.

Strindberg noemde haar een “sagotant”, Zweeds voor iemand die verhalen aan kinderen vertelt. Het resultaat laat zich raden:

Ik had geen zin van haar gelezen, maar toch was ik er al die jaren van overtuigd dat ze een onbeduidende, truttige, burgerlijke, christelijke en auteur van bescheiden formaat.

En dat is dus niet het geval:

Ze hoort thuis onder de auteurs met een groot register, met een overvloed van karakters en verhalen, de auteurs die je het gevoel geven dat het leven een stroom is, die je daarover vertellen met autoriteit en luister, die zich niets hoeven aan te trekken van literaire conventies.

Tijdens het lezen van Lagerlöf, schrijft Renberg, ervaar je een soort

kinderlijke vreugde

en daar is niets mis mee:

Selma Lagerlöf lezen neemt niet veel tijd in beslag, je hoeft niet terug te bladeren en je af te vragen wat er eigenlijk gebeurde, je hoeft je niet dom te voelen en je af te vragen of je nu wel begrepen hebt wat je aan het lezen bent.

En, schrijft Renberg, kijk nu eens naar algemeen aanvaarde meesterwerken zoals Lotte in Weimar en Der Zauberberg, allebei van Thomas Mann. Zijn grote stukken ervan niet

vervelend en nodeloos ingewikkeld?

Renbergs derde auteur, de IJslander Halldór Laxness,

was een veelzijdig auteur […] een volkse schrijver […] Hij […] introduceerde het modernisme in IJsland […] maar hij richtte zich in de eerste plaats tot een groot lezerspubliek

Laxness’ roman Sin egen herre (2 delen: 1934 en 1935) is voor Renberg

de beste noordse roman […] foutloos, imponerend episch, lyrisch, diep menselijk, spannend, memorabel. Hij haalt het moeiteloos tegen [Knut Hamsuns] Honger, [Johannes V. Jensens] De val van de koning en [Göran Tunströms] Het kerstoratorium en al die andere.

Renberg lezen werkt inspirerend, want hij is zowat de enige die nu in Noorwegen hulde brengt aan de realistische literatuur […] In zijn hoedanigheid van schrijver benadert hij probleemstellingen die je maar zelden in wetenschappelijke proefschriften behandeld ziet, zoals met welk gevoel je achterblijft na het lezen van literatuur.

schreef Knut Hoem in zijn bespreking (Kulturnytt, 08.08.2012). Henning Hagerup (Morgenbladet, 02.01.2015) daarentegen is minder te spreken over de naar zijn oordeel Renbergs eenzijdige aanval op het modernisme:

dat hoort te gebeuren op een min of meer rechtvaardige basis, en niet aan de hand van simplificaties, ongedocumenteerde beweringen en pompeuze, inhoudsloze postulaten.

Maar interessant en boeiend is På fest hos litteraturen zeker, en een hele troost voor lezers die zich soms afvragen of ze nu de enigen zijn die problemen hebben met bepaalde romans.

Tore Renberg, På fest hos litteraturen, Oslo (Oktober), 2012   ISBN 978-82-495-0924-9


Mannen som elsket Yngve **** (2003)

Jarle Klepp is 30 en afgestudeerd aan de universiteit van Bergen. Wanneer hij op een dag zijn moeder bezoekt in Stavanger, vertelt ze hem dat ze niet zo lang daarvoor de moeder van Yngve Lima ontmoet heeft, iets wat bij Jarle herinneringen oproept aan januari 1990, toen hij zeventien was en op school ging in Kongsgård.

Jarle komt uit een nogal burgerlijk gezin, maar

Vraag je me hoe ik me voel, dan zal ik vermoedelijk antwoorden: Oké. Een beetje rusteloos misschien, heel erg schoolmoe, opstandig, maar toch: oké. […] Zegt iemand “ja”, dan kun je er gif op innemen dat Jarle “nee” zegt.

Zijn gedrag en opvattingen worden erg beïnvloed door Helge Ombro, met wie hij goed bevriend is. Die komt uit een uitgesproken links nest en houdt er revolutionaire denkbeelden op na. Samen spelen ze in een rockbandje, de Mathias Rust Band, genoemd naar de man die op 28 mei 1987 met een Cessna aan het Rode Plein in Moskou landde – de Duitse versie van onze Vic van Brantegem, zeg maar. Het plan is om via amateuristische punkrock hun rebelse ideeën te verspreiden.

Jarle is al een hele tijd samen met Katrine, maar op een dag verschijnt er een nieuwe leerling op school, Yngve Lima, en Jarle valt helemaal voor hem. In hoeverre de aantrekkingskracht ook seksueel is blijft nogal ambigu, maar ze brengt bij Jarle in elk geval een hele gedragsverandering teweeg: hij kleedt zich deftiger, laat zijn haar “fatsoeneren”, en begint tennis te spelen – allemaal dingen die bij Helge grote frustratie opwekken. Helges ongenoegen bereikt een hoogtepunt wanneer Jarle een repetitie van de band verzuimt om tennis met Yngve te kunnen spelen…

Wanneer het eerste publieke optreden van de Mathias Rust Band op een fiasco uitdraait, en het erop volgende “feest” danig uit de hand loopt, zadelt dat laatste Jarle op met een

een verscheurd geweten, machteloosheid en een miserabel gevoel van eigenwaarde.

Maar wat is de impact ervan op zijn relatie met Yngve?

Mannen som elsket Yngve (2003) gaat over opgroeien in Noorwegen aan het begin van de jaren 90 van de vorige eeuw. Cathrine Sandnes (in: Andreas Titlestad, Litteratur – yeah, yeah! Om popmusikkens plass og funksjon i norske skjønnlitterære prosatekster, Oslo 2006) omschreef de roman zelfs als

hét verhaal over hoe het in 1990 was

Het is de tijd waarin de economische crisis in Noorwegen hard toeslaat, iets wat Jarles moeder aan den lijve ondervindt. Wanneer Jarle nu terugkijkt op die periode van zijn leven heeft hij een heel ander beeld van zichzelf dan toen

De afstand tussen wat er in de wereld gebeurde en hoe ik dat zag, is vermoedelijk nooit zo enorm geweest als toen ik zeventien was, want zoals vele zeventienjarigen leed ik aan de ziekte “zekerheid” […] ik twijfelde er nooit aan dat ik gelijk had wanneer het over anderen ging of over wat ik ergens van vond.

Hij realiseert zich nu dat hij onvoldoende empathie voelde voor zijn moeder, die na haar scheiding door een erg moeilijke periode ging:

Ik zag mama niet meer als een vrouw die mijn steun nodig had, maar als een blèrende middenklassemoeder met onvoldoende wilskracht

en erkent dat er nogal wat waarheid zat in Katrines woedende finale typering:

Je bent een arrogante, afschuwelijke, egocentrische, impertinente kwant die zich wentelt in zelfmedelijden.

Zoals al gezegd betekende Mannen som elsket Yngve Tore Renbergs definitieve doorbraak bij het grote publiek. Er werden tot op heden in Noorwegen meer dan 150.000 exemplaren van de roman verkocht. Het is dan ook een knap geschreven, boeiend verteld boek met mooi getekende en geloofwaardige personages. Rensberg zelf zei in een interview in Stavanger Aftenblad (13.04.2013):

Mijn ambitie met dit boek formuleer ik zo: een eerlijk, vlot en vrijmoedig boek. Toen ik aan Yngve begon, nam ik me voor dat het een vrijmoedig en onderhoudend boek zou worden.

Misschien daarom dat Øystein Rottem het in zijn recensie (Dagbladet, 24.03.2003) had over

een boeiende en overtuigende, maar niet bijzonder diepgravende roman

Diepgravend of niet, wat ook belangrijk is (en zo goed als afwezig in Knausgårds terugblik op zijn jeugd), is dat er ook heel wat humor zit in Mannen som elsket Yngve. Lees het relaas van de zoektocht naar “pot” in hoofdstuk 11 er maar eens op na.

Tore Renberg, Mannen som elsket Yngve, Oslo (Oktober), 20065 ISBN 978-82-495-0219-6


De roman werd in het Frans vertaald:

L’homme qui aimait Yngve, vertaald door Alexis Fouillet, Paris (Odin), 2004

ISBN 978-2-913167-39-1

Tore Renberg schreef ook het scenario voor de verfilming van het boek door Stian Kristiansen (2008):

Engelstalige filmposter
Rolf Kristian Larsen als Jarle Klepp en Ole Christoffer Ertvaag als Yngve Lima

Bekijk hier een fragment van de film.


Kompani Orheim **** (2005)

Jarle Klepp studeert aan de universiteit van Bergen wanneer hij in november 1996 van zijn moeder te weten komt dat zijn vader overleden is. Samen met zijn (blijkbaar aan anorexia nervosa lijdende) vriendin Lene neemt hij het vliegtuig naar Stavanger.

De rest van de roman (met uitzondering van het laatste hoofdstuk, dat over de begrafenis van Terje Orheim gaat) is een lange flashback naar de periode die voorafgaat aan wat beschreven wordt in het eerder verschenen Mannen som elsket Yngve.

De periode van 1972 (het jaar waarin Jarle geboren wordt) tot 1984 komt maar kort aan bod. Het beeld dat hier beschreven wordt, is dat van een uit drie personen bestaande gelukkig gezinnetje.

De hoofdmoot van Kompani Orheim gaat over de jaren die Jarle op de Gosen ungdomsskole doorbrengt. Van het idyllische gezinnetje blijft dan al niet veel meer over. Jarles vader is een zware (weekend)drinker geworden en leidt op die manier een soort dubbelleven. Tijdens de week is hij een gerespecteerde en positief ingestelde “inspektør” in een technische school in Stavanger. In het weekend terroriseert hij zijn gezin. Het is vooral zijn vrouw Sara die het dan (ook fysiek) zwaar moet ontgelden.

Een poosje (nadat Terje de alcohol afgezworen heeft) gaat het schijnbaar beter met “Kompani Orheim” – de naam die Terje aan zijn gezin gaf toen alles nog goed ging:

Dat is iets waar mijn vrouw en ik lang geleden verzonnen. Gebaseerd op Kompani Ligne.

(Kompani Ligne was tijdens de Tweede Wereldoorlog een Britse militaire eenheid die bestond uit Noorse vrijwilligers. Het illustreert ook Terje Orheims nogal obsessieve interesse voor de Tweede Wereldoorlog en zijn helden, een soort compensatie voor de daden waartoe hij zelf niet in staat is).

Schijnbaar beter, want Sara is ondertussen zo gekwetst door zijn houding dat ze iedere emotionele toenadering blijft afwijzen. Tijdens een “vakantiereis” op de Hadangervidda komt het tot een definitieve breuk.

Jarle woont eerst een tijd bij zijn vader, maar ervaart al vlug dat dat geen haalbare kaart is. Latere contacten (na de periode waarover het in Yngve gaat) lopen steeds weer met een sisser af. Uiteindelijk verandert hij zijn naam van Jarle Orheim naar Jarle Klepp. Toch blijft er iets ambivalents in Jarles houding tegenover zijn vader:

Jarle voelt dat hij papa haat, maar papa is alles wat hij heeft, en hij houdt van papa, ook al haat hij hem.

Wat dat haten betreft: de slechte relatie tussen zijn ouders voor hun definitieve scheiding heeft natuurlijk een grote impact op Jarle, die in die periode net als elke andere puber probeert een eigen identiteit te ontwikkelen. Via zijn vriend Helge Ombo resulteert dat in een nogal naïeve en simplistische pseudocommunistische sympathie. Hij neemt deel aan een antiracistische betoging en richt op school een werkgroep rond het thema “racisme” op. Daarnaast noemt hij zich ook feminist. Qua muziek ontwikkelt hij een voorkeur voor het “hardere” genre. En natuurlijk begint hij ook te roken en maakt hij kennis met alcohol. Tijdens het afsluitende schoolfeest geraakt hij bovendien betrokken bij jeugdbendegeweld.

En vanzelfsprekend is er (de met veel gepoch gepaard(!) gaande) ontluikende seksualiteit.

Jarle ondervindt dat wat in theorie een heel goed plan lijkt te zijn heel onverwachte consequenties kan hebben wanneer het in de praktijk wordt omgezet…

Van Kompani Orheim werden er in Noorwegen meer dan 100.000 exemplaren verkocht. Het is dan ook een boek (met een opvallend aanwezige en vaak commentaar leverende alwetende verteller) dat loopt als een trein. De herkenbaarheid van de situaties speelt daarbij een grote rol, maar ook de personages (met wie de lezer zich vaak kan associëren) zijn daarbij een pluspunt. Er zitten trouwens geen echte “slechteriken” in Kompani Orheim.

En Terje dan? Renberg heeft in een interview (VG, 29.02.2012) benadrukt at Terje geen “portret” van zijn vader is, maar zei er toch bij dat er toch gelijkenissen zijn:

hij geeft wel toe dat zijn vader zijn gezin veel schade berokkend heeft. Dat hij een thuis creëerde waarin veel onrust en onzekerheid heerste. En dat Renberg nooit de keuze die zijn vader maakte zal begrijpen. “Ik zal nooit begrijpen waarom hij ervoor koos om iedere vrijdag na het werk naar het Vinmonopol te rijden en daar zo veel sterkedrank te kopen als men op één weekeinde kan opdrinken, en die dan naar binnen te gieten. Ik zal nooit begrijpen waarom iemand van wie je zo veel houdt, en die zo intelligent was als mijn vader, ervoor koos om dat te doen.

De Noorse recensenten waren erg opgetogen over Kompani Orheim. Een van de weinige uitzonderingen was de criticus van Morgenbladet (15.07.2005), die wel toegaf dat de roman

bij tijden sterk en gevoelig

is

maar als geheel beschouwd

ongelijk en praatziek

Anne B. Ragde, die het boek voor Bokklubben (13.05.2005) besprak, was wel heel positief:

Je bent dadelijk verkocht, de tekst leeft, je wordt binnengebracht in het gezin van Jarle Orheim, je bent helemaal mee, en je kunt het boek onmogelijk wegleggen.

Marta Norheim (Røff guide til samtidslitteraturen) noemde Renberg

een erg bekwame auteur van realistisch proza

en Kompani Orheim

een sterk en gevoelig verhaal […] een generatieroman voor wie jong was in de jaren 80.

Kristin Aalen (Aftenposten, 04.06.2005) omschreef de roman als

een bitterzoete diepteanalyse van het uiteenvallen van een gezin in de jaren 80.

Renberg zelf zegt in Klassekampen (22.11.2007) dat het boek gelezen kan worden

als een oorlogsallegorie. Het begint met vrede en de droom van een eigen huis, een gezin, een land. Maar dan breekt de oorlog uit – op alle fronten […]

maar het is ook

een bildungsroman. Over Jarles jeugd in de grijze middenklasse in Stavanger, over het leven met een aan de alcohol verslaafde vader in een gezin waar onvoorspelbaarheid de regel was. En over Jarles rebellie tegen de opvattingen van de middenklasse en over zijn pril politiek engagement.

pocketuitgave
filmposter

Kompani Orheim werd in 2012 verfilm in een regie van Arild Andresen met Vebjørn Enger als de jonge Jarle en Cecilie Mosli en Kristoffer Joner als zijn ouders.

Bekijk hier een fragment van de film

Tore Renberg, Kompani Orheim,Oslo (Forlaget Oktober – pocketutgave), 2006 ISBN 978-82-495-0385-8


Charlotte Isabel Hansen **** (2008)

In 1997 voelt Jarle Klepp zich helemaal thuis in het universitaire milieu in Bergen:

Want hij zag vlug in dat in de humane wetenschappen aan de universiteit (zelf beschouwde hij ze stilletjes nooit als wetenschappen, maar eerder als – hoe zou hij het formuleren – activiteiten? bezigheden?) de analytische, retorische intelligentie niet alleen gewaardeerd maar ook beoefend werd, kennis helemaal was niet vereist, maar wel veel van wat de leugenaars, de dominees, de verkopers, de psychologen, de toneelspelers en de politici typeerde: de gave van het woord, vindingrijkheid, wereldwijsheid, vernuft. En Jarle ontdekte snel dat hij dat allemaal bezat. (…) Dit was Jarles wereld. Als een van de happy few van het instituut genoot hij van de privileges van de ingewijden – Hij die zeven jaar geleden fluisterend en onzeker naar Bergen kwam, met epische romans in zijn tas en socialistische sympathieën, was nu een volwaardig lid van de academische elite.

Hij is nu “hovedfagstudent”, met als specialisme literatuurtheorie. Daarnaast heeft hij een relatie met de knappe feministische studente Herdis Svartemo, een verhouding die naar eigen zeggen louter fysiek is.

Maar dan krijgt Jarle plots een brief met een even onaangename als verrassende inhoud: hij heeft een dochter van net geen zeven jaar, het “resultaat” van een episode aan het eind van Mannen som elsket Yngve.

Een vaderschapstest bevestigt wat er in de brief staat, en wat later komt er dan een andere brief. Daarin vertelt moeder Anette dat ze met haar partner voor een weekje naar het Zuiden trekt, en daarom haar en Jarles dochter Charlotte Isabel voor die tijd naar hem stuurt.

En dus trekt Jarle op 06.09.1997 – de dag waarop een groot deel van de wereld met verbijstering reageert op een andere gebeurtenis – naar de luchthaven van Oslo.

Opgetogen is hij niet bepaald:

Ze was zeker zoet als een snoepje, en ze heeft beslist behoefte aan een vader, dat is zeker, maar ik heb geen behoefte aan een dochter. Ik bestudeer Proust, verdorie. Proust.

Het wordt een week vol verrassingen, ook omdat Charlottes situatie toch niet helemaal blijkt te zijn wat ze leek.

Charlotte Isabel Hansen is een satire op het universitaire milieu, dat zich in een ivoren toren, en dus ver van de realiteit, ophoudt en zich bijvoorbeeld bezighoudt met onderwerpen zoals “Prousts onomastikk” (Jarles onderwerp) of de rol van voetnoten in een roman. De onomastiek ofte naamkunde definieert Van Dale overigens als de

tak van de taalkunde die zich bezighoudt met het onderzoek van eigennamen, m.n. met de herkomst en de verbreiding daarvan.

Figuren die de wereldvreemdheid van het milieu illustreren zijn vooral

Hasse Ogmatum:

Het spectaculaire gebrek aan tact en socialiteit zorgde ervoor dat je gemakkelijk genoeg van hem kreeg, zodat Hasse achterbleef met een heleboel bekenden maar weinig vrienden.

Arild Bømlo:

Het leek alsof praten hem enorm veel moeite kostte, en de indruk die je kreeg was dat de wereld hem tegenstond. Mensen met minder zelfvertrouwen dan Jarle en Hasse kregen opeens het gevoel dat op ze neergekeken werd wanneer ze met hem praatten.

en natuurlijk de Zweedse professor Robert Göteborg, die ooit een keer Jaques Derrida ontmoet heeft en daar eindeloos over kan doorbomen:

“Ja, zo gewoon is de vader van het deconstructivisme,” zei Göteborg met een slangachtige glimlach, “Jazeker, jongens. Jullie hoorden het goed: de vader van het deconstructivisme heeft een kat! Ik heb die kat ontmoet. Zeker. Hij heet Georg Friedrich! En weten jullie, jongens, dat hij cactussen kweekt?

Jarle Klepp zelf twijfelt zo nu en dan wel eens:

In die stadia van zijn universiteitsjaren dat hij het grootst mogelijke respect had voor zijn eigen werk en de academische wereld […] twijfelde hij nooit aan de waarde van verheven en weelderige formuleringen […] Hij vond het bijzonder leuk om met deze begrippen te jongleren […] en maakte anderen uit het milieu blij omdat hij de kunsten van het circus onder de knie had. In andere stadia, toen hij minder hoog opliep met zijn eigen werk en dat van anderen, vond hij dat hij gewoon deel uitmaakte van een groep mensen die zich op een pocherige manier boven de anderen stelden.

Wat de relatie tussen Jarle en zijn dochter betreft, die is na verloop van enige tijd harmonieuzer dan je zou verwachten.

Op de website van Renbergs uitgeverij Oktober staan een groot aantal citaten uit positieve recensies over Charlotte Isabel Hansen. Dit zijn er twee waarmee ik me volledig akkoord kan verklaren:

Als lezer ben ik hier dol op. Renberg is bezig om zich een plaats te veroveren als de grote verteller van de hedendaagse Noorse literatuur […] het verhaal zit erg goed in elkaar, het is zowel grappig, als spannend, aandoenlijk en geloofwaardig […] een boek om van te genieten, een boek dat goede en pijnlijke gedachten naar boven brengt, een boek dat je doet grinniken en dat je een traan doen laten. Ik raad het zonder enige schroom aan.  (Emil Otto Syvertsen in Fædrelandsvennen)

[Renberg] is een schrijver die waanzinnig leuk uit de hoek kan komen. Verteltechnisch is hij een echte vakman. Hij schrijft goed en onderhoudend. Hij spreekt iedereen aan.[…] Charlotte Isabel Hansen is een boek vol humor, ritme, elegante vertelovergangen, gezwinde typeringen en merkwaardige beelden. (Cathrine Krøger in Dagbladet)

Toch waren er ook enkele dissidente stemmen. Zo schreef Marta Norheim (NRK, 10.09.2008) onder de titel “Nedtur med Jarle Klepp”

Waar Mannen som elsket Yngve leuk was, is Charlotte Isabel Hansen parodiërend. Kompani Orkheim was aangrijpend, Charlotte Isabel Hansen is sentimenteel. De twee andere romans waren visueel, dit boek neigt naar slapstick. Op zichzelf is er niets mis met parodieën, sentimentaliteit en slapstick, maar in dit geval haalt het de angel uit het verhaal.

Tore Renberg, Charlotte Isabel Hansen, Oslo (Forlaget Oktober), 2008   ISBN 978-82-495-0590-6

Voor Charlotte Isabel Hansen kreeg Renberg in 2008 de Bokhandlerpris. De roman werd in het Duits vertaald:

cover

Tore Renberg, Und zum Frühstück heller Sirup, vertaald door Gabriele Haefs, München (Dt. Taschenbuch-Verl.), 2011       ISBN 978-3-423-24851-8

De roman werd in 2011 door Stian Kristiansen verfilmd met als titel “Jeg reiser alene”:

filmposter
Jarle (Rolf Kristian Larsen) en zijn “onbekende” dochter (Amina Eleonora Bergrem)

Bekijk hier een trailer van de film.


Pixley Mapogo **** (2009)

Pixley Mapago gaat over een heel korte periode in het leven van Jarle Klepp: 10 augustus 2007 en een deel van de daaropvolgende dag.

Jarle is ondertussen 35 geworden en sinds kort aan de slag als aspirant cultuurjournalist bij Stavanger Aftenblad. Op die bewuste 10de augustus bevindt hij zich echter in Oslo om er een verslag te schrijven over het reünieconcert aldaar van The Smiths – al heel lang zijn favoriete popgroep. Het artikel zou zijn doorbraak als journalist moeten betekenen.

Samen met hem op het concert zijn o.a. Helge Ombo, met wie hij ondertussen al twintig jaar bevriend is, en Hasse Ognatum, die hij al tien jaar kent. Die laatste is nu adviseur van de minister van cultuur.

Tijdens het optreden van The Smiths gebeurt er echter iets dat Jarle als enorm choquerend ervaart:

Hoe gedraag je je als je gezien hebt wat je niet zou mogen zien? Wanneer je het ergste beleefd hebt wat een Noorse man meemaken?

en dan blijkt dat theorie en praktijk soms moeilijk met elkaar te verzoenen, ook als het over racisme gaat: Jarle

dreunt ongeremd uitlatingen af die zelfs Siv Jensen nerveus gekuch zouden ontlokken indien ze van haar eigen aanhangers kwamen  (Siv Jensen is een vooraanstaand lid van de sterk immigratiekritische Fremskrittsparti)

zoals Marta Norheim (NRK, 10.09.2009 ) opmerkt.

Ook later op de dag blijven dezelfde gedachten Jarle achtervolgen:

Hoe kwam het dat Jarle wist dat hij er nooit zou in slagen met iemand van deze mensen te praten zonder daarbij te denken: Jullie zijn donker, ik ben blank. En hoe kwam het dat Jarle, die deze duistere kant nooit aan anderen wou tonen, het liefst wou dat deze mensen zich niet hier, in Noorwegen, bevonden.

Een flashback over racistisch gemotiveerd gepest toont ook aan dat Jarle als 14-jarige al onder de groepsdruk bezweek.

Pixley Mapogo, de man om wie alles draait, verwoordt het probleem waarmee de Noren worstelen als volgt:

“Ik heb niks tegen mensen die hier niet geboren zijn,” zei Jarle. “Ik heb mezelf nooit toegestaan er een andere mening op na te houden. Ik kan onmogelijk een mening verdedigen die zegt dat niet alle mensen op dezelfde manier behandeld dienen te worden.

[…]

Pixley glimlachte breed.

“Dat is de Noorse manier van denken. Zo willen jullie denken. Maar jullie denken niet zo. […] Jullie willen zo zijn, de meesten van jullie, maar jullie zijn niet zo […] Jullie zijn rijk en bang en willen met rust gelaten worden.

Misschien heeft Jarles heftige reactie op het gebeurde ook wel te maken met het feit dat hij ouder wordt?

Hij werd de laatste tijd niet alleen geplaagd door een op ijdelheid gebaseerde angst veroorzaakt door een iedere dag toenemende afkeer voor zijn eigen lichamelijk verval […], maar ook door spookachtige antipathie voor gevorderde leeftijd, waarvan hij verwacht had dat ze pas veel later zou opduiken. 

Het “incident” zorgt er ook voor dat Jarle aan Hasse vraagt om het verslag over het optreden van The Smiths te schrijven, en dat blijkt niet zo’n goed idee.

En om alles nog wat erger te maken krijgt Jarle later op de avond nog een telefoontje van de met relatieproblemen en een alcoholverslaving worstelde Helge. Typisch voor Jarle is dat hij niet onmiddellijk de ernst van de situatie inziet. Volgens de verteller lijdt hij aan

een onvermogen om afstand te nemen van wat hij meemaakte.

Met Pixley Mapago toont Renberg nog maar eens zijn vakmanschap als verteller in een roman met erg herkenbare situaties en met een combinatie van humoristisch aandoende fragmenten (de recensie; de discussie tussen muziekjournalisten over welke popgroep nu eigenlijk de allerslechtste is, …) en dramatische toestanden (de scène op het kerkhof, Helge Ombo’s geestelijke en lichamelijke instorting, …)

De reacties op Pixley Mapago waren eerder gemengd. Een aantal recensenten vond dat Jarle Kleppe in deze roman nogal ongeloofwaardig overkwam:

de Jarle met wie ik gelachen had en die ik waardeerde, vind ik hier niet echt terug

schreef Ingrid Brekke in Aftenposten (06.09.2009). Hilde Ørbo ging nog een stap verder en noemde het boek een

matig vervolg

met Jarle Klepp als

een onherkenbare, racistische en seksueel gefrustreerde Jarle, die in het boek zijn tekorten als vader ontdekt.

Allebei lijken ze eerder te reageren op het feit dat Jarle hier niet “ethisch correct” uit de hoek komt.

De al vermelde Marta Norheim vond daarentegen dat

wat Jarle deze keer meemaakt aangrijpender dan wat hij in het vorige boek beleefde

en Bent Johan Mosfjell (Bokavisen, 07.09.2009) omschreef het boek als

niet stichtelijk […] niet opmonterend, maar […] oneerbiedig […] grappig en schrikwekkend

Het laatste woord is voor Tore Renberg (Dagsavisen, 12.11.2009) zelf:

Het boek beschrijft wat er gebeurt wanneer de idealisten Jarle en Helge met desillusies geconfronteerd worden. Het is een beschrijving van wat mannen in hun zieligheid in hun hoofd kunnen halen wanneer ze het niet meer zien zitten. Algemener gezien is het boek misschien een wild om zich heen schoppend crisisroman.

Tore Renberg, Pixley Mapogo, Oslo (Forlaget Oktober), 2009   ISBN 978-82-495-0666-8

Pixley Mapogo werd in het Frans vertaald:

Tore Renberg, Pixley Mapogo, vertaald door Carine Bruy, Paris (Mercure de France), 2013  ISBN 978-2-7152-3300-3


Farmor har kabel-TV / Videogutten **** (2006)

De twee korte romans Farmor har kabel-TV en Videogutten hebben een aantal gemeenschappelijke kenmerken. De centrale figuren zijn twee vrienden van ongeveer 13 à 14 jaar die in ergens in de jaren 80 van de vorige eeuw in een middelgrote stad (waarschijnlijk Stavanger) wonen. Verteltechnisch hebben we twee keer te maken met een verteller die de interpretatie van wat er gebeurt grotendeels aan de lezer overlaat. Wat verder opvalt is dat, vooral in Farmor har kabel-tv, de taal eenvoudig gehouden is. Qua teneur zijn de romans echter erg verschillend.

In Framor har kabel-TV zijn Jonas en Arve allebei grote fans van muziekclips en dus hebben ze een probleem: het enige kanaal dat bij hen thuis op de buis zit is “statskanalen” (NRK) en daarop is maar heel weinig popmuziek te vinden.

Maar er is een oplossing in zicht: Arves oma langs vaderskant woont in een van de “lavblokker” en daar hebben ze kabeltelevisie en dus Sky Channel. En dus gaan ze elke dag bij haar op bezoek om clips te bekijken en te “evalueren” met een systeem dan van “lue” over “nja”, “litt”, “bra” en “kul” tot “enorm” gaat. Voor de bijna blind geworden Else Marie, die nog maar weinig bezoek krijgt en ook niet veel contact heeft met haar zoon en diens vrouw, beteken die bezoeken een hele verandering ten goede.

Met motieven zoals “eenzaamheid” en “oud worden” loert sentimentaliteit onvermijdelijk achter de hoek, maar Renberg weet die potentiële valkuil perfect te omzeilen en levert een genuanceerde en intimistische situatieschets af.

Videogutten is veel donkerder. Hasse en Pål zijn goeie vrienden. Met de rest van hun klas hebben ze niet veel contact. Hasse voelt zich de leider van de twee en ziet “dingen” die anderen niet zien. Pål is realistischer en probeert wel eens onder zijn “gezag” uit te komen:

Ik ben dit nu wel beu. Dat je de baas speelt en voor me beslist. Je denkt dat je over alles kunt beslissen, maar dat is niet het geval

maar dat lukt hem niet al te best.

Via een nieuwe leerling in hun klas komen ze in contact met de iets oudere “Videogutten”, die over een bijzonder uitgebreide collectie horrorfilms en video nasties blijkt te beschikken, iets wat bij Hasse en Pål een zekere fascinatie opwekt.

Er spelen zich in Videoguttens huis echter nog andere dingen af, en wanneer Pål en Hasse met (op de koop toe gestolen) geld afkomen als “bijdrage”, breekt hun naïveteit ze zuur op, en uiteindelijk wordt voor Hasse duidelijk waarom Pål niet meer mee wil komen… Videogutten is dan ook, zoals Martha Norheim (nrk.no, 01.09.2006) het formuleerde

eerder een feelbadverhaal

maar wel knap verteld, en met geloofwaardige personages.

Een uitgebreide (Noorse) analyse van de twee romans vind je hier.

Tore Renberg, Farmor har kabel-tv ; Videogutten, Oslo (Oktober), 2006  ISBN 978-82-495-0424-4


Videogutten is ook een soort prequel voor de erg succesvolle “Teksas trilogi.”: Vi ses i morgen, Angrep fra alle kanter en Skada gods.

Vi ses i morgen **** (2013) (Nederlandse vertaling: Tot morgen (2015))

Jan Inge (Jani) en zijn jongere zus Cecilie kennen we inderdaad nog uit Videogutten. Jan Inge is nog altijd dol op gruwelvideo’s, maar is nu (Vi ses i morgen speelt zich af in het jaar 2012) ook het brein van een criminele bende, die in de loop der jaren een wisselende bezetting heeft gekend en waarvan nu o.a. nog de aan seks verslaafde ADHD’er Rudi en de kille Koreaan Tong deel uitmaken. Tong staat op het punt de gevangenis te verlaten en Cecilie is zwanger, maar weet niet van wie het kind is.

Ook Pål kennen we nog van Videogutten. Hij is ondertussen getrouwd geweest, maar zijn vrouw heeft hem laten zitten en de zorg voor hun twee dochters aan hem overgelaten: Tiril is een goth met een eigen willetje en Malene een vaderskindje met een carrière als turnkampioene in het vooruitzicht. Pål zelf heeft de gokschulden opgestapeld en is wanhopig op zoek naar een uitweg.

En dan is er nog Sandra. Zij heeft een vader die advocaat is en een erg christelijke moeder. Ze is een klasgenote van Malene en heeft net als Tiril een studentenbaantje in een plaatselijke supermarkt. Sandra is hals over kop verliefd op Daniel William, die zelf al een aantal pleeggezinnen “versleten” heeft. Veronika, de dove dochter van zijn huidige pleegmoeder, heeft echter ook een oogje op hem en Daniel William vindt kiezen tussen die twee o zo moeilijk.

Stof genoeg voor allerlei conflicten dus. En die komen tot uitbarsting in de drie dagen in september in oliestad Stavanger die de roman beschrijft, en die vanuit het standpunt van steeds wisselende personages beschreven worden: Jan Inge, Pål, Malene, Tiril, Rudi, Cecilie en Sandra zijn de belangrijkste “focalisators”, maar ook Veronika, Tong en Shaun (eerst de pestkop en daarna het liefje van Tiril) komen een enkele keer aan de beurt.

Vi ses i morgen heeft wat weg van een moderne noodlotstragedie, en het is dan ook niet verwonderlijk dat een van de laatste scènes zo uit een van Jani’s horror movies zou kunnen komen. Het is een merkwaardig intens (Renberg zit zijn personages heel dicht op de huid), spannend, dramatisch en virtuoos geschreven boek, maar in een aantal recensies komt een woord voor dat mij enigszins de wenkbrauwen doet fronsen:

“Vi ses i morgen” is een humoristische thriller met psychologische portretten, ontroerende scènes en een solide soundtrack.

schreef Marta Norheim (Stavanger Aftenblad, 01.10.2013)

en op de website van NORLA (Norwegian Literature Abroad) staat het volgende:

See You Tomorrowis a startlingly original, eerie and hilarious novel about friendship, crime, loneliness and tragic death

Ik zou Vi ses i morgen geen “hilarious” boek durven noemen. Grimmig, sarcastisch (de epiloog!) ja, maar funny? Geef mij maar de evaluatie van Simon Petrie:

The prose shines with a kaleidoscopic immediacy that is, in places, almost painful to read, as lives end, lives begin, and life goes on. I don’t think I’ve read anything quite like it … and I quite like it.

(simonpetrie.wordpress.com, 17.09.2017)

Voor Stian Sangvig (Scan Magazine 68, 09.2014) is Vi ses i morgen

an intense 600-page crescendo of love, money and crime peaking at climaxes with dramatic consequences. Renberg skillfully brings the reader into the characters’ lives, and through empathy he makes it hard to dislike them despite their flaws.

Tore Renberg, Tot morgen, vertaald door Lucy Pijttersen, Anywerpen (Manteau), 2015   ISBN 97890-223-3146-0


In Angrep fra alle kanter **** (2014) (Nederlandse vertaling: Als een rat in de val (2017)) staat de “Hillevågsgjeng” centraal. Nu Cecilie zwanger is wil Jani hun levensstijl op een hoger niveau brengen. Er wordt niet meer naar gruwelfilms gekeken, het huis dient opgeknapt te worden en Mariero Moving, dat jarenlang als dekmantel voor hun illegale activiteiten fungeerde, moet een deftige firma worden. Voor die laatste ingreep is er ook nog een andere reden: Jani en de zijnen krijgen steeds meer concurrentie van erg “bekwame” immigranten die meer en meer hun misdaadterrein inpikken…

Maar voor die transformatie er komt wil Jani nog één heel grote slag slaan die hen financiële zekerheid voor de rest van hun leven zal bezorgen – en daarvoor wil hij voor één keer afwijken van hun basisprincipe en extreem geweld (wat dat in zijn optiek ook moge betekenen…) niet schuwen…

Inspiratie voor die grote slag krijgt Jani wanneer Rudi’s neefjes onverwachts op bezoek komen en de intentie uitspreken niet meer te vertrekken. De 15-jarige Ben is de leider van het duo: hij is nergens bang voor en wordt niet gehinderd door enige morele of ethische overdenkingen. Zijn één jaar oudere broer Rikki daarentegen is een angsthaas en een meeloper, die als “specialiteit” het snuiven van benzine heeft.

Hun ouders zijn typische vertegenwoordigers van het type nieuwe rijken van wie het krioelt in en rond de oliestad Stavanger: vader Frank Martin is een gewelddadige gierigaard en moeder Melissa lijdt aan persoonlijkheidsstoornissen. Ben was zijn tirannieke vader kotsbeu en besloot om samen met Rikki de plaat te poetsen. Het heugelijke nieuws dat hij meebrengt voor Jani is dat zijn vader een enorme smak zwart geld in zijn huis verborgen heeft. En dus doktert Jani een plan uit om die grote zak geld van eigenaar te doen veranderen…

Ben en Rikki zijn overigens niet de enige nieuwkomers in Jani’s huis. Jani heeft zijn relatie met Beverly (met wie de lezer al even kennisgemaakt heeft in Vi ses i morgen) “officieel” gemaakt. Nu blijkt trouwens dat ze zelf een “misdadig verleden” met zich meedraagt… En dan zijn er nog Daniel (ook al aanwezig in Vi ses i morgen) en de uit ex-Joegoslavië afkomstige Dejan, allebei “uitgeleend” door meesterinbreker Melvin.

Even lijkt het erop dat de kraak minder gewelddadig zal aflopen dan in de vorige roman, maar die illusie duurt niet lang. Iedere ketting is maar zo sterk als zijn zwakste schakel en er zitten wel degelijk zwakke schakels in Jani’s ketting – Rikki en Rudi om maar die twee te noemen… En misschien kan ook Tommy Pogo (intussen bloedgeil op Grace Myrtle Bangsgaard, een collega van het politiebureau in Stavanger) nog roet in het eten gooien?

Angrep fra alle kanter is rechtlijniger van opbouw dan zijn voorganger, en dus iets minder “kollektivroman”, maar voor de rest zijn er heel wat parallellen:

Het vertelplezier spat er nog altijd vanaf, en de driften, begeerten en dromen van de hoofdpersonages kolken nog steeds.

schreef Ole Kallelid (Stavanger Aftenblad, 02.09.2014) in zijn bespreking.

Renberg zelf omschreef in een reactie (in: “Kritikken av kritikken”, forfatterforeningen.no, 10.12.2014) op een recensie waarover hij niet te spreken was Angrep fra alle kanter als

SouthStatesgriezel, Faulkner/Tarantino/de broertjes Coen/exploitatiefilms en westerns uit de jaren 70 overgoten met een saus van Scandinavisch drama

Hij wees ook op het verband

dat de roman heeft met het dramatische karakter van moderne televisiereeksen

Voor Marta Norheim was Angrep fra alle kanter

een gewelddadig verhaal over een onwaarschijnlijk kleurrijke personengalerij die zijn best doet om de lezer telkens weer te verrassen. Dit was fun.

Feit blijft in elk geval dat je niet anders kunt dan de wenkbrauwen fronsen bij het contrast tussen de onderliggende “morele” principes van de personages en de door hen verwoorde opvattingen en sympathieën. Zo omschrijft Rudi zichzelf als een erg gevoelig mens en is hij een fervent aanhanger van Kristelig Folkeparti…

Een “morobok” kun je Angrep fra alle kanter, genomineerd voor de Bokhandlerpris 2014, m.i. in elk geval niet noemen.

Tore Renberg, Als een rat in de val, vertaald door Lucy Pijttersen, Antwerpen (Manteau), 2017     ISBN 978-90-223-3392-1


Skada gods *** (2017)

De wereld is geen plaats voor beschadigde exemplaren zoals wij,” fluisterde Jan Inge. “Wij hebben geen plaats hier op aarde, Chessi. Wij functioneren niet.

In Skada gods komt de Hillevågsgjengen uit een achterafwijk van het (olie)rijke Stavanger, en vooral dan de Kristelig Folkeparti-aanhanger Jan Inge zelf, in zwaar weer terecht.

De dreigingen zijn zowel van externe als van interne aard. In een onbewaakt ogenblik heeft Jan Inge zijn hart uitgestort bij dominee Joar Molland, en die loopt sindsdien met een bijzonder bezwaard geweten rond. En Tommy Pogo, “the bad guy turned cop” kan na een stukgelopen relatie best een aardig centje gebruiken en zet daarom Jan Inge het mes op de keel.

Maar ook binnen de groep zijn er spanningen. Jan Inges muze Beverley Hinna blijkt vooral voor eigen rekening te rijden en is er willens en wetens de schuld van dat zijn oude kompaan Rudi in een bijzonder lastig parket belandt wanneer hij de griezel Bjørn Stanley achter zich aan krijgt. Rudi, en dat volledig ter zijde, blijkt totaal onverwacht wel een goede literaire smaak te hebben wanneer hij zich erg lovend uitlaat over Cormac McCarthy’s The Road:

Nee, we moeten zorg dragen voor wat we hebben, of anders wordt het hier een krankzinnige boel. Het gaat hier over een vader en zijn zoon, die zich door rotzooi heen vechten, en het is verdomme zo triest om te lezen, maar op een goeie manier, of hoe zal ik het zeggen, ik ben immers geen boekenworm. Want zij zijn de goeden, zij waarover ik hier lees, in een wereld die naar de haaien is.

En dan is er nog de nieuwe “aanwinst” Ben…

Er was iets sympathieks – en iets afschuwelijks – aan deze jongen. Genadeloos knap, genadeloos aanwezig

zo omschrijft Pogo hem. Van zichzelf weet Ben dat hij

door en door misdadig

is:

liep hij een huis voorbij, dan dacht hij onmiddellijk: “Valt er daar iets te jatten?”

Volkomen ondoorgrondelijk, en met de ambitie om zelf bendeleider te worden.

Skada gods is opnieuw een opeenstapeling van absurde scènes, actie waarin bruut geweld vaak niet ontbreekt en pikzwarte humor, met tussendoor nog “bespiegelingen” van Jan Inge. Een ding kun je niet ontkennen: het boek leest als een trein.

Het boek speelt zich af in de in de kerstperiode van 2012 en het is dus niet verwonderlijk dat Jan Inge goede voornemens koestert, maar wat daar in huis zal van komen met “de duivel” in de buurt, is nog maar de vraag…

Tore Renberg, Skada gods, Oslo (Forlaget Oktober AS), ISBN: 978-82-495-1881-4 (ePub)


Tore Renbergs Teksasboeken worden een tv-reeks

wist Kulturplot.no op 09.03.2020 te melden.


Lungeflyteprøven (2023) ****½ (Nederlandse vertaling: De longdrijfproef (2025)) is Tore Renbergs eerste historische roman:

Dit is een historische roman, alle fouten en tekortkomingen zijn mijn verantwoordelijkheid; (…) Ik heb ervoor gekozen om de gebeurtenissen in de bronnen te volgen, voor zover dat mogelijk was, (…) mijn opdracht was er leven in te pompen (vertaling Liesbeth Huijer)

schrijft hij in zijn nawoord.

Qua concept heeft Lungeflyteprøven in elk geval veel gemeen met een “klassieke” historische roman. Er is een duidelijk aanwezige verteller (een soort alter ego van Renberg) die de personages typeert, en zijn personages soms direct aanspreekt:

Zo zit de wereld in elkaar, Anna. Mensen zijn vol van zichzelf (vertaling Liesbeth Huijer)

Een paar keer richt hij zich ook rechtstreeks tot zijn lezer.

De verteller kiest er ook voor om het verhaal niet zuiver chronologisch te vertellen en voorziet zijn hoofdstukken soms van uitgebreide ondertitels – iets wat bijvoorbeeld Henry Fielding in zijn tijd al deed:

HET DERTIENDE HOOFDSTUK

Hoe verliep het eigenlijk, dat wat de familie Voigt niet te weten kreeg? Een ontmoeting tussen CHRISTIAN THOMASIUS en JOHANNES SCHREYER, in de late herfst van 1683.

(vertaling Liesbeth Huijer)

De roman is geschreven in een conservatief, half-archaïsch Noors en de toon is eerder moraliserend:

Zo is het, op die manier worden mensen ellende en vermaak in en uit geslingerd, de weg is kort, we weten nauwelijks hoe we hier zijn beland, en hoe we het uithouden, dat weet niemand. (vertaling Liesbeth Huijer)

Een roman dus, maar wel een met een heel duidelijke feitelijke basis. In zijn bijzonder uitgebreide nawoord geeft Renberg omstandig aan wanneer wat hij schrijft niet door bronnen gestaafd is. Daar vindt de lezer ook een paginalange lijst van personages die “echt” geleefd hebben met daarbij verdere biografische informatie. Een bijzonder uitgebreide literatuurlijst maakt ook deel uit van het nawoord. Verwonderlijk is het dus absoluut niet dat Renberg jarenlang aan deze roman gewerkt heeft:

Ik ben er nu vijfenhalf jaar mee bezig geweest. Ik ben als het ware verhuisd naar het Saksen van de jaren 1680. Ik heb de universiteit bezocht met haar artsen en juristen, de kerk met haar theologen, de executieplaats met de scherprechter.

zei Renberg in een interview in Stavanger Aftenblad (26.08.2023).

Op de vraag waarom het verhaal over Anna Voigt ons nog erg aanspreekt, ook al gaat het over iets wat lang geleden gebeurde, antwoordde Renberg in een interview in Dagsavisen (29.08.2023):

het eenvoudige, het melodramatische en het tragische. Iemand zit achter je kind aan en wil het ten gronde richten. Wat doet dat met je als moeder, als zus, als broer, als vader. Het is iets eenvoudigs, maar het dijt uit.

Plaats van gebeuren is voor het grootste deel Leipzig en het nabijgelegen Greitschütz; de roman begint in 1681 en eindigt rond 1695. De twee centrale personages zijn Anna Voigt en Christian Thomasius.

De nog erg jonge Anna Voigt is de dochter van een landeigenaar, die als parvenu door de oude landadel met een scheef oog bekeken wordt. Anna wordt beschuldigd van het vermoorden van haar pasgeboren dochter, iets wat volgens de Carolina, het eerste Duitse, door Karel V ingestelde strafwetboek uit 1532, met de dood bestraft moet worden.

Christian Thomasius is een jonge, progressieve advocaat:

De filosofie, zei hij, heeft verloren, ze sluit haar ogen voor het praktische leven en maakt zich onverstaanbaar (vertaling Liesbeth Huijer)

die optreedt als Anna’s verdediger en daardoor zeker de eerste jaren van het proces nauw bij de zaak betrokken is.

Anna Voigt zelf heeft altijd volgehouden dat haar dochter doodgeboren was en het centrale punt in Thomasius’ verdediging is de longdrijfproef, een toen recente wetenschappelijke ontdekking, die poneert dat wanneer men een longstukje van een overleden kind in water legt en het door de lucht erin blijft drijven dat bewijst dat het kind geleefd heeft. Zinkt het, zoals dat bij Anna’s kind het geval was, dan heeft het kind nooit geleefd.

Dat de sectie op het lijkje verricht werd door de befaamde arts Johannes Schreyer zou een bijkomend pluspunt moeten zijn:

“Anna Voigt,” zei Johannes Schreyer, “is misschien schuldig aan allerlei hoererij, maar ze is volgens de wetenschap geen kindermoordenares. Als de rechtbank mensen onthoofdt, moet ze dat met schuldigen doen. Dit kind heeft nooit ademgehaald.

Schreyer (een groot boekenliefhebber overigens)en Thomasius zijn mannen van de (prille) Verlichting:

“Het is onze plicht,” zei Schreyer, “om ons alleen te verhouden tot wat we observeren. Kortom: de feiten die het lichaam ons hier toont, de observeerbare feiten, en de niet-observeerbare feiten die uit de geobserveerde voortvloeien (vertaling Liesbeth Huijer)

Maar… de longdrijfproef wordt niet algemeen aanvaard:

Want zo ging het steeds weer in dit land: elke keer dat een wetenschapper licht in de duisternis bracht met nieuwe gedachten , kwamen de traditieridders om alles weer in duisternis te hullen. Ze riepen “ketter” en “atheïst”, en dat was vooral in Leipzig het geval, waar ternauwernood enkele lichtstraaltjes binnenvielen.

(vertaling Liesbeth Huijer)

In Leipzig zijn er inderdaad ultraconservatieve krachten actief. In de roman worden ze vooral vertegenwoordigd door Johan Benedict Carpzov, die een strenge, letterlijke interpretatie van de Bijbel voorstaat:

Eén ding agiteerde hem sterker dan wat dan ook: de kracht van de jeugd. Hij kon niet tegen die bruisende hoofden, die veranderingsgezinde harten, hun stelligheid, het patent dat ze – zo onervaren – meenden te hebben op de wijsheid. (…) alles waar hij een hekel aan had vond hij terug in het gezicht van de eerstgeborene van zijn goede vriend, de schooier Christian Thomasius.

Hij zorgt er o.a. voor dat Thomasius geen aanstelling aan de plaatselijke universiteit krijgt.

De rechtsgang komt voor ons, “moderne” lezers, natuurlijk als iets compleet absurds over:

Er staat duidelijk in Carolina (…) dat de rechtbank een bekentenis nodig heeft om een vrouw te veroordelen

maar je hebt natuurlijk veel kans op een bekentenis als je mag folteren… Lange gevangenisstraffen bestonden nauwelijks door het gebrek aan “accommodatie”, maar de oplossing was simpel: lijfstraffen en terechtstellingen. Publieke terechtstellingen werden in die tijd trouwens als een soort volksvermaak beschouwd: de dag waarop een executie plaatsvond was een vrije dag; het was een zien-en-gezien-worden-dag, waarop de beste toeschouwersplaatsen voorbehouden werden aan de notabelen van de stad…

Lungeflyteprøven is erg lang, maar verveelt geen ogenblik. Ik beperk me verder tot enkele relatief korte citaten uit recensies:

een veelzijdig en dramatisch verhaal – voor het grootste deel gebaseerd op historische bronnen – dat de lezer vanaf het prille begin boeit (…) een leesfeest dat pagina na pagina aan spanning, dramatiek en wederwaardigheden wint. (Marius Wulfsberg, Dagbladet, 26.08.2023)

Tore Renberg is erin geslaagd om stofvergarende documenten om te vormen tot een meeslepende thriller van ruim 500 bladzijden vol actie. (…) In een sterk hiërarchisch geordende maatschappij waarin beenharde wetten en orthodox bijbelgeloof samen met grote dosissen machtswellust, afgunst, huichelarij en geldzucht doorslaggevend zijn, kunnen nieuwe ideeën maar moeilijk voet aan de grond krijgen. Zo bekeken is Renbergs nieuwe roman een roman die vele kanten uitgaat: van griezelroman vol schrik en gruwel tot doordachte ideeënroman. Toch is het het verhaal over Anna Voigt en haar lot dat de lezer echt raakt. Het is een krachtenveld dat centraal in de roman ligt te zieden (Turid Larsen, Dagsavisen, 25.08.2023)

Een totaal on-Noorse roman – grotesk en uit zijn voegen barstend. Als door magie komt de lezer in de zeventiende eeuw terecht. Het boek heeft een politieke ondertoon (…) Het overdonderende leesfeest laat je achter met een ernst die je niet gemakkelijk van je af kunt schudden.

(Aftenposten, 09.12.2023)

De meest verrassende roman van het jaar (…) Renberg komt wat traag op gang maar langzamerhand hakt hij zich een weg naar het hart van de lezer (…) Langzaam maar zeker wordt ook de lezer besmet door de fascinatie van de auteur voor het rechtssysteem van die tijd, zoals dat was vastgelegd in wetboeken en memoires.(…) [de roman is]even elegant gecomponeerd als een fuga van Bach.(…) Renberg is in tegenstelling tot Ørstavik, Loe, Espedal, en gedeeltelijk ook Fosse, geen auteur die steeds weer hetzelfde boek schrijft (Knut Hoem, nrk.no, 24.08.2023)

Tore Renberg heeft voor het eerst een historische roman geschreven, en wat voor een roman! (…) Lungeflyteprøven is een verhaal over de positie van vrouwen in de maatschappij en over geweld, maar ook over vrijheid van meningsuiting, rechtsgeschiedenis en forensische geneeskunde. (…) En hoewel Renberg zich grondig heeft verdiept in de bronnen, laat hij tegelijkertijd veel ruimte voor fantasie van vooral de groteske soort.(…) De genrevermenging en de erg uitgebreide personengalerij met daarin onderling verschillende motieven en perspectieven hadden van het boek een rommeltje kunnen maken. Maar dat is niet het geval: dit is in alle opzichten een geweldig boek. (Oda Faremo Lindholm, VG, 24.08.2023)

De auteur heeft niet toegegeven aan de verleiding om de personages te laten denken op een manier die correspondeert met onze hedendaagse opvatting over rechtvaardigheid. Dit is een van de sterke punten van deze roman. De auteur heeft zich grondig verdiept in de tijd waarover hij schrijft, en wij als lezers ervaren de tragedie van de personages net omdat hij ze laat denken en handelen volgens de normen van hun tijd. (…) Dit is een indrukwekkende roman. De personagegalerij is erg gevarieerd. De ouderwets aandoende taal is zo mooi dat je buik ervan kriebelt. Sommige zinnen zijn bijna een halve pagina lang, en ik wou dat ze nooit zouden eindigen. (Inger-Lise Kvås, altså.no, 04.10.2023)

Renberg is erin geslaagd om ons op zo’n manier in dit laat 17de eeuwse universum binnen te leiden dat wat er daar gebeurt ook nu nog als relevant ervaren wordt, en dat zal over 100 jaar nog altijd het geval zijn (…) Hij heeft een roman geschreven die de geschiedenis zal ingaan als een van de belangrijkste van de moderne Noorse literatuur – of van de moderne literatuur tout court. (Tor Hammerø, nettavisen.no, 27.09.2023)

Met Anna Voigt loopt het slechter af dan met de pompeuze, pseudo-heroïsche mannen die zich vaak onbegrepen en gekwetst voelen en er soms tegen opzien om zich te uiten omdat ze bang zijn voor sociale uitsluiting. Keer op keer drijft de verteller op Dickeniaanse wijze de spot met deze kleine grote mannen. De verteller in Lungeflyteprøven is een poppenspeler van de oude soort, iemand die zijn perfecte miniaturen overschouwt en ze met gecontroleerde bewegingen brengt waar hij ze hebben wil. (Maria Olerud, Vinduet, 21.09.2023)

een nogal barok, maar spannend boek (…) . Door 21ste-eeuwse ogen is het onverdraaglijk hoe langzaam en wollig alle communicatie verloopt, hoe niemand tot de kern komt, hoe maanden en jaren van Anna’s leven verloren gaan aan procedures waar ze geen enkele invloed op heeft, aangezien ze een meisje is, en zolang ze het tegendeel niet kan bewijzen ook een moordenares. Wie overigens onvoorwaardelijk in haar onschuld gelooft, is Anna’s vader. De passages in het boek die vanuit zijn perspectief zijn geschreven, zijn de meest pregnante. (…) Bovendien werpt het [boek] de vraag op of het uitmaakt hoeveel er ‘feit’ is en hoeveel ‘fictie’. Immers, met alleen de aanwezige gegevens, opgesteld door louter mannen die een voor henzelf gunstige uitkomst probeerden te bevorderen, zou in elk geval nooit het volledige verhaal kunnen worden verteld. (Vrouwkje Tuinman, Trouw, 19.06.2025)

[een] grootse historische roman (…) Renberg heeft de feiten tot een smeuïge, meeslepende vertelling omgevormd (alleen de inhoudsopgave al is een feest om te lezen) (…) door het tonen van de onderdrukking van vrouwen en andersdenkenden speelt Renberg goed in op de verontwaardigde lezer van nu. (Maarten Moll, Het Parool, 01.05.2025)

ein fesselnder, facettenreicher Gesellschaftsroman  (…) Renberg hat (…) seine Leser sofort am Haken. Indem er die historischen Personen mit Liebe zum persönlichen Detail und Präzision lebendig werden lässt.(…) Zwar ist nicht jeder Dialog so glaubwürdig, wie das Bild des volkstümlichen Spektakels am Tag einer Hinrichtung und die sachlich rekonstruierten Methoden der Folterknechte. Doch die klare Sprache zeichnet die Zeit anschaulich und trifft ihren Ton genau. (Andrea Ring, ndr.de, 04.11.2024)

ein außergewöhnlicher historischer Roman, da er das Drama längst vergangener Tage auf so vielfältige Weise lebendig werden lässt, dass man an seiner Seite in die Stadt Leipzig um 1680 eintaucht. Ein intensiver Blick zurück in eine Zeit, da so manches unserem Leben ähnlich war, aber zum Glück vieles nicht mehr so ist. (Stefanie Eckmann-Schmechta, histo-couch.de, 02.2025)

Renbergs Roman liest (hört sich) wie ein Zeitfenster in diese ganz besondere Phase der Geschichte. Es ist der Zeitraum, wo rückwärtsgewandte, reaktionäre Kräfte sich mit aller Gewalt gegen das Fortschrittsdenken und den Wunsch der Menschen nach Veränderung stemmen. Der Streit um Lungenschwimmprobe, um deren Anerkennung Schreyer und Thomasius im Fall Anna Voigt unermüdlich kämpfen, steht symptomatisch für diese gegensätzlichen gesellschaftlichen Strömungen. (BurnerDano, Lust auf Literatur, 17.11.2024)

Tore Renberg, De longdrijfproef, vertaald door Liesbeth Huijer, De Bezige Bij/Uitgeverij Oevers, 2025     ISBN 978-94-0313-247-1


Terug naar Home